vooral van 't zuiden af, aanmerkelijk ingekrompen en strekt zich
tegenwoordig uit van den breedtegraad van het Tsad-meer in het noorden
tot aan dien van het Ngami-meer in het zuiden. Nauwkeurig kunnen de
grenzen van dit gebied niet aangegeven worden, omdat Olifanten groote
reizen ondernemen, zelfs van tijd tot tijd van woonplaats veranderen,
zoodat zij in sommige gewesten gedurende vele jaren en tientallen
van jaren niet waargenomen worden, in andere onverwachts verschijnen.
Beide soorten van Olifanten, zoowel de Afrikaansche als de Indische,
waren aan de ouden wel bekend. Reeds de oude Ethiopiërs dreven
een levendigen handel in ivoor, welks Grieksche naam (_elephas_)
later tot dien van den Olifant werd, en reeds bij Herodotus in deze
beteekenis voorkomt. Ktesias, de lijfarts van Artaxerxes _Mnemon_ was
de eerste, die een Olifant volgens eigen waarnemingen beschreef. Hij
zag dit dier levend te Babylon, waar het waarschijnlijk uit Indië
was gebracht. Hij was de eerste, die het sprookje verbreidde, dat
de olifant geen gewrichten in de pooten heeft, niet kan gaan liggen
en hierom staande slapen moet. Ieder die een Olifant kunstjes ziet
verrichten, weet wel beter. Wel is waar legt onze reus zich niet
altijd neder om te slapen; hij doet dit echter wel degelijk als hij
zijn gemak wil nemen; het gaan liggen en het opstaan kosten hem even
weinig moeite als iedere andere beweging. Darius is de eerste veldheer,
waarvan de geschiedenis melding maakt, die Olifanten in den oorlog
gebruikte, o.a. toen hij Alexander _den Grooten_ bestreed. Eenige van
de door Alexander buit gemaakte Olifanten kreeg Aristoteles te zien,
die een vrij nauwkeurige beschrijving van deze diersoort gaf. Na dien
tijd wordt van haar dikwijls melding gemaakt. Bijna driehonderd jaar
achtereen speelde zij een rol in de eindelooze oorlogen, die gevoerd
werden, voordat de Romeinen er in slaagden de wereldheerschappij
te verwerven. De Olifanten werden zelfs naar Europa overgebracht en
in de Italiaansche veldtochten gebruikt; dit geschiedde niet alleen
met de Indische, maar ook met de Afrikaansche soort. Deze, die men
in lateren tijd wel eens voor ontembaar heeft gehouden, werd door
de Carthagers uitmuntend voor den oorlog afgericht en bewees haren
meesters belangrijke diensten.
De Romeinen maakten van de Olifanten hoofdzakelijk gebruik in
hunne kampspelen; aan hen is het te wijten, dat deze dieren in
de gewesten ten noorden van den Atlas uitgeroeid zijn. Hoe goed de
Afrikaansche Olifanten gedresseerd werden, blijkt uit de mededeeling,
dat zij letters met een griffel konden schrijven, op een gespannen
koord liepen, met hun vieren op een zolder een vijfden droegen, die
ziek heette te zijn, op de maat dansten, aan een prachtigen disch,
met gouden en zilveren gereedschap voorzien, volgens de regels der
etikette dineerden enz.
