Corrie Holmer had tot nog toe ’t logeeren bij haar oom altijd heel

aardig gevonden. Alles ging daar even rustig, stil en geregeld zijn

gang. Geen van de dienstboden scheen ooit krakende laarzen te dragen,

en zelfs de zwartzijden Zondagsche japon van de huishoudster scheen er

in geoefend te zijn volstrekt niet te ruischen. Maar als een korte

afwisseling van haar eigen vroolijk, druk tehuis, had Corrie die

rustige, ongewone omgeving wel prettig gevonden. Nu ze er echter te

zamen met haar broertje was, voelde ze, hoeveel ze ook van hem hield,

zich er niet zoo volkomen zeker van of zijn tegenwoordigheid daar haar

wel zoo héél gewenscht voorkwam; en die twijfel rees onwillekeurig

opnieuw bij haar op, toen ze, den derden dag van hun bezoek, vriend Jo

de trap hoorde afglijden, onder luid gefluit en gestommel.

„Wat een ellende toch, die winter, en die vorst, en alles,” bromde de

heer Holmer, toen hij dien ochtend binnenkwam om te ontbijten. Hij was

buiten geweest op het achtererf, om, zooals hij gewoonlijk deed, zijn

lievelingshond goeden morgen te zeggen, en als bewijs van zijn

genegenheid had hij aan Trust een been gebracht. En in zijn haast om te

toonen dat hij de vriendelijkheid van zijn baas op prijs stelde, had

die groote, brave, domme oude Trust, zich verslikt. En daarna had hij,

in zijn benauwdheid, zijn bak met water omgegooid.

„Arme stumperd!” zei de heer Holmer, en hij raapte den bak op en liep

er mee naar de waterkraan op het erf om dien op nieuw te vullen. Maar

door den vorst, of de roest, of doordat er nooit gebruik van gemaakt

werd, of door welke reden dan ook, in elk geval bleek de kraan vast te

zitten. Hij draaide er eenige malen aan, van rechts naar links, en van

links naar rechts, maar ’t hielp niemendal; hij kon er niet de minste

beweging in krijgen. Dus gaf hij aan den knecht order den bak van Trust

te vullen, die in den tusschentijd al zonder water van zijn benauwdheid

was bekomen; en toen trad de heer des huizes de ontbijtkamer binnen,

brommende en pruttelende over ’t weer en over alles, totdat hij ’t

vriendelijke, opgewekte gezichtje van zijn nicht in ’t oog kreeg, en

toen verdwenen op eens alle rimpels, en hij riep uit:

„Och, och, wat een oude knorrepot van een oom heb-je toch, kind-lief!

Ik zal nog maken dat je bang voor me wordt en naar huis terugloopt, als

ik niet oppas. Schenk me maar eens een kop koffie in, misschien is dat

wel geschikt voor iemand die uit zijn humeur is.”

Corrie voldeed lachende aan dat verzoek, en toen ze den bedarenden

drank aan haar oom bracht, vroeg ze naar de meer speciale oorzaak

waarom hij op dat oogenblik zoo ontstemd was.

„’k Wed dat ik die kraan wel zou kunnen omdraaien,” riep Jo, toen ’t

verhaal uit was, en hij sprong van zijn stoel.

„Jawel, natuurlijk, en tegelijk de tafel ondersteboven gooien,” zei

zijn oom wrevelig, want elk kopje en bordje, dat op tafel stond,

rammelde, en de helft van zijn koffie was op ’t schoteltje gemorst.

„Corrie, beste meid,” voegde hij er bij, „je zult dit zeker wel willen

schoonmaken; en zou je dan alsjeblieft ’t bord van je rumoerigen broer

eens willen vullen met alles wat je maar denkt dat hij lekker vindt,

zoodat er kans bestaat dat jij en ik eens tien minuten rust hebben.”

„Bedoelt u terwijl ik eet, oom?” vroeg Jo.

„Ja, jongen, terwijl je eet. Je praat toch niet terwijl je eet, hoop

ik?”

Jo hield zijn hoofd op zij, met een nadenkende uitdrukking.

„N—een, dat geloof ik niet; niet als de dingen lekker zijn ten minste.

Maar ik schop onder ’t eten wel eens met mijn voeten tegen de

tafel—Corrie en moe zeggen ’t ten minste—en u weet niet hoe de dingen

dan soms rinkinkelen. Kijk, zoo!”

