vriendschappelijke verhouding tusschen den Neushoorn en sommige
dieren en over zijn vijandschap met andere dieren, vooral met
den Olifant; het heet, dat hij dezen bij elke gelegenheid aanvalt
en steeds overwint. Deze reeds bij Plinius voorkomende verhalen
worden af en toe door den een of anderen reisbeschrijver opgewarmd,
maar behooren toch stellig onder de sprookjes thuis. Meer grond is
er voor hetgeen men verhaalt van de vriendschap van den Neushoorn
voor zwakkere dieren. Andersson, Gordon Cumming en anderen vonden
bijna geregeld op den Zwarten zoowel als op den Witten Neushoorn een
gedienstigen Vogel, den Madenhakker, die den reusachtigen viervoeter
over dag trouw vergezelt en in zekeren zin de dienst van schildwacht
bij hem vervult; hij voedt zich met het ongedierte, waarvan de huid
van zijn kolossalen vriend krioelt, en zet zich daarom bij of op
diens lichaam neder. Deze Vogels zijn de beste vrienden, die de
Neushoorn heeft; zij laten zelden na, hem te waarschuwen voor een
dreigend gevaar. Het spreekt wel van zelf, dat deze diensten door
den beweldadigde erkend worden; zelfs het stompzinnigste Zoogdier
zou dankbaar zijn, wanneer het verlost werd van een zoo pijnlijke
kwelling als een heirleger stekende Insecten moet veroorzaken. Of
echter de Vogel bij de nadering van menschen het dier, dat hem tot
jachtveld dient, in 't oor pikt om het te wekken, wil ik maar liefst
in 't midden laten; ik geloof eerder, dat de onrust, die hij toont,
zoodra hij iets verdachts opmerkt, voldoende is om de aandacht van
den Neushoorn te trekken. Dat zeer voorzichtige Vogels, op welker
bewegingen door andere dieren gelet wordt, bij deze den dienst van
voorposten en schildwachten vervullen, is in vele gevallen gebleken.
Behalve de mensch heeft de Neushoorn waarschijnlijk niet veel
vijanden. De Leeuwen en Tijgers mijden dit dier, omdat zij weten,
dat hunne klauwen toch te zwak zijn om door de dikke pantserhuid diepe
wonden te scheuren; misschien kunnen zij gevaarlijk worden voor een van
de moeder gescheiden jong. De Neushoorn is voor andere, veel kleinere
dieren veel meer bevreesd, dan voor de groote Roofdieren; hij heeft
vooral in eenige Horzels en in de Muggen verraderlijke vijanden,
waartegen hij zich nagenoeg in 't geheel niet verweren kan. Overal
echter is de mensch wel zijn gevaarlijkste vijand. De volksstammen,
in welker gebied hij voorkomt, en ook Europeesche jagers maken ijverig
jacht op hem. Men heeft wel eens beweerd, dat de pantserhuid voor
kogels ondoordringbaar zijn; het lijdt echter geen twijfel meer,
dat een mes, een lans en zelfs een met kracht geschoten pijl er door
heendringen. De inboorlingen besluipen den Neushoorn, terwijl hij
slaapt, onder den wind en werpen hem hunne lansen in 't lichaam of
schieten op hem, terwijl zij de tromp van het geweer bijna op zijn
romp houden om te maken, dat de kogels hun volle kracht behouden. De
Abessiniërs gebruiken werpspiesen en slingeren dikwijls 50 of 60 van
deze moordtuigen naar één Neushoorn; zoodra deze uitgeput is door
bloedverlies, waagt een van de stoutmoedigste jagers zich in zijn
nabijheid, en tracht met een scherp zwaard de Achillespees door te
hakken, om het dier te verlammen, en tot verderen weerstand ongeschikt
te maken. In Indië gaat men op de Rhinoceros-jacht met Olifanten,
maar ook deze kolossen worden soms door het woedende dier in gevaar
gebracht.
