Oost-Afrika; zij ontbreken in de keerkringsgewesten van de westelijke
helft van Afrika en in het geheele Kongo-gebied, met uitzondering van
het meest afgelegen, zuidoostelijk deel. De _Quagga_ wordt gevonden in
de noordwaarts van het Kaapland gelegen Kalahari-woestijn en in Duitsch
Zuidwest-Afrika tot aan den Kunene, bovendien in de Zuid-Afrikaansche
Republiek. Verder op bij de Zambesi en de Kunene komt de _Bonte
Quagga_ voor. De _Zebra_, die aan bergachtige gewesten de voorkeur
geeft, bewoont hetzelfde gebied als de beide andere soorten en is nog
verder verbreid: in het Kaapland wordt hij ook thans nog gevonden;
noordwaarts komt hij aan de westzijde tot in Benguela, aan de oostzijde
tot op ongeveer 12° Z.B. voor.
De Tijgerpaarden leven gezellig. Gewoonlijk ziet men wel 10 à 30
stuks bijeen; vele berichten maken melding van gezelschappen, die
uit honderden individuën bestonden; waarschijnlijk verhuisden deze
van het eene gewest naar een ander. Steeds ziet men iedere soort
afzonderlijk. Misschien zijn de Tijgerpaarden van de eene soort
voor die van de andere bevreesd. Andere dieren schuwen zij echter
niet: zoo melden alle onderzoekers eenstemmig, dat men tusschen de
Quagga-kudden bijna geregeld Springbokken en Bonte Bokken, Gnoes,
en Struisen, maar ook Buffels vindt. Vooral de Struisen zijn, naar
gezegd wordt, de standvastige begeleiders van de genoemde Wilde
Paarden; de reden hiervan zal wel zijn, dat deze met de waakzaamheid
en de voorzichtigheid van de genoemde reuzen uit de Vogelklasse hun
voordeel kunnen doen.
Alle Tijgerpaarden zijn buitengewoon snelle, bewegelijke, waakzame
en schuwe dieren. Vlug als de wind snellen zij voort, door de vlakte
zoowel als in bergstreken.
Het inhalen van zulk een aaneengesloten kudde van Tijgerpaarden, valt
den goed bereden jager niet moeielijk, hoewel een alleenloopend dier
gemakkelijk den vlugsten ruiter ontkomt. Men verhaalt, dat de jonge
Quaggas wanneer het den vervolger gelukt met het Paard in de kudden
door te dringen en de veulens van de moeder te scheiden, zich gewillig
gevangen geven en het Paard volgen, zooals zij vroeger hun eigen
moeder deden. Er schijnt over 't algemeen tusschen de Tijgerpaarden
en de Eenhoevige huisdieren een zekere vriendschap te bestaan; de
Gewone en de Bonte Quaggas althans volgen, naar men zegt, niet zelden
de Paarden van de reizigers en grazen rustig op dezelfde weide.
De Tijgerpaarden zijn niet bijzonder keurig op hun voedsel, hoewel
zij hunne eischen hooger stellen dan de Ezels. Hun vaderland biedt
hun genoeg voedsel aan voor hun levensonderhoud; wanneer op de eene
plaats gebrek begint te heerschen, zoeken zij andere meer begunstigde
plaatsen op.
De stem van de Tijgerpaarden verschilt evenzeer van het hinneken van
het Paard als van het balken van den ezel. Volgens de door Cuvier
gegeven beschrijving laat de Quagga wel 20-maal achtereenvolgens de
klanken "oa, oa" hooren; sommige reizigers omschrijven dit geluid door
"kwè, kwè" of "kwèhè" en leiden hiervan den Hottentotschen naam van
dit dier af. Het geluid van den Dauw gelijkt op "joe, joe, joe"; deze
kort afgebroken klanken verneemt men althans van het gevangen dier,
zelden meer dan driemaal achtereen.
