weinige minuten later kan het staan en gaan. Men laat het ongeveer 5
maanden lang zuigen, ronddartelen en spelen en speent het dan. In het
eerste jaar draagt het een wollig haarkleed, korte, overeindstaande
gekroesde manen en een dergelijken staart, in het tweede levensjaar
worden de haren glanziger, de manen en de staartharen langer en
sluiker. Later kan men de leeftijd vrij nauwkeurig bepalen door acht
te geven op de snijtanden. Bij de geboorte zijn de spitsen van drie
kiezen in elke kaakhelft zichtbaar, soms ook de middelste snijtanden
(_grasbijters_) van onder- en bovenkaak, die in allen gevalle binnen de
twee eerste weken na de geboorte zich vertoonen. De volgende snijtanden
(_middeltanden_) komen op den leeftijd van 2 à 6 weken, de buitenste
(_hoektanden_) 5 à 9 maanden na de geboorte. Dan is het _veulen_- of
_melkgebit_ volledig. Al deze tanden vallen op een bepaalden leeftijd
uit, om voor de _blijvende_- of _paardentanden_ plaats te maken. De
"melksnijtanden" zijn zuiver wit, schopvormig en met een hals voorzien,
in tegenstelling met de geelachtige, beitelvormige, aan de voorzijde
gegroefde "paarden-snijtanden." De tandwisseling begint op 2 1/2 à
3-jarigen leeftijd: dan wisselen de grasbijters; hetzelfde geschiedt
met de middeltanden, als het dier 3 1/2 à 4, met de "hoektanden"
(buitenste snijtanden) als het 4 1/2 à 5 jaar oud is. In de 10e à 12e
levensmaand krijgt het veulen de 4e, op 2- à 2 1/2-jarigen leeftijd de
5e, en als het 4 à 5 jaar oud is, de 6e kies. De drie eerste melkkiezen
wisselen tusschen 2 1/2 en 3 jaar. Bovendien komt bij het mannetje
geregeld, bij het wijfje bij uitzondering op 4- à 5-jarigen leeftijd,
tusschen de snijtanden en de kiezen in elke kaakhelft een _haaktand_
(hoektand) te voorschijn, ten teeken, dat de ontwikkeling van het
dier is afgeloopen. Na het vijfde jaar let men, om de ouderdom
van het dier te kennen, op het merk in de snijtanden, dit is een
zwartachtig bruine holte ter grootte van een linze op de afgesleten
kroonvlakte. Dit merk verdwijnt door afslijting aan de grasbijters
van de onderkaak op den leeftijd van 5 of 6 jaar, aan de middeltanden
in het zevende, aan de hoektanden in het achtste jaar; vervolgens
verdwijnt in dezelfde volgorde het merk van de bovenkaakssnijtanden,
totdat in het elfde of twaalfde jaar alle merken verdwenen zijn. Met
toenemenden leeftijd verandert ook allengs de gedaante der tanden:
zij worden des te smaller, naarmate zij ouder worden.
De Paarden kunnen éénkleurig zijn of een gemengde haarkleur hebben. De
éénkleurige zijn: vaal of isabelkleurig (lichtgeel of goudgeelachtig),
voskleurig (naar rood of kaneelkleur zweemend; flauw rosachtig heet
"koeharig", "brandvossen" zijn meer roodachtig, "zweetvossen" van
lichteren tint), bruin (kastanjebruin en wel licht goudgeelachtig of
donker), zwart (gitzwart of moorzwart, vuilzwart). Bij bruine of vale
Paarden zijn de manen, de staart en de onderste deelen der pooten
meestal zwart; bij de zwarte en witte zijn zij van dezelfde kleur,
bij voskleurige nu eens van dezelfde, dan weer van een lichtere of
donkerder kleur. Een zwarte streep over den rug, van de manen tot
den staart, heet een "aalstreep".