De Afrikaansche soorten worden door de Europeanen op gelijke wijze
gejaagd als de Olifanten; het wild wordt des nachts opgewacht aan
de drinkplaats, over dag in de wildernis bekropen, of in het open
landschap te paard genaderd, om op den kortst mogelijken afstand met
een grooten kogel het meest kwetsbare lichaamsdeel te treffen. Dat
een Neushoorn, die door jagers vervolgd en in 't nauw gebracht is,
of getroffen en door pijn gekweld wordt, zich dikwijls tegen zijne
vervolgers keert, kan ons van een weerbaar dier niet verwonderen.
Moeielijker dan de jacht is de vangst van dit dier. De Wara wordt
hoofdzakelijk buitgemaakt ter wille van zijn hoorn, waarvoor de
Chineezen een hoogen prijs betalen. Om hem te vangen, worden op
zijne paden nauwe kuilen gegraven, die zorgvuldig met takken bedekt,
en vooraf met puntige palen voorzien zijn, waarop het zware dier zich
spietst, wanneer het in den kuil valt. De Neushoorn volgt zijn gewone
pad, valt in den kuil, en is, zelfs wanneer het onbeschadigd blijft,
buiten staat er uit te komen. De jonge Afrikaansche Neushoorndieren,
die soms op onze wilde-dierenmarkten voorkomen, worden gevangen na
het dooden van de wijfjes, die deze jongen vergezellen.
Een merkwaardig geval van goed vertrouwen bij een zeer jongen Zwarten
Neushoorn, wordt ons door Selous medegedeeld. Op een morgen, toen
hij met zijn reisgezel Wood ter jacht was uitgereden, stonden zij
onverwachts in een kreupelboschje voor een grooten Zwarten Neushoorn,
wien zij onmiddellijk twee kogels toezonden. Het zwaar getroffen dier
vluchtte; gelijk nu eerst bleek, was het een wijfje. Een jong van
slechts weinige dagen trachtte tevergeefs het te volgen, maar gaf deze
poging dadelijk op, en kroop onder het Paard van Wood, terwijl Selous
de moeder het genadeschot gaf. "Naar mijn vriend teruggekeerd," zoo
verhaalt onze zegsman verder, "vond ik hem onder een schaduwrijken boom
zitten, en zag het Neushoornkalf dicht bij het Paard staan, dat voor
het kleine monster in 't geheel niet bang scheen te zijn. Het kalfje,
ternauwernood grooter dan een halfwassen Zwijn, toonde volstrekt geen
vrees, als wij of de inboorlingen, die ons vergezelden, het naderden
en het streelden. Het viel mij echter op, dat het zeer sterk over den
geheelen rug zweette, wat ik bij een volwassen Neushoorn nooit had
opgemerkt. Daar het moederlooze dier het Paard van Wood volgde, alsof
dit zijn moeder was, besloten wij het mede te nemen naar de wagens,
die ongeveer 6 Engelsche mijlen verder waren, om te beproeven het
groot te brengen. Wij reden weg, en het kalfje liep ons na als een
Hond. Het had echter klaarblijkelijk veel last van de brandende zon,
want het ging onder iederen schaduwgevenden struik rusten; zoodra
wij het echter 30 schreden vooruit waren, kwispelde het met zijn
staartje, piepte en draafde Wood's Paard achterna. Eindelijk bereikten
wij de wagens--maar nu veranderde op eens het gedrag van den jongen
bewoner der wildernis. Misschien werd hij van streek gebracht door
de Honden, die blaffend om hem heen sprongen, of door het gezicht
van de huifwagens, of door de veelheid van nieuwe indrukken, die
hem in ons leger overstelpten;--hoe dit ook zij, onze beschermeling
ging als een echte duivel te keer, en schoot woedend op de menschen,
de Honden en zelfs op de wielen van de wagens toe. Wij bonden hem een
riem om den hals en den schouder, waarbij hij geweldig tegenspartelde,
een luchtsprong deed, herhaaldelijk op mij toeschoof en met zijn
neus krachtig tegen mijn knie bokste. Toen hij vastgelegd was, begon
hij tot bedaren te komen; maar werd dadelijk weer wild, zoodra er
menschen of Honden in zijn nabijheid kwamen. Zooals ik gevreesd had,
nam hij niets van het voedsel, dat wij voor hem gereed maakten; melk
zou hem wel gesmaakt hebben, maar deze konden wij hem ongelukkig niet
verschaffen, daar wij geen koeien hadden. Omdat deze pogingen mislukten
en het te verwachten was, dat hij, als wij hem lieten loopen, ellendig
verhongeren of een prooi van Leeuwen of Hyena's worden zou, hield ik
het voor het beste, het ongelukkige schepsel, dat ik zoo gaarne in
't leven had gehouden, een kogel door den kop te schieten."
