De vermoeienissen bij deze wijze van jagen zijn zoo groot, dat

slechts de meest geharde mannen ze kunnen verduren; het gevaar voor

den jager is echter niet zoo groot, als het wel schijnen kan. Het

valt niet te ontkennen, dat de vertoornde Olifanten soms op hunne

vervolgers aanvallen; enkele van deze hebben ook inderdaad onder de

voeten van de reuzen van het woud hun laatsten adem uitgeblazen.--De

werkelijk vertoornde Olifant maakt ook nog op andere wijze dan door

zijn kolossale zwaarte, waaronder de bodem dreunt, een onvergetelijken

indruk op den toeschouwer. Met ineengerolde slurf, de ooren een weinig

opgeheven, den staart in een kring zwaaiend, schiet hij woest snuivend

op zijn vijand toe; het voorste deel van zijn lichaam schijnt aan te

groeien, het ziet er althans veel breeder en hooger uit, dan ooit te

voren; aan het achterste deel van den romp worden de lange huidplooien

door hun heen en weer slingerende beweging veel duidelijker zichtbaar;

de reusachtige massa nadert snel en aanhoudend; het toornig snuiven

wordt afgewisseld door een woedend gekrijsch, waarvan iemand, die aan

zulke geluiden niet gewoon is, zich geen denkbeeld kan vormen. Wanneer

in deze omstandigheden de van drift ziedende reus zijn tegenstander

bereikt, is deze verloren, en is hij, meestal zonder eenige kans op

redding, blootgesteld aan de billijke wraakoefening van den getergden

planteneter.

Het tijdstip, waarop de Indische Olifanten uitgeroeid zullen zijn, is

vooreerst nog niet aangebroken. De betoogen van weldenkende ambtenaars

hebben teweeggebracht, dat de inboorlingen van hunne zoovele dieren

verminkende vangwijzen thans een minder ruim gebruik maken dan

vroeger; hierdoor verheugt de in 't wild levende Olifant zich thans

in een volledige vrijheid van beweging, zoowel in de West-Ghats als

in de eindelooze dsjungels en wouden, die zich langs den voet van

den Himalaja tot aan Birma en Siam uitstrekken. Het aantal dieren,

dat ieder jaar op last en ten behoeve van de regeering gevangen

wordt, is betrekkelijk zeer gering; er valt niet aan te twijfelen,

dat de wildernissen, die men den Olifant en andere wilde dieren als

woonplaats kan overlaten, tegenwoordig zoo talrijk met wild bevolkt

zijn, als men maar wenschen kan.

In Afrika oefenen de inboorlingen nu nog op dezelfde wreede en

onmeedoogende wijze als voor onheugelijke tijden de jacht op den

Olifant uit. In het westen van Afrika, in het Ogowe-gebied, vlechten

de Negers de slingerplanten tot een soort van netwerk ineen, drijven

dan de Olifanten naar de op deze wijze omheinde plaatsen van het woud

en slingeren, als de dieren besluiteloos voor de dooreengewarde ranken

blijven staan, honderden van lansen in het lichaam van de sterkste en

grootste exemplaren, totdat deze ter aarde storten. Gebruikelijker is

het echter bij dergelijke jachten in het woud, zulk een omheining in

den vorm van een grooten halven cirkel aan te leggen en de Olifanten,

die er toevallig in geraakt of er in gedreven zijn, zoo schielijk

mogelijk met een haag te omgeven. Rondom deze worden dan wachten

geplaatst en vuren aangestoken, om de dieren, die de omheining

naderen, terug te schrikken. Hoewel het zelfs den kleinsten en zwaksten

Olifant mogelijk zou zijn, om zonder groote inspanning door de weinig

weerstand biedende omtuining heen te breken en aan de slecht gewapende

inboorlingen te ontkomen, wagen de gevangen dieren het evenwel niet,

de vlucht te nemen. Zij worden door de hen omringende jagers letterlijk

uitgehongerd, aangeschoten, gespietst en in een toestand van doodelijke

uitputting eindelijk om 't leven gebracht.

