Paard de volgende eigenschappen in zich vereenigen: een geëvenredigde
lichaamsbouw, korte en beweeglijke ooren, zware, maar toch sierlijke
beenderen, een vleeschloos gelaat, neusgaten "zoo wijd als de muil van
den Leeuw", fraaie, donkere, uitpuilende oogen, "met een uitdrukking
gelijk aan die van een liefhebbende vrouw," een fraai gebogen en langen
hals, breede borst en breed kruis, smallen rug, ronde achterschenkels,
zeer lange ware en zeer korte valsche ribben, een ingesnoerde romp,
lange bovenschenkels, "zooals die van den Struis zijn", met spieren,
"zooals het Kameel ze heeft," een zwarten, eenkleurigen hoef, fijne,
niet zeer gevulde manen en een rijk behaarden staart, dik aan den
wortel en dun in de nabijheid van de spits. Het moet vierderlei
lichaamsdeelen breed hebben: het voorhoofd, de borst, het achterdeel
en de ledematen; vierderlei lichaamsdeelen moeten lang zijn: de hals,
de voorarm, de buik en de dij, vierderlei lichaamsdeelen daarentegen
kort: de lendenen, de ooren, de kooten en de staart. Deze eigenschappen
bewijzen, dat het Paard van een goed ras is en snel loopt; want het
gelijkt dan door zijn lichaamsbouw "op den Windhond, de Duif en het
Kameel te zamen."
In de 18e levensmaand begint de opvoeding van het edele dier. In
't eerst tracht een knaap het te berijden. Het leidt het naar de
drinkplaats, naar de weide, maakt het schoon, kortom voorziet in al
zijne behoeften. Beide leeren te gelijker tijd: de knaap wordt een
ruiter, het Paard een rijdier. Nooit echter zal de jonge Arabier
van het veulen, dat hem is toevertrouwd, te veel eischen, nooit er
werkzaamheden van vergen, die het niet verrichten kan. Op iedere
beweging van het dier wordt acht geslagen, het wordt zachtmoedig
en liefderijk behandeld, hoewel men geen ongehoorzaamheid en
boosaardigheid duldt. Eerst wanneer het Paard zijn tweede levensjaar
volbracht heeft, legt men het een zadel op; na afloop van het derde
jaar gewent men het er langzamerhand aan, al zijne krachten in te
spannen. Eerst wanneer het zeven jaar oud geworden is, beschouwt men
zijn opvoeding als afgeloopen; daarom zegt het Arabische spreekwoord:
"Zeven jaar voor mijn broeder, zeven jaar voor mij en zeven jaar voor
mijn vijand."
De Arabieren onderscheiden vele familiën in hunne Paarden; ieder
gewest, ieder volk beroemt zich op die, welke het bezit. In Arabië
rangschikt men deze dieren ook thans nog in 21 "bloedstammen" of
familiën, van welke de vijf belangrijkste onder den naam "Khamsa"
samengevat worden: deze heeten van de vijf merriën van Salomo af te
stammen. De oudste en edelste van deze vijf familiën heet "Kehilan" of
"Kochlani". Vermakelijk is het te luisteren naar den lof, die over een
bijzonder edel Paard verkondigd wordt. "Zeg niet, dat het mijn Paard
is, noem het mijn zoon! Het loopt sneller dan de stormwind, sneller
nog dan de blikken over de vlakte waren. Het is zoo zuiver van ras
als goud. Zijn oog is zoo scherpzichtig, dat het in het duister een
haar kan onderscheiden. Het achterhaalt de gazelle. Tot den arend
zegt het: Ik beweeg mij zoo snel als gij! Als zijn oor het jubelen
der meisjes verneemt, hinnikt het van vreugde en bij het fluiten der
kogels springt zijn hart op van blijdschap. Uit de hand der vrouwen
neemt het aalmoezen aan, den vijand slaat het met de hoeven in 't
aangezicht. Als het loopen kan zooveel het begeert, storten zijne
oogen tranen. Hetzij de hemel klaar is, of de stormwind het licht der
zon door stofwolken verduistert, 't is alles om 't even; dit Paard is
een edel dier, dat het woeden van den storm veracht. In deze wereld
is er geen, die het evenaart. Snel als de Zwaluw ijlt het voort; het
is zoo licht, dat het op de borst van uw geliefde zou kunnen dansen,
zonder haar lastig te zijn. Zoo zacht draaft het, dat gij gedurende den
snelsten draf op zijn rug zittend een kop koffie kunt drinken, zonder
een druppel te spillen. Het begrijpt alles, wat een zoon van Adam
begrijpt; alleen door het gemis van de spraak verschilt het van dezen."
