Als men den Ezel, die hier te lande graan of meel voor den molenaar

draagt of den melkboer zijn beroep helpt uitoefenen, met zijne

verwanten in zuidelijker landen vergelijkt, zou men er toe kunnen

komen, beide voor verschillende soorten te houden, zoo weinig gelijken

zij op elkander. De Ezel uit het Noorden is, zooals iedereen weet,

een trage, eigenzinnige, dikwijls weerbarstige klant, die algemeen,

heewel ten onrechte, als zinnebeeld van onnoozelheid en domheid

wordt beschouwd; de Ezel uit het Zuiden daarentegen, vooral de

Egyptische, is een fraai, wakker, buitengewoon vlijtig en volhardend

dier, wiens arbeid niet veel bij dien van het Paard achterstaat,

en dezen in sommige opzichten zelfs overtreft. Maar hij wordt dan

ook veel zorgvuldiger behandeld dan onze Ezel. In vele Oostersche

landen zorgt men niet minder goed voor de zuiverheid van de beste

ezelrassen dan voor die van het edelste paardenras; men voedert de

dieren zeer goed, kwelt hen in hun jeugd niet te veel en kan derhalve

van de volwassenen diensten verlangen, die onze Ezel in 't geheel niet

zou kunnen verrichten. Er is wel reden voor de zorg, die men in het

Oosten aan den Ezel besteedt, want hij is daar een huisdier in den

volsten zin van het woord, dat in het paleis van den rijkste, zoowel

als in de hut van den armste voorkomt, en de onmisbaarste dienaar is,

dien de bewoner van zuidelijke gewesten kent. Reeds in Griekenland

en Spanje treft men zeer schoone Ezels aan, hoewel zij altijd nog

ver achterstaan bij die, welke men in het Oosten, vooral in Perzië,

Toerkmenië en Egypte, gebruikt. De Grieksche en de Spaansche Ezel

evenaren een klein muildier in grootte; hun haar is glad en zacht; de

manen zijn tamelijk, de staartharen betrekkelijk zeer lang; de ooren

zijn lang, maar fijn gebouwd, de oogen schitterend. Groote volharding,

een gemakkelijke, vlugge gang en een zachte galop stempelen deze

Ezels tot onovertreffelijke rijdieren.

Nog veel schooner dan deze uitmuntende dieren zijn de Arabische Ezels,

vooral die, welke in Yemen worden gefokt. Er zijn twee rassen van:

één van groote, moedige en snelle dieren, die voor het reizen zeer

geschikt zijn, en één, welks leden kleiner en zwakker zijn, en

gewoonlijk voor 't dragen van lasten gebruikt worden. Soortgelijke

rassen komen voor in Perzië en Egypte, waar men veel geld voor een

goeden Ezel uitgeeft. Een voor rijdier geschikte Ezel, die aan alle

eischen voldoet, staat hooger geprijsd dan een middelmatig Paard;

niet zelden betaalt men f 900 voor zulk een dier. "Men kan zich," zegt

Bogumil Goltz, "geen bruikbaarder en dapperder schepsel voorstellen dan

deze Ezel. De grootste kerel zet zich op een exemplaar, dat dikwijls

niet grooter is dan een kalf van zes weken en brengt het in galop. Deze

zwak gebouwde dieren bewegen zich met een flinken pas; hoe zij echter

aan de kracht komen om uren lang met een volwassen mensch op den rug,

zelfs bij groote hitte, te draven en te galoppeeren, komt mij volkomen

onverklaarbaar voor en schijnt tot de bovennatuurlijke ezels-mysteriën

te behooren." Den rij-ezels wordt het haar zeer zorgvuldig over het

geheele lichaam kort geknipt; alleen aan de bovenarmen en dijen laat

men het zijn volle lengte behouden; hier worden echter in de beharing

allerlei figuren en krullen uitgeknipt, waardoor de dieren een zeer

eigenaardig voorkomen verkrijgen.

Verderop in het binnenland, waar dit nuttige wezen eveneens als

huisdier wordt gehouden, zijn edele Ezels zeldzaam, en ook deze

weinige worden van buiten ingevoerd.

In vroegere tijden trof men op eenige eilanden van den Griekschen

archipel en op Sardinië half-verwilderde Ezels aan; tegenwoordig

vindt men er nog in Zuid-Amerika. Zulke aan de heerschappij van den

mensch ontkomen Ezels nemen spoedig alle gewoonten van hunne wilde

voorouders aan.