Veel aantrekkelijker en menschelijker dan alle jachtmethoden, is de

wijze waarop men de Olifanten levend vangt, om deze vagebonden te

temmen, tot nuttige dienaren van den mensch op te leiden. De Indiërs

zijn meesters in deze kunst. Onder hen bestaat een echt gilde van

Olifanten-vangers, die Panikis heeten; zij volgen het spoor van den

Olifant, zooals een goede Hond het spoor van een Hert herkent; sporen,

die door Europeesche oogen niet opgemerkt worden, zijn voor hen als 't

ware de met duidelijke aanwijzingen beschreven bladen met een voor hen

verstaanbaar boek. Hun eenig wapen bestaat in een stevigen en rekbaren

strik van herte- of buffelleer, dien zij, als zij onvergezeld op de

vangst uitgaan, den door hen begeerden Olifant om den poot werpen. Met

onhoorbare schreden volgen zij hem op den weg en wachten een gunstig

oogenblik af, om hem te kluisteren; soms zelfs zien zij kans om hem,

wanneer hij stil staat, den strik aan beide pooten te bevestigen. Hoe

zij het aanleggen om ongemerkt het vreeschachtige dier te naderen,

is en blijft een raadsel. Een Europeaan is, omdat hij den goeden

uitslag van de onderneming zou verijdelen, niet in staat deze lieden

op hunne jachttochten te volgen en moet zich tevreden stellen met

wat hij er van hoort vertellen.

