hebben, leven thans nog slechts de vertegenwoordigers van één familie;
twee of misschien drie soorten; zij maken de laatste leden uit van een
reeks, die den tegenwoordigen tijd op een duidelijk zichtbare wijze met
de voorwereld verbindt: want tot hun familie moet men de reusachtige
dieren rekenen, welker goed geconserveerde lijken het ijs van Siberië
gedurende duizenden van jaren voor ons bewaard heeft. Om van de
beteekenis dezer diergroep een juist denkbeeld te krijgen, is het
noodig ook op de uitgestorvene soorten de aandacht te vestigen. Neumayr
zegt van hen het volgende: "Over 't algemeen onderscheidden zich de
Zoogdieren, die gedurende het diluviale tijdvak Europa bewoonden,
door hun krachtige ontwikkeling: er zijn zoovele groote vormen bij,
dat met het oog op deze, de hedendaagsche Europeesche Zoogdieren-fauna
zich als een jammerlijk ontaard overblijfsel van vroegeren bloei aan
ons voordoet. Het meest loopt dit in 't oog, als wij letten op de
groote planteneters van dien tijd; in de eerste plaats blijkt dan de
sterke verbreiding van drie kolossale soorten van Slurfdieren, die
alle grooter waren dan de hedendaagsche Indische en Afrikaansche
soort. Twee van deze, n.l. _Elephas meridionalis_ en _Elephas
antiquus_--misschien de grootste landbouwers onder de Zoogdieren, die
ooit bestaan hebben--lieten hoofdzakelijk in Zuid-Europa sporen van hun
aanwezigheid achter; hun verbreidingsgebied reikte tot in Engeland;
reeds in Noord-Duitschland echter waren zij zeer zeldzaam. Beide
zijn vooral veelvuldig geweest in de oudste diluviale periode (in
het tijdvak, dat aan den ijstijd onmiddellijk voorafgaat) daarna
verdwijnt _Elephas meridionalis_, terwijl overblijfselen van _Elephas
antiquus_ nog voorkomen in de aardlagen, die zich afgezet hebben in het
interglaciale tijdperk (tusschen den eersten en den tweeden ijstijd).
"Geheel anders was het gesteld met de derde soort, met den _Mammoet_
(_Elephas primigenius_), wiens overblijfselen in het tijdvak dat
aan den ijstijd voorafgaat, slechts zelden gevonden worden, maar in
de diluviale gronden uit latere tijdperken buitengewoon veelvuldig
zijn; tallooze kudden van deze dieren bevolkten destijds Europa en
het noorden van Azië. Geen fossielen hebben zoo sterk de aandacht
getrokken als die van den Mammoet, wiens beenderen en tanden op sommige
plaatsen in menigte voorhanden zijn. In vroegeren tijd hield men ze
voor de beenderen van Sint Christophorus of van een anderen heilige,
wien men om de een of andere reden een bijzondere grootte meende te
moeten toeschrijven; vele van zulke overblijfselen werden daarom in
kerken als reliquieën bewaard. Anderen hielden ze voor de beenderen
van de reuzen Gog en Magog, die in den bijbel worden genoemd, of van
andere minder beroemde reuzen. Door hen, die met de klassieke oudheid
meer bekend waren, werden zij aan den Germaanschen koning Teutobod
toegeschreven. Toen men er eindelijk toe overging, deze beenderen en
tanden nauwkeuriger te bekijken, en de overeenkomst opmerkte, die
zij met Olifantstanden hebben, meende men, dat zij afkomstig waren
van de voor den krijg afgerichte Olifanten, die Hannibal op zijn
vermetelen tocht uit Spanje door het zuiden van Frankrijk en over de
Alpen medenam, en die, zooals bekend is, alle op één na onderweg ten
gevolge van de vermoeienissen der reis bezweken.