Door de bovenstaande mededeelingen is meteen het verbreidingsgebied

van den Ezel aangeduid. Het oostelijke deel van Voor- en Middel-Azië,

het noorden en oosten van Afrika, Zuid- en Middel-Europa en eindelijk

Zuid-Amerika zijn de landstreken waar hij het best gedijt. Hoe droger

het land is, des te beter gevoelt hij zich er thuis. Vochtigheid en

koude verdraagt hij minder goed dan het Paard.

Waarschijnlijk is het rijden op Ezels nergens zoozeer in zwang als

in Egypte. In alle grooten steden van dit land zijn deze gewillige

dieren werkelijk onmisbaar voor de gemakkelijkheid van 't leven. Men

gebruikt ze, zooals bij ons de huurrijtuigen; en het wordt volstrekt

niet vreemd gevonden zich door hen te laten dragen. Wegens de engheid

van de straten der Oostersche steden, zijn Ezels beter dan andere

vervoermiddelen geschikt om den weg, dien men heeft af te leggen,

af te korten en gemakkelijk te maken. Daarom ziet men ze b.v. in

Kaïro, overal te midden van den onafgebroken stroom van menschen,

die zich door de straten beweegt. De ezeldrijvers van Kaïro vormen

een eigen stand, een ware kaste; zij behooren bij de stad, zooals de

minarets en de palmen. Zij zijn onontbeerlijk voor de inwoners zoowel

als voor de vreemdelingen; aan hen heeft men iederen goeden dag te

danken, hoewel zij iederen dag iemand de gal doen overloopen. "Het

is een ware lust en een ware ellende", zegt Bogumil Golts, "met

de ezeljongens om te gaan. Men kan het niet eens met hen worden,

hetzij men ze voor goedhartig of boosaardig, koppig of dienstwillig,

traag of wakker, listig of onbeschaamd houdt; zij vertoonen een

mengelmoes van alle mogelijke eigenschappen." De reiziger ontmoet

ze, zoodra hij in Alexandrië aan land stapt. Op elk druk plein staan

zij met hunne dieren van zonsopgang tot zonsondergang. De aankomst

van een stoomboot is voor hen een hoogst gewichtige gebeurtenis;

want dan moeten zij zich beijveren om de in hunne oogen onwetende of

zelfs domme toeristen voor zich te veroveren. De vreemdeling wordt

vooreerst in drie of vier talen aangesproken, en wee hem, wanneer

hij in 't Engelsch antwoordt. Dadelijk heeft er om den "rijken man"

een vechtpartij plaats, totdat de reiziger het verstandigste doet,

wat hij doen kan, n.l. op goed geluk op een Ezel gaat zitten en zich

door den jongen naar het eerste het beste hotel laat drijven. Dit

is de eerste kennismaking met de ezeljongens; maar eerst als men de

Arabische taal machtig is en, in plaats van het koeterwaalsch der

drie of vier door hen geradbraakte talen, hun eigen taal met hen kan

spreken, leert men ze kennen.

De eene zegt: "Kijk toch eens, Mijnheer, naar den Ezel, dien ik u

aanbied, een echte locomotief in vergelijking met de dieren, die

de andere jongens u aanprijzen! Zij zullen onder u inzakken, want

het zijn erbarmelijke schepsels en gij zijt een forsch man! Maar de

mijne! Voor hem is het een kleinigheid als een Gazelle met u weg

te loopen."--"Dit is een Kahiriner Ezel," zegt de andere; "zijn

grootmoeder was een Gazelle en zijn bet-overgrootmoeder een wild

Paard. Komaan, Kahiriner, loop eens en laat Mijnheer zien, dat ik

de waarheid spreek! Doe uwe ouders geen schande aan, maak voort in

Gods naam, mijn Gazelle, mijn Zwaluw!"--De derde wil alle overige de

loef afsteken; hij roemt zijn Ezel als een "Bismarck", een "Moltke"