De gemengdkleurige Paarden zijn: "stekelharig", wanneer de meeste
haren zwart zijn, maar tusschen deze over het geheele lichaam hier
en daar enkele grijze haren te voorschijn komen, zonder dat ouderdom
hiervan de oorzaak is; "schimmels", wanneer de meestal witte grondkleur
(die grijs kan schijnen, doordat enkele donkerder haren met de witte
gemengd zijn) regelmatig gerangschikte vlekken vertoont door sterkere
ophooping van donkere haren op sommige plaatsen; "tijgerkleurig",
wanneer de helder witte beharing bezaaid is met duidelijk uitkomende,
min of meer ronde, zwarte, bruine, roodachtige of leikleurige vlekken;
"bont", wanneer groote, donkerkleurige onregelmatige vlekken met
de meestal witte grondkleur afwisselen. Vooral bij schimmels komt
het voor, dat de kleur bij de geboorte anders (donkerder) is dan op
lateren leeftijd. "Geappeld" heet het Paard, wanneer ronde vlekken
(die uit een donkeren rand en een lichteren kern bestaan) hetzij
over het geheele lichaam of meer bepaaldelijk over enkele deelen,
zooals de schouders en het kruis verspreid zijn. "Bont" noemt men een
Paard _niet_, wanneer het enkele vlekken of strepen aan den kop heeft,
of wanneer alleen de voeten meer of minder ver wit gekleurd zijn. Een
"kol" is een kleine of middelmatig groote, witte vlek op het voorhoofd,
even boven de oogen; een "bles" is een witte band over den neus van
het Paard van tusschen de oogen tot aan de neusgaten; een "snuf" is
een witte bovenlip.--Alleen de kleine haren (die in den winter langer
zijn dan in den zomer) worden gewisseld; dit geschiedt hoofdzakelijk
in het voorjaar. Het winterhaar valt in dezen tijd zoo snel uit,
dat het "verharen" reeds binnen een maand grootendeels afgeloopen
is. Langzamerhand worden de uitgevallen haren vervangen; eerst na het
begin van September of October beginnen de nieuwe haren zich sterk
te verlengen. De haren van de manen en den staart blijven onveranderd.
Het Paard is aan vele ziekten onderhevig. De belangrijkste zijn de
spat, een gezwel gevolgd door een verharding van het spronggewricht;
de droes, een zwelling van de klieren aan de onderkaak; de wormziekte,
een droge of vochtige uitslagziekte, waardoor de haren uitvallen;
de kwade droes, een sterke ontsteking aan het neusmiddelschot, die
in hooge mate besmettelijk is en ook op den mensch kan overgaan; de
razende kolder, een hersenontsteking; de stille kolder, een dergelijk
lijden; de grauwe en de zwarte staar en andere kwalen. Bovendien
wordt dit dier gekweld door vele uitwendige en inwendige parasieten.
Het Paard kan een leeftijd van 40 jaar en meer bereiken, maar wordt
dikwijls zoo slecht behandeld, dat het reeds op zijn 20e jaar afgeleefd
is; men mag aannemen, dat het slechts zelden 30 jaar oud wordt.
Over de eigenschappen, gewoonten, hebbelijkheden en eigenaardigheden
van de Paarden, in één woord over de gesteldheid van hun geest,
zal ik Scheitlin laten spreken: "Het Paard," zegt hij, "heeft
onderscheidingsvermogen voor voedsel, woning, ruimte, tijd, licht,
vorm, voor zijn familie, voor buren, vrienden, vijanden, andere
dieren, menschen en zaken. Het bezit waarnemings-, voorstellings-
en herinneringsvermogen, geheugen, verbeeldingskracht; het heeft een
fijn ontwikkeld gevoel voor een groot aantal toestanden, die zijn
lichamelijke of geestelijke gesteldheid wijzigen. Het wordt aangenaam
of onaangenaam gestemd door elke wijziging van omstandigheden, is
in staat om tevreden te zijn over het leven, dat het op een gegeven
tijdstip leidt, of om naar verandering te haken; zelfs is het vatbaar
voor hartstochten, voor fijn gevoelende liefde en haat. Zijn verstand
is groot en wordt zonder groote moeite in bekwaamheid omgezet, want
het Paard is buitengewoon leerzaam.
