De _Neushoorndieren_ (_Rhinocerotidae_) zijn plomp gebouwde, logge

dieren van tamelijk aanzienlijke grootte; zij onderscheiden zich

door hun in 't oog loopend grooten kop, welks aangezichtsgedeelte van

voren één hoorn (of twee achter elkander geplaatste hoornen) draagt;

zij hebben een korten hals, een krachtigen romp, gehuld in een op een

pantser gelijkende huid en nagenoeg geheel of grootendeels onbehaard,

een korte staart en korte, zware, maar toch geenszins plompe pooten,

welker voorvoeten en achtervoeten ieder drie teenen hebben, waarvan

het eindlid door een hoef omsloten is. Ieder deel van 't lichaam

heeft, zelfs wanneer men het met het overeenkomstige deel van

andere Neushoorndieren vergelijkt, een eigenaardig en vreemdsoortig

voorkomen. De kop is zeer langwerpig; vooral het aangezicht is

buitengewoon verlengd; het schedelgedeelte daarentegen van voren naar

achteren sterk samengedrukt, zoodat het voorhoofd een zeer steile

helling verkrijgt; tusschen het voorhoofd en het merkbaar verhevene

neusgedeelte ontstaat hierdoor een in 't midden diep uitgeholde,

zadelvormige inzinking; de mondopening is in verhouding tot den kop

zeer klein, het middelste deel van de bovenlip tot een vinger- of

slurfvormig uitsteeksel verlengd, de onderlip afgerond of van voren

recht afgesneden; het oog opmerkelijk klein, het niet ongewoon gevormde

oor eerder groot dan klein, zijn buitenrand afgerond. De korte, steeds

geplooide hals is dikker dan de kop en gaat zonder merkbare scheiding

in den kolossalen romp over; deze onderscheidt zich zoowel door de

scherpe, in 't midden uitgeholde ruglijn en den over zijn geheele

lengte afgeronden en hangenden buik, als doordat hij iets hooger

is in de schouders dan in het kruis; de korte staart is bij sommige

naar de spits toe zijdelings sterk samengedrukt en dan tot aan het

einde bijna gelijk van breedte, bij andere gestrekt kegelvormig. De

pooten krommen zich als die van een Dashond van buiten naar binnen;

alleen het deel, dat onder het polsgewricht en spronggewricht ligt,

is recht en verticaal geplaatst; dit deel verbreedt zich gelijkmatig,

totdat het den bodem bereikt, waarop het met de eivormige zool rust;

de middelste van elk drietal hoeven is ongeveer dubbel zoo breed als

elk der beide zijdelingsche. De steeds zeer dikke huid, die bij de

meeste soorten op een pantser gelijkt, sluit bij sommige glad tegen het

lichaam aan, met uitzondering van eenige weinige, niet sterk verheven

plooien. Bij andere soorten bestaat zij uit verscheidene schilden,

die door diepe plooien duidelijk gescheiden zijn en alleen door deze

plooien een zekere bewegelijkheid verkrijgen, omdat hunne randen over

elkander geschoven kunnen worden, daar waar zij verbonden zijn door de

dunnere, buigzame huid, die de groeven bekleedt. Diepe rimpels omgeven

de oogen en den mond en verschaffen aan de plompe, maar betrekkelijk

zeer beweeglijke lippen een onverwachte lenigheid. Fijnere groeven

kruisen elkander op de huid en voorzien haar met een netvormige

teekening, welker mazen knobbelvormige verhevenheden van zeer

regelmatige gedaante insluiten; deze vormen op de huid, vooral op

de schilden, een even vreemdsoortige als bevallige versiering. De

beharing bepaalt zich tot een meer of minder langen zoom om de ooren

en om de platgedrukte staartspits; bij enkele soorten ook eenige

plekken op den rug behaard. De hoornen, die, evenals de haren,

opperhuidsvormingen zijn, bestaan uit evenwijdig loopende, uiterst

fijne, ronde of kantige, van binnen holle vezels van hoornstof:

zij rusten met hun breede, rondachtige grondvlakte op de dikke huid,

die het aangezicht bekleedt. Niet zelden, hoewel altijd slechts bij

enkele exemplaren, vertoont de opperhuid op verschillende plaatsen,

het meest echter aan den kop, hoornachtige woekeringen, die een hoogte

van verscheidene centimeters kunnen bereiken.