Alle zintuigen van de Tijgerpaarden zijn goed ontwikkeld. Het oor
ontgaat niet het geringste gedruisch, hun oog laat zich slechts uiterst
zelden bedriegen. Wat geestesgaven betreft, komen alle soorten tamelijk
wel met elkander overeen. Een onbegrensde neiging tot vrijheid,
uitgelatenheid, een zekere wildheid, ja zelfs boosaardigheid en
een groote moed zijn hun allen eigen. Dapper verweren zij zich door
schoppen en bijten tegen Roofdieren. De Hyenas laten hen wijselijk met
vrede. Waarschijnlijk is de machtige Leeuw in staat een Tijgerpaard
te overmeesteren; de vermetele Luipaard valt waarschijnlijk alleen
de zwakste exemplaren aan. Ook de Tijgerpaarden hebben tot ergsten
vijand de mensch. De moeielijkheid van de jacht en het fraaie vel,
dat op velerlei wijze gebruikt wordt, lokken den jager aan tot het
vervolgen van dit wild, dat over 't geheel genomen onschadelijk genoemd
mag worden. De Europeaan doodt het met den kogel, de inboorling met de
werpspeer; nog vaker echter worden deze dieren in valkuilen gevangen
en daarna met geringe moeite gedood of voor de gevangenschap bestemd.
Ten onrechte werden de Tijgerpaarden vroeger voor ontembaar
gehouden. Vele pogingen tot het temmen van deze prachtige dieren
hebben blijkbaar niet op de juiste wijze plaats gehad, of zijn
niet lang genoeg voortgezet. Enkele gelukten, anderen leidden niet
tot de gewenschte uitkomst. Meermalen zijn reeds Quaggas voor het
trekken van rijtuigen of voor het dragen van lasten afgericht; in
Engeland had men een paar van deze fraaie dieren zoo ver gebracht,
dat men ze voor een lichten wagen spannen en evenals met Paarden
met hen rondrijden kon. Andere berichten maken melding van mislukte
africhtingsproeven. Sparrmann verhaalt, dat een rijke kolonist aan
de Kaap, die eenige jong gevangene Zebras had laten opfokken en over
hun opvoeding tevreden scheen te zijn, eens op het denkbeeld kwam deze
nieuwmodische koetspaarden voor den wagen te spannen. Hij nam zelf de
teugels ter hand en reed met zijne harddravers weg. De rit had zeer
schielijk plaats, want kort daarna bevond de gelukkige eigenaar zich
weer in den gewonen stal zijner dieren en had zijn vernielden wagen
naast zich.
Deze en dergelijke ervaringen hebben de Kapenaars tot de meening
gebracht, dat het temmen van de Tijgerpaarden niet mogelijk is;
vele deskundigen twijfelen er echter niet aan, dat mettertijd ook
de bonte paarden den mensch dienstbaar zullen zijn. Barrow beweert,
dat de goede uitslag zeker is, wanneer men met meer omzichtigheid en
geduld handelt dan de Hollandsche Afrikaanders deden.
Alle Tijgerpaarden verdragen zonder bezwaar de gevangenschap in
Europa. Als zij goed gevoederd en ook overigens goed behandeld worden,
blijven zij niet slechts gezond, maar planten zich ook voort, zelfs
wanneer zij in een beperkte ruimte opgesloten zijn. Het is gebleken,
dat de Tijgerpaarden niet alleen onderling, maar ook met andere
Eénhoevigen gekruist kunnen worden. Tot dusver heeft men reeds
hybriden verkregen na paring van een Zebra-hengst met een Ezelin,
van een Ezel-hengst met een Zebra-merrie, van een Dziggetai-hengst
met een Zebra-merrie, van een Dziggetai-hengst met een Quagga-merrie,
van een Dziggetai-hengst met een Ezelin, van een hengst, die een
bastaard van een Zebra-hengst en een Ezel was, met een Pony-merrie,
van een hengst door kruising van een Ezel met een Zebra-merrie ontstaan
met een Pony-merrie. De beide laatstgenoemde gevallen leveren nieuwe
bewijzen voor de vruchtbaarheid van bastaarden.