En vóórdat de arme Corrie een waarschuwing kon doen hooren, of om de

tafel heen naar haar broer kon toevliegen, had Jo de daad bij het woord

gevoegd, en een heel duidelijk voorbeeld gegeven van wat hij bedoelde.

De heer Holmer sprong overeind, met, voor ’t oogenblik, een uitdrukking

van bepaalde woede op ’t gelaat. En Corrie stond, bevend en met in

elkaar geklemde handen, toe te kijken. De kleine schuldige staarde met

ernstigen blik naar den inhoud van zijn kopje, die over het tafelkleed

stroomde, en toen merkte hij, op een toon van diepe afkeuring en

ergernis, op:

„Hè, oom, wat is dat een vrééselijk waggelachtige tafel! Hè, u is nog

ouder dan papa, en papa zou zoo’n waggelachtig ding niet in zijn

ontbijtkamer willen hebben, dat weet ik zeker.”

„Maar, Jo, hoe durf-je toch?” riep Corrie hem met gedempte stem toe.

Verbazing over de vermetelheid van haar broertje, en vrees voor de

straf, die daarvan een noodzakelijk gevolg zou wezen, streden in haar

binnenste om den voorrang. ’t Was een beproeving getuige te moeten zijn

van Jo’s onbehoorlijk gedrag, maar er getuige van te moeten zijn dat

hij gestraft werd en zich verdrietig en ongelukkig voelde, was een nog

zwaardere beproeving. Nog eenmaal wierp ze een blik op ’t gelaat van

haar zeer stipten, nauwgezetten oom. En de uitdrukking, die ze daarop

las, verbaasde haar nóg meer dan ’t gedrag van haar broertje. Gedurende

één oogenblik was de heer Holmer letterlijk sprakeloos geweest van

boosheid, maar in ’t volgende oogenblik barstte hij in een

onbedwingbare lachbui uit. Bij dat volkomen onverwachte geluid zonk

Corrie weer in haar stoel neer, terwijl haar oom uitriep:

„Zeg eens, vriend Jo, ik heb wel eens van brutale menschen gehoord, en

ik heb er ook wel eens een paar ontmoet in mijn leven, maar ik heb er

nooit een ontmoet, die met jou te vergelijken is! Dat gaat me daar, in

de eerste plaats, uit louter baldadigheid tegen mijn arme tafel

schoppen, en mijn mooi wit tafellaken totaal vuil maken, en nu wordt

van mijn meubilair waarachtig nog kwaad gesproken op den koop toe!”

Snel hief Jo zijn hoofd op.

„Maar ik zal van ú nooit kwaad spreken, Oom Johan,” stamelde hij

haastig. „U is een vreeselijk leuke, gezellige oom. Ik dacht dat ik een

klap om m’n ooren zou krijgen, en—en—” de krachtige jongensstem begon

een héél klein beetje te trillen—„ik had ’t bijna maar liever gewild.

Wat ziet dat schoone tafellaken er uit! Als ik een beetje verstand van

wasschen had, dan zou ik probeeren om die vlekken er voor u uit te

krijgen.”

„Probeer ’t dan maar niet, alsjeblieft,” zei zijn Oom lachend. En toen

stond hij op, en, onder voorwendsel van ’t met koffie overstroomde bord

van zijn jeugdigen gast voor een ander te verruilen, boog hij zich over

hem heen, en voor de eerste maal sinds Jo ’t zich kon herinneren,

raakte hij diens voorhoofd met zijn lippen aan. Zijn neefje mocht dan

ondeugend en al te vrijpostig wezen, terwijl die plek op zijn hoofd,

waar de knobbel van den eerbied moest zitten, wel totaal afwezig scheen

te zijn; maar wat zijn hart betrof, dat scheen toch blijkbaar op de

rechte plaats te zitten; en daar de heer Holmer zelf, ondanks zijn

uiterlijke deftigheid en strengheid, een heel goedhartig man was, was

’t niet onmogelijk, dat zich in den loop der jaren, een meer innige

band tusschen hem en zijn petekind zou ontwikkelen, dan als vriend Jo

een neefje was geweest, heelenal naar ’t eigen model van zijn peetoom

geknipt, en zoo beleefd en onderdanig als er maar één bestaan kon.

