GRACE STEBBING
ZOO’N LASTIGE JONGEN!
Vrij naar het Engelsch door CORA
GEÏLLUSTREERD
GEAUTORISEERDE UITGAVE
AMSTERDAM
C. A. J. VAN DISHOECK
1899
I.
WAT JO VAN ZICHZELF WIST.
„Corrie! Toe, Corrie, luister eens even!”
En als ooit in een paar blauwe jongensoogen joligheid en ondeugendheid
te lezen stonden, dan was dit stellig nu ’t geval met de jongensoogen,
waarvan de kleine eigenaar Jo Holmer heette.
Met een twijfelachtige uitdrukking keek Corrie van haar werk op. „Ja,
wat is er?” zei ze.
„O, Corrie, ik heb vandaag zoo iets aardigs gehoord, toen ik uit school
kwam, iets erg aardigs, heusch.”
„Zoo! Wat was dat dan voor moois?”
„Wel, ergens voor een deur stond een vrouw, en die riep tegen een
klein, vuil jongetje, dat in de goot speelde, en ze riep en riep almaar
door, en ’t hielp niks, de jongen kwam toch niet; en net toen ik vlak
bij hem stond, weet-je wat ik hem toen hoorde zeggen—wat denk-je wel?”
„Ik ben er in ’t geheel niet benieuwd naar. ’t Zal wel iets ondeugends
zijn geweest.”
„Nou ja, zie-je—” en Jo hield zijn hoofd een beetje op zij, alsof hij
heel ernstig over de zaak nadacht;—„héél erg mooi was ’t nou niet, maar
hij zei ’t op zoo’n grappige manier. „Hoe meer je me nou roept, hoe
minder of ik kom.” Hij zei ’t niet brutaal, zie-je, maar je kunt je
niet begrijpen hoe leuk of dat nou klonk.”
„Neen, dat kan ik me zeker niet begrijpen,” luidde het antwoord van een
paar meisjeslippen, die haar uiterste best deden niet te glimlachen. ’t
Was niet dat de woorden van den eenen ondeugenden kleinen jongen, aldus
herhaald door een anderen ondeugenden kleinen jongen, op zichzelf zoo
bijzonder komiek waren, volstrekt niet; maar de manier en de toon
waarop ze werden geuit, en ’tgeen er werd bijgevoegd, dat alles te
zamen maakte dat Jo’s zuster haar ernst moeilijk volkomen kon bewaren.
Vriend Jo kwam een eind verder de kamer in en bleef vlak voor zijn
zuster staan, gebukt, en met een paar niet heel zindelijke handjes op
zijn knieën gedrukt. „Corrie—je weet niet hoe komiek je er uitziet, als
je bijna lacht en niet wil lachen. Niet alleen je lippen trillen dan,
maar ook een klein stukje van den eenen kant van je neus—Kijk—” met een
kreet van verrukking—„daar heb-je ’t weer!”
De geplaagde Corrie stond op. „Ik zal je om je ooren slaan, Jo,
werkelijk, hoor, als je niet uitscheidt.”
„Toe, doe ’t eens, Corrie! Je hebt al zoo dikwijls gezegd dat je ’t
doen zou, en je hebt ’t nog nooit gedaan. Ik zou zoo graag eens
probeeren of ik er iets van voelde.”
Juffrouw Corrie Holmer hief haar hand op en sloeg toe. En ze sloeg
flink toe ook, te oordeelen naar het geluid dat er op volgde. Maar dat
geluid werd niet veroorzaakt door de aanraking van Corrie’s hand met
haar broer’s wang. Toen de gevraagde klap viel, had Jo onverwachts een
houten „bat” van achter zijn rug voor den dag gehaald, en die als
beschutting voor zijn oor gehouden; en in plaats dat hijzelf een kleur
kreeg van den klap, zooals ieder allicht zou hebben verwacht, was ’t
zijn zuster, op wier wangen zich een blos vertoonde, niet zoozeer van
pijn, waarschijnlijk, als van ergernis. ’t Is dan ook allesbehalve
pleizierig, als iemand zelf als ’t middel wordt gebruikt om zich
belachelijk te maken, vooral als de schuldige geen meer belangrijk
personaadje is dan een kleine dreumes van negen jaar.
Corrie zette zich weer neer en boog zich haastig over haar breiwerk.
„Ga weg, Jo. Je bent een heel ondeugende jongen, en ik spreek geen
woord meer tegen je vóórdat je excuus hebt gevraagd.”
„Hè!” zei Jo, terwijl hij met een nadenkend gezicht op zijn „bat”
neerzag. „Dat’s altijd zoo vervelend van meisjes. Ze zijn zoo héél
anders als jongens. Toen ik laatst met Fred Mackenzie die grap
uithaalde, probeerde hij dadelijk me een andere poets te bakken, en
toen was ’t uit; maar als je met meisjes eens een grapje wil hebben,
dan is ’t altijd dadelijk een geroep van „vraag me excuus”.”
„Ik zie er niet veel grappigs in, dat je me mijn hand laat zeer slaan
op je „bat”,” luidde de eenigszins verontwaardigde tegenwerping. „En
wat betreft dat een dreumes, zooals jij, iets zou weten van het
onderscheid in karakter tusschen jongens en meisjes—wel, je weet niet
eens iets van je eigen karakter tot nog toe.”
„O, zeker wel,” antwoordde Jo dadelijk. „Ik weet bijvoorbeeld van
mezelf dat ik ’t afschuwelijk vind om iemand excuus te moeten vragen,
of te zeggen dat ik spijt van iets heb. Ik krijg net een gevoel alsof
ik een—een—” met een uitdrukking van drift—„een ezel ben, als ik ’t
doen moet.”
„Een wat?” riep Corrie uit. „Wat bedoel je toch?”
„O,” klonk ’t op meer kalmen toon—„ik krijg dan zoo’n lust om almaar te
gaan schoppen, niet tegen iemand aan, zie-je, maar achteruit, zooals de
ezels doen. Almaar door en almaar door, totdat ’t voorbij is.”
Corrie keek op. Op haar aardig, vriendelijk gezichtje was weer een
glimlach te voorschijn gekomen.
„Nu, klein ezeltje, als je ’t excuus vragen dan zóó’n leelijk, bitter
drankje vindt, dan zal ik je voor dezen keer nog maar van ’t innemen er
van vrijstellen. Maar ik vind, dat je toch wel beloven mag dat je me op
een anderen keer niet meer zoo’n hard ding zult voorhouden om op te
slaan, zeg!”
Jo dacht een oogenblik na.
„Och, zie-je, beloftes die je zoo lang moet houden, langer dan een
heelen dag, dat zijn zulke nare dingen. Je moet er zoo vreeselijk lang
aan denken. Toe, bedenk liever een belofte, waarmee ik zoo in eens
klaar kan zijn.”
Corrie lachte. „’t Is waar, dat zou misschien veiliger wezen. Ik moet
eens zien of ik iets bedenken kan, dat je niet zoo lang hoeft te
onthouden.”
Maar Jo’s gedachten schenen vlugger te werken dan die van zijn zuster.
„Ik ben er al,” klonk zijn uitroep. „Ik zal beloven dat ik nu dadelijk
mijn handen heel netjes zal gaan wasschen en mijn haar zal borstelen,
dan ben ik klaar om te eten, als jij dan wilt beloven dat je me een
stuk van een verhaaltje vertelt, dadelijk als ik weer beneden kom, en
de rest na ’t eten, of van avond.”
