verwijden en te vernauwen. Zoodra, bij het neerzetten van den voet, het
gewicht van het lichaam op het hoefbeen en straalbeen, en bijgevolg op
den straal, de steunsels en de hoornzool drukt, wordt de zool vlakker;
tevens komt de straal met den bodem in aanraking en verbreedt zich;
beide oefenen dus een zijdelingsche drukking uit op den hoornwand,
welks achterste gedeelte zich het eerst aan den kroonrand en daarna
ook aan den draagrand zal verwijden. Bij het ophouden van de drukking
wordt de hoef, door de veerkracht zijner bestanddeelen, weder in den
vorigen toestand teruggebracht. De verwijding en de daarop volgende
inkrimping bedragen ongeveer 3 mM. Hierdoor zal er geen pijnlijke
drukking op en geen beschadiging van de zachte hoefhuid plaats hebben,
schokken worden voorkomen en de bloedsomloop blijft ongestoord. Een
sierlijke en vlugge beweging wordt er door bevorderd. Voor het behoud
van deze belangrijke eigenschappen van den hoef is het noodig, hem goed
te verzorgen; steeds moet de draagrand een loodrechten stand hebben. De
snelle afslijting van dezen rand op een harden of geplaveiden weg,
wordt door het aanbrengen van een hoefijzer (door het beslaan)
vermeden. De hoefijzers mogen de inkrimping en uitzetting van den
hoef niet verhinderen; zij worden vastgehecht met 5 à 9 nagels, die in
de witte lijn worden ingeslagen. Vooral de voorhoeven hebben, wegens
hun van nature vlakkere zool, beschutting door een hoefijzer noodig.
Het kootbeen is verbonden met een lang middelvoetsbeen, dat _kanonbeen_
(_pijpbeen_) wordt genoemd; hierachter komen twee weinig ontwikkelde
(rudimentaire) middelvoetsbeenderen voor, die, wegens hun vorm,
_griffelbeenderen_ heeten: zij bereiken het kootgewricht niet, maar
eindigen op eenigen afstand daarboven stomp in het vleesch. In
't diluviale tijdvak bestonden onze hedendaagsche Eénhoevigen
reeds. De dieren, die hen in het voorafgaande tertiaire tijdvak
vervingen, hadden in plaats van de griffelbeenderen, twee goed
ontwikkelde middelvoetsbeenderen, die ieder een achterteen droegen;
deze uitgestorven, drieteenige vormen, worden als de voorouders
van de hedendaagsche Paarden beschouwd.--Gewoonlijk wordt het deel
van den poot, waarin het pijpbeen en de griffelbeenderen voorkomen,
de pijp genoemd; het polsgewricht heet in de wandeling "voorknie",
of eenvoudig "knie". Wat de teen en de pijp betreft, komen de voor-
en achterpooten in hoofdzaken met elkander overeen.