"Later kwam men tot de overtuiging, dat de Mammoet werkelijk tot voor
betrekkelijk korten tijd in Europa geleefd heeft en het lag voor de
hand hieruit af te leiden, dat het klimaat van Europa in dien tijd
warmer was. Door nog latere ervaringen werd deze meening echter niet
bevestigd: in het zuiden van Europa ontbreekt de Mammoet, terwijl
hij in het midden en in het noorden van dit werelddeel gevonden
wordt. Hoe veelvuldig hij hier echter op sommige plaatsen is, nog
overvloediger komt hij voor in Siberië, vooral in het noorden van
dit land, waar sommige diluviale lagen geheel gevuld zijn met zijne
overblijfselen. Waarschijnlijk is geen omstandigheid beter geschikt
om dit in 't licht te stellen dan het feit, dat _ongeveer het derde
gedeelte van al het ivoor, dat in den handel komt van de diluviale
Mammoeten van Siberië afkomstig is_. Volgens Middendorf zijn sedert
200 jaren ieder jaar meer dan 100 paar slagtanden van Mammoeten
uit Siberië op de markt gekomen. Zelfs op de zoo moeilijk bereikbare
Nieuw-Siberische eilanden, die ten noorden van het Aziatisch vasteland
tusschen 73 en 76° N.B. in de IJszee gelegen zijn, is het fossiele
ivoor in zulk een groote hoeveelheid aanwezig, dat de ivoorverzamelaars
herhaaldelijk den gevaarlijken sledetocht over de bevroren zee wagen
om deze schatten te lichten.
"Het is zeer zeker een merkwaardig feit, dat het ivoor gedurende zulk
een langen tijd zoo weinig verandering heeft ondergaan, dat het nu
nog technisch bruikbaar is; nog veel wonderbaarlijker echter is de
ontdekking van volledige exemplaren met huid en haar, met vleesch en
ingewanden, in den bevroren bodem van Siberië. Deze lijken waren nog
zoo frisch, dat het vleesch steeds door IJsberen, Wolven, Vossen en
Honden verslonden was, voordat een expeditie deze afgelegen gewesten
kon bereiken om het gevonden materiaal ten behoeve van de wetenschap
in bezit te nemen.
"Men kan zich nog geen volkomen duidelijke voorstelling vormen van
de wijze, waarop deze bevroren grond ontstond; daarom weet men ook
niet, hoe de Mammoeten er in bedolven zijn geraakt. Voor sommige
gevallen geldt de verklaring, dat de Olifanten, Neushoorndieren
enz. toevalligerwijze weggezonken zijn in moerasgrond, die later
bevroren en sedert den ijstijd niet weder ontdooid is. In andere
gewesten hebben, naar het schijnt, andere oorzaken tot soortgelijke
gevolgen aanleiding gegeven; zoo ziet men b.v. aan de Eschscholtz-bocht
in het noordwestelijkste deel van Noord-Amerika een tamelijk zuivere
afzetting van waterijs (geen gletscher-ijs) uit het diluviale tijdperk,
waarin oude strandlijnen ingesneden zijn en deze ijsmassa wordt bedekt
door een laag klei met overblijfselen van groote Zoogdieren.
"Hoe dit ook zij, zeker is het, dat van tijd tot tijd volledige
Mammoet-lijken door den dooi blootgelegd worden; de inboorlingen
meenen, dat dergelijke dieren ook nu nog in den grond leven en dezen
doorwoelen, en dat zij, gedurende dezen arbeid bij vergissing aan de
lucht komend, onmiddellijk sterven en daarom in volkomen verschen
toestand gevonden worden. De eerste gebeurtenis van dezen aard,
die bekend geworden is, had plaats aan den mond van de Lena; hier
bemerkte een Toengoese, dat een Olifant in een tijdperk van twee
jaren langzamerhand uit zijn ijshulsel te voorschijn kwam; in 1799
werd deze ontdekking gedaan, maar eerst zeven jaren later kwam zij
den natuuronderzoeker Adams ter oore, die toen een reis door Siberië
deed en de bedoelde plaats bezocht. Ongelukkig was het dier reeds
grootendeels verslonden; één oor, één oog, een stuk van de huid en
vele pezen en banden waren behalve het skelet nog aanwezig. Toen
reeds werd het hoogst merkwaardige feit ontdekt, dat de Mammoet
over het geheele lichaam met een dichte, roodbruine, wollige vacht
bekleed was en aan den hals lange manen had." De manen in den nek
reikten bijna tot op de knieën; ook op den kop groeiden zachte haren
van één Meter lengte. Boven het dichte wolhaar, dat den geheelen romp
bedekte, verhieven zich borstels van 25 cM. lengte. De overblijfselen
van dit dier werden voor een som van 8000 roebels aan het museum te
Petersburg verkocht, waar het skelet met de daaraan nog aanwezige
pezen is opgesteld.