„Wel, heb ik ooit!” riep Corrie uit. „Is dat nu een manier van—”
Maar ze werd in de rede gevallen door een vertrouwelijk: „’t Is in
orde, hoor, ik zie wel dat je ’t doen wilt. Ik ben dadelijk weer
terug.”
En toen werd de deur met een ruk geopend, en met een bons weer
dichtgeslagen, en vriend Jo rende de trap op, een vroolijk liedje
uitgalmende.
Corrie was op een na ’t oudste, en Jo ’t jongste kind van den heer en
mevrouw Holmer. Er waren er vier. Willy, de oudste, twintig jaar oud,
studeerde te Oxford; Corrie, haar moeder’s rechterhand en een flink,
vroolijk, lief meisje, was even achttien. Dan volgde een meisje van
veertien, dat in ’t buitenland op kostschool was. En ’t laatst kwam Jo,
de kleine, lastige Jo. Want lastig was hij, dat zouden zijn ouders en
zijn zusters hebben kunnen vertellen. Hij was tegelijkertijd de vreugde
en de plaag van zijn liefhebbende bloedverwanten. Als ge aan Corrie
hadt gevraagd of ze hem niet graag kwijt wou zijn, dan zou ze u met een
uitdrukking van de grootste verbazing en verontwaardiging hebben
aangekeken. Maar als vriend Jo zelf die vraag had gedaan, dan zou ze
hoogstwaarschijnlijk hebben geantwoord:
„Of ik je graag kwijt zou willen zijn? Wel natuurlijk, heel graag,
hoor! Wie zou zoo’n lastigen jongen niet graag kwijt zijn?”
„Och,” zei Jo, op een dag, toen hij werkelijk zoo’n antwoord had
gekregen. „’t Komt er eigenlijk niet zoo erg veel op aan, Cor, wat je
er van vindt.”
„Waarom niet?” vroeg Corrie, met een zweem van ongerustheid in haar
toon. „Wat bedoel je er mee, dat ’t er niet veel op aan komt wat ik er
van vind?”
„Wel,” luidde ’t kalme antwoord, „als jij er heusch niet heel veel om
geeft of ik bij je ben, dan geef ik er zóóveel om, om bij jou te zijn,
dat er toch niks, niks geen kans is dat je me kunt kwijt raken; dus dat
komt toch op ’t zelfde neer, is ’t niet?”
En de stevige omarming, die de vraag vergezelde, werd met een even
warme omhelzing beantwoord, terwijl fluisterend de woorden weerklonken:
„Mijn beste kleine dreumes, ik zou je niet willen verkoopen voor een
diamant, zoo groot als je eigen krullebol!”
II.
HET METEN VAN GOTEN.
„Niet dat ik nu zooveel geef, dat weet je wel, Corrie—zoo echt en echt
veel geef—om sprookjes; maar dat was toch nog al een slimme kleine
jongen, vind ik, waar je van verteld hebt. Ik wou dat ik ’t het eerst
had bedacht, dat plan van hem.”
„Welk plan?” vroeg Corrie, eenigszins verbaasd.
Maar vóórdat Jo die vraag kon beantwoorden, deed de stem van Mevrouw
Holmer, die aan de tafel zat te schrijven, zich hooren.
„Kom, Jo,” riep ze, met een blik op de pendule. „’t Is meer dan tijd
voor je. Als je je niet haast, zal je nog te laat op school komen,
jongen.”
Jo vloog heen, en Corrie’s oogen richtten zich weer op de bijna
afgebreide kous, die voor haar broertje was bestemd. Maar op haar
gezicht stond nog een uitdrukking van verwondering te lezen, en telkens
en telkens weer probeerde ze voor zichzelf de vraag te beantwoorden,
die ze aan Jo had gedaan, wat hij toch bedoelde omtrent ’t plan van
dien kleinen jongen.
Terwijl Jo boven was geweest om zijn handen te wasschen en zijn haar te
borstelen, had Corrie een deel van de sprookjes van Andersen opgenomen
en de bladzijden doorloopen om een geschikt verhaaltje te bedenken.
Maar ze had een beetje hoofdpijn, en haar verbeeldingskracht liet haar
dezen keer heel en al in den steek. Haar broertje kwam terug, vóórdat
ze iets had kunnen bedenken dat hem kon amuseeren, en ’t was in den
tusschentijd al vrij laat geworden.
„Zeg eens, Jo,” waagde ze eindelijk voor te stellen, „als ik je nu eens
een van de sprookjes uit dit boek voorlas, totdat de etensbel luidt, en
als ik dan na het eten eens probeerde je iets uit mijn hoofd te
vertellen, hoe zou je dat vinden?”
„’t Is goed,” luidde ’t antwoord van den jeugdigen gebieder, „voor
dezen eenen keer kan ’t wel; maar dan moet je er op rekenen dat ik voor
een anderen keer een echt, mooi verhaal van je te goed heb, hoor! Lees
maar op!”
En met den blonden krullebol op haar knie geleund, begon Juffrouw
Holmer heel gehoorzaam „op te lezen”, ’t eerste ’t beste stuk uit het
boek, dat zich toevallig voordeed. ’t Was het verhaal van den
Vlierboom. Een kleine jongen krijgt natte voeten, door ’t loopen in een
goot, hij vat kou, wordt naar bed gebracht, zijn moeder geeft hem warme
vlierthee te drinken, en een oude vriend van de familie komt bij zijn
bed zitten en vertelt hem verhaaltjes, totdat hij in slaap valt; en
daarna droomt hij voor zichzelf verhalen, die nog vreemder en
wonderlijker zijn dan wat ze hem hebben verteld.
„Een volkomen onschadelijk verhaaltje,” mompelde Corrie, op nadenkenden
toon; „er is heelemaal niets in, dat Jo op de gedachte zou kunnen
brengen van iets ondeugends.”
Maar hoewel Juffrouw Holmer dit in den loop van den namiddag telkens en
telkens weer tot zichzelf zei, voelde ze zich toch door onrustige
gedachten geplaagd, als in haar ooren de echo weerklonk van de woorden:
„Dat was wel een slimme kleine jongen. Ik wou dat ik ’t het eerst had
bedacht, dat plan van hem.”
In den regel hield Jo zich niet veel op met ’t maken van plannen, dan
alleen in die gevallen dat ze met ’t een of ander kattekwaad in verband
stonden. Toen hij na ’t eten boven was gekomen, had hij aan zijn zuster
meegedeeld dat ze wel met ’t sprookje kon doorgaan, omdat ’t hem
zóóveel te denken had gegeven, dat hij geen ruimte meer in zijn hoofd
had voor nieuwe gedachten. Maar Corrie had die mededeeling op rekening
gesteld van zijn belangstelling in de reisavonturen, door den koning
der sprookjes-schrijvers te boek gesteld. Om de waarheid te zeggen, had
Jo daar nauwlijks naar geluisterd.
Tegen vier uur was de kous af, en Corrie legde haar breinaalden neer en
nam op nieuw het sprookjesboek op.