In Engeland wordt tegenwoordig aan de paardenfokkerij niet minder
zorg gewijd dan in het Oosten. Nog geen tweehonderd jaar geleden
fokten de Spanjaarden en Italianen veel beter Paarden dan de
Engelschen; deze zijn echter sedert dien tijd evenveel vooruitgegaan
als gene achteruitgingen. De vroeger zoo beroemde Andalusische
en Polesina-rassen bestaan niet meer, terwijl daarentegen het
_Engelsche Volbloedras_ (_thorough-breed, racing breed_) als het
uitstekendste lid van het Westersche of Europeesche hoofdpaardenras
wordt beschouwd. Alleen door paring van individuën, die verschillende
uitnemende eigenschappen bezitten, kunnen wezens ontstaan, waaraan
deze eigenschappen vereenigd voorkomen, en alleen als deze wezens
met huns gelijken paren kan men verwachten, dat hunne afstammelingen
onverbasterd zullen blijven. Voor het verkrijgen en zuiver houden,
van een uitmuntend paardenras is dus een zorgvuldige keuze van
fokdieren noodig. Al sinds lang legt men zich in Engeland toe op het
fokken van Paarden, die door een buitengewone snelheid op de renbaan
kunnen schitteren. Het Engelsche Volbloedpaard is een product van dit
streven. De eerste gebeurtenis, die voor de geschiedenis van dit ras
belangrijk zou worden, was, dat Jacobus I (1603--1625) eerst eenige
Arabische, later ook eenige Turksche hengsten en merriën naar Engeland
liet komen, om gebruikt te worden als renpaarden en voor het veredelen
van de inlandsche paardenslagen. Karel II (1603--1625) volgde dit
voorbeeld en schafte zich toen Oostersche merriën (_the royal mares_)
benevens eenige Oostersche hengsten aan. Het vaderland van deze merries
is twijfelachtig. Schwarznecker vermoedt, dat zij uit Barbarije en
Turkije afkomstig waren. Bij dit fokmateriaal kwamen later nog eenige
Oostersche hengsten, waarvan vooral drie beroemd zijn geworden als
stamvaders van vele vermaarde renpaarden. Deze zijn: Darley _Arabian_
(1714)--een uit de woestijn van Palmyra afkomstige, door Darley te
Aleppo gekochte Arabische hengst, de vader van _Flying Childers_,
het paard dat 1 Eng. mijl (1610 M.) in de minuut aflegde, en dat,
op deze wijze dag en nacht doorrennend, in 17 etmalen den evenaar
rondgeloopen zou zijn; deze was de overgrootvader van _Eclipse_
(den stamvader van den _Eclipse_-stam), die in 3 seconden 7 sprongen
van 25 voet deed--, Godolphin's _Berber_--wiens afstammelingen den
_Matchem_-stam vormen--, Byerley's _Turc_--waaruit de _Herodes_-stam
is voortgesproten, zoo genoemd naar het renpaard _Herodes_, die zijn
eigenaar een winst van ruim 2 1/2 millioen gulden op de wedrennen
verschafte. Ieder Volbloedpaard moet, om als zoodanig erkend te worden,
ingeschreven zijn in het in 1791 aangevangen _General Stud-book_,
hetgeen alleen geschiedt, als zijn stamboom geen andere voorouders
aanwijst, dan Paarden, die in dit register voorkomen. Het Engelsche
Volbloedpaard heeft een kleinen kop, een langen hals, die meestal
gestrekt wordt gedragen; het staat dikwijls hoog op de pooten,
heeft sterk ontwikkelde achterschenkels, een duidelijk zichtbaar
spierstelsel en breede, stevige pezen. Hoewel dit ras door ieder
onbevangen beoordeelaar minder schoon wordt genoemd dan het Arabische,
wijl bij het Engelsche paard het streven naar doelmatigheid meer op
den voorgrond stond dan het zoeken van een harmonieuzen lichaamsbouw,
is het toch wat grootte, sterkte, snelheid en geschiktheid voor
acclimatisatie betreft, ver boven het Arabische Volbloedpaard
verheven; terwijl het als fokdier voor de vorming van uitmuntende
rij- en tuigpaarden zijns gelijken niet heeft. Terecht noemt men
het dan ook: "de edelste Europeesche stamgenoot van het Arabische
paard. Vele paardenkenners beweren, dat het verschil tusschen beide