Als naaste verwanten van de Paarden in de hedendaagsche
dierenwereld mag men de _Tapirs_ (_Tapiridae_) beschouwen, een
familie van betrekkelijk kleine, plomp gebouwde dieren, welke zich
onderscheiden door een goed gevormden romp met langwerpigen, schralen
kop, slanken hals, een kort staartstompje en middelmatig hooge,
krachtige pooten. De overeind staande ooren zijn kort en tamelijk
breed, de scheef geplaatste oogen daarentegen klein. De bovenlip
is bij wijze van een slurf verlengd en hangt ver over de onderlip
naar beneden. De pooten zijn krachtig; de voorpooten hebben vier,
de achterpooten drie teenen. Het stevige vel ligt overal glad tegen
de overige lichaamsdeelen aan. De beharing is kort, maar dicht, bij
de Amerikaansche soorten van het midden van den kop tot aan het kruis
bij wijze van manen verlengd. Het gebit bestaat uit drie snijtanden en
één hoektand in iedere kaakhelft met 7 maaltanden in iedere helft van
de bovenkaak en 6 in iedere onderkaakshelft. Het geraamte onderscheidt
zich door den betrekkelijke slanken vorm der beenderen.
Van de 3 of 4, voor 't meerendeel in Amerika levende soorten dezer
familie is minstens één ons reeds sedert langen tijd bekend, terwijl
de overige soorten eerst in den laatsten tijd ontdekt, beschreven en
onderscheiden werden. Wel is het opmerkelijk, dat de Amerikaansche
Tapir het eerst in de wetenschappelijke werken werd opgenomen,
en dat, ondanks het levendige verkeer met Indië en Zuid-Azië, de
eerste betrouwbare berichten over den Indischen Tapir niet vóór
het begin van deze eeuw (n.l. in 1819, door bemiddeling van Cuvier)
tot ons zijn gekomen. Bekend was dit dier reeds lang vóór dien tijd,
maar niet aan ons, wel aan de Chinezen, welker leer- en schoolboeken
reeds sinds lang van deze soort melding maakten. Bij de Tapirs merkt
men hetzelfde verschijnsel op als bij andere familiën, die zoowel
in de Oude als in de Nieuwe Wereld vertegenwoordigd zijn, n.l. dat
de soorten van de Oude Wereld edeler van vorm, men zou kunnen zeggen
volkomener zijn dan die, welke in de Nieuwe Wereld leven.
De _Indische Tapir_ of _Schabrak-Tapir_ (_Tapirus indicus_)
onderscheidt zich van zijne verwanten door aanzienlijker grootte
en door zijn betrekkelijk slanken lichaamsbouw; van den kop is het
aangezichtsgedeelte dunner, de schedel meer gewelfd; de slurf is
forscher en langer, de pooten zijn krachtiger, de manen ontbreken,
ook de kleur is anders. Vooral de bouw van de slurf is, naar het mij
voorkomt, belangrijk voor het herkennen van dit dier. Terwijl deze bij
de Amerikaansche Tapirs duidelijk te onderscheiden is van den snuit
en door zijn afgeronden vorm op een buis gelijkt, gaat de bovenste
helft van den snuit bij den Schabrak-tapir onmerkbaar in de slurf
over en gelijkt deze op de dwarse doorsnede veel op de slurf van den
Olifant; zij is n.l. aan de bovenzijde afgerond, aan de onderzijde
recht afgesneden.
Zeer eigenaardig is de kleur van het hoogst gelijkmatige haarkleed. Bij
de zuiver donkerzwarte grondkleur steekt de grijsachtig witte,
duidelijk begrensde schabrak sterk af. Volgens nauwkeurige metingen aan
een volwassen wijfje bedroeg de totale lengte 2.5 M. met inbegrip
van het 8 cM. lange staartstompje, bij 1 M. schouder- en 1.05
M. kruishoogte. Het verbreidingsgebied van dit dier begint op ongeveer
15° N.B. en strekt zich van hier zuidwaarts uit over Tenasserim en
Siam, het Maleische Schiereiland, Sumatra en Borneo.