"Zijn opmerkingsvermogen, zijn geheugen en zijn goedhartigheid
maken het mogelijk het alle kunststukken te leeren, die de Olifant,
de Ezel en de Hond kunnen verrichten. Het moet raadsels oplossen,
vragen beantwoorden, door beweging met den kop 'ja' en 'neen' zeggen,
door met den poot te tikken getallen aangeven, b.v. de tijdaanwijzing
van een horloge. Het let op de beweging van de handen en voeten van
zijn leermeester, begrijpt de beteekenis van het zweepgeklap en van
de woorden, die het vervangen of er mede gepaard gaan: het heeft
dus werkelijk een klein woordenboek in de gedachten. Op commando
houdt het zich ziek, neemt een onnoozele houding aan door de pooten
wijd uiteen te zetten en den kop te laten hangen, waggelt treurig en
vermoeid voort, laat zich langzaam vallen, ploft op den grond neer,
houdt zich dood (ook wanneer iemand op zijn lichaam gaat zitten, of
zijn pooten uiteen legt, of het aan den staart trekt, of den vinger in
de zoo fijngevoelige ooren steekt, enz.); zoodra zijn meester echter
zegt, dat hij het door den vilder zal laten halen, springt het weder
overeind en neemt een wakkere en vroolijke houding aan; het heeft deze
klucht uitmuntend begrepen. Het blijkt niet, dat het behagen schept
in de grappen, die het zoo dikwijls moet herhalen. Alleen in loopen en
springen heeft het vermaak. Hoe lang zal men het moeten onderrichten,
voordat het er zich aan waagt om door twee groote hoepels te springen,
die tamelijk ver van elkander verwijderd zijn en die met wit papier
dichtgeplakt, op hem den indruk van witte muren moeten maken? Dat
de mensch iets leeren kan en wil, verwondert ons niet, maar wel dat
het _Paard_ het kan. Men moet werkelijk niet vragen: Wat kan het
leeren? maar: Wat kan het _niet_ leeren?
"Ieder, die een Paard iets menschelijks wil leeren, moet het, in
den beginne althans, echt menschelijk behandelen, d.w.z. hij moet
niet trachten het door slaan, of door bedreigingen, of door honger
de gewenschte vaardigheid bij te brengen, maar alleen goede woorden
gebruiken en het bejegenen zooals een goed, verstandig mensch een goed,
verstandig mensch bejegent. In den regel zijn de Paarden geheel en
al kinderen in het goede zoowel als in het booze.
"Het Paard kent niet alleen het begrip plaats, maar ook het begrip
tijd. Het leert op de maat stappen, draven, galoppeeren en dansen. Het
kent ook verschil van tijd op grootere schaal; het weet, of het morgen,
middag of avond is. Het ontbreekt het Paard zelfs niet aan muzikaal
gevoel. Evenals de krijgsman houdt het van trompetgeschal. Het krabt
vroolijk met de voorpooten op den grond, wanneer dit geluid als sein
voor het loopen bij wedrennen en gedurende den veldslag weerklinkt;
het kent en begrijpt ook het tromgeroffel en alle geluiden, die met
zijn moed en met zijn vrees in verband staan. Het kent het gebulder
van het geschut; maar hoort het niet graag, wanneer het soortgenooten
gedurende veldslagen door kogels heeft zien treffen. Door het hooren
van donder wordt het eveneens onaangenaam aangedaan. Misschien heeft
het ervaren, dat het onweer onheil kan stichten.