„Ik zou denken dat Jo ’t plassen in de goot in zijn hoofd moet hebben
gehad,” mompelde ze, met een angstig voorgevoel, nadat ze ’t heele
verhaal nog eens had doorloopen, zonder één ander punt te vinden,
waarbij van ondeugendheid sprake was. „Maar hij sprak van een plan, en
ik zie in dat loopen door de goot niets, dat hem op de gedachte van een
of ander plan kan hebben gebracht.”
’t Bleek intusschen dat de opinies van broer en zuster dienaangaande
volstrekt niet overeenstemden.
Corrie legde ’t boek weer neer en liep naar het raam. Ze had daar
nauwelijks twee minuten gestaan, eenigszins afgetrokken starende in den
tuin en over de velden in de verte, of die afgetrokken uitdrukking
veranderde plotseling in een uitdrukking van verbazing en schrik.
„Dus was ’t toch de goot!” riep ze hardop uit, terwijl ze van ’t raam
wegliep en de kamer uitvloog.
Mevrouw Holmer, die op de canapé zat te lezen, liet, door dien uitroep
nu op haar beurt verschrikt, haar boek vallen, en snelde naar het raam,
waar haar dochter zooeven van was weggeloopen. En al gauw genoeg
begreep ze Corrie’s haast en opgewondenheid.
„Och! Och!” riep ze uit, niet recht wetende of ze moest schreien of
lachen. „Wat moeten we toch met zoo’n jongen beginnen?”
De heer en mevrouw Holmer en hun oudste dochter hadden een dergelijken
uitroep al menigmaal doen hooren. En op dit oogenblik althans bestond
tot ’t slaken van zulk een uitroep alle mogelijke reden. ’t Jongetje,
dat daar op dien killen November-middag door den tuin naderde, zonder
schoenen of kousen, van ’t hoofd tot de voeten één massa druipende
modder, leverde waarlijk al een heel weinig fraaie vertooning op. En
toch was er iets in zijn manier van loopen, en in de houding van den
blonden krullebol, dat van triomf getuigde, zelfs vóórdat de schelle
jongensstem den uitroep deed hooren:
„O, Corrie! Je raadt nooit wat ik gedaan heb!”
„Daar hoef ik niet naar te raden, jou vuile, morsige kleine vagebond,”
viel zijn zuster, op verontwaardigden toon, in. „Je hebt van alles
gedaan wat je niet hadt mogen doen, zou ik zeggen. En,” dit werd er op
zachter toon bijgevoegd, „ik denk dat je morgen zóó verkouden zult zijn
als een kleine jongen maar met mogelijkheid wezen kan.”
„Dat ’s niks,” luidde ’t wijsgeerige antwoord. „Ik heb vandaag zóóveel
pret gehad, dat ’t me niet zoo erg veel schelen kan wat er morgen
gebeurt. Ik heb de diepte geprobeerd van elke goot aan dezen kant van
de stad. Fred Mackenzie heeft ook een heelen tijd meegedaan, maar toen
ik in een er van uitgleed, zei hij dat ik er te vuil uitzag om met me
te loopen, en toen ging hij naar huis. Ik begin hem toch wel een beetje
een flauwe jongen te vinden, jij ook niet?”
„Neen, zeker niet,” zei Corrie, terwijl ze de hand van haar broertje,
modderig en wel, vastgreep, en hem gauw mee naar binnen trok.
De proefnemingen van vriend Jo hadden hem wel eenigszins koud en
huiverig gemaakt, zoodat hij zich vrij geduldig aan de behandeling
onderwierp, die door zijn moeder, dadelijk toen hij in huis kwam, werd
voorgeschreven—onmiddellijk een warm bad, en daarna naar bed.
„En dan komt Corrie bij me zitten totdat ze gaat eten; dan kan ze me
dat verhaaltje vertellen, dat ik nog te goed heb,” aldus vulde de
kleine schuldige het programma aan, zonder zich door zijn misdaden
eenigszins uit ’t veld geslagen te voelen.
„Maar ik vind dat Corrie toch niet zeggen mag dat ’t iets héél
ondeugends was, vindt u wel, Pa?” vroeg Jo, op een toon van diepe
overtuiging, toen zijn vader een uur later boven kwam, om eens naar den
kleinen lastpost der familie te kijken.
„U hebt zelf zoo dikwijls tegen me gezegd, Pa, dat we, zelfs als we
spelen, flink moeten zijn en ons best moeten doen; en wat ik wou weten
van die goten vond ik zoo’n prettig spel als ik in lang niet heb gehad,
en daarom deed ik er zoo mijn best bij als ik maar kon.”
„Dat schijnt wel,” zei zijn vader, en toen barstte hij in lachen uit.
Hij was naar boven gegaan om zijn zoon een ernstige vermaning toe te
dienen, maar hoe was ’t hem mogelijk een jongen te beknorren, die nog
lof verwachtte voor zijn betoon van gehoorzaamheid, zelfs nu hij
zichzelf en zijn kleeren een modderbad had doen ondergaan?
„Maar wat was eigenlijk de aardigheid van ’t spelletje?” vroeg Mevrouw
Holmer. „Want ik moet bekennen dat ik de zaak nog niet recht begrijp.”
„Ja,” voegde Corrie er bij, „en hoe liep je zoo zonder schoenen en
kousen?”
Hier kwam zijn moeder hem te hulp. „Och, zie je, Corrie, dát begrijp ik
nu wel. Natuurlijk heeft hij die uitgetrokken om ze niet nat te laten
worden.”
„Maar ze zitten tóch vol modder,” bracht Corrie tegen deze opvatting
van de zaak in.
„Natuurlijk zitten ze vol modder,” riep Jo, weer verontwaardigd, uit.
„Och, ik merk wel dat niemand de manier waarop ik ’t gedaan heb
begrijpt. ’t Was alleen maar jammer dat die kleine jongen uit ’t
sprookjesboek ’t plan had uitgevonden, want papa zei laatst dat er niet
veel knapheid voor noodig is om een uitvinding, die eenmaal gedaan is,
nog een beetje te verbeteren. Hij bedacht ’t plan om met zijn schoenen
te meten hoe diep de goot was, en ik meette met mijn schoenen en mijn
kousen en mijn eigen beenen. Eerst meette ik met mijn schoenen, en toen
ik aan een goot kwam, die daar te diep voor was, trok ik ze uit en
meette alleen met mijn kousen aan. En toen ik aan de goot kwam bij den
hoek, die groote steenen, je weet wel, toen kwam ’t water tot boven
mijn kousen, dus toen trok ik ze uit en merkte met krijt een streep op
mijn been, en toen gleed ik over iets uit en ik viel er in; dus van dat
merk kon je niks meer zien, en toen ik er daarna nog twee had
geprobeerd, ben ik naar huis gegaan. Maar de merken zitten nog op een
van mijn schoenen en op een van mijn kousen; en de steenen goot is de
diepste, en daarop volgt die bij de brug, en de goot in die zijstraat,
hier achter, is de vuilste.”
„En de jongen, die Jo Holmer heet, is de kluchtigste,” zei zijn vader
lachend, „en de domste er bij; en ik hoop dat hij een volgenden keer,
als hij goten wil meten, zoo slim zal wezen ’t te doen met een stok, in
plaats van met zichzelf, anders zou hij kans loopen den stok eens op
zijn rug te voelen, om hem er aan te herinneren.”