Plompheid van vorm en krachtige ontwikkeling kenmerken de beenderen. De

breede en forsche neusbeenderen, die de neusholte bedekken, en door

een dik neusmiddelschot gesteund worden, welks voorste gedeelte,

evenals bij de andere Zoogdieren, kraakbeenig is, zijn oneffen,

ruw en knobbelig daar, waar de hoorn er op rust, en wel des te meer,

naarmate de hoorn grooter is. Aan het gebit ontbreken de hoektanden;

bij de Afrikaansche soorten vallen de vier in elke kaak voorkomende

snijtanden reeds op zeer jeugdigen leeftijd uit, terwijl er bij de

Aziatische soorten gedurende het geheele leven vier in de onderkaak

en twee in de bovenkaak aanwezig blijven. Voor 't overige bestaat

het gebit uit zeven maaltanden in elke kaakhelft.

De Neushoorndieren bewonen tegenwoordig alleen het Oostersche en het

Ethiopische faunistische rijk; zij hadden in den vóórtijd een veel

uitgestrekter verbreidingsgebied. Dat van de beide uitgestorven,

tweehoornige soorten, die met de namen _Rhinoceros antiquitatis_

(_R. tichorhinus_) en _Rhinoceros Merckii_ (_R. leptorhinus_) aangeduid

worden, omvatte gedurende den ijstijd en het hieraan voorafgaande

praeglaciale tijdvak geheel Noord- en Centraal-Azië met inbegrip van

Siberië en China, bovendien Noord- en Midden-Europa. Bij beide was het

neusmiddelschot ook van voren verbeend. Hierdoor verkreeg de voorste

en grootste van de beide hoornen steun; de achterste rustte op het

voorhoofdsbeen. Van beide soorten zijn volledige lijken met huid,

haren en goed geconserveerde weeke deelen gevonden in den bevroren

bodem van de moerassige landstreek, die den mond van den Jeniseï van

dien van den Lena scheidt. In het St. Petersburger Museum worden

deelen van deze merkwaardige lijken bewaard, welke bewijzen, dat

de Neushoorndieren van den IJstijd met een dicht, wollig haarkleed

bedekt waren en dat hun huid de eigenaardige plooien van de thans

levende, tropische vormen miste. In Noord-Azië, van den Ob tot aan de

Beringstraat is er geen rivier in het vlakke land, aan welks oevers

geen beenderen van voorwereldlijke dieren vooral van Olifanten,

Buffels en Neushoorndieren gevonden worden.

Onze kennis van de hedendaagsche soorten is in den laatsten tijd

aanmerkelijk uitgebreid, maar laat in sommige opzichten nog veel te

wenschen over. Flower heeft in het jaar 1876 deze familie op nieuw

bewerkt. Naar het gebit en de huidplooien onderscheidt de genoemde

onderzoeker drie hoofdgroepen van Neushoorndieren. Tot de eerste

rekent hij alle soorten met in schilden verdeelde, tot de tweede die

met minder geplooide huid, tot de derde de soorten zonder blijvende

huidplooien.

Blijvende snijtanden (zie boven), één hoorn en goed ontwikkelde hals-

en lendenplooien, die met de overige huidplooien schildvormige

velden omgeven, en de als harnas dienende huid in pantserplaten

verdeelen, kenmerken de _Gepantserde Neushoorndieren_ (_Rhinoceros_),

vertegenwoordigd door twee welbekende, levende soorten.