"Het Paard is zeer vatbaar voor vrees en gelijkt dus ook in dit opzicht
op den mensch. Het verschrikt door een ongewoon geluid, een ongewoon
voorwerp, een wapperend vaandel, een hemd, dat buiten het venster
waait. Zorgvuldig kijkt het naar den bodem, wanneer hier steenen
op liggen; voorzichtig stapt het in de beek of in de rivier. Het is
buitengewoon bang voor den bliksem. Gedurende het onweder zweet het
uit angst van getroffen te worden. Als het eene Paard op hol gaat,
kan het andere, dat minder schichtig is, het tegenhouden; gewoonlijk
echter wordt het eveneens door den schrik bevangen; beide rennen
dan voort met steeds klimmende vrees en toenemenden angst, hollen in
dolle vaart over en door alles heen, over den dorschvloer, met den
kop tegen een muur, enz., alsof zij dol zijn.
"De eenige ware lust van het Paard is het rennen. Van nature is het
een reiziger; alleen voor hun vermaak rennen de Paarden, die in de
Russische steppen grazen; zij galoppeeren vele uren, een dagreis ver
met de koetsen mede; zonder nood van op den langen weg te verdwalen,
keeren zij eindelijk naar hun uitgangspunt terug. Op de weide spelen
zij vroolijk met elkander, werpen het voorste of het achterste deel van
't lichaam omhoog en halen allerlei streken uit, rennen te zamen of
bijten elkander. Er zijn er bij, die gedurig bezig zijn de andere te
plagen. Het dier, dat menschelijke handelingen tracht na te bootsen,
moet zich den mensch zeer nabij gevoelen, moet in hem bijna zijns
gelijke vinden.
"De hengst is in alle opzichten een vreeswekkend dier. Zijn spierkracht
is ontzettend, zijn moed boven alle beschrijving groot, zijn oog schiet
vuur. De merrie is veel zachtaardiger, goedhartiger, toegevender,
gehoorzamer, gemakkelijker te besturen; daarom geeft men aan haar
dikwijls de voorkeur boven den hengst. Het paard is voor allerlei
aandoeningen vatbaar. Het mint en haat, is jaloersch, wraakzuchtig,
nukkig enz. Geen Paard is aan een ander gelijk. Bijtlustig en boos,
valsch en arglistig is het eene, goed vertrouwend en zachtaardig het
andere. De natuur of de opvoeding of beide gezamenlijk hebben ze zoo
verschillend doen worden.
"Groot is het verschil van levenslot der Paarden! Het lot van de meeste
is in de jeugd vertroeteld en met haver gevoederd te worden, op hun
ouden dag een kar voort te slepen, met haksel en ruigte het leven te
rekken, en rijkelijk slagen te ontvangen. Aan de nagedachtenis van
menig Paard werden tranen gewijd; terecht zijn voor sommige Paarden
marmeren gedenkteekens opgericht. Zij hebben een jeugd, die voor
't spelen bestemd is, jongelingsjaren, waarin zij met hunne gaven
pronken, een mannelijken leeftijd om te arbeiden, en een ouderdom,
waarin zij naar lichaam en geest trager en doffer worden; zij bloeien,
rijpen en verwelken!"
Het tweede ondergeslacht van de Paarden (_Asinus_), waarvan de
kenmerken reeds vroeger opgegeven zijn omvat de _Ezels_ en de
_Tijgerpaarden_.
De _Koelan_ van de Kirgiezen, de _Dziggetai_ (letterlijk vertaald
"Langoor") der Mongolen in 't algemeen [_Equus (Asinus) hemionus_],
heeft sommige eigenaardigheden, waardoor zijn schoonheid die van
den Ezel verre overtreft. Deze zijn: een buitengewoon licht gebouwd
lichaam, slanke ledematen, een wild en vlug voorkomen en een fraaie
haarkleur. Hij is iets grooter dan het kleine slag van muildieren,
bijna gelijk aan een hit. De kop is eenigszins zwaar ontwikkeld,
de borst groot, van onderen hoekig en een weinig samengedrukt. De
ooren zijn langer dan bij het Paard, maar korter dan bij de gewone
muildieren. De manen zijn kort en overeind geplaatst; hierdoor en ook
door den staart en de hoeven gelijkt hij op den Ezel. De borst en de
bovenarmen zijn smal en op lange na niet zoo gevleescht als bij het
Paard; ook het achterstel is schraal; de ledematen zijn buitengewoon
licht en fijn, en tevens tamelijk lang. De kleur van den Dziggetai
is licht geelbruin; de neus en de binnenzijde der ledematen hebben
een vaal-gelen tint; de manen en de staart zijn zwartachtig. Over
het midden van den rug, boven de ruggegraat, loopt een bruinachtige,
eenigszins naar geel en grijs zweemende streep, die van voren ongeveer
zoo breed is als een vinger, zich naar 't midden van den rug allengs
tot 1 cM. versmalt; haar breedte neemt daarna snel weer toe, zij
komt in 't kruis en boven het bekken met die van 3 vingers overeen,
om vervolgens weer af te nemen tot een smalle lijn op 't midden van
de bovenzijde van den staart; overal steekt zij sterk af bij de kleur
van het overige haar.