In de hierboven genoemde landen vindt men de Olifanten in ieder
eenigszins omvangrijk woud. Hoe meer water het bevat en hoe meer het
de kenmerken van een oerwoud draagt, des te veelvuldiger komen zij
er voor. Men moet echter niet meenen, dat alleen zulke wouden den
Olifant tot woonplaats dienen. Uit zorgvuldige onderzoekingen is de
onjuistheid gebleken van de bewering, dat dit reusachtige dier niet
van koele en hooggelegen oorden houdt. Op Ceylon bewoont hij juist
bij voorkeur heuvel- en bergachtige gewesten. In Uvah vond Tennent
nog kudden van Olifanten op plaatsen, die 2400 M. boven den zeespiegel
gelegen zijn. Geen hoogte is hun te luchtig of te koud, wanneer er maar
overvloed van water te vinden is. De Olifant vermijdt het zonlicht
zooveel mogelijk, brengt den dag in het duistere woud door en maakt
van den koelen, donkeren nacht gebruik voor zijne zwerftochten.--Van
den Afrikaanschen Olifant valt iets dergelijks op te merken. In de
Bogoslanden heb ik zijn drek nog gevonden op een hoogte van 2000 M.,
en tevens vernomen, dat hij in de naburige gebergten, op een hoogte
van 3000 M. boven den zeespiegel, nog geregeld voorkomt. Op dezelfde
hoogte vond Von der Decken sporen van de aanwezigheid van Olifanten op
den Kilima-ndsjaro; na hem vond Hans Meijer ze op een hoogte van 4000
M. Ook van getemde exemplaren wordt bericht, dat zij bij 't bestijgen
van hooge bergen van groote behendigheid en van onvermoeide volharding
blijken geven.
Hoe veelvuldig de Olifanten in het binnenland van Afrika ook zijn,
toch is het soms moeilijk de plaats te vinden, waar zij zich op een
gegeven oogenblik ophouden, daar zij een zwervend leven leiden. Bij
zulke veranderingen van verblijfplaats volgen zij in den regel bepaalde
paden of banen nieuwe wegen, zonder zich er om te bekommeren of deze
door wouden of door moerassen, over steile hoogten of door nauwe
ravijnen leiden. Voor hen levert de bodem naar 't schijnt, geenerlei
hinderpalen op: zij zwemmen door stroomen en meren, dringen zonder
bezwaar door het dichtste oerwoud heen, maken op den vasten grond
dikwijls echte straten, omdat zij hunne tochten gezellig ondernemen en
bovendien gewoon zijn in een lange rij achter elkander aan te loopen,
zoodat zij dan een betrekkelijk smal spoor achterlaten. Meestal zijn
de paden van de hoogte naar 't water gericht.
Het voorste lid van de kudde gaat rustig door het oerwoud, onbekommerd
over het kreupelhout, dat hij onder zijne breede voeten ineenstampt,
evenzeer onbekommerd over de boomtakken, die hem in den weg komen;
hij breekt ze eenvoudig met de slurf af en vreet ze grootendeels
op, de houtige gedeelten achterlatend. In het gebergte leggen zij,
evenals in het woud, paden aan; zij doen dit op zulk een vernuftige
wijze, dat zelfs deskundigen, die hun arbeid nagaan, er verbaasd over
zijn. Steeds zoeken de Olifanten de gunstigst gelegen bergpassen, die
in den geheelen omtrek te vinden zijn, voor hunne wegen uit. Sommige
van deze passen worden door hen zoo geregeld en sedert zoo langen tijd
begaan, dat zij met hunne voeten zelfs harde gesteenten afgesleten,
ja in den letterlijken zin van 't woord uitgeslepen hebben.