„Hé! Daar heb ik in ’t geheel niet aan gedacht, aan een stok!” riep Jo,
met nieuwe opgewondenheid, uit. „Hoe dom van me! ik heb er in ’t geheel
niet aan gedacht!”
„Denk er dan nu, in vredesnaam, ook maar niet meer aan,” zei zijn
moeder haastig, terwijl een visioen van nieuwe proefnemingen in den
modder, met verkoudheden tot slot, in haar geest oprees.
Maar de heer Holmer ging naar beneden om te eten, met een glimlach op
’t gelaat. Zijn jongste kind was bepaald een heel lastige jongen; maar
’t leek zoo’n vroolijk, door en door eerlijk kereltje, zooals hij daar,
met verwarden krullebol en frissche roode wangen, in bed overeind zat.
Wat hij ook deed, hij deed ’t in ’t volle daglicht.
Mevrouw Holmer bleef een oogenblik achter om haar jongen nog eens goed
in te stoppen en hem, met een kus, een paar vriendelijke woorden toe te
fluisteren. Corrie bleef nog een oogenblik langer, nadat haar mama al
was heengegaan. Ook zij bukte zich om het blozende jongensgezichtje een
kus te geven, maar ze deed ’t heel bedaard en zonder een woord te
zeggen, en toen keerde ze zich om, om de kamer uit te gaan.
In ’t volgende oogenblik, zonder zich om ingestopte dekens en
voorschriften om zich warm te houden te bekommeren, was Jo opgesprongen
en had hij zijn armen om zijn zuster’s hals geslagen.
„Corrie, zeg eens, je bent toch niet boos, echt boos op me? Je vindt
toch niet dat ik héél erg ondeugend ben geweest, is ’t wel?”
Er klonk oprechte ernst in den toon waarop die vraag werd gedaan,
oprecht, onrustig verlangen naar een antwoord. Wat kon Corrie zeggen?
Ze aarzelde een oogenblik. Ze wist zelf nauwlijks of ’t héél erg
ondeugend was goten te meten en modderbaden te nemen, en onder de oogen
van alle mogelijke fatsoenlijke menschen op bloote voeten naar huis te
loopen. Eindelijk gaf ze hem een tweeden kus en zei: „Toe, doe ’t niet
meer, kleine vent; je zou er ziek van kunnen worden; en als je nu je
best doet om morgen niet verkouden te zijn, dan zal ik je een mooi
verhaaltje vertellen.” Toen stopte ze, op haar beurt, hem flink toe,
terwijl ze hem influisterde: „Slaap lekker, beste jongen,” en toen ging
ook zij naar beneden om te eten. Jo deed zijn oogen dicht en sliep
weldra als een roos.
III.
„WAT NU WEER!”
’t Was in de eerste dagen van December. De heer en mevrouw Holmer waren
uitgereden om den dag door te brengen bij een paar oude vrienden, die
pas daar in de buurt waren komen wonen, en Corrie had afgesproken met
een goede vriendin dat ze dien middag bij haar zou komen. Ze had
toestemming gekregen Jo mee te brengen, daar ’t een Woensdag middag
was; en ze stelde zich voor na ’t eten, dat ze dien dag heel vroeg te
zamen hadden gebruikt, eerst nog een paar brieven te schrijven, vóórdat
ze hem het pretje meedeelde, dat hem te wachten stond, want hij hield
van de aardige, vroolijke Florence Elmslie bijna evenveel als Corrie
zelf.
„Probeer je nu in huis maar eens een uurtje te amuseeren met ’t een of
ander, hoor Jo,” zei ze, terwijl ze zich gereedmaakte de eetkamer te
verlaten: „en als je goed oppast, dan wacht je voor de rest van den dag
een heerlijk pretje.”
Jo’s oogen schitterden. Bijna elke halve vacantie-dag werd voor hem tot
een soort van feest gemaakt, maar natuurlijk bestonden die pretjes
gewoonlijk uit zaken van weinig beteekenis: toestemming om den tuinman
bij ’t rooien van aardappelen te helpen, of om zijn vader van ’t
station af te halen, en dan de leidsels te mogen vasthouden bij ’t naar
huis rijden. Maar dit was blijkbaar iets van meer gewicht. Hij snelde
naar zijn zuster toe, en greep haar bij den arm toen ze de kamer
verliet.
„Bedoel je werkelijk iets heel, heel erg prettigs?” vroeg hij, met
grooten ernst.
„Werkelijk iets heel, heel erg prettigs, als je goed oppast,” luidde ’t
lachende antwoord; en toen ging Juffrouw Holmer heen om haar brieven te
schrijven, terwijl haar broertje naar de eetkamer terugkeerde, waar hij
gedurende eenige oogenblikken in gedachten verdiept bleef staan.
„Wees nu een zoete jongen vandaag, en maak ’t je zuster niet lastiger
dan noodig is,” had zijn moeder gezegd, toen hij dien morgen naar
school ging. En nu beloofde Corrie hem een belooning, als hij goed
oppaste.
Alles bij elkaar was ’t bepaald de moeite waard nu eens te probeeren
iets heel, heel prijzenwaardigs te doen. Als hij zich had neergezet met
zijn verfdoos om prenten te kleuren, of hij was kalm wat in een
verhaaltjes-boek gaan zitten lezen, dan zou zijn zuster hem een
bijzonder zoete jongen hebben gevonden, aangenomen ten minste dat hij
niet een boek van iemand anders had genomen om te kleuren, of een boek
van iemand anders om vlekjes van vuile vingers in te maken. Maar deze
manier van goed oppassen was niet voldoende om de verlangens van kleine
Jo op dat oogenblik te bevredigen. Eindelijk viel hem een denkbeeld in.
Een prachtig denkbeeld, vond hij.
„Ik ben er,” riep hij uit, terwijl hij een soort van oorlogsdans begon
te dansen om de meid heen, die juist binnen was gekomen om de tafel af
te nemen. „Ik ben er, Anne. Ik heb iets heel moois bedacht!”
Anne gaf hem een ongeduldig duwtje.
„Kom, Jo, laat me los; ik heb vandaag toch al zóóveel te doen, dat ik
niet weet hoe ik ’t gedaan krijg.”
„Arme Anne,” zei Jo, op een toon van medelijden. „Maar je krijgt de
volgende week een vrijen dag, hoor, dat heb ik mama hooren zeggen.”
En na ’t uiten van die vertrouwelijke mededeeling snelde Jo de gang
door en draaide den deurknop om van een groote kamer aan ’t eind. ’t
Volgende oogenblik stond hij binnen, met de deur achter zich dicht. ’t
Was geen kamer waar hij zich in den regel heel veel om bekommerde, want
’t was zijn vader’s bibliotheek; en de eikenhouten paneelen, de lange
rijen boeken, de zware meubelen, dat alles te zamen maakte een indruk
van ontzagwekkendheid, dat voor vriend Jo altijd eenigszins drukkend
was. Bovendien had hij een vrij duidelijk besef, dat de levenmakerijen
en rumoerige grappen, die elders met geduld werden verdragen, binnen
die geleerde muren niet zouden worden toegestaan.
Maar dien dag was ’t Jo’s wensch eens buitengewoon ijverig te zijn en
goed op te passen, en zijn ijver en oppassendheid aan te wenden in den
dienst van anderen. Met dat doel voor oogen had hij zich naar de
bibliotheek begeven. Had Corrie maar geweten waar hij was, dan zou ze
stellig niet zoo rustig zijn voortgegaan met ’t schrijven van haar
brieven!