De _Indische Neushoorn_ (_Rhinoceros unicornis_) bereikt, met inbegrip

van den 60 cM. langen staart, een lengte van 3.75 M. een schouderhoogte

van 1.7 M. en een gewicht van omstreeks 2000 KG. De hoorn wordt 60 à 65

cM. lang. Zeer krachtig en plomp gebouwd, onderscheidt dit dier zich

van zijne verwanten door den betrekkelijk korten, breeden en dikken

kop en de eigenaardige begrenzing der huidschilden. Het bewoont thans

nog het noordelijk deel van Indië en het Zuiden van China.

De andere soort van het ondergeslacht is de _Wara_, de _Javaansche

Neushoorn_ der Europeesche handelaars (_Rhinoceros sondaicus_),

die echter niet tot Java beperkt is, maar een uitgestrekter

verbreidingsgebied heeft dan de vorige soort, daar hij ook in

Achter-Indië (n.l. in Birma, Pegoe en Tenasserim) voorkomt. De

huidplooien zijn hier zeer diep, maar de door haar begrensde velden

hebben een anderen vorm dan bij de vorige soort; korte, zwarte borstels

komen verspreid over het geheele lichaam voor. Evenals de Indische

Neushoorn is ook de Javaansche vuil bruingrijs van kleur. Zijn

hoorn wordt hoogstens 25 cM. lang. De lichaamslengte bedraagt, met

inbegrip van den 50 cM. langen staart, 3 M., terwijl de schouders

1.4 M. hoog zijn.

De _Half-gepantserde Neushoorndieren_ (_Ceratorhinus_) hebben

onvolledig ontwikkelde hals- en lendenplooien, die de huid wel in

gordels, maar niet in schilden verdeelen. Zij hebben twee achter

elkander geplaatste, betrekkelijk korte hoornen en komen, wat hun

gebit betreft, met de dieren der vorige groep overeen.

De eenige vertegenwoordiger van dit ondergeslacht is de _Badak_ of

_Sumatraansche Neushoorn_ (_Rhinoceros sumatranus_), de kleinste van

de tot dusver genoemde, daar zijn lichaamslenge, met inbegrip van

55 cM. langen staart, 3.35 M. bedraagt, bij een schouderhoogte van

1,5 M.; de voorste hoorn is 25, de achterste 12 cM. lang. De huid is

verspreid borstelig behaard en grijsbruin van kleur.

Het volkomen ontwikkelde gebit van de _Afrikaansche Neushoorndieren_,

die het derde ondergeslacht (_Atelodus_) vormen, is gekenmerkt door het

ontbreken van alle snijtanden. De gladde, gelijkvormige en onbehaarde

huid is alleen op de verbindingsplaats van hals en romp duidelijk

geplooid en zoomin in schilden als in gordels verdeeld. Deze dieren

zijn met twee slanke, achter elkaar geplaatste hoornen gewapend.

De meest bekende vertegenwoordiger van het ondergeslacht is de _Zwarte

Neushoorn_ der Zuid-Afrikaansche Boeren en Engelsche jagers, die door

de inboorlingen van Zuid-Afrika _Borele_ en, als de achterste hoorn

zeer lang is, _Keitloa_ genoemd wordt (_Rhinoceros bicornis_). Zijn

kleur wisselt af tusschen donker leikleurig grijs, dat de overhand

heeft en vuil roodbruin. Geheel volwassen mannetjes hebben, met

inbegrip van den ongeveer 60 cM. langen staart, een totale lengte van

4 M., bij 1,4 M. schouderhoogte. De meer of minder sterk achterwaarts

gebogen hoornen zijn 70 à 80 cM. lang. Slechts bij uitzondering is

de achterste hoorn nagenoeg even lang of iets langer dan de voorste;

bij de meeste exemplaren bereikt hij niet de helft van de lengte van

den voorsten; dikwijls is hij slechts een kort stompje.

Het verbreidingsgebied van dit dier is vooral van 't zuiden af

aanmerkelijk ingekrompen, maar is nog steeds zeer uitgestrekt, daar

het een groot deel van Afrika omvat en wel voornamelijk de oostelijke

helft, ongeveer van 15° N.B. tot aan de zuidkust.