De Olifant is trouwens slechts schijnbaar plomp van beweging, in
werkelijkheid echter zeer behendig. Gewoonlijk beweegt hij zich voort
met een bedaarden, gelijkmatigen pas, zooals het Kameel en de Giraffe,
waarbij hij 4 à 6 KM. per uur aflegt; deze bedaarde gang kan echter
zoo zeer versneld worden, dat het dier een afstand van wel 15 of 20
K.M. met een nagenoeg verdubbelde snelheid doorloopt. Meesterlijk
heeft het kolossale Slurfdier er den slag van, zoo zachtjes door
het woud te sluipen, dat men het in 't geheel niet hoort. "In
't eerst", zegt _Sir_ Emerson Tennent van den Aziatischen Olifant,
"stuift de wilde kudde met luid gedruisch door het kreupelhout; weldra
echter vermindert het geraas en hoort men in 't geheel niets meer,
zoodat iemand, die hieraan niet gewoon is, zou kunnen meenen, dat de
vluchtende reuzen op een korten afstand zijn blijven staan."--Als de
Olifant een steilte op zijn weg ontmoet, blijkt het, dat hij ook in
't klauteren ervaren is. Naar boven komt hij nog het gemakkelijkst:
door de voorpooten in het handgewricht te buigen, komt het voorste
gedeelte van 't lichaam lager te liggen en wordt het zwaartepunt
dus naar voren verplaatst; met op deze wijze gebogen voorpooten
en eenigszins achterwaarts gestrekte achterpooten bereikt het dier
langzaam aan zijn doel. Bij het afdalen heeft het echter wegens zijn
verbazend groot gewicht met grootere bezwaren te kampen. Op de gewone
wijze voortgaande, zou de Olifant ongetwijfeld het evenwicht verliezen,
naar voren omtuimelen en een val doen, die hem het leven zou kunnen
kosten. Het voorzichtige dier vermijdt dit gevaar door aan den rand
van den afgrond neer te knielen, zoodat zijn borst den bodem raakt,
nu de voorpooten hoogst bedachtzaam vooruit te schuiven, totdat zij
ergens een steunpunt hebben gevonden, en vervolgens de achterpooten
bij te trekken; zoo komt de kolossus langzamerhand, glijdend, en
schuivend, beneden. Het komt trouwens wel eens voor, dat de Olifant
op zijne nachtelijke tochten een zwaren val doet. In het dal langs
den bovenloop van den Mensa zag ik hiervan onmiskenbare sporen. Een
talrijke kudde was bij een berghelling afgedaald om het dal over te
steken en hier op een smallen weg geraakt, die door het regenwater op
sommige plaatsen uitgespoeld was. Een van de Olifanten had de pooten
gezet op een vooruitstekenden steenklomp, die, losrakend en naar
beneden vallend, het dier zijn evenwicht deed verliezen, zoodat het
in de diepte stortte. Het dier moet een geweldige buiteling gemaakt
hebben, want het gras en de struiken waren tot op een afstand van
ongeveer zestien meter en over een breedte, die met de lichaamslengte
van een Olifant overeenkomt, neer gedrukt, afgebroken en gedeeltelijk
zelfs ontworteld. Door een sterker en dichter boschje was de val
van het dier gestuit, want vandaar leidde het spoor weer naar den
hoofdweg. De val had dus geen ernstiger gevolgen gehad, dan misschien
eenige pijn in de lenden.
Dat de Olifant in 't zwemmen goed ervaren is, werd reeds opgemerkt;
het schijnt hem een genot te zijn, zich te water te begeven en er
in onder te duiken. Als hij het noodig acht, zwemt hij dwars door
breede en snel stroomende rivieren; soms houdt hij het geheele
lichaam onder den waterspiegel met uitzondering van de spits van
de slurf. Dat deze ook voor het drinken dient, is bekend. De twee
kanalen, die als voortzettingen van de beide afdeelingen der neusholte
zich door de geheele slurf uitstrekken en door een uit bindweefsel en
spiervezels bestaand verlengstuk van het kraakbeenig neusmiddelschot
vaneengescheiden zijn hebben een vrij gelijkmatige wijdte tot dicht
bij het midden van het tusschenkaaksbeen, hier kunnen zij vernauwd
worden, zoodat de vloeistof, die in de slurf is opgezogen, niet verder
kan doordringen. De vloeistof wordt uit de slurf geperst, b.v. in
de mondholte, door de drukking van de lucht in de longen, die, omdat
de luchtpijp nu tot aan de achterste neusopeningen opgeheven is, geen
gevaar loopen, om bij het doorslikken van het vocht hiervan iets binnen
te krijgen. Van het zich verslikken is dus in dit geval geen sprake.