In 1820 kwamen voor 't eerst een huid, een geraamte en verscheidene
ingewanden van het tot aan dien tijd nog slechts zeer onvolledig
bekende dier in Europa aan. Sedert dien tijd is onze bekendheid met
den Schabrak-tapir aanmerkelijk toegenomen, maar toch ontbreekt er nog
steeds veel aan. Van zijn leven in de vrije natuur weten wij nog niets;
ook de waarnemingen over het leven van dit dier in de gevangenschap
vereischen in vele opzichten nog aanvulling. Sterndale noemt het schuw
en zegt dat het een verborgen leven leidt, maar dat het, jong gevangen,
goed getemd kan worden en zeer gehecht wordt aan zijn verzorger.
Korte manen in den nek en een effen haarkleed kenmerken den _Gewonen
Amerikaanschen Tapir,_ die in Brazilië _Anta_ of _Danta_ wordt genoemd
(_Tapiris terrestris_). Met deze soort is men het vroegst bekend
geworden. De reizigers spraken reeds weinige jaren na de ontdekking
van Amerika over een daar levend, groot dier, dat zij voor een
Nijlpaard hielden en daarom _Hippopotamus terrestris_ noemden. Een
uitvoerige beschrijving, waaraan een afbeelding is toegevoegd,
werd er eerst omstreeks het midden van de 18e eeuw van gegeven door
den zeer verdienstelijken Georg Marcgrav. Deze eerste beschrijving
werd later door verschillende reizigers en onderzoekers aangevuld,
zoodat wij tegenwoordig over weinige groote dieren beter onderricht
zijn dan juist over dezen Tapir. De romp is bedekt met een tamelijk
gelijkmatig haarkleed, dat alleen van 't midden van den bovenkop langs
den nek tot aan de schouders stijve manen vormt, die echter niet
bijzonder lang worden. De kleur hiervan is zwartachtig grijsbruin,
aan de zijden van den kop, vooral echter aan den hals en aan de borst,
iets lichter; de voeten en de staart, de middellijn van den rug en van
den kop zijn gewoonlijk donkerder van kleur; de ooren zijn witachtig
grijs gezoomd. Verscheidene afwijkingen komen voor: er zijn vale,
grijze, geelachtige en bruinachtige exemplaren. Bij de jonge dieren
vertoont alleen de rug de grondkleur van de oude; de bovenzijde van
den kop is bij hen dicht bezet met witte, kringvormige vlekken; langs
iedere zijde van den romp loopen vier onafgebroken reeksen van punten
van lichtere kleur, die zich ook over de ledematen uitstrekken. Met
toenemenden leeftijd verlengen deze vlekken zich tot strepen en na het
einde van het tweede jaar verdwijnen zij geheel. Volgens de metingen
van Tschudi kan de Tapir wel 2 M. lang en 1.7 M. hoog worden, volgens
Kappler bedraagt zijn schouderhoogte bij deze lengte ternauwernood 1
M. Opmerkelijk is het, dat deze maximale afmetingen niet voorkomen bij
mannetjes, maar bij wijfjes, en dat deze in den regel de grootste zijn.
Volgens de nieuwste onderzoekingen schijnt het vaderland van den
Tapir beperkt te zijn tot het zuiden en oosten van Zuid-Amerika, en
wordt hij in 't noorden en westen van dit faunistisch rijk vervangen
door zeer na verwante, maar duidelijk verschillende soorten en wel in
de hooge gedeelten van den Andes-keten van Bogota tot Quito door den
_Bergtapir_ (_Tapirus pinchacus_), in Centraal-Amerika door _Baird's
Tapir_ (_Tapirus Bairdii_).