"Sedert dien tijd zijn herhaaldelijk dergelijke in den grond
vastgevroren dieren gevonden; nooit is het echter gelukt er één
in zijn geheel voor bederf te bewaren. Een onder de leiding van
F. Schmidt uitgezonden expeditie kon tegen het einde van het tijdperk
1860--1870 weder eenige deelen van een Mammoet redden; bovendien
verzamelde men eenige nog met de huid bedekte lichaamsdeelen van
Neushoorndieren. Vooral een door Schrenk ontdekte kop van _Rhinoceros
Merckii_ is goed bewaard gebleven en levert het bewijs, dat de huid
met een rood gevlekte vacht bekleed was.
"Over het algemeen is de Mammoet nauw verwant aan den Indischen
Olifant; hij onderscheidt zich echter van dezen, behalve door zijn
grootte en beharing door de veel talrijkere en smallere emailplaten
van de kiezen en door de reusachtige, zeer sterk naar boven en buiten
gekromde stoottanden." Deze zijn soms ruim 4 M. lang en 125 K.G. zwaar.
"Zooals reeds gezegd werd, meende men aanvankelijk, dat de Mammoet
in een heet klimaat geleefd zou hebben, omdat hij nauw verwant
is aan den Olifant. Toen men hem echter in zoo grooten getale in
Siberië aantrof en de daar in het ijs bedolven exemplaren ontdekte,
zocht men den volgenden uitweg: men nam aan, dat door geweldige,
van 't zuiden naar 't noorden zich uitstrekkende watervloeden,
misschien wel door den zondvloed van Noach, tallooze overblijfselen
van tropische dieren naar de Noordpool-gewesten gespoeld zouden
zijn. Weldra echter zag men de onmogelijkheid van dit vermoeden in
en nam zijn toevlucht tot de even onjuiste veronderstelling van een
zeer plotseling ingetreden omkeering van het klimaat. Zoomin voor de
eene als voor de andere meening is eenige grond aan te voeren. De
Mammoet was door zijn dichte vacht tegen de koude beschut; dat hij
ook werkelijk in koude gewesten leefde, blijkt uit de overblijfselen
van voedsel, die men in de maag en tusschen de tanden van den Mammoet
(en den Rhinoceros) gevonden heeft; daar deze hoofdzakelijk bestaan
uit twijgen en spruiten van naaldboomen gelijk aan die, welke thans
nog in Siberië groeien. _Elephas primigenius_ is dus de Olifant
van de noordelijke gewesten, die zijn hoofdzetel had in Siberië en
Noord-Europa; in Midden-Europa ontmoette hij den zuidelijken vorm
_Elephas meridionalis_ en ook den _Elephas antiquus_, die zeer veel
overeenkomst had met den Afrikaanschen Olifant.
"Behalve de drie genoemde, over een groot gebied verbreide
soorten komen in Europa nog overblijfselen voor van eenige andere
vertegenwoordigers van hetzelfde geslacht, die, hoewel zij een
kleiner gebied bewoonden, toch van groot belang zijn. In de eerste
plaats moet de echte _Afrikaansche Olifant_ genoemd worden, waarvan
in de beenderenholen van Sicilië en in Spanje in de omstreken van
Madrid fossielen gevonden zijn, welk feit van belang is als steun
voor de stelling, dat Europa vroeger op verschillende plaatsen met
Afrika verbonden was. Het opmerkelijkst echter zijn de zeer talrijke
overblijfselen van een zeer nauw aan den Afrikaanschen Olifant
verwanten vorm, die men op het eiland Malta gevonden heeft. Alle
zooeven bedoelde fossiele soorten zijn echter aanmerkelijk kleiner
dan de hedendaagsche: de grootste (_Elephas mnaidriensis_) bereikt
gemiddeld geen grootere hoogte dan 2 M., _Elephas melitensis_ is
zelfs aanmerkelijk kleiner en _Elephas Folconeri_ is een zeer kleine
dwergvorm, welks grootste exemplaren nog geen Meter hoog waren en
dus niet grooter waren dan een kalf. Uit de aanwezigheid van groote
Zoogdieren op Malta blijkt in allen gevalle, dat dit tamelijk kleine
en schaars met planten begroeide eiland eens deel uitmaakte van een
groot vasteland. Van het ontstaan van een Dwerg-olifant, waarnevens nog
een Dwerg-nijlpaard voorkomt, geeft men de volgende (niet onmogelijke)
verklaring: Toen Malta een eiland werd en de plantenwereld daar niet
meer voldoende was voor het voeden van groote soorten, verkregen de
de Olifanten en Nijlpaarden hier kleinere afmetingen."