De bewijzen daarvan zouden evenwel pas in de toekomst kunnen blijken.

Intusschen ging het ontbijt zijn gang en kwam tot een eind, zonder dat

er verder iets meldenswaardigs voorviel, met uitzondering van een kort,

half fluisterend uitgesproken praatje tusschen Corrie en haar broer,

toen ’t maal bijna afgeloopen was. De heer Holmer had zijn bord en

kopje achteruit geschoven, en was bezig zijn courant te lezen, naar

allen schijn doof voor al wat hem omringde.

„Zeg, Corrie! Waarvoor doe-je dat?”

„Wat bedoel-je, Jo?”

„Wel, om de gelei daarginder te zetten? Ik zou zeggen dat je al moe

genoeg moet zijn van ’t koffieschenken en al die dingen, en dat je je

dus geen moeite hoeft te geven voor niemendal.”

„O, dat was zoo heel veel moeite niet om dien pot hier te zetten.”

„Neen—maar om ’m dan ook weer terug te geven, zie-je.”

Na dit op veelbeteekenenden toon geuite gezegde volgde er zulk een

ongeduldig geritsel met de courant, dat Corrie een oogenblik wachtte,

vóórdat ze, met gedempte stem en op gedwongen kalmen toon, antwoordde:

„O, natuurlijk zou ik den gelei-pot niet aan dezen kant van de tafel

hebben gezet, als ik gedacht had dat die aan den anderen kant nog

noodig kon zijn. Ik heb ’m niet verzet voordat ik zag dat je genoeg

hadt gehad.”

„Voordat je dat zag?” zei Jo, terwijl hij heel ernstig zijn hoofd

schudde. „Dan kan ik je zeggen, Corrie, dat je je totaal vergist hebt.

Ik heb nog niet eens half genoeg gehad, en omdat ik de andere helft ook

graag hebben wou, zal-je je de moeite moeten geven den pot nog even

hier neer te zetten, waar hij gestaan heeft.”

Corrie schudde haar hoofd. „Onmogelijk. Die extra inspanning zou net ’t

laatste stroohalmpje kunnen zijn, zie-je, waardoor mijn arm, die nu al

zoo moe is, pijn zou gaan doen.”

„Goed,” zei Jo; „dan zal ik ’m zelf dienen te gaan halen; maar je hebt

me gezegd dat oom ’t liever niet had dat ik van mijn stoel opstond als

we aan tafel zitten.”

„Dat heeft hij ook niet,” zei Corrie, die eindelijk in ’t nauw gebracht

werd en zich genoodzaakt voelde ronduit te spreken. „Er is volstrekt

geen reden voor dat je nu zou opstaan, dan alleen om te gaan spelen,

want je hebt overvloedig genoeg gelei gehad, eigenlijk al meer dan goed

voor je is.”

„Neen, hoor eens, Corrie, dat is ’t nu juist waar je je in vergist,”

bracht Jo hier op dringenden toon tegen in. „Ik heb nog altijd een

bepaalde leegte binnen in me—en, je weet wel, oom heeft gezegd dat ik

hier pleizier moest hebben.”

Daar kwam de ritselende courant naar beneden, en Oom sprong van zijn

stoel op, met een nieuwe uitbarsting van gelach. „Jou lastige kleine

woelwater, waarom kan je je ouden oom niet rustig zijn courant laten

lezen, zeg?”

„’t Spijt me erg, Oom,” luidde ’t berouwvolle antwoord. „Maar ’t is

ondeugend van Corrie, is ’t niet, dat ze me niet laat doen wat u me

gezegd hebt?”

„Natuurlijk,” zei Oom, „bijna zoo ondeugend als dat ze zelf

ongehoorzaam was. Maar omdat ik gezegd heb dat je hier plezier moest

hebben, en je gehoorzaamheid aan die order blijkbaar in het eten van

gelei schijnt te bestaan, wat zou je er nu van denken als we omtrent

dat punt eens een afspraak maakten, terwijl Corrie je uit dien pot nog

één lepeltje-vol geeft.”

’t Gezicht van Jo helderde op, en hij reikte zijn zuster zijn bord toe.

„Flink zoo, Oom. U begrijpt me, dat merk ik wel—u is niet zoo krenterig

als een meisje. Hè, Cor! je hadt dien langen straal wel op mijn bord

kunnen laten vallen, in plaats van weer terug in den pot. Dat zou een

man nooit gedaan hebben, dat weet ik zeker.”