Om een levensbeschrijving van de Tapirs te geven, staan ons nagenoeg
geen andere hulpbronnen ten dienste dan de mededeelingen van Azara,
Rengger, den _Prins_ von Wied, Tschudi, Schomburgk en anderen over de
Amerikaansche soorten, want over de levenswijze van den Schabrak-tapir
bezitten wij geen uitvoerige berichten. Alle soorten gelijken trouwens
zooveel op elkander, dat het voldoende is van één hunner den handel
en den wandel na te gaan.
Alle Tapirs houden zich op in het woud en vermijden angstvallig de
niet met boomen bezette gedeelten. Door den voorwaarts dringenden
mensch worden zij teruggedrongen; zij nemen de wijk naar dieper gelegen
deelen van de wouden, terwijl, volgens Hensel, de overige dieren van
de Zuid-Amerikaansche keerkringslanden zich in omgekeerde richting naar
de ontgonnen gedeelten van het woud begeven. In de wildernissen van de
Zuid-Amerikaansche oerwouden loopen de Tapirs regelmatige paden uit,
die moeielijk onderscheiden kunnen worden van de wegen der Indianen
en den onervaren reiziger licht verleiden tot het volgen van een
verkeerde richting. De dieren maken van deze wildpaden gebruik,
zoo lang zij niet gestoord worden; wanneer de angst hen bevangt,
banen zij zich zonder eenige merkbare inspanning een weg door het
meest verwarde mengelmoes van takken, slingerplanten en struiken.
De Tapirs gaan bij voorkeur gedurende de schemering hun voedsel
zoeken. "Wij hebben," zegt Tschudi, "de dichte oerwouden, waarin een
groot aantal Tapirs leven, maanden lang doorkruist, zonder er in den
loop van den dag ooit een te ontmoeten. Naar het schijnt, houden
zij zich dan uitsluitend op in het dichte struikgewas op koele,
schaduwrijke plaatsen, bij voorkeur in de nabijheid van stilstaand
water, waarin zij zich gaarne wentelen." In zeer donkere wouden,
waar zij in 't geheel niet verontrust worden, zwerven zij echter
ook over dag rond. In den zonneschijn bewegen zij zich hoogst
ongaarne en gedurende de eigenlijke middaguren zoeken zij steeds op
de meest beschaduwde plaatsen van het woud zich te vrijwaren tegen
de verslappende hitte en nog meer tegen de Muggen, waarvan zij zeer
veel te lijden hebben. "Wanneer men," zegt de _Prins_ von Wied,
"in den vroegen morgen of des avonds zachtjes en zonder gedruisch
te maken de rivieren bevaart, krijgt men dikwijls Tapirs te zien,
die zich baden om zich te verfrisschen of voor de steken van Muggen
en Vliegen te beveiligen. Werkelijk verstaat geen enkel dier beter
de kunst om zich deze lastige gasten van 't lijf te houden: elke
modderpoel, iedere beek of vijver wordt met dit doel door den Tapir
opgezocht en gebruikt. Wanneer dit dier geschoten wordt, vindt men
daarom zijn huid met aarde en slijk bedekt." Tegen den avond gaan
de Tapirs hun voedsel zoeken: waarschijnlijk zijn zij des nachts
voortdurend in beweging. Hun levenswijze gelijkt wel eenigszins op die
van ons Wild Zwijn; zij vereenigen zich echter niet tot zulke groote
benden als de dieren van deze soort, maar leven meer afzonderlijk
op de wijze van de Neushoorndieren. Vooral de mannetjes leven, naar
men zegt, in afzondering en zoeken alleen in den paartijd de wijfjes
op. Hoogst zelden treft men familiën aan, en gezelschappen van meer
dan drie individuën werden tot dusver alleen op buitengewoon goede,
vette weiden gevonden.