De grootste soort van de geheele familie is die, welke door de

Hollandsch sprekende bewoner van Zuid-Afrika _Witte Neushoorn_, door de

inboorlingen _Monoehoe_, _Kobâba_ of _Tsjikori_ (_Rhinoceros simus_)

wordt genoemd. Met inbegrip van den 60 cM. langen staart heeft hij

een lengte van ruim 5 M. Bijna 1/3 van deze lengte komt op den kop,

die twee hoornen draagt, waarvan de voorste een lengte van 1 M. heeft

en in den regel zwak naar voren gebogen is, de achterste daarentegen

klein blijft. Grootendeels is zijn kleur lichtgeel à lichtgrijs

of bleekgrijsbruin, op de schouders en dijen en het onderlijf iets

donkerder. Aan den buitengewoon langen kop is opmerkelijk de stompe

snuit; hieraan ontbreekt het slurfvormige uitsteeksel, dat bij de

overige leden der familie aan de bovenlip voorkomt; hij gelijkt

hierdoor op den snuit van een Rund. Dit dier bewoont de zuidelijke

helft van Afrika.

De ouden hebben den Neushoorn zeer goed gekend. Volgens Plinius bracht

Pompejus, behalve den Los uit Gallië en den Baviaan uit Ethiopië,

het eerste Eénhoornige Neushoorndier in het jaar 61 voor Chr. naar

de kampspelen te Rome. De eerste schrijver, die van dit dier melding

maakt, is Agatharchides; op hem volgt Strabo, die te Alexandrië

een Neushoorn gezien heeft. Pausanias noemt hem het "Ethiopische

Rund". Martialis wijdt aan beide soorten eenige dichtregelen. Van

den Eénhoornigen zegt hij:

"Op de ruime vlakte, o Caesar, voert de Neushoorn

Kampstrijden uit, zooals nimmer nog gezien zijn.

Hoe stormde in grimmige woede ontstoken het ondier nader!

Hoe machtig door zijn hoorn, waarvoor slechts een bal was

de Stier!"

Van den Tweehoornigen Neushoorn wordt gezegd:

"Terwijl de mannen trachtten den Neushoorn ten strijde te

prikkelen,

Den verkropten toorn van den reus langzaam deden zwellen,

Verloor het volk door het lange wachten de hoop op den strijd,

Maar de gewone woede keert dra in het monster terug;

Met den dubbelen hoorn heft hij den geweldigen Beer op,

Zooals de Stier de stroopoppen tot de sterren omhoog werpt."

De Arabische schrijvers hebben de beide soorten reeds zeer vroeg

genoemd en den Indischen Neushoorn van den Afrikaanschen onderscheiden;

in hunne sprookjes komen beide niet zelden als bovennatuurlijke

wezens voor. Marco Polo, de bekende reiziger, wiens geschriften voor

de dierkunde zoo belangrijk zijn, is de eerste, die, na een langdurig

tijdvak, waaruit geen berichten over den Neushoorn tot ons gekomen

zijn, het stilzwijgen verbreekt. Hij had het in de 13e eeuw op zijn

reis door Indië, en wel op Sumatra, weder gezien. In het jaar 1513

kreeg de koning van Portugal uit Oost-Indië een levenden Neushoorn. De

mare van het bestaan van dit vreemdsoortige dier verbreidde zich over

alle landen. Albrecht Dürer gaf een houtsnee in 't licht, die hij naar

een slechte, uit Lissabon afkomstige afbeelding gemaakt had. Hierop

is het dier voorgesteld, alsof het met schabrakken bedekt en met

pantserschubben aan de voeten bekleed is; ook draagt het een kleinen

hoorn op den schouder. Bijna 200 jaren lang was deze houtsnede van den

beroemden graveur de eenige afbeelding, die men van het Neushoorndier

had. Eerst door Chardin, die te Ispahan een Neushoorndier zag, werd

in 't begin van de vorige eeuw een betere afbeelding gegeven. Een

betere levensbeschrijving gaf Bontius reeds omstreeks het midden van

de 17e eeuw.