„En een man zou er niet zooveel spijt van hebben als je ziek werdt,”

zei Corrie, verwijtend. „Werkelijk, Oom, ik ben bang dat hij nog ziek

zal worden, als u hem zoo overlaadt met lekkernijen. We leven thuis zoo

eenvoudig.”

De heer Holmer trachtte een heel ernstig gezicht te zetten, en streek

Corrie bemoedigend over ’t blonde haar.

„Kijk eens, kind-lief, je hoort wel dat Jo en ik een afspraak samen

zullen maken, en omdat ik zeker weet dat we ons daar allebei aan zullen

houden, hoef-je je, dunkt me, niet langer ongerust te maken. Je

logeeren hier, Jo, zal, dat weet-je, nog elf dagen duren, als alles

goed gaat; dus nu zal ik tegen de keukenmeid zeggen dat ze zes potjes

gelei apart zet, die speciaal voor jou zijn bestemd—Corrie en ik zullen

van een ander gebruik maken. Zoolang die zes potjes gelei niet op zijn,

kan je hier blijven; je zult er heelenal de vrije beschikking over

hebben, maar als ze op zijn, vóórdat de elf dagen om zijn, dan is ’t

met logeeren hier ook uit.”

„’t Is te hopen waarlijk, dat ze dan nog niet op zullen zijn!” riep

Corrie uit. „Meer dan een halve pot per dag!”

„En massa’s en massa’s andere lekkere dingen nog er bij,” zei Jo, met

een zucht van tevredenheid.

„Jawel,” stemde de heer Holmer toe, „maar, je begrijpt, geen andere

soort van gelei of jam, of zoo iets van dien aard.”

„O, neen. Natuurlijk niet,” antwoordde Jo, met een nadenkend gezicht.

„Maar zes potten voor elf dagen—ik zal maken dat ik daarmee toekom. En,

ziet u, dan zal ik er nog wel eens met de keukenmeid over spreken ook.

Ze zal stellig wel groote voor me uitzoeken, als ze hoort dat ’t voor

een pleiziertje moet dienen. Ze zei gisteren nog, dat een beetje

pleizier maken en lekker eten wel eens goed was nu en dan, voor jongens

die in hun groei zijn. Uw keukenmeid is aardiger dan die bij ons thuis,

Oom Johan. Ze maakt ’t heelemaal goed dat u een meer waggelachtige

tafel heeft!”

„Maar Johan, houd-je mond toch!” riep Corrie.

Oom Johan zei niets; hij was de kamer uitgegaan.

„’t Is wel aardig een oom te hebben, vind-je niet, Corrie?” zei Jo.

„Heel wat aardiger dan een zuster te hebben, geloof ik dat je denkt,”

zei Corrie Holmer, met een halven zucht. En toen verliet ook zij de

kamer, om te probeeren, vóór haar broertje, onder vier oogen een

woordje te hebben met de al te gulhartige keukenmeid.

Corrie had zich niet zoo behoeven te haasten. Jo’s kleine krullebol was

gedurende de laatste twintig minuten heelenal vervuld geweest van nog

een andere gedachte, behalve die omtrent de lekkere dingen die hij bij

zijn ontbijt kreeg; en, om hem recht te doen weervaren, moet gezegd

worden, dat die andere gedachte voor hem verreweg de meest belangrijke

geweest was van de twee. Hij zou zelfs zijn twee laatste boterhammen

met gelei hebben opgeofferd, om zijn plan gauwer ten uitvoer te kunnen

brengen, als hij kans had gezien zijn oom en zijn zuster vóór dien tijd

uit den weg te krijgen.

Maar die nieuwe plannen van hem vereischen een nieuw hoofdstuk.

VI.

EEN MOEILIJK OOGENBLIK.

Op een tentoonstelling heeft eens een schilderij gehangen, met den

titel die boven dit hoofdstuk staat. Een klein kind, dat in een hoogen

stoel zijn boterham zit te eten, ziet zich, tot zijn grooten schrik, op

eens belegerd door een ontelbare massa kippen en ganzen en dergelijke

indringers. „Een moeilijk oogenblik,” inderdaad!