"Voor het verdwijnen van de groote diluviale Zoogdieren heeft men
ondanks alle hiervoor in 't werk gestelde pogingen, nog geen verklaring
kunnen vinden."
Onze Olifanten (_Elephas_)--de eenige thans nog levende
vertegenwoordigers van de gelijknamige familie (_Elephantidae_)--zijn
gekenmerkt door de lange beweeglijke slurf en door het gebit, vooral
door de slagtanden, die als sterk ontwikkelde snijtanden beschouwd
worden. De romp is kort en dik, de hals zeer kort, de kop rond en
door de aanwezigheid van holten in de bovenste schedelbeenderen
gezwollen; de tamelijk hooge, zuilvormige pooten hebben vijf met
elkander verbonden teenen en vlakke hoornachtige zolen.
Het merkwaardigste lichaamsdeel van den Olifant is de slurf, een
verlengde neus, die zich door lenigheid, gevoeligheid en bovenal
door een vingervormig uitsteeksel aan zijn uiteinde onderscheidt. Zij
dient zoowel voor 't ruiken, als voor het tasten en het grijpen. De
ringvormige en overlangsche spieren die haar samenstellen, bestaan
volgens Cuvier uit ongeveer 40000 afzonderlijke bundels en stellen
haar in staat zich in alle richtingen te wenden, zich te verkorten
en te verlengen. De ontbrekende bovenlip wordt vervangen door de
slurf. Zonder dit orgaan zou de Olifant niet kunnen leven.
Alle overige lichaamsdeelen en zelfs de zintuigen van den Olifant zijn
minder opmerkelijk. De oogen zijn klein en hebben een onnoozele, maar
goedaardige uitdrukking, de oorschelpen daarentegen zijn zeer groot en
gelijken op lappen leder. De voor- en achtervoeten zijn zeer kort. De
teenen zijn zoo innig omgeven door een gemeenschappelijke huid,
dat zij zich niet ten opzichte van elkander kunnen bewegen. Zij zijn
voorzien van hoeven, die wel is waar klein zijn, daar zij slechts de
spits van den teen omhullen, maar tevens stevig, breed en plat. Boven
de met een dikke huid bedekte, min of meer cirkelvormige zool van
elken poot, aan welker voorrand de hoeven zichtbaar zijn en op welker
achterrand de voetwortel rust, bevindt zich een kraakbeenige plaat, een
vetkussen en eindelijk de sterk bovenwaarts gewelfde, korte middelvoet
(of middelhand). De zachte stap van de op zuilen gelijkende pooten, die
zulk een kolossaal lichaam dragen, is een gevolg van deze eigenaardige
samenstelling van den voet.