Elke kaakhelft bevat 3 _snijtanden_, die als het ware van boven
ingestulpt zijn, waardoor in elk dezer tanden een holte ontstaan
is. Op deze wijze zijn de drie bouwstoffen van den tand, _cement_,
_email_ en _tandbeen_, in dubbele lagen aanwezig. Van boven gezien
ontdekt men licht de twee kringvormige lagen van email, die, harder
zijnde, minder afslijten. De binnenste omsluit een centrale holte,
het _merk_, die, behalve dat zij inwendig met cement is bekleed,
met een kalkachtige massa en met gekauwde spijsdeelen is opgevuld,
en daardoor een geheel andere kleur vertoont dan het glasachtige
email. Tusschen de beide email-kringen treft men het weekere tandbeen
aan. De genoemde holte of instulping is in de snijtanden der bovenkaak
van het Gewone Paard 1.3 à 1.7 cM. diep, in die der onderkaak slechts
0.66 cM., en wordt naar beneden toe steeds nauwer. Aangezien nu de
tanden door het gebruik voortdurend afslijten, spreekt het van zelf,
dat het merk steeds kleiner worden en eindelijk geheel verdwijnen
moet; dit geschiedt echter eerder aan de tanden der onderkaak dan aan
die der bovenkaak, wijl bij deze de holte dieper is.--De _hoektanden_
ontbreken dikwijls, vooral bij de wijfjes; bij de mannetjes vertoonen
zij zich in den regel als kleine, haakvormige, stompe kegels,
die door de paardenkenners gewoonlijk "haaktanden" worden genoemd,
omdat zij den naam "hoektanden" geven aan de buitenste snijtanden,
terwijl de voorafgaande paren snijtanden bij hen "middeltanden" en
"grasbijters" heeten.--De zes vierzijdige _kiezen_ van iedere kaakhelft
hebben sterk gekronkelde email-plooien op de kroonvlakte.--Van de
spijsverteringsorganen verdienen voorts nog vermelding: de nauwe
slokdarm, die op de plaats, waar hij in de maag eindigt, met een klep
voorzien is, de enkelvoudige (onverdeelde), langwerpig ronde, tamelijk
kleine maag, de sterk ontwikkelde blinde darm; de galblaas ontbreekt.
Als het oorspronkelijk verbreidingsgebied van de Paarden--welker
overblijfselen men voor 't eerst in de lagen van het tertiaire
tijdvak ontmoet--wordt het grootste gedeelte van het noordelijk
halfrond beschouwd. In Europa zijn de wilde Paarden, naar 't schijnt,
eerst voor betrekkelijk korten tijd uitgestorven; in Azië en Afrika
zwerven ook thans nog kudden van deze dieren door de gebergten en hoog
gelegen steppen. In Amerika, waar zij uitgestorven waren, zijn zij
opnieuw verwilderd; ook in Australië komen reeds verwilderde Paarden
voor. Zij voeden zich met gras, kruiden en andere plantaardige stoffen;
de tamme Paarden hebben zelfs dierlijk voedsel--b.v. vleesch, visch,
Sprinkhanen--leeren gebruiken.
Alle Paarden zijn levendige, wakkere, beweeglijke, schrandere dieren;
hunne bewegingen zijn bevallig en statig. De gewone wijze van gaan
der in vrijheid levende soorten, is een tamelijk scherpe draf, hun
versnelde beweging een betrekkelijk gemakkelijke galop. Vreedzaam en
goedaardig tegenover andere dieren, voor zoover deze hun geen kwaad
doen, ontwijken zij angstvallig den mensch en de groote Roofdieren,
maar verdedigen zich in geval van nood door slaan en bijten moedig
tegen deze vijanden.
De dieren van het Paardengeslacht worden verdeeld in twee
ondergeslachten: de _Paarden_ (_Equus_) en de _Ezels_ (_Asinus_). Bij
gene bereikt het oor ongeveer 1/4 gedeelte van de lengte van den
kop en is de staart van den wortel af lang behaard; bij deze is het
oor langer, (soms zelfs bijna half zoo lang als de kop) en draagt de
staart alleen aan de spits lange haren. Bij alle Paarden (in engeren
zin) komen aan beide paren ledematen eeltplekken (_zwilwratten_) voor;
aan de voorpooten: één aan het bovenste derde gedeelte van de voorarm
en wel aan haar binnenzijde, een andere aan het onderste uiteinde
van de pijp; aan de achterpooten: één even onder het spronggewricht
aan de binnenzijde, een tweede aan het benedenste gedeelte van de
pijp. Bij de Ezels ontbreken de zwilwratten aan de achterpooten,
terwijl zij aan de voorpooten aanwezig zijn.
De vermenigvuldiging van deze dieren geschiedt langzaam. Het wijfje
werpt na langen draagtijd (48 weken bij de merrie, 52 bij de ezelin)
één enkel jong. Hier te lande is de Ezel bronstig in April en Mei,
het Paard tusschen het einde van Maart en het begin van Juni.