De totale lengte bedraagt ongeveer 2.5 M., waarvan 50 cM. op den
kop en 40 cM. op den staart komen (de haarkwast aan de spits niet
medegerekend); de schouderhoogte wisselt van 1.3 tot 1.5 M. af.
De Dziggetai of Koelan is een kind van de steppe. Hoewel hij zich
bij voorkeur in de nabijheid van meren en rivieren ophoudt, vermijdt
hij evenwel de dorre, waterlooze en woestijnachtige streken niet,
en evenmin de bergachtige gewesten, voor zoover deze n.l. een
steppe-karakter hebben, met andere woorden, niet met bosschen
bedekt zijn. Zoomin de ijlere lucht van het hooge gebergte, als
de temperatuurswisselingen van het laagland, waar in den zomer
een verzengende hitte, in den winter een strenge koude heerscht,
zoomin de prikkelende sneeuwstormen van de hoogvlakte, als de door
den wind voortgestuwde heete zandwolken van de laagvlakte, beperken
het verbreidingsgebied van deze tegen weer en wind geharde dieren
in de steppen; door niemand anders dan door den mensch wordt zijn
aanwezigheid zoo niet bepaald, dan toch eenigermate beperkt. Streken,
welker uitgestrekte weidegronden van tijd tot tijd door rondzwervende
herdersvolken bezocht worden, of waardoor de nomadische herder met
zijne kudden geregeld heen en weer trekt, worden door de Koelan
verlaten; daar waar te midden van vruchtbaarder weidegronden zich
landstreken bevinden, zoo arm, zoo dor, zoo woestijnachtig, dat
zelfs de genoemde voorloopers van den aan vaste woonplaatsen gebonden
mensch ze vermijden, kan men er verzekerd van zijn het wilde Paard,
dat onbeperkte vrijheid verlangt, te zullen aantreffen.
Nog tegenwoordig bevolkt het in aanzienlijken getale verscheidene
districten van Akmolinsk en bewoont het een strook steppe-land tusschen
het Altaï-gebergte en het Saisan-meer; men ontmoet het van hier
uitgaande op alle voor zijn levenswijze geschikte, verder oostwaarts
en zuidwaarts gelegen oorden van zuidelijk Siberië en Toerkestan,
hoewel hier niet zoo menigvuldig als in de woestijnachtige steppen
van Mongolië en het noordwesten van China of in de gebergten van Tibet.
Gezelligheid is een grondtrek van de inborst van dit wilde
paard en van de Eénhoevigen in 't algemeen. Evenals in Afrika de
Zebra, de Quagga en de Dauw zich voegen bij de kudden Antilopen en
Struizen, ziet men in de hooge gebergten van Midden-Azië de Dziggetai
gemeenschappelijk grazen met verschillende soorten van wilde Schapen,
met de Tibetaansche Antilope en den Yak, in de laagvlakten met de
Krop- en Saiga-Antilopen. Ook met verwilderde Paarden leeft hij in
goede verstandhouding.