De slurf wordt door den Olifant nog voor velerlei andere doeleinden
gebruikt. Daar zij zeer gevoelig is, wordt zij slechts bij uitzondering
gebezigd om er mede te slaan of een mensch aan te vatten. Bij alle
grove werkzaamheden of gevaarlijke verrichtingen wordt zij zorgvuldig
gespaard en te dien einde zoo nauw mogelijk opgerold. Hoofdzakelijk
dient zij voor het opnemen en naar den mond brengen van voedsel en
water, alsook voor het speuren en tasten. Met dit werktuig breekt de
Olifant takken af, ook wel dunne boompjes; om dikkere af te breken,
drukt hij er met den voet tegen; voor 't verschuiven van lasten maakt
hij ook wel gebruik van het onder de oogen gelegen deel van den kop,
waar de snuit aanvangt. Als de Olifant in dienst van den mensch
een zwaar voorwerp moet opheffen, neemt hij het hieraan bevestigde
touw in den bek en legt het tevens over een van zijne slagtanden,
ingeval hij deze heeft. Ook de slagtanden worden voor allerlei
verrichtingen gebezigd, altijd echter, evenals de snuit, met groote
voorzichtigheid en zeer zeker niet als hefboomen voor het voortrollen
van steenblokken of voor het uit den grond woelen van boomwortels. Zij
dienen den Olifant hoofdzakelijk als wapens om aan te vallen of zich
te verdedigen, en worden in andere gevallen zooveel mogelijk gespaard,
omdat zij betrekkelijk gemakkelijk breken.
Alle hoogere vermogens van den Olifant zijn geëvenredigd aan zijne
reeds genoemde begaafdheden. Het gezicht schijnt niet bijzonder
ontwikkeld te zijn; alle jagers zijn althans van oordeel, dat het
gezichtsveld van het dier zeer beperkt is. Des te beter zijn de reuk
en het gehoor ontwikkeld; ook de smaak en het gevoel zijn, gelijk men
bij gevangen dieren kan waarnemen, betrekkelijk fijn. Hoe scherp het
dier hoort, ondervinden alle olifantenjagers. Het geringste geluid
is voldoende om de aandacht van den Olifant te trekken; het breken
van een takje zou zijn gemoedsrust kunnen verstoren. De reukzin is
voortreffelijk ontwikkeld en stelt het dier in staat om op buitengewoon
grooten afstand de lucht van iets te krijgen; geen jager is in staat
om boven den wind den Olifant voldoende te naderen. In de slurf heeft
ook de tastzin haar hoofdzetel; vooral het vingervormig uitsteeksel
van den top van dit werktuig wedijvert in fijnheid van gevoel met
den geoefenden vinger van een blinde.
De stem van den Olifant biedt veel verscheidenheid aan; de geluiden,
waardoor hij zijne aandoeningen te kennen geeft zijn van velerlei
aard. Welgevallen drukt hij uit door een zeer zacht gemurmel; vrees
openbaart hij door een diep uit de borst komend gebulder, schrik door
een kort en schril getrompet met de slurf; als hij woedend is, hoort
men van hem een onafgebroken, zwaar en rommelend keelgeluid, bij het
aanvallen daarentegen een gillend trompetgeluid: het trompetten moet
men zich echter voorstellen als een schetterend gekrijsch.
Elke Olifanten-kudde is een groote familie en omgekeerd iedere familie
vormt een afzonderlijke kudde. Het aantal leden van zoo'n kudde kan
zeer uiteenloopen: het kan van 10, 15, 20 stuks aangroeien tot eenige
honderden. Enkele reizigers spreken van 400 en 500, ja zelfs van 800
Olifanten, die zij bijeen gezien hebben. Zoo verzekert Von Heuglin,
dat hij een troep van deze dieren heeft ontmoet, welker aantal volgens
zijn schatting op minstens 500 begroot moest worden en evenzoo beweert
_Sir_ Joh. Kirk aan den Zambesi eens een kudde van 800 stuks te hebben
aangetroffen. Tot zulke verbazend groote benden vereenigen zij zich
echter ongetwijfeld slechts zelden; men kan in den regel aannemen,
dat in deze gevallen verscheidene kudden zich bijeengevoegd hebben,
die elkander bij een grooten tocht toevallig ontmoetten en gedurende
korten tijd denzelfden weg volgen.