In onze diergaarden zijn de meeste Neushoorndieren goedaardig en tam;
zij laten zich aanraken, naar een andere plaats drijven en op andere
wijze behandelen, zonder zich te weer te stellen; langzamerhand
geven zij duidelijke blijken van gehechtheid aan iederen oppasser,
die verstandig met hen omgaat. Slechts één geval is mij bekend, dat
een Neushoorn twee menschen, die hem waarschijnlijk geplaagd hadden,
aanviel en doodde.
Tegen de schade, die de Neushoorn in vrijen toestand aanricht, weegt
al het nut, dat hij kan opleveren, in de verste verte niet op. In
gewesten, waar een regelmatige bebouwing van den bodem plaats vindt,
kan hij niet geduld worden; hij is in den volsten zin van 't woord
een bewoner van de wildernis. Van het gedoode dier weet men nagenoeg
alle deelen te gebruiken. Niet alleen het bloed, maar ook de hoorn
staan in hoog aanzien wegens de geheimzinnige krachten, die men er aan
toedicht. In het oosten ziet men in de huizen van de voorname lieden
allerlei bekers en andere drinkgereedschappen, die uit den hoorn van
dit dier gedraaid zijn. Men schrijft aan deze vaten de eigenschap
toe van op te bruisen, zoodra er een vergiftige vloeistof in gegoten
wordt, en meent dus hierin een probaat middel te hebben om zich
voor vergiftigingen te vrijwaren. De Turken van hoogen stand hebben
voortdurend een drinkbeker van Rhinoceros-hoorn bij zich en gebruiken,
wanneer zij pogingen tot vergiftiging duchten, hieruit hun koffie. Nog
vaker wordt de hoorn gebruikt voor het maken van gevesten van kostbare
sabels. Van de huid vervaardigen de inboorlingen gewoonlijk schilden,
pantsers, schotels en andere gereedschappen voor eigen gebruik. Het
vleesch wordt gegeten, het vet hoog geschat, hoewel de Europeanen
zoo min op het eene als op het andere bijzonder gesteld zijn.
In de woeste, steenachtige gebergten van Afrika en West-Azië, bemerkt
men op vele plaatsen een opgewekt leven. Dieren zoo groot als Konijnen,
die zich op een rotsterras of op een steenblok in de zon koesterden,
sluipen, verschrikt door de komst van een mensch, schielijk langs
de rotswanden voort, verdwijnen in een van de tallooze rotskloven en
kijken dan nieuwsgierig en onschuldig, als zij zijn, op den ongewonen
bezoeker neer. Dit zijn de _Klipdassen_, de kleinste en sierlijkste
van alle thans levende Onevenvingerigen.
Ten aanzien van de plaats, die deze lieftallige rotsbewoners in de
klasse der Zoogdieren moeten innemen, heeft te allen tijde verschil van
meening geheerscht bij de natuuronderzoekers. Pallas beschouwde ze, op
grond van hun uitwendig voorkomen en hun levenswijze als Knaagdieren,
Oken meende, dat zij aan de Buideldieren verwant zouden zijn, Cuvier
plaatste ze in zijn orde van de Veelhoevigen. In den laatsten tijd
wordt hun ook deze plaats betwist, en vindt men het noodig ze in
een afzonderlijke orde, die der _Plathoevigen_ (_Lamnungia_) op te
nemen. Wij behandelen ze hier--te recht of te onrecht, dit zij in 't
midden gelaten--als een groep van de Orde der Onevenvingerigen. Zij
vormen slechts één familie.