rassen eenvoudig veroorzaakt is door gewijzigde levensomstandigheden
en dat het Engelsche Volbloedpaard onvermengd Oostersch bloed in
zijne aderen heeft. Het stamregister van dit ras levert echter het
onomstootelijk bewijs, dat er geen enkel Volbloedpaard is, in wiens
stamboom zoowel aan vaders- als aan moederszijde geen andere dan
Oostersche voorouders voorkomen." Het volbloedpaard is niet anders
"dan een door voortdurende reinteelt voortgebracht product van
de wedrennen van de voorbereiding hiervoor (_training_) en van de
door deze beide factoren bepaalde zorgvuldige keuze van fokdieren,
verzorging en voeding." Zoowel door zijn lichaamsvorm als door zijne
vermogens munt het hedendaagsche Volbloedpaard in alle opzichten boven
zijne voorouders uit; het kan een hoogte van 1.75 en meer bereiken. (De
hoogte van het Arabische Paard bedraagt 1.5 à 1.6 M.) De gestalte is
edeler en, wat de verhoudingen betreft, evenrediger geworden.--Het
Engelsche Volbloedpaard wordt voor het veredelen van andere rassen
naar alle door Europeanen bewoonde landen van de wereld uitgevoerd.
De derde vertegenwoordiger van het Volbloedras is het _Anglo-arabische_
of _Gemengd Volbloedpaard_, ontstaan door kruising van het Engelsche
en het Arabische Volbloedpaard, welke kruising eerst in den laatsten
tijd heeft plaats gehad.
Veel talrijker dan de Volbloedrassen zijn de _Halfbloedslagen._ Deze
ontstaan door kruising van Volbloedfokpaarden met merries of hengsten
van de gewone Westersche landslagen. Dit geschiedt op groote schaal
in zoogenaamde stoeterijen, die aan den Staat, aan een vereeniging
of aan particulieren behooren. De staats- of hoofdstoeterijen hebben
ten doel een voor de behoeften van het land geschikt, edel, rein
paardenras voort te brengen. In Pruisen zijn er drie; de belangrijkste
van deze is die te Trakehnen, bij Gumbinnen in Oost-Pruisen, waar 360
halfbloed-merries worden gehouden. Zij werd in 1732 door Friedrich
Wilhelm I opgericht, met het doel om voor zijn privaat gebruik goede
Paarden te verkrijgen, en heeft er veel toe bijgedragen om aan de
paardenfokkerij in Pruisen een goede richting te geven, en om het
tot aan dien tijd zeer verwaarloosde Oud-Pruisische paardenslag op
een oordeelkundige wijze te veredelen. Vóór het begin van de vorige
eeuw bepaalde men zich er toe, Paarden te fokken, zonder zich toe te
leggen op de veredeling van het ras. Waarschijnlijk stond dus destijds
overal in Duitschland de paardenfokkerij op een lager standpunt dan
in de Middeleeuwen; daar toen, zooals bekend is, een veel drukker
handelsverkeer tusschen het Oosten en Westen bestond dan in latere
tijden, met uitzondering van den tegenwoordigen tijd. Door gebruik te
maken van Arabische en Engelsche Volbloedpaarden heeft de _Trakehner_
zich langzamerhand ontwikkeld tot een fokras, dat zich door een
goed gevormden kop, een fraai aangezetten hals, een gedrongen romp
met rechten rug, een langwerpig rond kruis, tamelijk breede borst,
zeer krachtige ledematen, als ook door snelheid onvermoeidheid en
soberheid onderscheidt. Vooral voor het leveren van cavalerie-
en koetspaarden is het uitnemend geschikt.--Staatsstoeterijen
heeft Pruisen bovendien nog te _Graditz_ bij Torgau (Saksen) en
in Beberbeck bij _Hofgeismar_ (Hessen). Deze inrichtingen leveren
ook een groot deel van de dekhengsten ten behoeve van den landbouw,
die in de "landsstoeterijen" bewaard, en gedurende den dektijd over
de verschillende districten verdeeld worden.--Ook in andere Duitsche
landen (Beieren, Wurtemberg, Brunswijk, Lippe), oefent de regeering
op dezelfde of soortgelijke wijze als in Pruisen, grooten invloed
uit op de paardenfokkerij. Anders is het gesteld in Hannover,
Oldenburg, Mecklenburg en Holstein, waar door de landbouwers