Maar als de knappe maker van die schilderij een tweede voorbeeld van

een moeilijk oogenblik noodig had, dan is ’t jammer dat hij niet op het

erf achter het huis van den heer Holmer tegenwoordig was, drie dagen

nadat diens neef en petekind, dien hij in een ondoordacht oogenblik te

logeeren had gevraagd, bij hem was gekomen.

De heer Holmer was de ontbijtkamer binnengetreden, al brommende en

pruttelende over een waterkraan, die niet open wou gaan, en hoewel de

daarop gevolgde wanorde en strubbelingen aan zijn anders zoo rustige

ontbijttafel hem de zaak voor ’t oogenblik hadden doen vergeten, was

dit met zijn neefje niet ’t geval. Lekker eten deed Jo heel graag, maar

’t genot daarvan was niets, vergeleken bij ’t genot dat hij zich

voorstelde te zullen smaken, door die kraan eens flink onderhanden te

nemen, en de koppigheid er van te overwinnen. Water was een element,

waar Jo een bepaalden hartstocht voor had, en al menigmaal had die

hartstocht hem in allerlei ongelegenheid gebracht. Ook nu zou dit weer

’t geval zijn.

Van uit de ontbijtkamer ging Corrie Holmer naar de zitkamer, om een

halfuurtje aan ’t instudeeren van een zangstukje te besteden, dat haar

oom haar den vorigen avond gegeven had; en de heer Holmer zelf ging een

bezoek brengen aan zijn stallen.

„En daar zal hij wel een goede poos blijven, zooals altijd,” zei Jo tot

zichzelf, terwijl hij heel wijs met zijn hoofd knikte, in antwoord op

’t verzoek van zijn zuster om niet ondeugend te zijn. En dadelijk toen

hij haar de zitkamer had hooren binnengaan, vloog hij naar het

achtererf, dat ’t tooneel moest worden van zijn overwinning. Hij was

vol verlangen zijn oom eens een dienst te bewijzen; maar de

ondervinding had hem geleerd, dat de menschen uit zijn omgeving wat al

te veel geneigd waren bij dergelijke menschlievende plannen

tusschenbeide te komen, als ze die ontdekten vóórdat hij tijd had gehad

ze in praktijk te brengen.

„Oom zal heel blij zijn, als hij merkt dat ik die kraan voor hem open

heb gekregen, dat ’s natuurlijk,” zoo luidde Jo’s alleenspraak, toen

hij er een oogenblik vóór bleef staan, voordat hij met zijn werk begon.

„Maar als ik er eerst iets van gezegd had, dan zouden hij of Cor

stellig gedacht hebben dat ik me zeer zou doen, of ’t een of ander

kapot zou maken, of zoo iets, dat is wel zeker.”

En Jo moest stellig wel gelijk hebben. Trust was in die paar dagen

bijzonder goede vrienden met hem geworden, maar zelfs hij kwam, met

zijn ketting rammelend, uit zijn hok te voorschijn, en legde zijn

grooten, harigen kop tusschen zijn twee voorpooten, terwijl hij met

ernstigen blik den kleinen indringer aanstaarde, toen deze met alle

macht aan de waterkraan begon te wrikken.

„Hè! wat zit dat ding vast!” zuchtte Jo, nadat hij gedurende een minuut

of tien vruchteloos bezig was geweest, en zoo rood zag als een boos

kalkoensch haantje.

Hij richtte zich overeind en nam een oogenblik rust, om weer op adem te

komen, en terwijl hij wachtte, vóórdat hij zijn werk hervatte, keek hij

om zich heen, keek naar Trust, keek naar het klimop op den muur, en ’t

zou maar goed zijn geweest als hij niet verder had gekeken. Maar

ongelukkig kreeg hij ’t in zijn hoofd ook in een berghok te gaan

kijken, dat zich op het erf bevond, en daar zag hij, zooals hij met een

juichkreet uitriep, „precies ’t ding dat hij noodig had.”

Op een plank binnen in ’t hok lag een groote, zware oude hamer, en Jo

pakte dien met gretige handen op. Toen hij, daarmee gewapend, weer naar

buiten trad, drukten de oogen van Trust nog meer bepaalde afkeuring uit

dan te voren, en hij uitte zelfs een gedempt gebrom, als wilde hij een

soort van waarschuwing doen hooren. Maar zijn metgezel was heelenal

doof voor dergelijke wenken.