Zeer merkwaardig is het gebit. In de bovenkaak draagt de Olifant twee
buitengewoon sterk ontwikkelde slagtanden; overigens heeft hij geen
snijtanden, ook geen hoektanden en gewoonlijk slechts één kolossale
kies in elke kaakhelft. Deze kies bestaat uit een vrij groot aantal
(3 à 27) dwars gerichte platen, ieder bestaande uit tandbeen, omgeven
door een laag email, die zich op de door afslijting gevormde, platte,
kauwvlakte voordoet als een richel met eenigszins geplooiden rand,
die zeer langwerpig elliptisch is (Mammoet en Indische Olifant) of
ruitvormig (Afrikaansche Olifant). Deze "dwarsjukken" worden vereenigd
door het daartusschen liggend cement, dat ook de zijvlakken van de
geheele kies bedekt. Als de kies door het kauwen zoover afgesleten is,
dat zij haar dienst niet meer voldoende kan verrichten, vormt zich
achter haar een nieuwe kies, die, langzamerhand aangroeiend, verder
naar voren dringt en geruimen tijd vóór het uitvallen van het laatste
overblijfsel van de vorige kies dienst begint te doen. Men heeft
waargenomen, dat deze tandwisseling zes malen achtereenvolgens plaats
heeft, zoodat alles bijeengenomen elke kaakhelft zes kiezen bezit, die
de eene na de andere in gebruik genomen worden, zoodat er nooit meer
dan twee te gelijk in functie zijn. De drie eerstverschijnende kiezen
van elk zestal worden gerekend tot het melkgebit te behooren. Bij
den Indischen Olifant komt de eerste melkkies in de derde levensmaand
voor den dag, vertoont 3 dwarsjukken en valt in het tweede levensjaar
uit. De tweede melkkies heeft 8 dwarsjukken en valt in het vijfde of
zesde jaar uit, de derde met 12 dwarsjukken in het negende jaar. Van
de eerste ware kies, die dan natuurlijk al reeds sedert eenigen tijd in
functie is met een deel van hare dwarsjukken, zijn deze in het 15e jaar
in vollen getale (12 à 14) aan de kauwvlakte zichtbaar; zij valt uit,
als het dier 20 à 25 jaar oud is. Op nog lateren leeftijd vertoonen
zich achtereenvolgens de tweede en de derde ware kies; gene heeft
16 à 18, deze 24 à 27 dwarsjukken. Het aantal wortels van de kies
staat in verband met het aantal dwarsjukken. Bij jonge tanden zijn
de wortels kort en met een wijde opening voorzien; later ontwikkelen
zich vooral aan de achterste helft van de kies tamelijk lange, met
cement bedekte wortels, die gedeeltelijk met elkander vergroeien. De
slagtanden hebben voortdurend open wortels en groeien dus steeds aan;
zij kunnen bij den Afrikaanschen Olifant een lengte van 2 1/2 M. en
een gewicht van 90 KG. bereiken. Met uitzondering van een dun laagje
cement, dat het diep in de tandkas verborgen deel van deze tanden
bedekt, en van een (bij zeer jonge tanden aan de spits aanwezig)
zeer spoedig afslijtend emailkapje, bestaat de geheele slagtand uit
tandbeen; deze stof is het dus, die als "ivoor" dienst doet.
De _Indische_ of _Aziatische Olifant_ (_Elephas asiaticus,
E. indicus_), dien wij als type van zijn geslacht en van zijn familie
plegen te beschouwen, is een kolossaal, plomp, sterk gespierd dier met
zwaren, aan het voorhoofd zeer breeden kop, korten hals, reusachtigen
romp en zuilvormige pooten. Zijn kop, die bijna loodrecht gehouden
wordt, draagt er veel toe bij om den overweldigenden indruk die het
reusachtige dier op den toeschouwer maakt, te verhoogen. Het voorhoofd
is plat of zelfs een weinig uitgehold.--De huid is in bepaalde
richtingen fijn geplooid, in andere, die de plooien meestal kruisen,
gegroefd; hierdoor ontstaat aan haar oppervlakte een eigenaardige,
netvormige teekening; alleen aan de borst verdikken deze plooien zich
tot losse, beweegbare, kwabvormige opzwellingen. Wegens dit netwerk
van plooien valt het bijna volslagen gemis van beharing minder in
't oog. Het haarkleed bepaalt zich over 't grootste deel van 't
lichaam tot zeer verspreid staande borstels, die een weinig dichter
bijeengeplaatst zijn rondom de oogen, aan de lippen, aan de onderkaak,
op de kin en op 't achterste deel van de rug; de staart echter is aan
zijn spits overvloedig met haar voorzien; dit vormt hier een platte,
dunne kwast. De haren hebben een bruine of zwarte kleur, behalve
op de lippen, waar zij witachtig zijn; de huid zelve is vaalgrijs,
behalve aan de slurf, het onderste deel van den hals, de borst en den
buik, die een vleeschkleurige tint vertoonen en dicht bezet zijn met
rondachtige, donkere vlekken.--Gewoonlijk komen aan de achtervoeten
slechts vier hoeven tot ontwikkeling (daar de éénledige binnenteen
de hoef mist); terwijl de voorvoeten er vijf hebben.