uitstekende halfbloedslagen worden gefokt. Het _Oldenburger_
(Bovenlandsche) Paard is ook hier te lande gunstig bekend, vooral
als tuig- of koetspaard; het is sterk en meer dan middelmatig groot
(1.75 à 1.85 M. hoog). Soortgelijk, doch iets edeler van vorm, zijn
de _Hannoversche_ en _Holsteinsche_ paarden.--Verder behooren nog tot
deze afdeeling: in Oostenrijk het _Lippizaner_ en het _Kladruber_ slag,
die met het Spaansche halfbloedslag, den _Andalusiër,_ nauw verwant
zijn; in Frankrijk het _Anglo-normandische_ en het _Anglo-bretonsche_
slag; de Russische _Orlowdravers,_ die in de stoeterijen Khränowoy
en Padu, in het gouvernement Woronesch gefokt worden, stammen af
van een Arabischen hengst en een Hollandsche merrie, [evenals de
Engelsche _Norfolk-dravers,_ van een Engelschen Volbloedhengst een
Friesche merrie]; andere Russische halfbloedpaarden zijn sommige
slagen van _Donsche_ en _Tscherkessische_ paarden. Door kruising van
Engelsche Volbloedhengsten en merries van het Yorkshire-landslag
(ook wel Cleveland-bruinen genaamd, naar de streek waar zij het
meest gefokt werden), ontstond het Engelsche Jachtpaard (_Hunter_),
dat zich door een sterkeren lichaamsbouw en kortere pooten van het
Engelsche Volbloedpaard onderscheidt, en dus een grooter gewicht kan
dragen, maar er door kop en hals mede overeenkomt; kleiner is het
_Engelsche halfbloed koetspaard_ (_Hackney_ of _Hack_) en nog kleiner
(ongeveer 1.4 M. hoog), de voor 't zelfde doel dienende _Cob_. Van
de _Noord-Amerikaansche_ paarden behooren tot deze afdeeling sommige
slagen van _Sneldravers_ (_Trotter_). De Paarden van de hier genoemde
slagen zijn, zooals te verwachten is, zeer verschillend, zoowel wat
lichaamsbouw als wat geschiktheid betreft. Er zijn lichte, middelmatige
en zware dieren onder; vele zijn uitmuntende rij- of wagenpaarden,
andere sterke werkpaarden; verscheidene onderscheiden zich door een
zeer groote trekkracht.
Tot de derde afdeeling, die der _Koudbloedige rassen,_ genaderd, zijn
wij het best in de gelegenheid iets te zeggen van de in Nederland
thuis behoorende paarden. "Evenals de meeste Europeesche landen,"
zegt Reinders, "bezit Nederland eigenlijk een groot mengelmoes
van Paarden. Men wil, dat daaronder drie typen voorkomen, die men
gewoonlijk als het _Friesche_, het _Geldersche_ en het _Zeeuwsche_
ras onderscheidt. Het meest verbasterd (door kruising met andere
rassen gewijzigd) is daarvan wellicht 't Zeeuwsche, maar van de beide
andere gaat het dikwijls moeilijk een exemplaar van de echte type,
van 'het echte ras' te vinden. Twee andere typen zouden wellicht nog
daarbij gevoegd kunnen worden, die van Holland en Utrecht, maar nog
meer dan in andere provinciën heeft hier verbastering plaats gehad.
"Het _Friesche Paard,_ in de provinciën Groningen, Friesland en
Drente, maar door uitvoer naar Noord- en Zuid-Holland ook in deze
provinciën niet zeldzaam, werd voorheen onder dezen naam naar alle
streken van Europa uitgevoerd, inzonderheid naar Rome en Madrid,
waar het als staatsiepaard een grooten naam had. Ook thans nog is
het als koetspaard in het buitenland gezocht. Jaarlijks gaat onder
anderen een zeker aantal zwarte hengsten van dit ras naar Engeland
om daar voor de lijkkoetsen dienst te doen. Hun schoone vorm, hun
verheven gang en hunne sterke beenen maken hen daarvoor uitermate
geschikt. Van al de Nederlandsche Paarden is het Friesche Paard het
grootst hoewel niet meer zoo groot als voorheen. Het Friesche Paard
heeft ook naam als harddraver, maar bezit deze eigenschap meer door
aanleg dan wel tengevolge van de keuze bij het aanfokken, gelijk
bij het Engelsche Renpaard het geval is. Ook als harddraver werd het
vroeger veelvuldig uitgevoerd en met andere rassen gekruist.