Minstens twee, waarschijnlijker echter drie soorten van deze familie,
zijn door den mensch onderworpen. Geen geschiedverhaal, geen sage maakt
melding van den tijd, waarin zij voor 't eerst huisdieren werden; zelfs
het werelddeel, waarin de eerste Paarden getemd zijn, kan niemand met
zekerheid aanwijzen. Naar men meent, heeft men vooral aan de volken
van Middel-Azië het bezit van het Paard als huisdier te danken; ook
de halfwilde, voormalige bewoners van Europa hebben wilde Paarden
getemd. Betrouwbare gegevens over den tijd, waarin de hulpmiddelen
van den mensch zulk een belangrijke uitbreiding ondergingen, en over
de volken, die haar voor 't eerst in praktijk brachten, ontbreken
ons echter ten eenenmale.
Nog tegenwoordig zwerven in de steppen van Zuidoost-Europa kudden van
Paarden rond, die door enkelen beschouwd worden als de wilde stamouders
van ons huisdier, door anderen als afstammelingen van tamme Paarden,
die tot den wilden staat terugkeerden. Deze dieren, _Tarpans_ genaamd,
hebben alle eigenschappen van echte wilde dieren en worden door
de Tartaren en Kozakken als zoodanig aangemerkt. De Tarpan is een
klein Paard met dunne, maar krachtige, langhielige pooten, tamelijk
langen, dunnen hals en betrekkelijk dikken kop; deze is "ramsneuzig"
(de rug van den neus is bol), heeft spitse, vooroverhellende ooren en
kleine, vurige, boosaardige oogen. Het haar is in den zomer dicht,
kort, golvend, vooral aan het achterdeel, waar het bijna gekroesd
kan heeten; in den winter daarentegen is het dicht, zwaar en lang,
vooral aan de kin, waar het bijna een baard vormt; de manen zijn
kort, dicht, ruig en gekroesd; de staart is middelmatig lang. De
hoofdkleur van het zomerkleed is gelijkmatig vaalbruin, geelachtig
bruin of isabella-geel; in den winter worden de haren lichter, soms
zelfs wit; de manen en de staart hebben een gelijkmatige, donkere
kleur. Gevlekte exemplaren komen nooit voor, zwarte zelden.
Men ontmoet de Tarpans in kudden, die uit verscheidene honderden
individuën kunnen bestaan. Gewoonlijk bestaat iedere troep weder uit
een aantal kleinere gezelschappen of familiën, die elk een hengst
tot aanvoerder hebben. Deze kudden bewonen uitgestrekte, open en
hoog gelegen steppen en trekken van de eene plaats naar de andere,
in den regel in den wind op. Zij zijn buitengewoon waakzaam en schuw,
kijken rond met ver omhoog geheven kop, bespieden den omtrek, spitsen
de ooren, openen de neusgaten en ontdekken in den regel nog ter
rechter tijd het hun dreigend gevaar. De hengst is alleenheerscher
in zijn kring; hij zorgt voor de veiligheid van hen, die aan zijn
bescherming zijn toevertrouwd, maar duldt van hen geen afwijkingen van
den bekenden regel. Zoodra zijn aandacht getrokken wordt door een of
ander verschijnsel, begint hij te snuiven en de ooren snel te bewegen,
draaft met omhoog gehouden kop het verdachte voorwerp een eind weegs te
gemoet en laat een schel gehinnik hooren, zoodra hij gevaar bemerkt;
op dit teeken maakt de geheele kudde zich in gestrekten galop uit de
voeten. Dikwijls verdwijnen de dieren als door een tooverslag: zij
hebben zich verborgen in de een of andere diepe inzinking van den bodem
en wachten hier af, wat de toekomst brengen zal. Voor Roofdieren zijn
de weerbare en strijdlustige hengsten niet bevreesd. Op Wolven gaan
zij hinnikend af en slaan hen met de voorpooten neder. Het sprookje,
dat zij gezamenlijk een kring vormen met de koppen naar 't middenpunt
gekeerd en aanhoudend met de achterpooten achteruitslaan, is reeds
sinds lang weerlegd.