enz., en in dezen toon gaat het voort, totdat men eindelijk een

van de dieren bestegen heeft. Dit wordt nu door een onnavolgbaar

getrek en geduw of door stooten, steken en slagen met den aan

't eene einde puntig toeloopenden drijversstok in galop gebracht,

terwijl de knaap, die er achteraan rent, door roepen, schreeuwen,

aansporen en babbelen zijne longen niet minder mishandelt dan den Ezel

vóór hem. "Pas op, Mijnheer! Uw rug, uw voet, uw rechterzijde is in

gevaar! Wees voorzichtig, uw linkerzijde, uw hoofd! Denk er om! een

Kameel, een muildier, een Ezel, een Paard! Let op uw gezicht, op uw

hand! Ga uit den weg, vriend; laat mij en Mijnheer voorbij! Scheld

niet op mijn Ezel, smeerlap; hij is meer waard dan je overgrootvader

was. Verschooning, meester, dat gij gestooten werd!" Deze en en honderd

andere uitroepen gonzen den reizigers onophoudelijk om de ooren,

terwijl hij tusschen allerlei gevaar opleverende dieren en ruiters,

tusschen straatkarren, lastdragende Kameelen, wagens en voetgangers

door rent. De Ezel verliest geen oogenblik zijn goede gezindheid; zijn

gewilligheid kan bijna niet ingetoomd worden; hij snelt steeds voort

in een allerprettigsten galop, totdat het doel bereikt is. Kaïro is de

hoogeschool voor alle Ezels; hier eerst leert men deze voortreffelijke

dieren kennen, waardeeren, achten en van hen houden.

Op _onzen_ Langoor trouwens zijn Oken's woorden volkomen toepasselijk:

"De tamme Ezel is door langdurige slechte behandeling zoozeer ontaard,

dat hij bijna in 't geheel niet meer lijkt op zijne voorouders. Niet

alleen bereikt hij een veel geringere grootte dan deze, maar ook zijn

kleur is doffer, meer aschgrauw, zijne ooren zijn langer en slapper

geworden. De moed is bij hem in weerspannigheid veranderd, de vlugheid

in langzaamheid, de levendigheid in traagheid, de schranderheid in

domheid, de vrijheidsliefde in geduld, de volharding in lijdzaamheid

bij het verduren van mishandelingen." Scheitlin zegt van hem: "De tamme

Ezel is veeleer schrander dan dom; zijn schranderheid gaat echter

niet samen met goedheid, zooals bij het Paard, maar openbaart zich

meer als valschheid en sluwheid, en nog wel het meest als koppigheid

en eigenzinnigheid. Hoewel uit een slavin geboren, is hij in zijn

jeugd zeer opgewekt en een liefhebber van potsierlijke sprongen,

evenals al wat jong is; evenals het menschenkind, heeft hij trouwens

geen besef van zijn misschien vreeselijke, treurige toekomst. Als hij

volwassen is, moet hij trekken en dragen; hij laat zich hiervoor goed

africhten, hetgeen een bewijs is van zijn verstand, want hij moet

zich schikken naar den wil van een ander wezen, van den mensch. Het

kalf is hiervoor nooit verstandig genoeg, en zelfs het paardenveulen

begrijpt aanvankelijk niet, wat men van hem verlangt. Geduldig draagt

de Ezel zijn grooten last, maar volstrekt niet gaarne, want zoodra men

hem dien heeft afgenomen, is het voor hem een genoegen zich over den

grond te wentelen, en zijn afschuwelijk gebalk te laten hooren. Hij

heeft waarschijnlijk in 't geheel geen muzikaal gevoel. Zijne ooren

duiden werkelijk iets bijzonders aan.

"Wij kunnen den Ezel volkomen in zijn eer herstellen door er op te

wijzen, dat hij afgericht kan worden tot zeer vele kunstjes, die men

gewoonlijk alleen van het Paard ziet. Sommige kinderen leeren moeilijk,

maar wat zij geleerd hebben, kennen zij grondig en voor altoos; zoo is

het ook met den Ezel. Men kan wedrennen met hem houden; hij leert door

hoepels springen en kanonnen afschieten. Hij springt goed, zonder het

doel te missen en zonder angst te toonen. Hij let op de blikken en de

woorden van zijn meester, en begrijpt deze telkens goed. Daarom kan

men hem ook leeren dansen, zich op de maat bewegen en deuren openen,

waarbij hij zijn bek als een hand gebruikt, trappen op- en afgaan, het

schoonste, oudste of meest verliefde lid van een gezelschap aanwijzen,

door met den poot op den grond te kloppen van een horloge, dat hem

voorgehouden wordt, den tijd, van een kaart of van een dobbelsteen het

aantal oogen aangeven, en iedere vraag van zijn meester, door met den

kop te schudden of te knikken, bevestigend of ontkennend beantwoorden."