De _Klipdassen_ (_Hyracidae_) onderscheiden zich door de volgende
eigenschappen: De romp is middelmatig lang en rolrond, de kop
betrekkelijk groot en plomp, naar voren spits uitloopend en vooral in
dwarse richting sterk versmald, de bovenlip gespleten, de spits van
den neus fraai gevormd, het oog klein, maar uitpuilend, het in de vacht
bijna verborgen oor kort, breed en rond, de hals kort en gedrongen; de
staart is een nauwelijks merkbaar stompje. De pooten zijn middelmatig
hoog en tamelijk zwak; de fijne voeten zijn langwerpig, die van de
voorpooten eindigen in vier, die van de achterpooten in drie teenen,
welke tot aan de eindleden door een gemeenschappelijke huid vereenigd
zijn; met uitzondering van den binnenteen van de achtervoeten, die een
klauwachtigen nagel draagt, zijn al deze eindleden voorzien met platte,
hoefvormige nagels; op de naakte zolen komen verscheidene veerkrachtige
eeltkussens voor, die door diepe groeven vaneengescheiden zijn.
Reeds in overoude tijden worden de Klipdassen als goed bekende dieren
vermeld. De in Syrië en Palestina levende soort schijnt bedoeld
te zijn, waar in den bijbel de naam "Saphan" gebruikt wordt, welk
woord in de vertaling van Luther, door "Konijn" wordt vervangen. De
Klipdassen zijn voor 't meerendeel kenmerkende dieren van de
gebergten der woestijnen en steppen. Er zijn verscheidene soorten
van, die alle gebergten van Syrië, Palestina, Arabië en misschien
ook van Perzië bewonen, voorts die van de Nijllanden, van Oost-,
West- en Zuid-Afrika. Men vindt ze in de gebergten van 2000 à 3000
M. hoogte niet minder talrijk dan in de bij wijze van eilanden uit
de vlakte oprijzende koppen en kegels, die aan de steppenlanden van
Noordoost-Afrika zulk een eigenaardig voorkomen verschaffen.
Wij zullen den Klipdas van Abessinië--den _Aschkoko_ (_Hyrax
abyssinicus_)--beschrijven, daar deze ons het best bekend is. De
lengte van dit dier bedraagt 25 à 30 cM.; zijn vacht bestaat uit
tamelijk lange en fijne haren, die aan den wortel grijsbruin, in het
midden vaalgrijs en vóór de lichtkleurige spits donkerbruin zijn,
welke kleuren zich vereenigen tot een lichter of donkerder gesprenkeld
vaalgrijs. Kleurafwijkingen schijnen tamelijk veelvuldig voor te komen.
Hoe meer de rotswanden gespleten zijn, des te veelvuldiger treft
men er deze dieren aan. Wanneer men bedaard door de dalen wandelt,
ziet men ze op rijen zitten op de rotskammen; nog vaker liggen zij,
want het zijn gemaklievende, luie dieren, die zich gaarne door de
warme zon laten beschijnen. Een snelle beweging of een luid gedruisch
verdrijft ze oogenblikkelijk: de geheele troep geraakt in beweging;
allen vluchten en loopen met de behendigheid van Knaagdieren weg
en zijn bijna in 't zelfde oogenblik verdwenen. In de nabijheid van
de dorpen, waar men ze evenzeer, dikwijls bijna vlak naast de huizen
aantreft, toonen zij bijna geen vrees voor den inboorling en verrichten
in zijn tegenwoordigheid onbeschroomd hunne bezigheden, alsof zij er
van overtuigd zijn, dat hier niemand er aan denkt, hen te vervolgen;
voor menschen in vreemde kleedij of van een ongewone kleur nemen zij
echter oogenblikkelijk de wijk in hunne rotsspleten. Veel meer dan
den mensch vreezen zij den Hond of andere dieren. Ook wanneer zij
zich voor hem in hunne rotsspleten verborgen hebben, hoort men hun
eigenaardig trillend gegil, dat veel op het geschreeuw van kleine
Apen gelijkt. De Abessiniërs meenen, dat de Luipaard, de ergste
vijand van de Klipdassen, langs de rotswanden sluipt, wanneer men
ze tegen den avond of gedurende den nacht hoort schreeuwen; want
na zonsondergang houden zij zich altijd stil, tenzij zij gestoord
worden. Ook Vogels kunnen hun den grootsten schrik veroorzaken. Een
toevallig voorbijvliegende Kraai, zelfs een Zwaluw, is in staat hen
naar hunne veilige woningen terug te drijven.