Over 't geheel genomen komen alle Neushoorndieren in levenswijze, aard,

eigenschappen, bewegings- en voedingswijze met elkander overeen, hoewel

van iedere soort eigenaardigheden bericht worden. Onder de Aziatische

soorten b.v. staat het Indische Neushoorndier als een buitengewoon

boosaardig dier bekend; het Javaansche wordt veel goedaardiger

genoemd en het Sumatraansche is dit, volgens de beschrijvingen,

in nog hoogere mate. Een soortgelijk verschil merkt men tusschen

de Afrikaansche soorten op. Het zwarte Neushoorndier wordt, ondanks

zijn betrekkelijk geringe grootte, als het kwaadaardigste van alle

Afrikaansche dieren beschouwd, terwijl de Witte Neushoorn geheel

onschadelijk heet te zijn. Eenige grond zal er wel bestaan voor deze

verschillende karakterschetsen; de volle waarheid zal echter wel zijn,

dat iedere Neushoorn, die voor de eerste maal een mensch ontmoet,

en niet getergd wordt, zich goedaardig toont, maar bewijzen geeft

van boosaardigheid, wanneer onaangename ervaringen zijn verstand

gescherpt en hem vertoornd hebben.

De Neushoorndieren bewonen bij voorkeur een zeer waterrijk gebied;

moerassige gewesten, rivieren, die ver buiten hunne oevers treden,

meren met slijkerige, door struikgewas omgeven oevers, in welker

nabijheid zich grasrijke weidegronden bevinden, bosschen, die

door beken doorsneden zijn en dergelijke plaatsen. De Afrikaansche

soorten gedijen echter ook zeer goed in gewesten, die rijk aan gras

en struiken, maar bijzonder droog zijn, wanneer zij hier op niet

te grooten afstand poelen aantreffen. Voor zulke zware, zoo goed

gepantserde dieren opent zelfs de meest verwarde wildernis hare voor

andere dieren ontoegankelijke verborgenheden; zelfs de vreeselijkste

doornen zijn buiten machte den Rhinoceros te keeren. Om deze reden

ontmoet men de meeste soorten bijzonder veelvuldig in bosschen, reeds

bij het zeestrand, sommige echter in hooge gewesten nog regelmatiger en

overvloediger dan in lage. Ieder Neushoorndier bezoekt waarschijnlijk

minstens éénmaal per dag het een of andere water, om hier te drinken en

zich in het slijk te wentelen. Een slijkbad is een levensbehoefte voor

alle op het land levende "dikhuidige" dieren; want, hoezeer ook deze

naam (die vroeger op alle Onevenvingerigen, met uitzondering van de

Eénhoevigen, en bovendien op de Zwijnen, Nijlpaarden en Slurfdieren

werd toegepast) door den aard van hun vel gerechtvaardigd wordt,

toch zijn zij zeer gevoelig voor de steken van de Vliegen, Bremzen

en Muggen; tegen deze boosaardige, kleine vijanden kunnen zij zich

eenigermate beschutten en zich tijdelijk rust verschaffen door zich

met een dikke laag slijk te bedekken. Voordat zij uitgaan om te

fourageeren, zoeken de Neushoorndieren de weeke oevers van de meren,

poelen en rivieren op, en woelen een gat in den modder, waarin zij

zich rondwentelen en omdraaien, totdat de rug en de schouders, de

zijden en het onderlijf met slib bedekt zijn. Hoe prettig zij dit

ploeteren in den modder vinden, blijkt uit hun luid geknor; zelfs

verliezen zij door het hun zoo aangename bad niet zelden hun gewone

waakzaamheid uit het oog.