De zintuigen van den tammen Ezel zijn goed ontwikkeld. Bovenaan staat

het gehoor, hierop volgt het gezicht, dan de reuk; gevoel schijnt hij

weinig te hebben, ook de smaak is, naar men vermoedt, niet bijzonder

fijn, anders zou hij waarschijnlijk begeeriger, veeleischender

zijn dan het Paard. Zijne verstandelijke vermogens zijn, naar uit

Scheitlin's woorden blijkt, niet zoo gering als gewoonlijk aangenomen

wordt. Hij heeft een uitmuntend geheugen: hij kan iederen weg, dien

hij eens gegaan is, weer terug vinden; hoe dom zijn uitzicht ook zij,

toch is hij dikwijls recht sluw en listig. Ook is hij niet altijd

zoo goedaardig, als men meent; hij heeft soms zelfs afschuwelijke

kuren. Plotseling blijft hij dan midden op den weg stilstaan, en

laat zich door geen slagen dwingen om verder te gaan, of gaat met

zijn geheele last op den grond liggen, waar hij zich door bijten en

schoppen verweert. Sommigen meenen dat zijn gevoelig gehoor hiervan

de oorzaak is, dat ieder geraas hem verdooft en verschrikt, hoewel hij

overigens niet bijzonder vreesachtig, maar slechts nukkig is. Uiterst

vreemd gedraagt een Ezel zich in een streek waar Roofdieren zijn. Het

is zeer vermakelijk of hoogst onaangenaam, al naar men het nemen

wil, op een Ezel of een Muildier door een van de nauwe dalen van

het gebergte van Habesch te rijden. Overal bespeurt het lange oor

gevaar. Het draait en keert zich naar alle zijden, wordt met opzet

benedenwaarts gebogen in de richting van een rotsblok, waarachter

een vijand in hinderlaag zou kunnen liggen, het tracht zelfs met

een paar sterke wendingen alles af te luisteren, wat er hooger op,

langs de hellingen voorvalt, richt zich plotseling stijf omhoog en

luistert in een bepaalde richting. Wanneer nu nog de reuk het gehoor

te hulp komt en beide het edele rijdier schrikbeelden voor den geest

tooveren, dan is de gemoedsrust voor goed verstoord. Het wil niet

verder. Juist op de plaats waar het nu staat, is misschien in de vorige

nacht het vreeselijk tot buitengewone voorzichtigheid aansporend feit

voorgevallen, dat een Leeuw, een Luipaard, een Hyaena of een ander

gruwelijk Roofdier over den weg is geslopen! De Ezel snuffelt, kijkt,

luistert; de ooren draaien letterlijk rond in zijn kop; hij blijft

als aan den grond genageld, totdat eindelijk een van de lieden voor

hem uitgaat. Loos genoeg om te begrijpen, dat zijn gids de meeste

kans heeft om in de klauwen van het grimmige Roofdier den laatsten

adem uit te blazen, zal hij dezen volgen en inwendig gerustgesteld

verder gaan. Op reis kan de Ezel geen enkel zintuig ontberen. Als men

hem een doek voor de oogen bindt, blijft hij oogenblikkelijk staan;

dit doet hij ook, als men hem de ooren bedekt of dicht stopt; eerst

als, hij van al zijne zintuigen gebruik kan maken, gaat hij verder.

De Ezel is met het slechtste, karigste voedsel tevreden. Gras en hooi

van zulk een hoedanigheid, dat iedere fatsoenlijke koe ze met een

afkeer verradend gesnuif laat liggen en een Paard er zich ontevreden

van afwendt, worden door hem nog als een lekkernij beschouwd: hij is

zelfs met distels en doornstruiken tevreden. Alleen in de keuze van

drank is hij zorgvuldig; hij wil geen water hebben dat troebel is; brak

mag, helder moet het zijn. In de woestijn heeft men hierdoor dikwijls

veel last met den Ezel, daar deze, hoe ook door den dorst gekweld,

het troebele water uit de lederen waterzakken niet wil drinken.