Veel grootscher en winstgevender is een wijze van vangen, die

geheele kudden aan de heerschappij van den mensch onderwerpt. Om

deze in practijk te brengen, wacht men gewoonlijk het begin van het

droge jaargetijde af, en trekt dan met eenige honderden geoefende

inboorlingen en zooveel mogelijk tamme Olifanten naar een gewest,

waar een talrijke kudde wilde Slurfdieren verblijf houdt. Deze kudde

wordt in de eerste plaats door een 5 à 10 KM. langen keten van posten

omgeven, die ieder met twee manschappen bezet en, al naar den aard van

het terrein, op afstanden van 60 à 100 schreden van elkander verwijderd

zijn. In den regel kan een op deze wijze omsingelde Olifantenkudde

niet anders dan door groote onachtzaamheid van de schildwachten

ontkomen. Binnen weinige uren hebben de manschappen in alle stilte

een zwakke omheining van gespleten bamboe-stokken enz. langs den

geheelen ring voltooid, en voor zich zelf van takken een soort van

hutten gebouwd; des nachts worden vuren aangestoken. Heeft men een

recht groot terrein omheind, dat rijk is aan voedsel en water, dan

veroorzaken de Olifanten gewoonlijk slechts gedurende de eerste nachten

eenige moeite; zij worden, telkens als zij de omheining naderen, door

fakkels, schoten en geschreeuw teruggedreven. Deze soort van insluiting

wordt gedurende 4 à 10 nachten volgehouden, d.i. zoolang, totdat een

reeds vroeger begonnen, uit stevig paalwerk bestaande omheining, den

"Khedda", op een gunstig gelegen plek binnen het afgeperkte terrein

voltooid is. De sterke, uit boomstammen en planken samengestelde,

ongeveer 4 M. hooge wand, omsluit een kringvormige ruimte van 20

à 50 M. middellijn en laat een ongeveer 4 M. breeden ingang vrij,

die door een zware valdeur gesloten kan worden, waarheen een gang

leidt, die door twee tot op een afstand van 100 M. voortgezette, uit

palen bestaande, uiteenwijkende vleugelwanden begrensd wordt. Zoodra

deze getimmerten gereed zijn, wordt de kring om de omsingelde kudde

vernauwd. De naastbij geplaatste wachtposten begeven zich naar de

uiteinden van de beide vleugelwanden, de meer verwijderd staande

dringen op de Olifanten aan, eerst langzaam en voorzichtig, daarna

sneller; wanneer eindelijk de dieren tot aan de wijde opening van den

Khedda genaderd zijn, wordt met groot geschreeuw en het afschieten

van de geweren een algemeene storm ondernomen, die de dieren langs

den weg tusschen de beide vleugelwanden en door de nauwe poort tot

binnen in den Khedda drijft. De valdeur, die aan een touw hangt,

dat nu doorgesneden wordt, valt krakend naar beneden,--de kudde

is gevangen. Niet altijd loopt deze arbeid goed van stapel; soms

bemerken de dieren gevaar, stormen op hunne belagers af, breken

door den kring heen, moeten op nieuw omsingeld worden, of zijn in

't geheel niet meer tegen te houden. In den regel echter gelukt het,

de eenmaal in een kring besloten kudde in de voor 't vangen bestemde

ruimte te drijven en haar hierin te doen blijven, in weerwil van de

onrustigheid der dieren en de pogingen, die zij af en toe aanwenden,

om een bres te maken in de omheining. Als de eerste ontroering voorbij

is, zendt men tamme Olifanten met hunne geleiders en de hun toegevoegde

binders in den Khedda; deze maken zich achtereenvolgens één voor één

van de dieren meester, en brengen ze gekluisterd buiten de vangruimte

in het omringende woud, waar zij aan boomen vastgelegd worden. Tennent

beschrijft de vangwijze, die op Ceylon in gebruik is, als volgt:

"Buiten de vangruimte was alles gereed gemaakt om de tamme Olifanten,

die helpen moeten bij het binden hunner wilde soortgenooten in

de kraal" (zoo heet hier de Khedda) "te voeren. De strikken werden

gereed gehouden; eindelijk trok men behoedzaam de boomstammen weg, die

den ingang gesloten hielden, en liet twee tamme Olifanten zachtjes

naar binnen gaan. Elk dier werd bereden door een kornak en zijn

knecht. Elke Olifant had een stevigen halsband om, van welke naar

weerszijden een riem van antilopenleder, met een strik voorzien,

naar beneden hing. Ter zelfder tijd trad de aanvoerder van de binders

naar binnen, en hield zich achter de tamme Olifanten verborgen; hij

was verlangend voor zich de eer te verwerven den eersten Olifant te

binden. Het was een vlug mannetje van ongeveer 70-jarigen leeftijd,

die voor diensten bij de olifantenvangst bewezen, reeds twee zilveren

kettingen als eereteekens verworven had. Zijn zoon, eveneens bekend

door zijn moed en behendigheid, vergezelde hem."