De Tarpan kan moeielijk getemd worden: het schijnt, dat hij de
gevangenschap niet kan verdragen. Zijn buitengewoon levendige natuur,
zijne spierkracht en wildheid maken zelfs de bekwaamheden van de in
't paardendresseeren ervaren Mongolen te schande. Wegens de niet
geringe schade, die de Tarpan aan de "wilde" stoeterijen toebrengt
door het wegvoeren van de Paarden, maakt men met hartstochtelijken
ijver jacht op dit dier.
De bovenstaande mededeelingen brengen het vraagstuk van de afstamming
van het Paard geen stap nader bij zijn oplossing. Uit de gewoonten van
den Tarpan kan men geen bewijzen putten vóór of tegen de stelling,
dat dit dier van getemde Paarden afstamt. Dat deze gemakkelijk en
spoedig verwilderen, blijkt op overtuigende wijze uit de geschiedenis
van de kudden, die steppen van Zuid-Amerika bevolken en die wij nu
zullen behandelen.
"De in 1535 gestichte stad Buenos Ayres werd later verlaten,"
verhaalt Azara. "De vertrekkende inwoners deden in 't geheel geen
moeite om al hunne Paarden bijeen te brengen. Er bleven 5 à 7 van
deze dieren achter, die aan zichzelf overgelaten waren. Toen in het
jaar 1580 deze stad weder in bezit genomen werd, vond men er reeds
een menigte verwilderde Paarden, afstammelingen van de tamme, die
er achtergelaten waren. Reeds in het jaar 1596 was het aan iedereen
geoorloofd deze Paarden te vangen en te gebruiken. Dit is de oorsprong
van de tallooze kudden Paarden, die ten zuiden van den Rio de la
Plata rondzwerven." De _Cimarrones_, zoo noemt men deze Paarden,
bewonen thans alle deelen van de Pampas en vormen er talrijke kudden,
die soms wel uit duizenden individuën bestaan.
Zij zijn lastig en richten schade aan, niet alleen omdat zij goede
weiden kaal vreten, maar ook omdat zij de tamme Paarden met zich
medelokken. Gelukkig verschijnen zij des nachts niet. De wilden
in de Pampas eten het vleesch van de Cimarrones, vooral dat van de
veulens en merries. Ook vangen zij er verscheidene om ze te temmen;
de Spanjaarden daarentegen maken er bijna geen gebruik van. Hoogst
zelden vangen zij een van deze Paarden met het doel om het te temmen.--
In Paraguay komen geen verwilderde Paarden voor, maar de toestand
waarin de Paarden van dit land verkeeren, verschilt niet belangrijk
van dien der wilde. Zij worden _Mustangs_ genoemd en zoo verwaarloosd,
dat zij merkbaar verbasteren. Zij zijn middelmatig hoog, hebben een
grooten kop, lange ooren en dikke gewrichten; alleen de hals en de
romp zijn tamelijk regelmatig gebouwd. In den zomer zijn zij kort, in
den winter lang behaard; de manen en de staart zijn altijd dun en kort.
De Zuid-Amerikaansche Paarden brengen het geheele jaar onder den
blooten hemel door. Eénmaal in de acht dagen worden zij bijeengedreven
om te verhoeden, dat zij verstrooid geraken; men onderzoekt en zuivert
hunne wonden, bestrijkt deze met koedrek en snijdt van tijd tot tijd,
om de drie jaren ongeveer, den hengsten de manen en de staartharen
af. Aan de veredeling van deze dieren wordt niet gedacht.