"Het _Geldersche Paard,_ nog het meest oorspronkelijk in de Betuwe,
is kleiner dan het Friesche. Het is meer rij- dan trekpaard en om
zijne verhevene bewegingen gezocht als cavaleriepaard; de zwaardere
exemplaren zijn ook goede trekpaarden. De goede eigenschappen van
het Geldersche Paard worden toegeschreven aan een kruising van
het oorspronkelijke inlandsche met het Andalusische Paard in den
Spaanschen tijd.
"Het _Zeeuwsche Paard_ is zwaar en meer of minder plomp van vorm. Het
is sterk, maar niet zeer schoon, wel geschikt voor ploeg- of werkpaard,
maar wegens zijn moeilijke beweging minder gepast als tuigpaard."
De talrijke in Nederland voorkomende vreemde Paarden behooren voor
een groot deel hetzij tot Duitsche slagen of tot het _Vlaamsche_ of
het _Ardenner_ ras, die beide in België en in de aangrenzende Fransche
departementen gefokt worden; de _Ardenners_ zijn meestal roodschimmels;
het zijn sterke gebergtepaarden, waarvan een grooter en een kleiner
slag bestaat; hier te lande heeft men meestal het zware slag; het
meestal zwarte _Vlaamsche Paard_ is grooter, gemiddeld 1.8 M. hoog in
de schouders, nog iets hooger in het kruis, met eenigszins ingezonken
rug; het heeft een breed gespleten kruis evenals het nauw verwante,
iets kleinere en meer gedrongen gebouwde _Brabantsche Paard._ Het
ras der _Percherons,_ zoo genoemd naar het Fransche landschap Perche
(Depn Eure et Loire en Orne), komt in twee hoofdverscheidenheden voor,
als middelsoort rij- en tuigpaard en als zwaar trekpaard; meestal zijn
het schimmels met kleinen, edelen kop, fijn manenhaar, hoog, meestal
gespleten kruis en korte, krachtige ledematen. Verwant hieraan zijn
de _Boulognezer Paarden._ De _Clydesdalers_ zijn zware Engelsche
landbouwpaarden. Nog grooter zijn de _Engelsche Karrepaarden_
(_Dray-horse_, 1.9 à 1.94 M. schouderhoogte), die men wel eens
"Olifantspaarden" noemt, en die, ondanks hun kolossalen omvang,
goed geproportioneerd zijn en zich gemakkelijk bewegen; naar men
zegt, stammen zij af van Paarden, die uit Holland werden ingevoerd
en welker nakomelingen door goede verzorging en doelmatige keuze
van fokdieren veredeld zijn; zij worden o.a. voor het trekken van
de bierwagens gebruikt. Het _Norische ras_ heeft zijn hoofdzetel
in de Oostenrijksche Alpen (Salzburg, Tirol, enz., tot aan het
westelijke deel van Hongarije); het sterkste en grootste van de vele,
hiertoe behooren de slagen is het _Pinzgauer Paard;_ het kleinste,
de door karige voeding en ruw klimaat ontaarde _Hafflinger Hit_
in de omstreken van Bozen. Voorts verdienen nog vermelding het
_Jutlandsche_ of _Deensche Paard_ en het Russische _Bitjug-Paard._
In de _Hongaarsche_ paardenslagen, die wegens hun volharding voor
gemakkelijke cavalerie-diensten uitnemend geschikt zijn, is een
Oostersch type zichtbaar: zij zijn nauwelijks middelmatig groot,
hebben een zwaren kop, een eenigszins verlengden romp, een recht
kruis en krachtige, droge ledematen.
In Hongarije, Zuid- en Oost-Rusland, Roemenië en andere landen met
geringe bevolkingsdichtheid en uitgestrekte weidegronden heeft het
paardenfokken meestal plaats in zoogenaamde "wilde" of "half-wilde"
stoeterijen: in gene worden de Paarden gedurende het geheele jaar
aan zichzelf overgelaten; de hier geboren Paarden zijn zeer duurzaam,
krachtig en sober, maar nimmer zoo schoon als die, welke onder toezicht
van den mensch geboren en grootgebracht worden, vooral omdat op de
kruising door den mensch weinig of geen invloed wordt geoefend. Dit
is nog wel eenigszins het geval in de "half-wilde" stoeterijen,
waar, evenals in de Zuid-Amerikaansche Llanos, in den bronsttijd aan
elken hengst een bepaald aantal merries worden toebedeeld, of waar,
zooals in vele Oost-Europeesche landen geschied, de Paarden wel van
de lente tot den herfst in vrijheid leven, maar 's winters in stallen
gehouden worden. Deze vormen een overgang tot de reeds genoemde "tamme
stoeterijen", waar stamboeken gehouden worden, die de afstamming,
den ouderdom en bijzondere kenteekenen van ieder ingeschreven Paard
vermelden; hier heeft de voedering plaats in stallen 's winters en
op de weiden (afzonderlijk voor de hengsten en merriën) gedurende
den zomer.