Wegens de buitengewone schuwheid van de Klipdassen schijnt het vreemd,
dat zij in vriendschap leven met dieren, die veel gevaarlijker
en bloeddorstiger zijn dan zelfs de roofgierigste Arend, nl. met
de Zebra-Mangoeste (_Herpestes Zebra_) en met een Doorn-Hagedis
(waarschijnlijk _Stellio cyanogaster_). Naar het schijnt, speelt in dit
gezellige klaverblad de voorzichtige Klipdas de rol van schildwacht,
want zoodra hij zijn gillend gefluit laat hooren, verdwijnt het
geheele gezelschap in de spleten van het gesteente.
Slechts ongaarne verlaten de Klipdassen hunne rotsen. Als het gras,
dat tusschen de steenklompen groeit, opgegeten is, gaan zij wel is
waar naar lager gelegen plaatsen, maar dan staan er altijd wachten op
de meest uitstekende rotspunten, en een waarschuwend signaal van deze
is voldoende, om alle zoo schielijk mogelijk de vlucht te doen nemen.
Door hunne bewegingen en hun aard vormen de Klipdassen in zekeren
zin een overgang tusschen de plompe Neushoornen en de behendige
Knaagdieren. Zij kunnen meesterlijk klimmen. Een nauwkeurig onderzoek
der voetzolen, die zoo veerkrachtig zijn als gomelastiek, leert, dat
de Klipdassen in staat zijn, om zich door het willekeurig inkrimpen
en uitzetten van de middelste spleet der zoolkussens aan gladde
oppervlakten vast te hechten.
De handelingen van de Klipdassen verraden een groote zachtaardigheid,
ja zelfs onnoozelheid, vereenigd met een ongeloofelijke angstvalligheid
en vreesachtigheid. Zij zijn buitengewoon gezellig; men ziet ze bijna
nooit alleen, of liever, men kan, indien dit geval zich voordoet,
er bepaald op rekenen, dat de overige leden van het gezelschap zich
bij toeval niet in de nabijheid bevinden. Aan de woonplaats, die
zij zich eens gekozen hebben, blijven zij voortdurend getrouw. In
hun vaderland, dat zoo rijk is aan geurige, in bergstreken groeiende
planten, zullen zij wel nooit gebrek lijden. Herhaaldelijk zag ik ze
aan den voet van de rotsen
grazen, geheel op de wijze van de Herkauwers. Zij bijten het gras
met hunne tanden af en bewegen de kaken op soortgelijke wijze,
als de Tweehoevigen doen, wanneer zij herkauwen. Naar het schijnt,
drinken zij niet, of slechts zeer weinig.
Daar het wijfje zes tepels heeft, meende men vroeger, dat de Klipdassen
een tamelijk groot aantal jongen werpen. Schweinfurth heeft echter
aangetoond, dat zij er twee ter wereld brengen en dat deze bij de
geboorte reeds zeer ontwikkeld zijn.
De jacht op de Klipdassen biedt geen bezwaren aan, tenzij deze
angstvallige dieren reeds herhaaldelijk vervolgd werden. Alleen
in Arabië en in Zuid-Afrika wordt op den Klipdas jacht gemaakt,
wegens zijn vleesch, waarvan de smaak met dat van het Konijn
overeenstemt. Verscheidene reizigers maken melding van Klipdassen, die
zij in gevangen toestand hebben nagegaan, _Graaf_ Mellin vergelijkt
een door hem getemd exemplaar met een Beer, die tot op de grootte
van een Konijn ingekrompen zou zijn. Hij noemt dit dier volkomen
weerloos, en zegt, dat het evenmin door een snelle vlucht aan zijne
vijanden kan ontkomen, als het zich met zijne tanden of klauwen zou
kunnen verdedigen. Als het door zijn meester geroepen werd, gaf het
antwoord door zachtjes te fluiten, kwam dan aanloopen en liet zich
op den schoot nemen en liefkoozen.