Hoewel iedere kudde een eigen familie vormt, schijnen toch vreemde
Olifanten, zooals jonge mannetjes en weggeloopen, getemde wijfjes,
meestal zonder bezwaar opgenomen te worden; het is echter wel mogelijk,
dat er velerlei uitzonderingen zijn. In allen gevallen is het niet
juist te veronderstellen, dat de zoogenaamde "eenzame Olifanten"
uitgestooten zijn en nergens opname hebben kunnen vinden. Sanderson
spreekt deze opvatting bepaaldelijk tegen. Volgens hem leiden de
meeste van deze dieren, die vaker jonge dan oude mannetjes zijn,
slechts schijnbaar een eenzaam leven, maar houden zij zich veeleer uit
eigen verkiezing slechts tijdelijk een weinig verwijderd van hun kudde,
welker bewegingen zij echter volgen. Een werkelijk eenzame Olifant,
die niet meer met zijns gelijken samenleeft, komt zeer zelden voor,
en is dan nog geenszins altijd een boosaardige klant, een "_Rogue_",
zooals de Engelschen hem noemen (de _Goenda_ der Indiërs, de _Hora_
der Singalezen, ook wel _Ronkedoor_ genoemd in de bekende "Reis
naar Ceylon" van Haafner). Daarentegen ontwikkelen zij zich niet
zelden tot doortrapte plunderaars van plantages, die niet zoo licht
door de gewone middelen verjaagd kunnen worden. Sommige van deze
eenloopende gezellen worden trouwens gevaarlijk voor den mensch,
die hen bij toeval stoort of opzettelijk verrast, daar zij, evenals
zoo vele andere weerbare dieren, min of meer onder den indruk van den
eersten schrik, den mensch aanvallen in plaats van hem te ontwijken.
De geestvermogens van den Olifant zijn dikwijls veel te hoog geschat,
vooral door hen, die hem alleen in den getemden staat leerden kennen,
maar niet in de vrije natuur nagegaan hebben. De meeste anecdoten over
de schranderheid en het overleg van getemde Olifanten, die telkens
weer hierbij tepas gebracht worden,--zooals die van den snijder, die
een Olifant eens in plaats van de gewone lekkernijen een prik met een
naald gaf, en die naderhand met het werk, dat hij onderhanden had,
door het uit de rivier terugkeerende dier met een straal vuil water
werd bespoten,--of die van den Olifant, die het wiel van een kanon
ophief, om te verhoeden, dat het den van 't kanon gevallen soldaat
overreed, en andere vertelsels meer--, zijn wel aardig verzonnen, maar
niet werkelijk gebeurd. De in 't wild levende Olifant geeft stellig
meer bewijzen van onnoozelheid dan van vernuft, en de gedresseerde,
die schijnbaar uit eigen aandrift handelt, doet in werkelijkheid
alleen, wat zijn geleider hem gelast. "Laten wij eens even nagaan,"
schrijft Sanderson, "of de wilde Olifant meer inzicht toont dan
eenig ander dier. Hoewel hij in zijn slurf een lichaamsdeel bezit,
dat hem voortreffelijk zou kunnen waarschuwen voor een op lompe wijze
aangelegden, met een laag takken en twijgen bedekten valkuil, valt
hij er toch geregeld in. Zijne metgezellen loopen vol schrik weg,
hoewel het hun weinig moeite zou kosten hem uit den kuil te halen,