"Gewoonlijk," zegt Rengger, "leven de Paarden bij troepen in een
bepaald gebied, waaraan zij sinds hun jeugd gewoon zijn. Bij iederen
hengst voegt men 12 à 18 merries, die door hem bijeengehouden en
tegen vreemde hengsten verdedigd worden. De veulens blijven tot in
het derde of vierde jaar bij hunne moeders. Deze geven blijken van
groote liefde voor haar kroost, zoolang zij het nog zoogen; soms
verdedigen zij het zelfs tegen den Jagoear. Wanneer de Paarden een
weinig ouder zijn dan 2 of 3 jaar, worden aan de hiervoor uitgekozen
jonge hengsten de jonge merries toebedeeld; men gewent iederen hengst
er aan met zijn gezelschap een bepaald gebied te beweiden. De Paarden,
die tot één troep behooren, mengen zich nooit onder die van andere
troepen en toonen zooveel gehechtheid aan elkander, dat het moeite
kost een grazend Paard van zijne metgezellen te scheiden. Wanneer
de verschillende gezelschappen dooreengemengd worden, zooals bij
het samendrijven van alle Paarden van een hoeve geschiedt, zoeken
de bijeenbehoorende elkander dadelijk weer op. Niet alleen aan
hunne metgezellen, maar ook aan hunne weiden zijn deze dieren zeer
gehecht. Ik heb er gezien, die van een afstand van 80 uren gaans
teruggekeerd waren naar de vroeger door hen bewoonde plaatsen. Des
te zonderlinger is daarom het feit, dat soms de Paarden van een
geheel district zich op weg maken, en één voor één of bij troepen
wegloopen. Dit gebeurt hoofdzakelijk, wanneer na droog weder plotseling
hevige regenbuien vallen, waarschijnlijk ten gevolge van de vrees,
die deze dieren hebben voor den hagel, die niet zelden met het eerste
onweder gepaard gaat.
"De zintuigen van deze nagenoeg in 't wild levende dieren zijn,
naar het schijnt, scherper dan die van de Europeesche Paarden. Het
gehoor is buitengewoon fijn; des nachts kan men aan de beweging van
hunne ooren zien, dat zij het geringste, voor den ruiter volkomen
onhoorbare gedruisch hebben opgemerkt. Hun gezichtsvermogen is, evenals
bij alle Paarden, tamelijk zwak, hoewel zij gedurende het leven in de
vrije natuur door oefening een groote vaardigheid verkrijgen in het
onderscheiden van voorwerpen op aanzienlijken afstand. Door middel
van hun reukzin leeren zij de omgeving kennen. Zij besnuffelen alles,
wat hun vreemd voorkomt. Door dezen zin leeren zij hun berijder,
het tuig, den stal waar zij gezadeld worden, enz. onderscheiden, door
hem weten zij in moerassige streken de plaatsen te vinden, waar zij
zouden verzinken; in den donkeren nacht of bij dichten nevel wijst hij
hun den weg naar hunne woonplaatsen of naar hun weide. Goede Paarden
besnuffelen hun berijder op 't oogenblik, dat hij in den zadel stijgt;
ik heb er wel gezien, die hem in 't geheel niet op den rug toelieten
of zich niet door hem lieten sturen, als hij niet een 'poncho'
medenam, een mantel, zooals altijd gedragen wordt door de landlieden,
die Paarden temmen en voor 't rijden africhten. Op grooten afstand
ruiken zij trouwens niet. Zelden heb ik een Paard gezien, dat op 50
schreden afstands de lucht kreeg van een Jagoear. Daarom vormen zij in
de bewoonde gewesten van Paraguay den gewonen buit van dit Roofdier."