’t Eerste werk van Jo was naar zijn vader’s schrijftafel te gaan en een
vel postpapier, van ’t grootste formaat dat hij vinden kon, daarop uit
te spreiden; daarna doopte hij een pen héél diep in den inktkoker, en
schreef op ’t papier, in groote, ronde letters, met eenige inktvlekken
als versiering er tusschen in, het woord
„Kaataalooges.”
Tot zoover ging alles best, naar Jo’s meening althans. „Wat zal papa
dát prettig vinden,” mompelde hij, met een stralend gezicht. „Hij heeft
al zoo dikwijls gezegd dat hij er graag een wou hebben.”
’t Was waar, papa hád meer dan eens gezegd dat hij toch eens een
catalogus moest laten opmaken van zijn boeken. Maar hij zou er heel wat
liever nimmer een hebben bezeten, dan aan de handen van zijn zoontje
dat werk toe te vertrouwen. Dit feit was echter aan Jo onbekend; en ’t
gevoel van onbegrensde voldoening, dat hem in ’t eerstvolgende uur
bezielde, bewees dat hij er niets van vermoedde.
„Eerst al de A’s, en dan al de B’s, en zoo verder,” zei Jo, met een
heel zwaarwichtig gezicht. „Dus nu eerst maar al de A’s voor den dag
gehaald!”
Een half dozijn boeken werden uit de kast getrokken en op een stoel
gelegd, die er voor was klaargezet. Er was geen enkele A bij te vinden.
Weer een half dozijn, met ’t zelfde resultaat. Jo wachtte een
oogenblik.
„Stil, ik weet wat. Ik ga er eerst een heelen troep tegelijk uithalen
en ze hier ergens neerleggen, dan kan ik daarna naar de letters
kijken.”
Zoo gezegd, zoo gedaan. Aan dat prachtige denkbeeld werd onmiddellijk
uitvoering gegeven. Vriend Jo zette ’t kleine trapleertje voor de kast,
klom er op en begon zooveel boeken te grijpen als hij maar grijpen kon.
Bij de onderste planken ging dat tamelijk goed, maar toen hij eenige
van de hooger staande boeken wegpakte, tuimelden er een stuk of wat
naar beneden, op minder zachte manier dan wel gewenscht was.
„Maar och,” zooals Jo wijsgeerig opmerkte, „wat hinderden een paar
losgeraakte omslagen, of een gescheurde bladzijde hier of daar, op
zóó’n groote massa boeken?” Hij schrikte een beetje, toen een groote
verraderlijke inktvlek juist op het titelblad viel van een in fluweel
gebonden deel, dat hij naar de tafel had gedragen om er den naam van op
te schrijven. Maar zelfs die opwelling van onrust verdween aanstonds
bij de gedachte: „Als een ander dat werk had gedaan, ’t maken van zoo’n
kaataalooges, dan zou hij toch ook wel een beetje met inkt hebben
gemorst.”
’t Is bepaald verwonderlijk welk een grenzenlooze wanorde een sterke,
ijverige jongen binnen den tijd van anderhalf uur in een kamer maken
kan. Niemand zou ’t kunnen gelooven, die er nooit de proef van had zien
nemen. Zelfs Corrie Holmer zou ’t niet hebben geloofd voordat ze ’t
zelf ontdekte, en toch was zij wel eenigszins op de hoogte van ’tgeen
een jongen op dat gebied kan uitrichten.
Juffrouw Holmer had heel wat te schrijven, o. a. lagen er een paar
lange brieven van vroegere schoolvriendinnen vóór haar, waarvan ’t
beantwoorden nog al wat tijd kostte. En daar Florence Elmslie hen niet
voor vier uur wachtte, en Jo in een ongewoon rustige stemming scheen te
verkeeren, bleef Juffrouw Holmer langer doorschrijven dan haar plan was
geweest, totdat er eindelijk een heel stapeltje brieven naast haar
gereed lag, die ze straks, als ze uitging, op de post wilde doen.
Eindelijk stond ze op, en terwijl ze even met haar hand over haar
vermoeide oogen streek, kwam er voor de eerste maal een lichte zweem
van ongerustheid in haar op, betreffende ’t ongewone feit, dat haar
jeugdige broer zich in geen tijden had laten zien of hooren. Na haastig
haar schrijfcassette te hebben gesloten, liep ze naar de zitkamer en
riep:
„Johan—zeg, Jo—waar ben-je? Ik wou je iets vertellen. Waar ben-je, Jo?”
en toen liep ze de trap op, waar ze haar geroep herhaalde.
Maar waar hij dan ook wezen mocht, er volgde geen antwoord. De lichte
zweem van ongerustheid werd aanmerkelijk grooter.
„Anne, kan je me ook zeggen waar Jo is?”
„Neen, juffrouw, ik heb hem in ’t geheel niet meer gezien sinds hij uit
de eetkamer wegliep, terwijl ik de tafel afnam, en dat is heel wat
langer dan een uur geleden.”
Corrie’s ongerustheid werd hoe langer hoe grooter. Tot heel boven in
huis liep ze om haar broertje te zoeken, maar te vergeefs. Toen snelde
ze den tuin in, tot aan den vijver aan ’t eind, waar hij een half jaar
geleden bijna verdronken was. Haar hart hield op te kloppen, toen ze
zag dat er een dun laagje ijs bovenop lag. Maar ’t volgende oogenblik
voelde ze zich al gerustgesteld, want de ijslaag was te dun om zelfs
zijn op waaghalzerijen belusten geest in verzoeking te brengen.
Bovendien was het ijs volkomen gaaf en heel, en de eerste aanraking van
zijn voet zou ’t hebben doen breken, en tevens het feit hebben
verraden.
Intusschen ging Jo, zonder aan den tijd te denken, zonder zelfs meer te
denken aan ’t beloofde pretje, ter wille waarvan hij zoo druk bezig
was, vol belangstelling en ijver voort met zijn arbeid. Terwijl hij
allerlei boeken, door elkaar, van de verschillende planken en uit
verschillende gedeelten van de kamer weghaalde, had hij een prachtig
plan verzonnen. Hij had nu stapels A’s en B’s gevonden, en had één of
twee titels opgeschreven. Maar over ’t geheel had hij zich tevreden
gesteld met verschillende stapels te maken van deelen, waarvan de
titels met denzelfden letter begonnen, omdat hij tot ’t besluit was
gekomen, dat ’t opschrijven zelf maar liever door iemand anders moest
worden gedaan, die van ’t hanteeren van stalen pennen meer handigheid
had dan hij. De iemand anders, aan wie hij dacht, was thans heel dicht
in zijn nabijheid.