Hier te lande valt de bronsttijd van den Ezel in de laatste lente-

en de eerste zomermaanden; in het zuiden duurt hij ongeveer het

geheele jaar door. De hengst verklaart aan de Ezelin zijn liefde

met het welbekende, oorverscheurende "I-a, I-a," en laat op deze

langgerekte, vijf- à tienmaal herhaalde geluiden nog een half dozijn

snuivende zuchten volgen. Zulk een aanzoek is onweerstaanbaar; zij

oefent zelfs op de medevrijers een machtigen invloed uit. Ieder, die

in een land heeft gewoond, waar vele Ezels zijn, heeft het kunnen

ervaren. Zoodra een ezelin hare stem laat hooren, ontstaat er een

formeel oproer onder alle hengsten in den omtrek. De naastbijwonende,

gevleid door de eer, dat hij de voor hem zoo aanlokkelijke geluiden

het eerst op een behoorlijke wijze mag beantwoorden, balkt er op los

zoo luid hij kan. Een tweede, derde, vierde, tiende valt in: eindelijk

balken zij allemaal; door den langen duur van dit concert zou iemand

doof of half gek kunnen worden. Ik waag het niet te beslissen, of dit

medebalken als een bewijs van teedere sympathie moet worden opgevat,

of eenvoudig voortvloeit uit lust tot schreeuwen, maar kan stellig

verzekeren, dat één Ezel alle overige aan 't balken kan brengen. De

reeds beschreven ezeljongens van Kaïro, die, naar het schijnt, veel

behagen scheppen in het geluid van de dieren, waarmede zij hun kost

verdienen, maken het "I-a"-geschreeuw, dat op beschaafde ooren zulk

een onaangenamen indruk maakt, aan den gang, door het onnavolgbare,

kort afgebrokene "Ii, Ii, Ii", dat den hoofdinhoud van de ezelsrede

voorafgaat, na te bootsen: spoedig neemt een van de Ezels de moeite

over om de vroolijke opgewondenheid verder te verbreiden.

Ongeveer 11 maanden na de paring werpt de Ezelin één jong (hoogst

zelden twee), dat bij de geboorte volkomen ontwikkeld is en zien kan;

de moeder lekt het liefderijk af en biedt het reeds een half uur na de

geboorte de uier aan. Na 5 à 6 maanden kan het veulen gespeend worden,

maar het volgt de moeder nog lang op al hare wegen. Zelfs in zijn

vroegste jeugd verlangt het geen bijzondere oppassing of verzorging,

maar is evenals zijne ouders tevreden met elk voedsel dat het krijgen

kan. Als men het kind van de moeder wil scheiden, is aan weerskanten

het verdriet groot. Beiden verzetten zich en geven, als dit niets baat,

hun verdriet en hun verlangen nog dagen achtereen door geschreeuw

of althans door buitengewone onrustigheid te kennen. Als er gevaren

dreigen, verdedigt de oude haar kind met moed; zij offert liever zich

zelf op en vreest zelfs vuur en water niet, als het er op aankomt haar

jong te beschermen. Reeds in het tweede jaar is de Ezel volwassen; maar

eerst in het derde jaar bereikt hij zijn volle kracht. Hij kan, zelfs

wanneer hij hard werken moet, een tamelijk hoogen leeftijd bereiken:

er zijn voorbeelden van, dat Ezels veertig vijftig jaar oud werden.

Reeds in den ouden tijd heeft men het Paard en den Ezel met elkander

gepaard en door deze kruising bastaarden verkregen, die _Muildieren_

heeten, als de vader, _Muilezels_ echter als de moeder tot het

Ezelgeslacht behoort. Beide hebben in hun gestalte meer van hun moeder

dan van hun vader; door hun aard gelijken zij echter meer op dezen

dan op gene.

Het _Muildier_ (_Equus mulus_) is bijna even groot als het Paard en

gelijkt ook door zijn lichaamsbouw op dit dier; het verschilt er

echter van door den vorm van den kop en de lengte der ooren, door

den staart, die aan den wortel kort behaard is, door de schrale

dijen en de smallere hoeven, welke kenmerken aan die van den Ezel

herinneren. Zijn kleur gelijkt in den regel op die van de moeder. Het

balkt als zijn vader.