"Een van de twee tamme Olifanten, die de kraal binnengingen, had een

buitengewoon hoogen ouderdom bereikt. De andere, die _Siribeddi_ werd

genoemd, was omstreeks vijftig jaar oud en onderscheidde zich door

zijn zachtaardig en verstandig voorkomen. Zonder gedruisch te maken

waren de vangers binnengekomen; langzaam met een sluwen blik, doch

schijnbaar zonder zich om iets te bekommeren, drentelde _Siribeddi_

voort tot aan de plaats, waar de negen wilde Olifanten bijeenstonden,

nu en dan staan blijvend om in het voorbijgaan een bosje gras of

eenige bladen af te plukken. Toen hij dichter bij was gekomen, gingen

de wilde Olifanten hem te gemoet, hun aanvoerder streek hem zachtjes

met de slurf over den kop, keerde zich daarna om en begaf zich met

langzame schreden weder naar zijne bedrukte metgezellen. _Siribeddi_

volgde hem op dezelfde onverschillige wijze en ging dicht achter

hem staan, zoodat de oude man, onder hem doorkruipend, een strik om

den achterpoot van den wilden Olifant kon schuiven. Deze bemerkte

onmiddellijk het gevaar, waarin hij verkeerde, schudde den strik af,

keerde zich om en viel op den ouden man aan. Deze zou zwaar hebben

moeten boeten voor zijn vermetelheid, indien _Siribeddi_ hem niet

met de slurf beschermd en den aanvaller naar het midden der kudde

teruggedreven had. De oude man was licht gewond en verliet de kraal,

terwijl zijn zoon Raughanie hem verving. De kudde stond weer in een

kring met de koppen naar het middelpunt gekeerd. De beide tamme

Olifanten gingen onbeschroomd bij hen staan, en wel zoo, dat zij

het grootste mannelijk exemplaar tusschen zich hadden. Dit bood geen

weerstand, maar toonde zijn ongenoegen door voortdurend nu eens den

eenen dan weer den anderen poot op te heffen. Raughanie sloop nader

en hield met beide handen den strik open, waarvan het andere uiteinde

aan _Siribeddi_'s halsband vastgemaakt was; hij wachtte het oogenblik

af, waarop de wilde Olifant een van zijne achterpooten zou oplichten;

eindelijk gelukte het hem den strik om dezen poot te werpen; hij trok

hem aan en vluchtte toen achteruit. Oogenblikkelijk gingen de beide

tamme Olifanten eveneens achterwaarts. _Siribeddi_ trok het touw

aan en sleepte op deze wijze den gekluisterden reus uit den kring

weg; de andere tamme Olifant plaatste zich terzelfder tijd tusschen

_Siribeddi_ en de nog overige leden der kudde om hen te verhinderen

zich in den strijd te mengen.

"Nu moest de gevangene nog aan een boom vastgemaakt en hiervoor 30 à

40 M. verder achteruit getrokken worden, en dit, terwijl hij woedend

weerstand bood, voortdurend vreeselijk brulde, naar alle zijden

heen sprong en de kleine boomen, die hem in den weg stonden, als

riet vertrapte. _Siribeddi_ trok hem gestadig naar zich toe en sloeg

eindelijk den riem dien hij voortdurend zoo strak mogelijk gespannen

hield, om een hiervoor geschikten boom. Zich om den boom heen bewegend,

stapte hij voorzichtig over den riem om dezen nogmaals om den stam te

wikkelen, waarbij hij natuurlijk tusschen den boom en den Olifant door

moest gaan. Hij kon dezen natuurlijk niet zoo vastbinden, dat er geen

ruimte meer tusschen den stam en de gevangene overbleef. De tweede

tamme Olifant kwam hem te hulp, en duwde den gevangene terug door

zich schouder tegen schouder en kop tegen kop bij hem te plaatsen,

terwijl _Siribeddi_ na elke achterwaartsche schrede van het wilde

dier den slap geworden riem aantrok en zóó den afstand tusschen den

boomstam en den olifantspoot verkortte, totdat beide met elkander in

aanraking waren. De vanger maakte toen den riem vast en wierp een

tweeden kluister om den anderen achterpoot, die op dezelfde wijze

als de eerste en aan denzelfden boom bevestigd werd. Eindelijk werden

nog de beide achterpooten met zachter banden aan elkander gehecht om

de wonde en de zwelling, die de riemen zouden kunnen veroorzaken,

indien de beweging van het dier niet eenigszins beperkt werd,

minder gevaarlijk te maken. Nadat de beide tamme Olifanten zich

nogmaals, als in den aanvang, naast den wilde hadden geplaatst, kon

Raughanie, onder hun lichaam doorgaande, ook de beide voorpooten van

den gevangene kluisteren en aan een dichtbij, doch vóór hem staanden

boom bevestigen. Nu was zijn arbeid, wat dit dier betrof afgeloopen

en verlieten de tamme Olifanten die steeds hunne kornaks droegen,

het slachtoffer, om een ander lid van de kudde hetzelfde lot te doen

ondergaan. Merkwaardig is het, dat de wilde Olifanten nimmer een poging

doen, om de bestuurders van de tamme dieren aan te vallen en op den

grond te werpen." Zoodra de aanvankelijk min of meer weerspannige

gevangenen eenigermate gewoon zijn geraakt aan den mensch en aan

hunne tamme soortgenooten, worden zij overgebracht naar de plaats,

waar men ze africht voor het werk, dat men van hen verlangt, b.v. het

vervoeren van zware bouwmaterialen, balken of steenen.