Nadat ze haar broertje gezocht had, op alle mogelijke en onmogelijke
plaatsen die ze kon bedenken, richtte Corrie eindelijk, met looden
schoenen en een angstig hart, haar schreden naar de bibliotheek. Ze
begon zich langzamerhand op een treurige manier overtuigd te voelen,
dat ze hem niet zoo lang aan zijn eigen lot had moeten overlaten. Ze
draaide den deurknop van de bibliotheek om met bevende hand, nauwlijks
zelf wetende of ze hem daar hoopte te vinden of niet. Was hij daar
niet, dan moest hij met schoolkameraadjes zijn weggeloopen, en stellig
en zeker zou hij dan iets ondeugends hebben uitgevoerd, ja, misschien
op de een of andere manier zich in gevaar hebben gebracht, op dien
korten, donkeren wintermiddag. Maar als hij wèl in de bibliotheek was,
ook dan moest hij, dat was ontwijfelbaar zeker, iets ondeugends hebben
uitgevoerd, want hij kon zich in die kamer nauwelijks bewegen zonder op
de een of andere manier wanorde aan te richten.
Nog één oogenblik, zelfs terwijl haar vingers den knop al omsloten,
bleef ze wachten. Toen deed ze de deur open, en bleef, sprakeloos van
ontsteltenis, staan.
Van uit een dichte stofwolk, die in de kamer hing en Corrie’s oogen
verduisterde, klonk haar een juichkreet te gemoet. „O! Cor, ben-jij
daar? Dat doet me plezier. Ik had je net willen komen halen. Ik heb er
al zoo’n massa bij mekaar die je op kunt schrijven. Kom gauw hier!”
Corrie kwam, over allerlei voorwerpen strompelend en struikelend, als
liep ze over een pas beploegd veld. Ze kwam tot in ’t midden van de
kamer, waar Jo, van ’t hoofd tot de voeten met stof bedekt, op den
grond geknield lag en steeds meer boeken opstapelde. Ze keek hem één
oogenblik aan; daarna wierp ze een blik door de kamer, op de volgeladen
tafels en stoelen, de half leeggehaalde kasten, en den geheel met
boeken overdekten vloer; toen keek ze Jo weer aan, en toen liet ook zij
zich, tot zijn grenzenlooze verbazing en schrik, op den grond
neerzinken en barstte ze in tranen uit.
Jo liet het boek vallen dat hij in de hand hield, en liep, met een heel
verschrikt gezicht, naar haar toe, daarbij een paar hooge stapels
boeken omvergooiende, die hem in den weg stonden.
„O, Corrie, wat is er? Ben-je ziek? Toe, zeg ’t me, wat is er?”
En terwijl hij bij haar neerknielde, trachtte hij zijn armen om haar
hals te slaan; maar Corrie weerde hem af.
„Ga weg, Jo, ga weg,” snikte ze. „Och, och, ondeugende jongen, had ik
je toch maar niet alleen gelaten!”
Met een blos van verontwaardiging op ’t gelaat sprong Jo overeind.
„Maar, Cor, wat bedoel-je? Ik heb vandaag nu toch niets ondeugends
gedaan; ik heb zoo hard gewerkt als een man, alleen maar om papa met
iets plezier te doen.”
Nu sprong ook Corrie overeind.
„Plezier te doen!” riep ze uit. „Bedoel je dat je papa hiermee plezier
hadt willen doen!”
Met een gebaar van verontwaardiging en wanhoop sloeg ze haar beide
handen uit naar al de vier hoeken van de kamer, en Jo, die zich
omkeerde evenals zijn zuster, nam voor de eerste maal het geheele
tooneel van verwarring in zich op. De uitdrukking van zelfvertrouwen
verdween van zijn gezicht, en maakte plaats voor een uitdrukking van de
diepste verslagenheid.
„Ik wist niet dat ik zóó’n ergen rommel had gemaakt,” zei hij
eindelijk. „Maar—zie-je, Cor, zoo heel veel tijd heb ik er niet voor
noodig gehad, dus zal ’t ook wel weer gauw in orde te krijgen zijn,
vooral als jij me wilt helpen.”
„Helpen,” herhaalde Corrie werktuigelijk. Ze was weer op den vloer gaan
zitten en bekeek een der hoopen boeken, die door Jo’s voeten zoo pas
door elkaar waren gegooid.
„Neen maar, kijk toch eens, de rug van dat mooie boek is heelenal
kapot, en ’t titelblad zit vol vlekken van vuile vingers. Och, och, wat
moeten we toch beginnen?”
Jo gaf een practisch antwoord op die vraag.
„De boeken weer op z’n plaats zetten, zou ik zeggen,” zei hij, met een
diepen zucht. „Ik zou wel graag eens weten, Cor, wat dat voor een
pretje was, dat je me hadt beloofd?”
Door haar schrik over den toestand van haar vader’s bibliotheek, had
Corrie haar afspraak voor dien middag heelenal vergeten.
„O ja!” zei ze, toen ze er op die wijze door Jo aan werd herinnerd. „Ik
weet niet of ik ’t je kan toevertrouwen om even naar Florence Elmslie
te loopen, en haar te zeggen dat we vandaag niet kunnen komen; ze
wachtte ons om bij haar thee te drinken.”
„O—o—o!” riep Jo uit, met een héél lang gezicht, en op een toon van
groote teleurstelling.
Nu wist hij welk pretje ’t was, waarvoor hij met zulk een verkeerd
toegepasten ijver aan ’t werk was geweest, en hij wist ook—gedurende de
laatste vijf minuten had hij dit al duidelijker en duidelijker
ingezien—dat er voor hem en zijn zuster dien dag geen tijd zou
overblijven om uit te gaan, als gevolg van ’t geen hij in het laatste
uur had uitgericht.
„Kunnen de meiden”—begon hij. Maar hij bleef midden in die vraag
steken, omdat hij dadelijk het onnoodige er van inzag.
De keuken- en de werkmeid, die zusters waren, hadden een halven
vacantie-dag gekregen en waren dus uit, en het half volleerde
dagmeisje, Anne, was tot nog toe nooit in haar meester’s bibliotheek
toegelaten, zelfs niet om er te vegen of te stoffen, veel minder om een
van de boeken in handen te nemen.
„Wat was je toch van plan met die boeken te gaan uitvoeren—er een
vuurtje van te stoken?” vroeg Corrie eindelijk, met een zwakke poging
om op haar gelaat een glimlach te voorschijn te roepen.
Maar Jo voelde volstrekt geen neiging om ook te glimlachen, toen hij
antwoordde:
„Ik heb je al gezegd, Corrie, dat ik een kaataalooges wou maken voor
papa. Papa heeft gisteren nog tegen mama gezegd dat hij er zoo graag
een wou hebben.”
Terwijl hij praatte, sloeg ’t vier uur. Corrie nam haar door en door
vuil broertje bij de hand en bracht hem naar de keuken; en toen ze hem
daar voldoende had gewasschen en afgeschuierd, om op straat te kunnen
loopen, zonder de aandacht te trekken van al de andere vuile en
zindelijke jongetjes in de stad, zond ze hem naar de Elmslies. Daarna
keerde ze, in gezelschap van de, door ’t gebeurde zeer verschrikte
Anne, en gewapend met een heele armvol stofdoeken, naar de in wanorde
gebrachte bibliotheek terug.
„Maar, juffrouw, juffrouw!” riep Anne uit, toen ze de kamer, waarin ze
nog nooit een voet had mogen zetten, binnentraden. „Och, och, wat zal
menheer daar wel van zeggen? Zoo’n jongen is toch nooit alleen
vertrouwd, juffrouw!”
„Neen, dat is hij niet,” zuchtte Corrie, terwijl ze de boeken begon op
te rapen, en pogingen begon aan te wenden om weer eenige orde in den
chaos te brengen.
IV.