als zij de aarde van den rand er in trapten. Als een jongen Olifant
er in gevallen is, blijft wel is waar de moeder in zijn nabijheid,
tot de jagers komen, maar het komt haar niet in de gedachten, haar
jong op de een of andere wijze te helpen: zij denkt er niet eens aan,
takken af te breken en in den kuil te werpen, opdat het gevangen kind
den honger zal kunnen stillen. Maar zóó iets gelooft het publiek
veel minder graag dan het verzinsel, dat de moeder haar jong op
allerlei wijzen behulpzaam is, het gras toewerpt om het voedsel te
verschaffen, water met haar slurf aanbrengt om het te laten drinken,
of zoolang stokken en takken in den kuil werpt, totdat haar kind
er uit kan komen. Voorts worden geheele kudden van Olifanten in
gebrekkig gemaskeerde omheiningen gedreven, waarin geen ander wild
dier zich zou laten jagen; zij worden één voor één gevangen, doordat
een paar mannen, die met tamme Olifanten naar hen toesluipen, hen
de pooten samenbinden. Ontvluchte Olifanten worden op gelijke wijze,
bijna zonder moeite, weder opgevangen; zelfs door de ervaring worden
zij dus niet verstandiger. Zulke feiten zijn zeer zeker onvereenigbaar
met de meening, dat de Olifanten buitengewoon verstandige dieren zijn,
veel minder nog met de stelling, dat zij tot scherpzinnig nadenken in
staat zouden zijn. Ik geloof niet, dat ik den Olifant onrecht aandoe,
wanneer ik beweer, dat hij in vele opzichten dom is; bovendien kan
ik de stellige verzekering geven, dat de mij bekende verhalen over
zijne handelingen voorzoover zij niet op staaltjes van spierkracht en,
leerzaamheid neerkomen, die hij onder de aansporing van zijn geleider
vertoont, niets anders zijn dan op effect berekende verzinsels,
gegrond op een te hoog denkbeeld van de geestesgaven van den Olifant.
"Wij stappen nu van het verstand van den Olifant af, om zijn
gemoedsstemming gedurende de gevangenschap na te gaan. Ik vertrouw, dat
ieder, die met Olifanten te maken heeft gehad, met mij zal instemmen,
wanneer ik zeg, dat hunne goede eigenschappen bijna niet hoog genoeg
geschat kunnen worden en dat slechte bij hen steeds een uitzondering
zijn. De beste eigenschappen van den Olifant zijn gehoorzaamheid,
zachtmoedigheid en geduld. In deze opzichten wordt hij door geen enkel
huisdier overtroffen. Zelfs in een zeer onaangenamen toestand--b.v.,
als hij de blakerende zon dulden of pijnlijke heelkundige bewerkingen
ondergaan moet,--toont hij zelden eenige prikkelbaarheid. Hij
weigert nooit iets te doen, wanneer hij op de juiste wijze bestuurd
wordt--tenzij het iets is, waarvoor hij vrees koestert. De Olifant,
de wilde zoowel als de tamme, is buitengewoon vreesachtig; zijn vrees
wordt door ieder eenigszins vreemdsoortig verschijnsel zeer licht
opgewekt. Toch hebben vele van deze dieren een goeden aanleg tot moed,
die alleen maar op een behoorlijke wijze ontwikkeld behoeft te worden,
zooals blijkt uit het gedrag van sommige Olifanten bij de tijgerjacht."