Het leven van de verwilderde Paarden in de verder noordwaarts
gelegen Llanos heeft Alexander von Humboldt ons in korte woorden
op meesterlijke wijze geschilderd: "Wanneer in den zomer onder de
loodrecht invallende stralen van de nooit door wolken omsluierde zon
het grastapijt van deze onmetelijke vlakten geheel en al verdroogd
en in poeder veranderd is, ontstaan er langzamerhand diepe kloven in
den bodem, alsof hij door geweldige aardschokken was opengespleten. In
dichte stofwolken gehuld, door honger en een brandenden dorst gekweld,
zwerven de Paarden en Runderen rond, gene met languitgerekten hals en
met den hoogopgeheven neus den hen te gemoet ijlenden wind opsnuivend
om uit de vochtigheid van den luchtstroom de nabijheid van een nog
niet geheel verdampten plas af te leiden. Op een andere wijze, met meer
overleg en sluwheid, trachten de Muildieren hun dorst te lesschen. Een
bolvormige plant met vele overlangsche groeven aan haar oppervlakte,
de meloen-cactus, verbergt onder een stekelig hulsel een veel water
bevattend merg. Met de voorpooten slaat het Muildier de stekels weg
om het koele distelsap te drinken. Het putten uit dezen levenden
plantaardigen bron geschiedt echter niet altijd zonder gevaar:
dikwijls ziet men dieren, die door de cactus-stekels aan de hoeven
verlamd zijn. Ook dan wanneer eindelijk op de brandende hitte van den
dag de koelte van den even langen nacht volgt, kunnen de Paarden en
Runderen geen ongestoorde rust genieten. De Bladneuzige Vleermuizen
vervolgen hen gedurende den slaap en hangen zich aan hun rug om hun
bloed te zuigen.
"Eindelijk, als na langdurige droogte de verkwikkelijke regentijd
aanbreekt, komt er verandering van tooneel. Nauwelijks is de
oppervlakte van den bodem bevochtigd, of het heerlijkste groen bedekt
de steppe. De Paarden en Runderen zwelgen in vroolijk levensgenot. In
het hoog opschietende gras verschuilt zich de Jagoear en overmeestert
met vasten sprong menig Paard, menig veulen. Weldra zwellen de
stroomen en dezelfde dieren, die gedurende een deel van 't jaar van
dorst versmachten, moeten als Amphibiën leven. De merriën zoeken
met hare veulens een schuilplaats op de hooggelegen banken, die,
in de lengte gerekt, zich als eilanden boven den waterspiegel van
het meer verheffen. Met iederen dag wordt het droog gebleven terrein
kleiner. Uit gebrek aan weideplaatsen zwemmen de dicht opeengedrongen
dieren uren lang rond en vinden een karig voedsel in de bloeiende
graspluimen, die zich boven het gistende, bruin gekleurde water
verheffen. Vele veulens verdrinken, vele worden door de Krokodillen
gegrepen, met den staart doodgeslagen en verslonden. Niet zelden
ziet men Paarden, die groote litteekens, kenteekenen van den aanval
der Krokodillen, aan de pooten hebben. Ook onder de Visschen hebben
zij een gevaarlijken vijand. Het water van het moeras is bevolkt met
talrijke Electrische Alen. Deze merkwaardige Visschen zijn in staat
om met hunne geweldige electrische schokken, de grootste dieren te
dooden, wanneer zij hunne batterijen tegelijkertijd in een gunstige
richting ontladen. De weg; door de steppe aan de Uri Tucu moest
opgegeven worden, omdat de Sidderalen zich in zulk een menigte in
een riviertje hadden opgehoopt, dat ieder jaar vele Paarden door hen
verdoofd werden en bij het doorwaden van het stroompje verdronken."