De bewegingen van de Tapirs herinneren aan die van de Zwijnen. Hun
gang is langzaam en voorzichtig; de eene poot wordt bedachtzaam voor de
andere gezet, de kop intusschen naar den grond gebogen; de snuffelende
slurf, die onophoudelijk heen en weer gedraaid wordt en de ooren,
die voortdurend in beweging zijn, brengen leven in de overigens zeer
traag schijnende gestalte. De Tapir is een voortreffelijke zwemmer en
een nog beter duiker, die zonder aarzeling over de breedste rivieren
zwemt, niet alleen als hij vlucht, maar bij iedere gelegenheid.
De voortreffelijkste zinnen van den Tapir, de reuk en het gehoor,
staan waarschijnlijk op denzelfden trap van ontwikkeling; het gezicht
is zwak. De slurf is een zeer gevoelig tastwerktuig, en wordt voor
dit doel veelvuldig gebruikt.
De stem is een eigenaardig, schril gefluit, dat in 't geheel niet
geëvenredigd is aan de grootte van het dier.
Alle Tapirs zijn, naar het schijnt, goedhartige, vreesachtige
en vreedzame dieren, die alleen in den hoogsten nood van hunne
wapens gebruik maken. Zij vluchten voor iederen vijand, zelfs
voor het kleinste hondje; het bangst zijn zij echter voor den
mensch, wiens overmacht zij wel hebben ingezien. Dit blijkt reeds
hieruit, dat zij in de nabijheid van plantages veel voorzichtiger
en schuwer zijn dan in het onbetreden woud. Op dezen regel zijn
echter uitzonderingen. In sommige omstandigheden stellen zij zich
te weer, en zijn dan tegenstanders, waarmede rekening gehouden
dient te worden. Door woede verblind vallen zij hun vijand aan,
en trachten hem omver te loopen; ook gebruiken zij hunne tanden
wel op de wijze van onze Wilde Zwijnen. Zoo handelen de moeders,
wanneer zij hunne jongen verdedigen, die door de jagers bedreigd
worden. Zij stellen zich dan zonder aarzeling aan gevaar bloot. Wie
gedurende langen tijd gevangen Tapirs heeft nagegaan, komt tot de
overtuiging, dat zij, wat hunne geestesgaven betreft, hooger staan dan
het Neushoorndier en het Nijlpaard, en ongeveer met het Zwijn op een
lijn gesteld moeten worden. "Een jong gevangen Tapir," zegt Rengger,
"geraakt na een gevangenschap van slechts weinige dagen zoozeer aan
den mensch en diens woning gewend, dat hij ze niet meer verlaat. Hij
wordt onrustig, als zijn oppasser lang achtereen wegblijft, en zoekt
hem, als hij hiertoe in de gelegenheid is, overal op. Door iedereen
laat hij zich trouwens aanraken en liefkoozen." Kappler, die dikwijls
jonge Tapirs heeft opgevoed, verhaalt, dat hij ze steeds na verloop
van korten tijd weggaf, omdat zij door hun te groote gemeenzaamheid
zeer lastig werden; een volwassen dier trok eens van een gedekte
tafel het laken met al wat er op stond, naar beneden.--De door mij
verzorgde gevangenen hebben deze waarnemingen bevestigd. Zoowel
de Indische als de Amerikaansche Tapir waren hoogst goedaardige
dieren. Zij waren volkomen tam, vreedzaam gezind tegen ieder dier, en
toonden genegenheid aan bekenden.--Keller Leuzinger is van oordeel,
dat de Anta een huisdier zou kunnen worden. Volgens hem worden jong
gevangen dieren reeds na weinige dagen zoo tam als Honden, en denken in
't geheel niet meer aan ontvluchten. "In Curitiba, hoofdstad van de
provincie Parana," verhaalt onze zegsman, "liep een tamme Tapir, die
aan niemand toebehoorde, verscheidene jaren achtereen in de straten
rond, en werd van 's morgens tot 's avonds door de negerjongens
bereden. Een temperatuur van 2 à 3 graden onder het vriespunt, die
daar in Juni en Juli niet tot de zeldzaamheden behoort, schenen hem
weinig te hinderen."