In tegenstelling met de Indiërs, welker wijze van Olifanten-vangst

zooeven beschreven werd, gaan de Afrikaansche stammen op een

merkwaardig ruwe en lompe wijze te werk ter bereiking van hetzelfde

doel. De nomadische stammen van de steppen, die zich tusschen

den Nijl en de Roode Zee uitstrekken, houden zich meer of minder

geregeld met de vangst van Olifanten bezig; het middelpunt van den

handel in deze dieren was sedert 1857 Kassala. Marno die Casanova

op één van diens reizen naar Kassala begeleidde, bericht, dat de

bewoners van de steppen jacht maken op jonge, nog zuigende Olifanten,

en deze alleen kunnen vermeesteren, nadat zij hun moeder op de reeds

vroeger beschreven wijze vervolgd en gedood hebben. Terwijl de koenste

jagers met het oude dier bezig zijn, trachten andere zich meester

te maken van het jong; zij werpen het strikken om het lijf, trekken

het op den grond en kluisteren het aan alle vier pooten. Gekrabd en

gekwetst, keeren de jagers van hun woesten rit door wildernissen van

doornstruiken met den buit naar hun dorp terug, evenals de krom en

lam gereden Paarden; beide hebben zij na zulk een jacht een langen

rusttijd noodig. Volgens Marno biedt de opvoeding van de Olifanten,

zelfs van zeer jong gevangen exemplaren, groote moeilijkheden aan,

zoowel door hun weerspannigheid gedurende en na de vangst, als door

de bezwaren verbonden aan hun voeding en hun vervoer.

In de Europeesche dierentuinen kan de Afrikaansche Olifant even goed

in 't leven gehouden worden als de Aziatische, zelfs wanneer er weinig

gedaan wordt tot bevrediging van zijne natuurlijke behoeften: dikwijls

mist hij een groote ruimte voor vrije beweging of een badvijver van

voldoende diepte en wijdte. Om de nadeelige gevolgen van te weinig

lichaamsoefening te ontgaan, is hij wel genoodzaakt heen en weer

te loopen of voortdurend de eene poot na de andere op te tillen en

neder te zetten; terwijl hij zich voor het gemis van het zoo noodige

bad schadeloos stelt, door zich van tijd tot tijd met de slurf,

nat te spuiten. Zijne uitmuntende zintuigen, zijn leerzaamheid,

zijn zachtaardig voorkomen vallen iederen toeschouwer dadelijk 't

oog. Hij leert gemakkelijk en al spelend; hij "werkt" gewillig en

gaarne en vormt om die reden een van de merkwaardigste nummers op het

programma van ieder wildedierenspel, terwijl hij evenzeer de lieveling

is van de bezoekers der diergaarden.--De hoeveelheid voedsel, die hij

noodig heeft, is zeer aanzienlijk: volgens Haacke krijgt de Aziatische

Olifant van de diergaarde te Frankfort, die omstreeks 43 jaar oud

is, dagelijks 8 KG. tarwe-zemelen, 8 KG. roggebrood, 2 KG. rijst en

25 KG. hooi, behalve het ligstroo, dat hij nu en dan opvreet, en de

lekkernijen, bestaande uit wittebrood, roggebrood, suiker, vruchten

en dergelijke zaken, waarop de bezoekers hem tracteeren. Ditzelfde

dier drinkt iederen dag ongeveer 16 met water gevulde stal-emmers leeg.