Een nog veel gevaarlijker vijand hebben de kudden in zich zelf. Soms
worden zij door een panischen schrik bevangen. Bij honderden
en duizenden ijlen zij als razenden voort, laten zich door geen
hindernissen tegenhouden, rennen tegen rotsen aan of vallen zich te
pletter in afgronden. Plotseling verschijnen zij in het kamp van de
in 't open veld overnachtende reizigers, vervolgen hun weg tusschen
de wachtvuren door, over de tenten en wagens heen, vervullen de
lastdieren met een doodelijken schrik, rukken ze los en nemen hen
op in den levenden stroom--voor altoos. Verder noordwaarts komen
de Indianen het aantal vijanden vermeerderen, die het leven van de
wilde Paarden verbitteren. Zij vangen ze op, om ze gedurende hunne
jachttochten te berijden, en mishandelen ze zoo erg, dat zelfs het
krachtigste Paard na korten tijd bezwijken moet. Evenals bij de
Bedoeïnen van de Sahara geeft ook bij de Indianen het Paard dikwijls
aanleiding tot bloedige gevechten. Hij, die geen Paarden heeft, tracht
ze te stelen. Paardendiefstal wordt bij de Roodhuiden als een eervol
bedrijf aangemerkt. Benden van dieven volgen de trekkende stammen
of karavanen weken lang, totdat zij de gelegenheid vinden om alle
rijdieren mede te nemen. Ook om hunne huiden en hun vleesch worden
de Paarden in Amerika ijverig vervolgd.
Een beschrijving of zelfs een eenvoudige opsomming van de bijna
tallooze rassen of stammen van het _Paard_ (_Equus caballus_),
die onder den invloed van den Mensch ontstaan zijn, behoort niet
in het kader van dit werk. Bovendien bestaan er voortreffelijke,
uitvoerige werken speciaal over dit onderwerp. Het is voor ons
doel voldoende de belangrijkste rassen te behandelen. Gewoonlijk
worden zij in twee groepen gerangschikt: de _Oostersche_ en de
_Westersche rassen_. De Oostersche rassen behooren oorspronkelijk
thuis in Azië en Afrika, vooral in de landen van de gematigde zone
dezer werelddeelen, zooals blijkt uit de namen die aan de vier
hoofdafdeelingen van deze groep gegeven zijn: het _Barbarijsche_
of _Berber-ras_, het _ras der Nijllanden_, het _Arabisch-Perzische
ras_ en het _Mongoolsch-Tartaarsche ras_. Tot het laatstgenoemde
worden, behalve de Paarden van een groot deel van Midden-Azië, ook de
"slagen" gerekend, die in het oosten van Europa tot aan de grenzen van
Duitsch-Oostenrijk en Pruisen het meest algemeen verbreid zijn. Tot
het Berber-ras behooren o.a. sommige slagen van Zuid-Spanje (o.a. het
vermaarde Andalusische), waarvan weer een groot deel van de Paarden
der Nieuwe Wereld, o.a. die van Mexico, afstammen.
De eere-plaats onder alle paarden-stammen verdient ook thans
nog het _Arabische Volbloed-Paard_. (Een Paard heet "volbloed",
wanneer al zijne voorouders zonder eenige uitzondering, naar uit
authentieke bescheiden moet blijken, gedurende een lange reeks
van geslachten de kenmerkende eigenschappen van een en hetzelfde
ras in zich vereenigden, en dus van zuiver ras waren. Om het ras
zuiver te houden moet ieder Paard steeds met zijne gelijken paren
en moet ieder exemplaar, dat storende afwijkingen vertoont, als
fok-dier niet in aanmerking komen. "Half-bloed"-Paarden ontstaan
door kruising van Volbloed-Paarden, die in dit geval gewoonlijk
"ras"-Paarden worden genoemd, met andere Paardenslagen; terwijl
"Koudbloed"-rassen in 't geheel geen Volbloed-Paarden onder hunne
voorouders tellen.) "Het Volbloed-Paard", schrijft _Graaf_ Wrangel,
"heeft geen edeler vertegenwoordiger dan het Arabische Paard van zuiver
ras, dat, daar het op de grens tusschen de natuurlijke en de door
de kultuur verkregen rassen staat, zoowel door den natuuronderzoeker
als door den paardenkenner en--den dichter als het edelste dier van
de schepping geprezen wordt."