De in vrijheid levende Tapirs voeden zich slechts met planten, en
hoofdzakelijk met boombladen. In Brazilië geven zij de voorkeur aan
jonge palmbladen, niet zelden echter doen zij strooptochten in de
plantages en toonen dan, dat suikerriet, mango, meloenen en allerlei
groenten ook van hun gading zijn.
Alle soorten van Tapirs worden door den mensch ijverig vervolgd,
omdat men hun vleesch en hun vel gebruikt. Het vleesch wordt geroemd
als malsch, sappig en smakelijk; de dikke huid wordt gelooid en in
lange riemen gesneden, die, na afgerond en door herhaalde inwrijving
met gesmolten vet lenig gemaakt te zijn, als zweepkoorden of teugels
gebruikt worden.
Men jaagt den Tapir in Amerika gewoonlijk met behulp van Honden, die
het vluchtende dier fel vervolgen, tot het, wat geregeld geschiedt,
naar het naast bij gelegen water ijlt. Hier echter loert, in een licht
schuitje aan den oever verborgen, de jager, die nu met de Honden het
zwemmende en duikende wild vervolgt. Het wordt, indien de watervlakte
niet te klein is, weldra door zijne vervolgers ingehaald en met een
kogel of ook wel met het lange jachtmes afgemaakt. Zeer duidelijk
beschrijft Von der Steinen een Tapirjacht, door hem bijgewoond
gedurende zijn vaart op den Xingoe: "Valentin ontdekt een dicht bij
den oever zwemmen den Tapir; allen haastten zich om aan de jacht deel
te nemen. Irineo treft hem met twee kogels de eene in de flanken,
de andere in de slurf, Valentin zendt hem een lading hagel om de
ooren--hij ontsnapt in het woud. De Honden vervolgen hem en wij roeien
zoo hard wij kunnen; op nieuw gevuurd, nogmaals ontsnapping in het
struikgewas. De Honden kijken onnoozel in het water en weten niet wat
zij doen zullen; de kleine Spits vindt echter het spoor en volgt dit,
de andere Honden komen hem te hulp. Daar ginds op een afstand van 1/2
KM., is de Tapir al weer te water gegaan; wij hem zoo snel mogelijk
achterna in een onbeschrijfelijke verwarring; hij komt boven en duikt
weer onder; Pedro mist hem op 5 pas en schiet een pijl op hem af,
die terugspringt; Merelles schiet ook dicht bij het dier langs;
een ander raakt het; de booten varen bijna over elkander heen; wij
trachten het wild te grijpen; onze boot slaat bijna om en schept
water; de Tapir wordt met messen gestoken; de Yuruna treft hem met
een pijl, en schreeuwt, opgewonden met de armen zwaaiend, dat men
hem met den lasso moest vangen; Antonio's mes doet een bloedstraal
uit het dier stroomen--nogmaals zwemt het onder water door; maar,
tusschen twee booten bovenkomend, wordt het bij een poot gepakt,
gedood en naar een nabijgelegen rots gesleept. Het is een groot
exemplaar, wel zoo groot als een Muildier; in zijn haar krioelt het
van bruine tieken. Fraai zien de korte, stijfharige manen er uit,
gelijk aan die der Grieksche godenpaarden."
Waarschijnlijk hebben de Tapirs nog gevaarlijker vijanden dan de
menschen in de groote soorten van Katten, die hetzelfde gebied
bewonen. Dat de Amerikaansche Tapirsoorten fel vervolgd worden door
den Jagoear, wordt door alle reizigers verzekerd; men mag wel aannemen,
dat Schabrak-Tapir denzelfden last ondervindt van den Tijger.
Hoewel reeds bij uitwendige beschouwing en vergelijking van de
Paarden, Tapirs en Neushoorndieren eenige van de overeenstemmende
kenmerken waargenomen worden, die aanleiding hebben gegeven tot de
samenvoeging van deze dieren in één zelfde orde, is het toch noodig
ook de laatstgenoemde dieren te ontleden om hun verwantschap duidelijk
aan te toonen.