BOETE.
Gewoonlijk maken de dingen zoo’n geheel verschillenden indruk, op
verschillende menschen, en onder verschillende omstandigheden. Toen
Corrie Holmer kort na half vier de bibliotheek was binnengetreden om
haar broertje te zoeken, vond ze dat die kamer ’t naarste, meest
ontmoedigende schouwspel opleverde, dat ze ooit in haar leven had
gezien. En toen Florence Elmslie er omstreeks half vijf binnentrad, met
Jo aan de hand, zei ze, op opgewekten toon, en met een vroolijke
tinteling in haar grijze oogen:
„O, hoe kluchtig!”
„Noem-je dat kluchtig?” zei Corrie, met een uitdrukking van groote
neerslachtigheid in haar stem. „Ik noem ’t heel, heel goed en
vriendelijk van je om hier te komen en ons te helpen in onze ellende,
maar ik zie volstrekt niet in dat een totaal bedorven middag iets
kluchtigs kan hebben.”
De arme, geplaagde, verdrietige, teleurgestelde Corrie sprak op zóó’n
treurigen toon, dat Jo zich eindelijk totaal overwonnen voelde. Hij
trok zijn hand uit die van Juffrouw Elmslie, en, om zijn gezicht te
verbergen, bukte hij zich en begon Anne te helpen met ’t oprapen van de
boeken, die hij over den grond had verspreid. Weldra was Jo de éénige
werkelijk verdrietige persoon in de kamer, want in ’t gezelschap en met
de hulp van haar opgewekte, vroolijke vriendin, en nu ’t gas was
aangestoken en in den haard een lekker vuurtje brandde, begon Corrie al
heel gauw haar gewone opgeruimdheid terug te krijgen, en handig en vlug
te doen wat ze kon om alles weer in orde te brengen.
Bij slot van rekening, al werd ’t dan ook algemeen als zeker aangenomen
dat de heer Holmer ’t meest van zijn boeken hield, na zijn vrouw en
kinderen, toch was dit in elk geval maar na hen, en met een heel groote
ruimte er tusschen. Er bestond dan ook heel weinig kans, al waren de
omslagen van een half dozijn deelen losgeraakt, en van een paar andere
de bladen of ruggen gescheurd, dat de heer Holmer vriend Jo daarom tot
een achtdaagsch verblijf in ’t kolenhok, of voor een maand tot de
water-en-brood straf zou veroordeelen, of dat hij op Corrie zelf heel
ernstig boos zou wezen, omdat ze den kleinen man zoo lang alleen had
gelaten en hem daardoor voor dit nieuwe staaltje van ondeugendheid
gelegenheid had gegeven.
En wat de stof en de wanorde betrof, het jeugdige dagmeisje Anne
openbaarde, nu de nood aan den man was, meer vlugheid en handigheid dan
waartoe ze zichzelf ooit in staat zou hebben geacht. Toen ’t tegen half
zeven liep, liet de toestand van ’t geheel zoo weinig meer te wenschen
over, dat Corrie verklaarde, dat zij en Juffrouw Elmslie de rest nu wel
in orde konden brengen; en ze zond Anne dus heen om voor ’t theemaal
van hen allen te zorgen, en zei tegen Jo dat hij zich boven wat moest
gaan opknappen.
Jo kwam naar haar toe, terwijl ze op ’t trapleertje stond voor een der
kasten, waarin de boeken alle weer netjes op een rij waren neergezet.
„Weet-je zeker dat ik niets meer doen kan om je te helpen,
Corrie—heelemaal zeker?”
„Heelemaal zeker, Jo. Loop nu maar gauw heen, en knap je wat op, en
borstel je haar eens flink.”
„Ja, Corrie.” Maar Jo bleef nog eenige oogenblikken naast het trapje
staan talmen, totdat zijn zuster er af kwam. Toen fluisterde hij gauw:
„Geef me een kus, Corrie.”
„Wel twee, als je wilt, jou kleine, lastige jongen,” luidde ’t
glimlachend geuite antwoord, terwijl de beide kussen werden gegeven.
„Zoo’n arme kleine man, hij is er bepaald heelemaal van
terneergeslagen! Hij kijkt zoo ernstig als een rechter,” zei Corrie,
toen de deur achter hem dicht was.
Juffrouw Elmslie glimlachte.
„Ja. Ik heb hem nog nooit zoo’n diep ongelukkig gezicht zien zetten,
als toen hij me kwam vertellen in wat voor ongelegenheid zijn ijver om
iets nuttigs te willen doen hem had gebracht. Maar hij zal na ’t
thee-uur wel anders kijken, dat zal je eens zien!”
„O, maar dat moet ook,” zei Corrie, heel beslist. „Ik zou niet kunnen
hebben dat die arme kleine Jo zoo’n verdrietig gezicht bleef zetten, al
moest ik ook den heelen nacht opzitten en hem vertelseltjes vertellen,
om ’t te beletten. Zeg, als je er niet om geeft, laat ik je een
oogenblikje alleen werken, dan loop ik even heen om wat haast te laten
maken met de thee, en ’t een en ander te krijgen wat we noodig hebben.
We zijn zooveel later dan anders, dus ik denk haast dat ’t gedeeltelijk
door honger komt dat hij er zoo ongelukkig uitziet.”
De bibliotheek had nu weer een vrij ordelijk aanzien, en medelijden met
den kleinen schuldige was bij zijn zuster nu het meest overwegende
gevoel geworden. ’t Was meer om zijnentwil dan terwille van de gast,
dat er tweeërlei soort van jam en een extra schaaltje koekjes op tafel
werd gezet. In den tusschentijd waren Jo’s toebereidselen voor het maal
van zeer bijzonderen aard.
Toen hij in zijn eigen kamertje was gekomen, begon hij, naar ’t
voorschrift van zijn zuster, met grooten ijver zijn gezicht en zijn
handen te wasschen, en zijn haar te borstelen, maar toen dat was
afgeloopen, haalde hij zijn nachtgoed van onder zijn kussen te
voorschijn, en begon hij zich uit te kleeden om naar bed te gaan.
Die bezigheid was zelfs nog gauwer afgeloopen dan met de andere ’t
geval was geweest; en toen viel Jo op zijn knieën neer voor zijn
ledikantje, en met één droevigen snik barstte hij uit—„Och, och! ik zou
toch zoo graag willen, lieve Heer, dat u me wou leeren wat ik doen
moet, om de menschen plezier te doen en ze ’t niet altijd lastig te
maken. En zegen alsjeblieft onze Cor, en maak dat ik een goede jongen
word.—”
Na die uitbarsting volgde er een korte pauze; Jo legde zijn wang een
oogenblik tegen den deken aan. De kamer was heelemaal donker; er was
niemand die ’t zien kon, toen er een paar tranen langs zijn pas
gewasschen wangen rolden. Eindelijk stond hij uit zijn knielende
houding op, in zichzelf mompelend:
„Zoo kan ’t nu misschien wel, voor zoolang. Mijn eigenlijk gebedje zal
ik straks wel doen, als pa weer thuis is.”