De Neushoornen zijn meer des nachts dan over dag in de weer. Een

groote hitte is hun zeer onaangenaam; zoolang deze heerscht, slapen

zij op de een of andere schaduwrijke plaats, half op de zijde, half

op den buik liggend; de kop is vooruitgestoken of rust op den grond;

soms echter staan zij traag in een stil gedeelte van het woud, waar

zij door de boomen tegen de zonnestralen beschut zijn. Volgens alle

berichten slapen deze dieren zeer vast. Niet zelden is het gebeurd,

dat men slapende Neushoornen zonder eenige voorzorgsmaatregelen

kon naderen; zij geleken op gevoellooze rotsblokken en verroerden

zich niet. Gewoonlijk is het dreunende gesnurk van den slapenden

Neushoorn op een vrij grooten afstand hoorbaar, en trekt het zelfs

de aandacht van hem, die het rustende dier niet ziet. Soms echter

geschiedt de ademhaling zonder gedruisch, zoodat de reiziger niet

gewaarschuwd werd voor de aanwezigheid van het reusachtige dier,

dat hij plotseling voor zich ziet liggen.

Met het aanbreken van den nacht, in vele gewesten echter reeds in de

middaguren, staat de Neushoorn op, rekt en strekt zich behaaglijk in

zijn slijkbad, en gaat nu grazen. Hij zoekt voedsel in dichte, voor

andere dieren ternauwernood toegankelijke wouden en in open vlakten,

in het water en in de met riet begroeide moerassen, op de bergen en

in het dal. In de dsjungels van Indië heeft hij lange, lijnrechte

wegen gebaand, door het breken en zijwaarts buigen van alle planten,

die hem in den weg stonden, en door het vasttrappen van den grond;

ook in de binnenlanden van Afrika ziet men zulke paden.

Het Neushoorn dier vreet boomtakken en allerlei harde struiken,

distels, brem, biezen, steppengras, enz., maar is volstrekt niet

afkeerig van saprijker voedsel. Te dezen aanzien bestaat dus tusschen

hem en den Olifant een soortgelijk verschil, als tusschen den Ezel

en het Paard. In Afrika voedt de Zwarte Neushoorn zich hoofdzakelijk

met twijgen, vooral met die van de daar zeer veelvuldig voorkomende,

doornachtige Minosa's; de Witte Neushoorn echter eet, in verband met

den vorm van zijn onderlip, gras, dat in bosjes bijeen groeit. Dikwijls

richten deze dieren, in streken waar akkerbouw voorkomt, groote

verwoestingen aan. Bovendien vernielen en vertrappen zij daar nog veel

meer dan zij opeten. Het gras wordt met den breeden muil afgeplukt;

de twijgen worden afgebroken met het als hand dienend uitgroeisel van

de bovenlip.--De Indische Neushoorn kan het slurfvormige verlengstuk

van de bovenlip tot ongeveer 15 cM. verlengen, en hiermede een dikken

bos gras omvatten, uitrukken en in den bek brengen. Het schijnt hem

onverschillig te zijn, dat er nog eenige aarde aan de wortels blijft

hangen. Wel slaat hij het uitgerukte bosje even tegen den grond, om

het grootste deel van de aarde er af te schudden, maar daarna stopt

hij het zonder eenig gemoedsbezwaar in den wijden muil, en slikt het

zonder moeite door. Zeer gaarne eet hij wortels, die hij zeer goed

weet op te delven. Tot tijdverdrijf, hoofdzakelijk voor zijn vermaak

althans, woelt hij soms ook wel een boompje of een struik uit den

grond; daartoe veegt hij met zijn kolossalen hoorn zoo lang de aarde

tusschen de wortels weg, totdat hij den struik vatten en uit den

grond lichten kan, waarna hij de wortels er afbreekt en deze verslindt.