Paardenrassen van in 't oogloopende kleinheid, welker schouderhoogte
in volwassen toestand minder dan 1.4 M. bedraagt, worden _Ponies_
genoemd. Het kleinste Paard, de _Schotlandsche Pony_ of _Hit_,
die gevulde, langharige manen en een ruigen staart heeft, is
dikwijls slechts 90 cM., soms niet meer dan 85 cM., enkele malen
zelfs maar 82 cM. hoog en dus niet grooter dan enkele rassen van
Honden. Wanneer zij grooter zijn 1.20 M. noemt men ze _Dubbele
Hitten_ of _Ketten_. In Engeland bestaan, behalve het genoemde
Pony-ras, nog die van _Wales_, _Exmoor_ (in het Schotsche Hoogland)
en _New-Forest_. Ook in andere landen komen Pony's voor, o.a. in
Noorwegen en Zweden, op IJsland en Corsika. Iedere bezoeker van de
Amsterdamsche diergaarde kent de _Javaansche Paardjes_. Opmerkelijk is
trouwens bij alle Indische Paarden de geringe grootte. Een hoogte van
1.3 M. is reeds buitengewoon, in den regel wisselt deze af tusschen
95 en 125 cM. Het beste Indische Paard is het _Macassaarsche_, dat
gewoonlijk als cavalerie-paard voor het O.I. leger dient. Ook de
_Hitten_ uit de bergstreken van _Timor_ worden zeer geroemd.
De Oostersche paardenrassen vertoonen over 't algemeen veel minder
verscheidenheid van vorm dan de Westersche; het is gemakkelijker van
gene een algemeen beeld te ontwerpen dan van deze. "Een Berberpaard,"
zegt Wilckens, "verschilt slechts weinig van een Arabisch-Perzisch
Paard, en zelfs het gewone Tartaarsche Paard vertoont in vorm
veel overeenkomst met den Arabischen Volbloed. Daarentegen merkt
men bij onderlinge vergelijking van de Westersche paardenrassen
een buitengewone verscheidenheid van vorm op, die het voor den
oppervlakkigen beoordeelaar onbegrijpelijk maakt, dat deze zoo
uiteenwijkende dieren tot een en dezelfde soort gerekend worden;
inderdaad, wanneer men b.v. het kolossale Engelsche Karrepaard,
of zelfs het Suffolk-paard naast een Shetlandsche Pony, of
een voor den renbaan gefokt Engelsch Volbloed-paard naast een
Vlaamsch of een Pinzgauer Paard plaatst, welk een in 't oog loopend
verschil! Ongetwijfeld is zoowel de groote overeenstemming van den
vorm der Oostersche Paarden als de groote verscheidenheid van vormen
der Westersche een gevolg van den invloed van het klimaat en van de
levenswijze op de ontwikkeling dezer dieren. Omdat eenerzijds het
klimaat in de steppen van Afrika en Azië (en zelfs in Zuid-Rusland,
Hongarije en Galicië) gelijkmatiger is, dan anderzijds dat in Engeland
en Zuid-Frankrijk, in Denemarken en de Alpen, omdat het Oostersche
Paard op gelijkaardiger wijze gevoed en gebruikt wordt dan het
Westersche, zijn de leden van het eerste hoofdras meer aan elkander
gelijk en is dit ras armer aan variëteiten. De zeer verschillende
wijze van voeding van het Westersche Paard en zijn geschiktheid
tot zeer uiteenloopende werkzaamheden zijn een uitvloeisel van den
hoogeren trap van beschaving en van den vooruitgang op industrieel
gebied van de Westersche volken."
Het tamme Paard is tegenwoordig bijna over den geheelen aardbol
verspreid. Het ontbreekt alleen in de koudste landstreken en op
verscheidene eilanden, waar de mensch dezen helper nog niet noodig
heeft.