Wie ooit Koelans in hun vaderland en in volledige vrijheid zag,
zal moeten erkennen, dat zij hoog begaafde dieren zijn. Betooverd
volgt het oog hunne bewegingen; verrukt en verbaasd tracht het de
onvergelijkelijke behendigheid van deze snelvoetige dieren na te
gaan. "Het is een verwonderlijk schouwspel," zegt Gay, "te zien,
hoe vlug zij de bergen bestijgen en hoe behendig zij er van afdalen
zonder ooit te struikelen. Alsof zij met hunne onuitputtelijke krachten
wilden spelen, repten de door ons vervolgde Koelans zich voort over
de heuvels en door de dalen van de steppe."
Zulk een dier ontkomt gemakkelijk aan de vervolgingen van groote
Roofdieren. In de West-Aziatische steppen zijn er trouwens geen,
die op Koelans jacht maken; want de hier inheemsche Wolven wagen het
niet gezonde, wilde Paarden aan te vallen, omdat deze hunne krachtige
hoeven uitmuntend tegen vijanden weten te gebruiken. Waarschijnlijk
worden alleen vermoeide en door ziekte aangetaste Koelans, die van
de kudde verwijderd zijn geraakt, een prooi van de Wolven. In het
zuidelijk en zuidoostelijk gedeelte van hun verbreidingsgebied worden
de Koelans misschien door Tijgers lastig gevallen. Een gevaarlijker
vijand is echter de mensch. De nomadische herders van de steppe zijn
hartstochtelijke liefhebbers van de Koelan-jacht, vooral omdat voor dit
bedrijf een groote behendigheid van de zijde van den jager vereischt
wordt.--In de Europeesche dierentuinen behoort de Koelan nog steeds
tot de zeldzaamheden, hoewel men hem in de laatste 20 jaren dikwijls
daarheen heeft overgebracht, en hij er ook herhaaldelijk (alleen
te Parijs niet minder dan 16-maal) jongen heeft geworpen. Met goed
gevolg heeft men hem met den Ezel, den Quagga, den Zebra, en kort
geleden ook met het Paard gekruist.
Een tweede, in Azië in 't wild levende Eénhoevige, die misschien
met den Koelan een zelfde soort vormt, is de _Onager_ van de
Ouden, die ook in den Bijbel herhaaldelijk genoemd wordt. Volgens
Sclater's vergelijkend onderzoek van de wilde Paarden is het meer dan
waarschijnlijk, dat de wilde Ezel, die de Indische woestijnen bewoont,
zich niet van den Onager onderscheidt. Het verbreidingsgebied van
deze soort zou zich dus van Syrië over Arabië, Perzië en Beloetsjistan
tot in Indië uitstrekken.
De _Onager_ [_Equus (Asinus) onager_] is aanmerkelijk kleiner
dan de Dziggetai, maar toch hooger en fijner van ledematen dan de
Gewone Ezel. De kop is betrekkelijk nog hooger en grooter dan bij de
Koelan; de dikke lippen zijn tot aan den rand dicht bezet met stijve,
borstelige haren; de ooren zijn tamelijk lang, maar korter dan bij den
Gewonen Ezel. De heerschende kleur is fraai wit met een zilverachtigen
glans, deze gaat aan de bovenzijde van den kop, aan de zijden van den
hals en van den romp en ook aan de heupen in een bleeke isabelkleur
over. Over de schouderstreek loopt een witte streep ter breedte van
een hand benedenwaarts, een tweede streep loopt aan weerszijden langs
het midden van den rug en over de achterzijde der dijen; tusschen de
beide overlangsche strepen ligt de koffie-bruine rugstreep. De beharing
is nog zijdeachtiger en zachter dan bij een Paard. Het winterhaar
kan men met kameelwol vergelijken, het zomerhaar is uiterst glad en
fijn. De rechtopstaande manen bestaan uit zachte, wollige, ongeveer 10
cM. lange haren; de kwast aan den staart wordt meer dan een span lang.
Door zijn levenswijze herinnert de Onager aan den Koelan. Een hengst is
de aanvoerder van de kudde, die uit merries en veulens van beiderlei
geslacht bestaat. Wat vlugheid van beweging betreft, doet de Onager
voor den Dziggetai volstrekt niet onder.