„Nu zullen we eens zien wie ’t winnen zal, jou oude, koppige kraan, jij

of ik,” riep hij uit, met de voldoening van iemand, die zich van zijn

overwinning al zeker voelt. Te zeker, want bij slot van rekening bleef

de kraan toch overwinnaar in den strijd. Hij liep er naar toe, hief den

hamer op, met de bedoeling dien op het handvat van de kraan te doen

neerkomen, maar, zooals gezegd is, ’t gereedschap was, zoowel wat

omvang als gewicht betrof, bijzonder ongeschikt voor de handen die er

op dat oogenblik gebruik van trachtten te maken.

Op echte werkmansmanier werd de hamer omhoog geheven, over zijn

schouder, en met inspanning van al zijn kracht kwam die weer

omlaag—maar niet tegen het handvatsel.

Bij ’t neerdalen ging de hamer, in de onervaren handen die hem

bestuurden, een weinigje op zij, en hij kwam met een slag neer, niet

tegen het handvatsel, maar op de pijp zelf.

„O—o—o!!” barstte Jo uit, toen de hamer met een tweeden slag uit zijn

verkleumde handen op de steenen viel. Voor de eerste maal in zijn leven

was hij ernstig ontsteld over de onmiddellijke uitwerking van iets wat

hij had gedaan. Dat de benedenhelft van zijn lichaam al door en door

nat was, beteekende niet veel. Maar wat zou zijn oom zeggen, wat zou

Cor zeggen, wat zouden zijn vader en moeder zeggen, als ze hoorden wat

hij had gedaan? Dat waren de vragen, die hem als een bliksemstraal door

’t hoofd schoten, terwijl het water uit de pijp hem overstroomde.

De hamer had aan het water den vrijen loop bezorgd, dat was zeker, want

hij had, met dien ongelukkigen slag, de heele kraan, en een flink stuk

looden pijp er bij, weggeslagen, en het water stroomde naar buiten met

een kracht, dat ’t wel leek alsof ’t nooit meer te stelpen zou wezen.

In zijn wanhopig verlangen om dien verschrikkelijken waterstroom tegen

te houden, klemde Jo zijn handen, de een over de ander geslagen, tegen

’t gebroken stuk pijp aan, maar hij had even goed kunnen probeeren den

waterstraal met een oud stukje spons tegen te houden. ’t Eenige

resultaat dat hij bereikte was, dat de groote straal zich nu in

kleinere stralen verdeelde, die naar alle kanten heenspatten, zoodat

hij, binnen weinige oogenblikken, van zijn hoofd tot zijn voeten,

druipnat was.

Met een gebrom, dat weldra in een droevig gejank over den jammerlijken

stand van zaken veranderde, stond de arme oude Trust van de doornatte

steenen op en trok zich terug in zijn hok, juist toen Corrie aan de

achterdeur verscheen om naar haar broertje te zoeken.

„Maar, Jo,” riep ze verbaasd uit, toen ze de overstrooming zag, „wat

ben-je nu toch begonnen?”

„’t Kwam niet door mij, maar door den hamer,” luidde ’t op treurigen

toon geuite antwoord. „Kom maar eens kijken.”

En de niets kwaads vermoedende Corrie voldeed, onder den indruk van het

oogenblik, aan die uitnoodiging. Ze snelde naar Jo toe, maar liet op

haar beurt een heel verschrikt „O—o—o!” hooren, toen ze onverwachts een

stortbad over zich heen kreeg. De vloed op den grond had ze getrotseerd

als iets dat onvermijdelijk was, maar ze was in ’t minst niet

voorbereid op den waterstroom, dien ze op zich kreeg, toen Jo op eens

zijn handen wegtrok en, met de kalmte der wanhoop, opmerkte:

„Kijk, Cor, dat heeft die ellendige hamer nu gedaan! En ik denk dat er

wel geen stelpen aan zal wezen.”

In de eerste oogenblikken scheen ’t wel alsof Corrie, in haar schrik,

die laatste hopelooze veronderstelling volkomen deelde; ze deed

werktuigelijk precies hetzelfde wat haar broertje had gedaan, en

trachtte den waterstroom met haar handen tegen te houden, natuurlijk

met hetzelfde resultaat, dat ze druipnat werd. Maar eindelijk viel haar

toch, te midden van haar verwarring en ontsteltenis, één verstandige

gedachte in.