En zoo, met de tranen nog op zijn wangen, en met een meer bezwaard hart
dan hij nog ooit in zijn leven had gehad, stapte de arme, hongerige,
vermoeide kleine Jo in bed, bijna twee uur vóór zijn gewonen bedtijd en
zonder eten of drinken. Toen het theemaal gereed was, en Corrie en
Florence Elmslie, met schoongewasschen handen en gezichten, er ook voor
gereed waren, maakten ze elkaar, met eenige verbazing, opmerkzaam op
den verbazend langen tijd dien Jo noodig had om zich netjes te maken.
„Hij is in zoo’n berouwvolle stemming, dat ik veronderstel dat hij zich
extra veel moeite geeft om er héél keurig uit te zien, alleen om je
pleizier te doen,” zei Florence Elmslie, terwijl ze zich bij den haard
neerzette en zich amuseerde met ’t groote houtblok, dat er in lag, om
en om te keeren, om ’t te laten knetteren.
Corrie vond ’t heel waarschijnlijk dat haar vriendin gelijk had in haar
veronderstelling, maar ze dacht toch dat hij nu al den tijd had gehad
om een model van netheid en keurigheid van zichzelf te maken; en dus
zette ze den trekpot, dien ze juist had opgetild om er uit te schenken,
weer neer, en liep naar boven om hem te halen, terwijl ze, al loopende,
hem bij zijn naam riep.
Maar, zooals ze dien middag te vergeefs geroepen had, zoo ging ’t ook
nu. Ze kreeg geen antwoord. Eindelijk kwam ze bij zijn kamer, waarvan
de deur dicht was. „Jo, ben je daar?” vroeg ze.
„Ja, Corrie,” riep een heel ernstige jongensstem terug.
Corrie draaide den knop om en keek naar binnen, of liever tuurde in de
duisternis. „Maar, Johan, jongen, waar blijf-je? Wat voer-je hier boven
toch uit in ’t donker?”
„Ik ben in bed, Cor.”
Corrie Holmer naderde het bed, of eigenlijk ’t gedeelte van de kamer
vanwaar haar broer’s stem tot haar doordrong, want ze zag niets; maar
bij dat antwoord stond ze plotseling verschrikt stil. „Jo,” bracht ze
met gedempte stem uit, „Jo, ben-je ziek?”
Het antwoord volgde gauw genoeg. „Ziek! Wel neen, Corrie, natuurlijk
niet. Ik ben nooit ziek, dat weet-je wel. Maar ik heb je vandaag zóó’n
naren middag bezorgd door alles heelenal verkeerd te doen, dat ik
dacht, ik moest voor dezen éénen keer maar eens zonder eten naar bed
gaan. Misschien kan ik mezelf dan wel leeren om niet zoo’n erg lastige
jongen meer te zijn op een anderen keer. Ben-je daar, Cor?—hoor-je me?”
Maar Cor’s antwoord volgde niet zoo gauw als dat van haar broertje was
gevolgd, want Cor schreide weer. Niemand van de heele Holmers familie
was bijzonder zenuwachtig of schreiachtig. Maar het onaangename voorval
in haar vader’s bibliotheek, ’t lange brieven schrijven, ’t missen van
het gezellige middagje, waarop ze zich al dagen lang had verheugd, dat
alles te zamen scheen Corrie Holmer een klein weinigje van streek te
hebben gemaakt. Twee uur geleden was Jo, toen hij zag dat zijn zuster
schreide, totaal in de war geraakt, en dit laatste, die zelf-opgelegde
straf en die berouwvolle bekentenis, hadden nu op zijn zuster dezelfde
uitwerking. Ze tilde den jongen boeteling op in haar armen, en stamelde
snikkend:
„Och Jo, mijn beste, kleine Jo, hoe ben-je dáártoe gekomen? Wat een
verschrikkelijke knorrepot van een zuster moet ik geweest zijn, om je
op de gedachte te brengen jezelf op die manier te gaan straffen!”
„Neen, dat ben-je niet geweest,” bracht Jo halsstarrig daartegen in.
„Je bent zoo’n aardige, gezellige zus als er maar ergens een bestaan
kan; je zou geen knorrepot kunnen wezen, al probeerde je ’t. En ik
geloof eigenlijk dat ik ’t wel een klein beetje wist, dat ik niet in de
bibliotheek mocht komen, al was ’t ook dat ik papa een pleizier wou
doen; want ik herinner me dat ik probeerde om den kruk héél zachtjes om
te draaien, toen ik den eersten keer naar binnen ging, en ik heb ’t je
nog niet laten zien van die groote inkt—”
Maar hier werd aan de bekentenis voorloopig een einde gemaakt, want er
klonk een geratel van wielen, en Corrie vloog de trap af om haar vader
en moeder te verwelkomen, en om van de tegenwoordigheid van haar
vriendin, en van de oorzaak van Jo’s afwezigheid, een verklaring te
geven.
De heer en mevrouw Holmer waren vroeger thuisgekomen dan hun plan was
geweest, omdat de heer Holmer toevallig een ongetrouwden broer van hem
had ontmoet, die ’t plan had geopperd met hen terug te gaan, om een
paar dagen te blijven logeeren. Daar er dus voor ’t in orde maken van
een logeerkamer moest worden gezorgd, had Mevrouw Holmer ’t beter
gevonden wat vroeger naar huis terug te gaan; en ’t was nog geen zeven
uur, toen Jo in ’t donker op zijn vader’s knie zat, om hem volledig en
naar waarheid van de gebeurtenissen van dien middag verslag te doen.
„En vindt u nu ook niet, papa, dat dat naar bed gaan nog al goed van me
bedacht was, om me er op een anderen keer aan te doen denken?” vroeg
hij dringend, toen zijn verhaal uit was.
En de heer Holmer sloeg zijn armen nog een beetje vaster om zijn jongen
heen, toen hij antwoordde:
„Ja, beste jongen, ik vind ’t zóó goed bedacht, dat ik er me bepaald
dankbaar voor voel dat ik een zoontje heb, die bewijst dat hij zoo
ernstig ’t goede wil. En nu, kereltje, wat zou-je er van denken als je
je kleeren weer eens aantrok en beneden kwam, om te zamen met ons allen
thee te drinken?”
Maar daar zoowel mama als Jo zelf om verschillende redenen bezwaren
opperden tegen dat voorstel, eindigde de heer Holmer met, in plaats
daarvan, een blad voor twee personen naar de slaapkamer te brengen, en
daar voegde zich ook Oom Johan een poosje bij hen, die op die manier
met zijn neef en petekind dien avond beter kennismaakte dan hij ooit te
voren had gedaan.
„Denk er aan, William,” zei hij, een paar dagen later, bij ’t heengaan,
„als Corrie over drie weken bij me komt, met Kerstmis, dat de jongen
ook mee moet komen.”
„Wat!” riep de heer Holmer. „Wat!” riep Corrie. Mevrouw Holmer voegde
er geen derde „Wat!” bij, maar ze zei: „Werkelijk, Johan, dat is
onmogelijk. Onze Jo is zoo’n beste, goede, eerlijke jongen als er maar
een op de wereld bestaan kan, maar hij zou veel hebben van een jongen
wilden stier in een porceleinwinkel, als je hem daar bij je hadt in je
mooi gemeubeld, keurig ingericht huis.”
„Als je hem niet zendt, zal-je me de moeite en den last geven dat ik
hem zelf moet komen halen,” zei Oom Johan. En met dat beslissende
antwoord nam hij afscheid, en ging heen.
V.
EEN ONRUSTIGE OCHTEND.