De zintuigen van den Onager, vooral die van 't gehoor, 't gezicht
en den reuk, zijn zoo fijn, dat het niet mogelijk is hem in
de open steppen te genaken. Hij is zoo buitengewoon matig, dat
hij hoogstens om den anderen dag naar de drinkplaats gaat; het
opwachten van dit dier, "het jagen op den afstand", is dus meestal
ondoenlijk. Zouthoudende planten vormen zijn liefste voedsel; na deze
geeft hij de voorkeur aan die, welke een bitter melksap bevatten,
zooals paardenbloemen, melkdistels en dergelijke; klaversoorten,
lucerne en allerlei kruisbloemige planten worden echter ook niet
door hem versmaad. Hij heeft evenwel een tegenzin in alle planten,
die welriekend zijn, doordat zij vluchtige oliën bevatten, in
moeraskruiden, boterbloemachtigen en alle stekelige gewassen, zooals
distels. Hij houdt meer van brak, zouthoudend water dan van zoet;
het moet echter helder zijn; troebel water lust hij niet.
Over den paringstijd en den werptijd is nog niets bekend.
De stamsoort van onzen tammen _Ezel_ [_Equus (Asinus) asinus_] bewoont
Afrika en is er door twee ondersoorten vertegenwoordigd. De eerste
ondersoort--de _Steppen-ezel_ (_Equus asinus africanus_)--gelijk door
grootte en uitzicht op zijne getemde nakomelingen in Egypte, door
levenswijze en aard echter op zijne in 't wild levende, Aziatische
verwanten. Hij is groot, slank en fraai gebouwd, isabelkleurig,
aan de onderzijde lichter, met duidelijk herkenbare rugstreep en
schouderkruis en eenige meer of minder duidelijke dwarsstreepen aan
de buitenzijde van den benedenvoet. De korte manen staan overeind,
de staartkwast is dik en lang.
Van den Steppenezel onderscheidt zich de _Somali-ezel_ (_Equus asinus
somalicus_) door een aanzienlijker grootte en langere, hangende
manen. Het schouderkruis ontbreekt; wel komen aan de pooten talrijke,
duidelijke, zwarte dwarsstrepen voor. Zijn vaderland is Somaliland. De
beter bekende Steppenezel daarentegen bewoont de woestijnen van
Opper-Nubië. In de nabijheid van den Atbara, de voornaamste Nubische
bijrivier van den Nijl is hij veelvuldig, zoo ook in de Barka-vlakten;
zijn verbreidingsgebied strekt zich uit tot aan de kust van de Roode
Zee. Hier leeft hij in volkomen gelijksoortige omstandigheden als
de Dziggetai en de Onager. Iedere hengst staat aan het hoofd van
een kudde van 10 à 15 stuks, die hij bewaakt en verdedigt. Hij is
buitengewoon schuw en voorzichtig; de jacht op dit dier is hierdoor
zeer moeilijk. Alle tamme Ezels, die men in 't zuiden van Egypte en
waarschijnlijk ook in Abessinië gebruikt, stammen, naar het schijnt,
van deze soort af; want volgens de verzekering van de Arabieren
gelijken de Wilde Ezels zoozeer op hen, dat men den eenen voor den
anderen zou kunnen aanzien.
De gestreepte voeten van dit dier, en vooral die van den Somali-ezel,
zijn een opmerkelijk verschijnsel; daar hierdoor deze Ezels een
overgang schijnen te vormen tusschen hunne Aziatische verwanten en
de Tijgerpaarden.
De Steppenezel wordt reeds sinds overouden tijd getemd en de gevangen
Wilde Ezels worden dikwijls voor de veredeling van tamme Ezelrassen
gebruikt. De Romeinen van de oudheid gaven groote sommen voor dit doel
uit; de Arabieren doen dit ook thans nog. Alleen bij ons is de _Tamme
Ezel_ door voortdurende verwaarloozing tot op een laag peil afgedaald.