„Ga eens iemand roepen, Jo, en vraag of ze zoo gauw als ze kunnen wat

tobben en emmers willen brengen. Och, och! wat zal oom toch wel

zeggen?”

„Dat is ’t juist waar ik ook over sta te denken,” zei Jo, met een

uitdrukking op zijn gezicht, alsof hij plan maakte zichzelf tot een

levenslang in bed blijven en een levenslange water-en-brood straf te

veroordeelen.

Intusschen vloog hij heen om aan ’t verzoek van zijn zuster te voldoen,

maar in plaats van het huis binnen te gaan aan den kant waar hij er uit

gekomen was, liep hij er om heen, om, zoo druipnat als hij was, geen

grooter stuk gang vuil te maken dan noodig was. Juist toen hij den hoek

van het huis was omgegaan, zag hij een man, en zonder te wachten om te

zien wie ’t eigenlijk was, riep hij hem, vol haast en angst, toe:

„Loop alsjeblieft gauw naar ’t achtererf om Corrie te helpen! Haar

handen zullen al wel half bevroren zijn, denk ik, net als de mijne.”

„In orde, hoor,” riep een stem terug. Maar die stem behoorde noch aan

John, noch aan James, noch aan een van de andere bedienden, waarmee de

jeugdige bezoeker tot nog toe had kennisgemaakt. Maar wie ’t dan ook

wezen mocht, hij was in elk geval al verdwenen, toen Jo even stil stond

en zich omkeerde, om den man, dien hij tot hulp van zijn zuster had

afgezonden, wat nauwkeuriger te bekijken. Toen snelde hij voort naar de

dienstboden-ingang. Weer zag hij twee mannen daar in de buurt, die

samen stonden te praten. Ook nu weer was hij vlugger met zijn woorden

dan met zijn oogen.

„Breng een troep emmers naar het achtererf,” gilde hij, „een heelen

troep, anders verdrinkt Trust, en—en Corrie misschien ook—en alles.”

In ’t volgende oogenblik, toen hij zich wilde omkeeren, om naar ’t

tooneel van het ongeval terug te rennen, werd hij door een van de twee

mannen stevig bij zijn schouders gepakt, en merkte hij dat hij zich in

de handen bevond van zijn oom. Met zijn druipnatte kleeren, zijn diep

verslagen gezichtje, en zijn handen, die blauw zagen van de kou,

leverde de arme kleine Jo in dat oogenblik een treurigen aanblik op.

„Of Corrie verdronken is, weet ik niet, maar ’t lijkt me dat jij ’t

zeker wel bent,” zei de heer Holmer, op eenigszins strengen toon,

hoewel dit voor ’t oogenblik meer ’t gevolg was van schrik dan van

boosheid. ’t Volgende oogenblik keerde hij zich om, maakte de deur

open, en riep naar binnen:

„Marian, kom eens hier!”

De keukenmeid snelde naar de deur.

„Och, mijn hemel!” riep ze ontsteld uit, toen ze Jo in ’t oog kreeg.

„Die arme lieve jongen, hij zal zich nog een ziekte op z’n hals halen!”

„Daar heeft hij in elk geval z’n best voor gedaan,” antwoordde de heer

Holmer; „neem hem dus maar gauw mee, en stop hem dadelijk in een warm

bed, en verlies den kleinen deugniet geen oogenblik uit ’t gezicht,

vóórdat ik je daartoe permissie geef.”

„Maar het eten, menheer!” waagde Marian even, op twijfelachtigen toon,

te zeggen.

„Dat moet van zelf maar in orde komen,” luidde ’t antwoord. „James,

breng een stuk of wat emmers naar ’t achtererf.”

En na dat bevel gegeven te hebben, begaf de heer Holmer zich haastig

zelf daarheen, in de veronderstelling dat zijn ondernemend neefje er in

geslaagd was de weerbarstige kraan open te krijgen, en dat de emmers

noodig waren om het water op te vangen, totdat het handvatsel weer zou

zijn teruggedraaid. Van de uitgebreidheid van de ramp had hij niet ’t

minste vermoeden.

VII.

CORRIE IN VERLEGENHEID.

Zoo'n lastige jongen · 第 2 / 6 段