Het vleesch van den Afrikaanschen Olifant heeft den smaak van

rundvleesch, maar is veel taaier en grover van vezels. De Negers

snijden alle spieren van dit dier in lange repen, die zij in de zon

of boven het vuur laten drogen, en vóór het gebruik tot een grof

poeder wrijven, dat zij aan hunne eenvoudige gerechten toevoegen. Bij

de jachtexpedities die de Njam-njam ondernemen, dooden zij soms

zooveel Olifanten, dat verscheidene dorpen hierdoor maanden lang een

voldoende hoeveelheid vleesch hebben. "Dikwijls" zegt Schweinfurth,

"zag ik lieden die, naar ik meende, zich met een groot bos brandhout

naar hunne hutten begaven: zij droegen de hun toekomenden portie

olifantenvleesch, dat in lange repen gesneden en boven het vuur

gedroogd, geheel het uiterlijk van hout en takjes had verkregen."

Voor den wereldhandel is van den Olifant alleen het ivoor van belang,

maar dan ook van groot belang. De totale hoeveelheid ivoor, dat van

de thans levende Olifanten-soorten afkomstig is en op de wereldmarkt

komt, bedroeg volgens een statistieke opgave over de jaren 1879-1883,

gemiddeld per jaar ongeveer 868.000 KG. Hiervan leverden Ceylon en

Sumatra 2000 KG., Achter-Indië 7000 K.G., Voor-Indië 11000 KG. en

Afrika 843.000 KG.

Tiende Orde.

De Onevenvingerigen (Perissodactyla).

De orde van de Onevenvingerigen omvat, evenals die der Slurfdieren,

slechts de weinig talrijke vormen, die van een eertijds veel rijker

ontwikkelden stam zijn overgebleven; deze in den regel groote dieren

steunen, terwijl zij zich bewegen, alleen op de hoeven, d.w.z. op

nagels die het laatste vingerlid geheel omgeven; steeds is bij hen de

teen, die met den derden teen van den vijfteenigen voet overeenkomt,

meer ontwikkeld dan de overige; bij de Paarden is hij zelfs de eenige,

die tot ontwikkeling is gekomen. Het gebit van de Onevenvingerigen

onderscheidt zich door de kleinheid of afwezigheid der hoektanden en

de door lijsten verbonden knobbels der maaltanden; snijtanden komen

in beide kaken voor.

Van deze orde zijn ongeveer 25 soorten bekend, die, met uitzondering

van Australië, nagenoeg over de geheele wereld verspreid zijn: zij

kunnen over vier scherp van elkander gescheiden familiën verdeeld

worden: in de éénteenige Paarden, de Tapirs, die vier teenen aan de

voorpooten, drie teenen aan de achterpooten hebben, de drieteenige

Neushoorndieren en de Klipdassen, welker teenen in aantal met die

der Tapirs overeenstemmen. Wegens de geringe overeenkomst, die er,

ook wat de levenswijze betreft, tusschen deze vier familiën bestaat,

komt een op alle toepasselijke beschrijving ons onuitvoerbaar voor.

De _Paarden_ (_Equidae_) van de hedendaagsche dierenwereld vormen een

zeer begrensde groep en vertoonen zooveel overeenkomst met elkander,

dat men ze tot één geslacht rekent. Dit geslacht--dat der _Paarden_

(_Equus_)--is gekenmerkt door een middelmatig groote, schoone gestalte,

betrekkelijk krachtige ledematen en een mageren, langwerpigen kop met

groote, levendige oogen, middelmatig groote, toegespitste, beweeglijke

ooren en wijd geopende neusgaten. De hals is stevig en gespierd, de

romp afgerond en vleezig, het lichaam grootendeels met zachte, korte,

dicht aanliggende haren bedekt, die zich echter in den nek tot manen

verlengen; ook de staart is, hetzij alleen aan de spits (bij de Ezels)

of over zijn geheele lengte (bij de Eigenlijke Paarden), met lange

haren begroeid. Het aanwezig zijn aan elken poot van slechts _één

teen_, welks eindlid (_hoeflid_) door een sierlijk gevormden hoef

als door een schoen omgeven is, onderscheidt de Paarden van alle

Onevenvingerigen. Wegens de groote rol, die dit lichaamsdeel bij de

beweging speelt, is het noodig het te beschrijven.