Van vreesachtigheid geven de wilde Olifanten blijken bij al wat zij
ondernemen: hetzij zij voedsel zoeken, of uitgaan om zout te likken
(waarvan zij groote liefhebbers zijn), of om te drinken of om te baden,
altijd bewegen zij zich met de grootst mogelijke voorzichtigheid,
maar geven zich dan ook, nadat zij zich van hun veiligheid overtuigd
hebben, met des te grooter genot aan het genoegen van den maaltijd
over. Zij breken spelenderwijs takken van de boomen af, waaien
zich hiermede koelte toe, verdrijven de hun zoo lastige Vliegen en
verslinden de takken nu op hun gemak, na ze eenigszins ineengefrommeld
te hebben. Hoewel het maal bedaard en zonder overhaasting gebruikt
wordt, geschiedt dit toch niet altijd stil en zonder gedruisch te
maken; integendeel het gaat, naar Von Heuglin in het stroomgebied
van den Boven-Nijl heeft opgemerkt, met een waarlijk helsch geraas
gepaard. Het knikken van de twijgen, het kraken van de takken of
stammen, die dikwijls met vereende krachten afgebroken worden,
het kauwen, ademen, zich ontlasten, het dof gerommel van de lucht
in de ingewanden, het plassen van de zware voeten door het moeras,
het nat spuiten van het lichaam met de slurf, het klepperen met de
kolossale ooren, die dikwijls als zonneschermen uitgebreid worden,
het wrijven van het kolossale lichaam tegen dikke boomstammen en het
gillend getrompet, dat intusschen van deze dieren gehoord wordt, dit
alles te samen brengt een oorverdoovend geraas teweeg. Geëvenredigd aan
dit geraas is de elke beschrijving te boven gaande verwoesting, die een
Olifanten-kudde in het woud aanricht. "Wat door de kolossale voeten
niet nedergetrapt wordt," verhaalt onze zegsman, "wordt omgesmeten,
de sterkste boom ontworteld, zijne takken afgebroken; het kreupelhout
ligt verward door elkander op den grond alsof een razende wervelwind
het had neergeworpen; stammen, die de stormen van meer dan een eeuw
getrotseerd hebben, zijn als riethalmen geknapt." (?) Takken van meer
dan een arm dik worden door den Olifant zonder bezwaar verzwolgen. Zeer
dikke takken schilt hij geheel of gedeeltelijk, waarna hij het hout
laat liggen. In dorre steppen wroet hij ook in den bodem om saprijke
wortels te verkrijgen.
De Olifanten behooren ongelukkig eveneens tot de dieren, die hun
ondergang tegemoet gaan. De vervolgingen, die zij te verduren hebben,
zijn geen wraakoefeningen voor de door hen aangerichte schade; men
maakt jacht op hen wegens het genoegen, dat deze jacht oplevert,
en om het kostbare ivoor te verkrijgen. Van de vroegste tijden af
is daarom een verdelgingskrijg tegen hen gevoerd. In Indië en op
Ceylon worden zelfs tandelooze of korttandige mannetjes, ja zelfs de
tandelooze wijfjes en jongen alleen ter wille van het jachtvermaak
geschoten en misschien nog vaker in valkuilen gevangen, waarin zij
bij het naar beneden storten dikwijls zoozeer gewond worden, dat
zij voor dienstverrichtingen niet meer bruikbaar zijn. In Afrika,
waar de dieren van beiderlei geslacht groote slagtanden hebben,
maken zoowel de inboorlingen als de Europeesche beroepsjagers jacht
op hen ter wille van het ivoor. Ongelukkig gaan ook zij hierbij niet
altijd met omzichtigheid te werk, maar moorden soms doelloos. In
het open veld, b.v. in Zuid-Afrika, waar men op een goed gedresseerd
Paard zich op een willekeurigen afstand van den Olifant bewegen kan,
gebruikt men bij deze jacht dikwijls het Engelsche militaire geweer
en schiet het dier hiermede snel achtereenvolgens zooveel kogels in
't lijf, totdat hij ter aarde stort. Waar echter de Tsetse-vlieg
het gebruik van Paarden onmogelijk maakt, en vooral in streken, die
rijk zijn aan wouden, of waar veel struikgewas groeit, jaagt men
te voet en maakt gebruik van zeer zware geweren met gladde loopen
of van zware dubbelloops-buksen. Daar men zich in het dichtst van
het woud tot in de onmiddellijke nabijheid van het wild begeeft,
de meeste schoten op een afstand van minder dan 30 schreden en met
een hiermede geëvenredigde gewisheid op het kwetsbaarste lichaamsdeel
lost--zoo mogelijk op een plek ter grootte van een hand tusschen het
oog en het oor--, is wegens de zeer sterke lading niet zelden één
kogel voldoende om den reusachtigsten Olifant neer te vellen.