De _Muilezel_ (_Equus hinnus_) behoudt de onaanzienlijke gestalte,

de grootte en de lange ooren van zijn moeder, krijgt van het Paard

slechts den dunneren en langeren kop, de vollere dijen, den over zijn

geheele lengte behaarden staart en de hinnikende stem; met zijn moeder

heeft hij ook de traagheid gemeen.

De paardemerrie draagt het Muildier iets langer dan het paardenveulen;

het pasgeboren Muildier staat echter veel eerder op zijne pooten dan

het jonge Paard; daarentegen is hij minder spoedig volwassen dan het

Paard. Beneden de 4 jaar mag men geen Muildier tot den arbeid dwingen;

daarentegen behoudt het zijn kracht geregeld tot in 20e of 30e niet

zelden zelfs tot in het 40e levensjaar.

Men fokt uitsluitend Muildieren, omdat deze beter geschikt zijn voor

het gebruik. Alleen in Spanje en Abessinië heb ik Muilezels gezien. Het

Muildier vereenigt de goede eigenschappen van zijne beide ouders in

zich. Zijne soberheid en volharding, zijn zachten, vasten tred zijn

erfstukken van den Ezel, zijne kracht en moed een geschenk van zijn

moeder. In alle bergstreken acht men de Muildieren onmisbaar; voor

de bewoners van Zuid-Amerika zijn zij niet minder noodig dan voor

de Arabieren het Kameel. Een goed Muildier draagt een last van 150

KG. en legt hiermede iederen dag een weg van 20 à 28 KM. af. Zelfs na

een lange reis bemerkt men ternauwernood vermindering van de kracht

van het op deze wijze belaste dier, al is het voeder schaarsch en

zóó slecht, dat een Paard het in 't geheel niet zou lusten.

Zelfs in den laatsten tijd heeft men herhaaldelijk beweerd, dat

Muildieren en Muilezels onvruchtbaar zouden zijn. Dit is echter

niet altijd het geval, wanneer een van de beide parende dieren

geen bastaard is. Reeds sedert overouden tijd zijn er voorbeelden

van bekend, dat Muildieren jongen voortbrachten, n.l. bij paring

van een Paardehengst met een muildier-merrie. In lateren tijd zijn

eveneens verscheidene gevallen waargenomen, die de geschiktheid van

het Muildier voor de voortplanting boven allen twijfel verheffen:

zoo is het in de laatste kwart eeuw in den Acclimatisatie-tuin te

Parijs gebleken, dat Muildieren tot in het tweede geslacht vruchtbaar

kunnen zijn.--Dat Muildieren (of Muilezels) onderling of Muildieren

met Muilezels vruchtbaar kunnen paren, is nog niet bewezen.

Een oude Latijnsche schrijver verhaalt, dat Caracalla in het jaar 211

van onze tijdrekening in de arena te Rome behalve Tijgers, Olifanten en

Neushoorndieren ook een _Hippotigris_ ("Tijgerpaard") liet optreden, en

dit dier eigenhandig doodde. Dat de bedoelde schrijver hiermede niets

anders op het oog gehad kan hebben dan de eene of andere soort van

Afrikaansche, gestreepte wilde Paarden, valt moeielijk te betwijfelen;

de Engelsche natuuronderzoeker H. Smith heeft dus recht, als hij de

naam _Tijgerpaarden_ gebruikt tot aanduiding van een ondergeslacht

(of liever van een groep van soorten) van de familie der paarden.

De Tijgerpaarden gelijken, wat hun gestalte betreft, zoowel op

de Paarden als op de Ezels. De romp is gedrongen, de hals forsch,

de kop houdt het midden tusschen dien van een Paard en dien van een

Ezel, de ooren zijn tamelijk lang, maar tevens breed, de haren van de

overeindstaande manen niet zoo hard en dik als bij het Paard, maar

toch minder zacht en minder buigzaam dan bij den Ezel, de staart is

alleen aan zijn onderste gedeelte lang behaard. Alle bekende soorten

hebben een bont, levendig gekleurd en gestreept vel. De zuidelijke

helft van Afrika is haar vaderland; misschien komt slechts één soort

ook benoorden den evenaar voor. Zij leven op de gebergten en in de

vlakten; iedere soort geeft echter, naar het schijnt, de voorkeur

aan een afzonderlijk gebied.