De _teen_ bestaat uit drie leden: de _koot_, de _kroon_ en het

_hoeflid_. Het geraamte van het _hoeflid_ bestaat uit twee beenderen

van zeer ongelijke grootte: het voorste en grootste, het _hoefbeen_,

is sponsachtig, heeft een scherpen, halfcirkelvormigen onderrand,

die de eenigszins uitgeholde ondervlakte van het hoefbeen van voren en

aan de zijden begrenst; het achterste, kleinere beentje, dat, evenals

het hoefbeen, met de ondervlakte van het kroonbeen verbonden is, heet

_straalbeen_. De pees van de spier, die het hoeflid buigt, gaat achter

dit straalbeen langs, om zich te hechten aan de ondervlakte van het

hoefbeen, waar zij zich tot een peesvlies (den "ganzevoet") verbreedt.

De hoef, die het hoeflid omgeeft, bestaat uit: 1º. een hard, verhoornd

gedeelte (de _hoorndoos_), en 2º. de meer inwendig gelegen, zachte

_hoefhuid_. Aan de hoorndoos onderscheidt men drie deelen:

(a) De _hoornwand_, welks voorste, sterk hellend gedeelte (de _teen_)

zich achterwaarts ombuigt, in de meer loodrecht geplaatste zijwanden of

_kwartieren_ overgaat, die, steeds smaller wordend, aan de buitenzijde

van het hoeflid blijven tot daar, waar zij in twee minder harde

uitwassen (de _verzenen_) hun achterste punt bereiken; hier gaat de

hoornwand op de onderzijde van het hoeflid over onder den naam van

_steunsels_, die naar voren van weerszijden samenloopen, en onder een

scherpen hoek elkander ontmoeten. De lijn volgens welke de hoornwand

in de gewone huid overgaat, heet _kroonrand_; het deel dat op den

grond rust, en aan den "teen" ruim 1 cM. breed is, heet _draagrand_.

(b) De _hoornzool_, een dikke plaat met oneffene oppervlakte, die de

ruimte vult welke tusschen den "teen", de zijwanden en de steunsels

overblijft, is met den draagrand verbonden volgens een _witte lijn_;

alleen hier rust zij op den grond, daar zij eenigermate gewelfd is.

(c) De _hoornstraal_ is een weekere, maar zeer veerkrachtige hoornmassa

van wigvormige gedaante, die de driehoekige ruimte tusschen de beide

steunsels aanvult; door de overlangsche _straalgroef_ is hij in twee

afdeelingen verdeeld, die zich naar achteren ieder tot een _hoornbal_

uitzetten.

De binnenste oppervlakte van den hoornwand is met diepe groeven

voorzien, waarin plooien van de rijk met bloedvaten en zenuwen

voorziene _zachte hoefhuid_ doordringen; deze wordt naar het deel,

waarmede zij in aanraking is, onderscheiden in _vleeschwand_,

_vleeschzool_ en _vleeschstraal_. De beide laatste hebben geen

plaatvormige, maar tepelvormige uitwassen, die in kuiltjes van

het hoorn doordringen. De hoefhuid is evenzoo ingericht aan den

kroonrand, waar zij het dikst is en zoom heet. De vleeschstraal is

wit, veerkrachtig en niet zeer gevoelig. Door de zachte hoefhuid

wordt het hoorn van den hoef gevormd.

Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 08: De Tandeloozen; Hoofdstuk 09: De Slurfdieren; Hoofdstuk 10: De Onevenvingerigen · 第 6 / 13 段