De levenswijze van de Neushoorndieren heeft niet veel

aantrekkelijks. Wanneer zij niet eten, slapen zij; om de overige wereld

bekommeren zij zich nagenoeg niet. Zij leven niet gelijk de Olifanten

in kudden bijeen, maar meestal afzonderlijk of hoogstens tot kleine

troepen van 4 à 10 individuën vereenigd. Tusschen de leden van zulk

een gezelschap bestaat geen nauwen band: in den regel leeft ieder

voor zich en doet wat hem goeddunkt. Toch kan men niet zeggen, dat het

eene dier het andere steeds met doffe onverschilligheid beschouwt; in

zulk een gezelschap vindt men ook de moeder en haar kind; bovendien is

de betrekking tusschen de volwassen dieren van verschillend geslacht

niet zelden van zeer innigen aard en wordt misschien eerst door den

dood afgebroken. Zij schijnen log van lichaam en ook log van geest; de

schijn stemt hier echter niet geheel met de werkelijkheid overeen. In

den regel heeft de Neushoorn een zwaren en eenigszins plompen gang;

als hij liggen gaat, of zich omwentelt, doet hij dit zoo onbeholpen

mogelijk; al zijne bewegingen zien er echter onbeholpener uit, dan

zij zijn. Hij is niet zooals de Olifant een telganger, maar verzet

de pooten overkruis, d.w.z. verplaatst tegelijkertijd een voorpoot

en een achterpoot van verschillende zijden. Iedere Neushoorn zwemt

nu en dan; hij blijft echter altijd aan de oppervlakte van het water

en duikt alleen onder, wanneer dit strikt noodig is.

Onder de zinnen van de Neushoorndieren staat het gehoor bovenaan; dan

volgt de reuk en hierna het gevoel. De gezichtszin is zeer weinig

ontwikkeld. Het gehoor is vermoedelijk zeer fijn: het zachtste

gedruisch wordt op een grooten afstand waargenomen. De smaakzin

ontbreekt hun niet; bij tamme dieren althans nam ik waar, dat zij

veel van suiker houden en blijken geven van bijzonder welgevallen,

wanneer zij er op getracteerd worden. Hun stem bestaat uit een dof

gegrom, dat door een woest gesnuif en geproest vervangen wordt,

als zij toornig zijn. De Neushoorndieren in vrijen toestand laten

dit geproest dikwijls hooren, want zij worden spoedig tot toorn

geprikkeld en hun onverschilligheid voor alles, wat geen voedsel is,

kan zeer schielijk in het tegenovergestelde gevoel veranderen. Dan

letten zij zoomin op het aantal als op de weerbaarheid hunner

vijanden, maar gaan blindelings en regelrecht op het voorwerp van

hun toorn af. Evenals de stier heeft de Neushoorn een afkeer van

roode kleuren; men heeft opgemerkt, dat hij menschen aanviel, die

hem in 't geheel geen kwaad hadden gedaan, maar kleederen droegen,

welker sterk sprekende kleuren zijn woede opwekten. Gelukkig kost het

niet veel moeite, een in razenden drift voorthollenden Neushoorn te

ontwijken. De geoefende jager laat hem tot op een afstand van 10 à

15 schreden naderen en springt dan ter zijde; het doldriftige dier

rent hem voorbij, verliest zijn spoor, holt op goed geluk voort en

koelt misschien zijn woede aan een volkomen onschuldig voorwerp.

De Neushoorn brengt slechts een jong ter wereld, een klein, plomp

beest, zoo groot als een halfwassen Zwijn, dat met geopende oogen

geboren wordt. Zijn roodachtige huid heeft nog geen plooien; een

beginsel van een hoorn is reeds aanwezig.

Hoe lang het jonge Neushoorndier bij zijn moeder blijft, weet men niet;

evenmin kent men de verhouding tusschen vader en kind. In de eerste

maanden groeit het snel. Een exemplaar, dat op den derden levensdag

ongeveer 60 cM. hoog en 1.1 M. lang was, werd in de daaropvolgende

maand 13 cM. hooger en 15 cM. langer. Na 13 maanden had het reeds

een hoogte van 1.2, een lengte van 2 en een omvang van 2.1 M. bereikt.

Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 08: De Tandeloozen; Hoofdstuk 09: De Slurfdieren; Hoofdstuk 10: De Onevenvingerigen · 第 12 / 13 段