De _Quagga_ (_Equus quagga_) nadert door zijn gestalte meer tot het

Paard dan tot den Ezel, maar moet, wat schoonheid betreft, bij den

Dauw achterstaan. De romp is zeer goed gevormd, de kop middelmatig

groot en sierlijk; de ooren zijn kort, de pooten krachtig. Langs

den geheelen hals verheffen zich korte en rechte manen; de staart is

van den wortel af behaard, de staartharen langer dan bij de overige

Tijgerpaarden, evenwel aanmerkelijk korter dan bij het Paard. Ook door

de beharing van de overige lichaamsdeelen gelijkt de Quagga op het

Paard: het haar is kort en ligt dicht tegen het lichaam aan. Bruin,

aan den kop donkerder, op den rug, het kruis en de zijden lichter,

is de grondkleur van het vel; de buik, de binnenzijde van de dijen en

de staartharen zijn zuiver wit. De kop, de hals en de schouders zijn

geteekend met grijsachtig witte, roodachtig getinte strepen, die op het

voorhoofd en de slapen overlangs gericht en dicht opeengedrongen zijn,

op de wangen echter dwars loopen en iets verder uiteen staan. Tusschen

de oogen en den mond vormen zij een driehoek. Op den hals bemerkt

men tien zulke strepen, die ook op de manen zich vertoonen, op

de schouders vier en op den romp nog eenige, die des te korter en

bleeker worden, naarmate zij verder naar achteren voorkomen. Langs den

geheelen rug tot op den staart, strekt zich een zwartachtig bruine,

aan weerszijden roodachtig grijs geboorde rugstreep uit. De ooren

zijn van binnen met witte haren bezet, van buiten geelachtig wit,

met een donkerbruine streep. Beide geslachten gelijken zeer veel op

elkander; het wijfje is echter een weinig kleiner en heeft kortere

staartharen. Het volwassen mannetje wordt 2 M., met den staart 2.6

M. lang; de schouderhoogte bedraagt ongeveer 1.3 M.

De _Dauw_ (_Equus Burchelli_), Burchell's, en Chapman's _Tijgerpaard_,

de _Bonte Quagga_ der Hollandsche Boeren, is ongetwijfeld het edelste

dier van zijn stam, omdat zijn gestalte het meest op die van een

Paard gelijkt; het is nagenoeg even groot als de Quagga. Het zachte,

glad aanliggende haar is aan de bovenzijde isabelkleurig, van onderen

wit. Veertien smalle, zwarte strepen ontspringen aan de neusgaten,

zeven daarvan zijn buitenwaarts gericht en vereenigen zich met een

gelijk aantal van boven komende; de overige gaan scheef over de wangen

heen en zijn verbonden met strepen, die de onderkaak versieren. Over

het midden van den rug loopt een zwarte streep met witte randen; de

hals is, evenals de 13 cM. hooge manen, geteekend met tien breede,

zwarte dwarsstrepen, waarvan sommige zich splitsen en waartusschen

smalle, bruine strepen liggen. Nog breedere strepen omringen den

romp, niet echter de onderste gedeelten van de pooten, die gewoonlijk

beneden den elleboog en het kniegewricht effen wit zijn.

De _Zebra_ of het _Bergpaard_ (_Equus zebra_), dat ongeveer even

groot is als de vorige soort, heeft over het geheele lichaam, ook

over de pooten, strepen, en is hieraan gemakkelijk van den Dauw te

onderscheiden. Zijn lichaamsbouw gelijkt minder op dien van het Paard

dan op dien van den Ezel en meer bepaaldelijk van den Dziggetai. De

op slanke, goed gebouwde pooten rustende romp is vol en krachtig,

de hals gebogen, de kop kort, de snuit gezwollen; de staart is

middelmatig lang, over het grootste deel van zijn lengte kort en

alleen bij de spits lang behaard, hij gelijkt dus op dien van den

Ezel; de manen zijn dicht, maar zeer kort. Op witten of geelachtigen

grond loopen van den snuit tot aan de hoeven dwarsstrepen van glanzig

zwarte of roodbruine kleur; alleen de achterzijde van den buik en

de binnenzijde van het bovenlichaam zijn niet gestreept. De donker

bruinzwarte, overlangsche streep op den rug is eveneens aanwezig,

een tweede loopt langs het onderlijf.

Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 08: De Tandeloozen; Hoofdstuk 09: De Slurfdieren; Hoofdstuk 10: De Onevenvingerigen · 第 10 / 13 段