De afmetingen van den Olifant worden in den regel overschat en dikwijls
onjuist bepaald. Bij de grootste mannetjes bedraagt de totale lengte,
van de spits van de slurf tot aan de spits van den staart, bijna 7
M., waarvan ongeveer 2 M. voor de slurf en hoogstens 1.5 M. voor den
staart gerekend moeten worden; de schouderhoogte bedraagt hoogstens
3 M. Waarschijnlijk treft men niet veel exemplaren aan, die grooter
zijn. Sanderson (wiens getuigenis ongetwijfeld veel gewicht in
de schaal legt, daar hij gedurende een half menschenleven met het
bestuur van de Olifanten-vangst in Engelsch Indië belast was) heeft
van honderden van Olifanten de grootste gemeten en de schouderhoogte
bepaald: bij de twee meest ontwikkelde mannetjes bedroeg zij 3 M. en
2.95 M. en bij de twee kolossaalste wijfjes 2.57 M. en 2.52 M. Het
gewicht van de zwaarste dieren is waarschijnlijk 4000 KG., misschien
ook iets meer.
De Indiërs, die buiten kijf de beste Olifanten-kenners zijn,
onderscheiden naar de gestalte en de hiervan afhangende geschiktheid om
te werken, bij deze dieren drie slagen, die zij _Koemiria, Dwasala_
en _Miërga_ noemen. De Koemiria is de volkomenste Olifant, zwaar
en evenredig gebouwd, met ruime borst, krachtigen kop en romp,
met een rechten, platten, naar achteren afhellenden rug. Zijn oog
is open, helder en innemend. Zoowel naar het lichaam als naar den
geest is hij een edel dier, betrouwbaar en onversaagd, majestueus
en afgemeten in zijne bewegingen, als 't ware geschapen voor een
vertooning van koninklijke waardigheid. Een tegenstelling met hem
vormt de Miërga: deze is licht en minder schoon gebouwd, langpootig,
kleinkoppig, met varkensoogen, krom en steil van rug, engborstig en
dikbuikig, met zwakke, slappe slurf en dunne, gemakkelijk kwetsbare
huid. Tusschen het edelste en het onedelste slag houdt de Dwasala
het midden; deze is tevens het talrijkst vertegenwoordigd. De drie
genoemde, zoo verschillende slagen, zijn niet door den mensen
gefokt; men vindt ze bij een en dezelfde kudde; zij staan dus,
naar wij mogen veronderstellen, tot elkander in een nauwen graad
van bloedverwantschap.
Lichtkleurige Olifanten--zelfs zulke, die lichtkleurige vlekken
hebben--, zoogenaamde _Witte Olifanten_, komen zeer zelden voor. In
Siam, waar albino's van allerlei dieren hoog geschat worden, omdat
men meent, dat zij gezagvoerders zijn over hunne soortgenooten,
waar de Witte Olifant als het machtigste van alle dieren voor heilig
wordt gehouden, en één der vele titels van den koning daarom "heer
van den Witten Olifant" beteekent, moet men zich, naar het schijnt,
bij het zoeken naar witte Olifanten tevreden stellen met exemplaren,
welker kleur slechts weinig lichter is dan de gewone; een echte albino
is daar nog niet voorgekomen.
In Indië is de Olifant op 25-jarigen leeftijd volwassen, hoewel nog
niet in 't bezit van zijn volle kracht, die hij eerst op ongeveer
35-jarigen ouderdom heeft. Het mannetje is ongeveer in het 20e
jaar voor de voortplanting geschikt. De wijfjes brengen hun eerste
jong ter wereld als zij 16 jaar oud zijn, de volgende jongen met
tusschenpoozingen van gemiddeld 2 1/2 jaar. De pas geboren Olifanten
hebben een schouderhoogte van ongeveer 90 cM. en op den tweeden dag
gemiddeld een gewicht van 90 K.G.; gedurende 6 maanden gebruiken zij
geen ander voedsel dan de moedermelk; dan beginnen zij langzamerhand
een weinig malsch gras te eten, hoewel zij zich nog eenige maanden
lang hoofdzakelijk met melk voeden. Van den beginne af zien zij er
minder plomp uit dan andere jonge dieren er is zelfs reden om ze lief
en grappig te noemen; gedurende den eersten tijd van hun leven houden
zij zich bij voorkeur onder den romp en tusschen de pooten van hun
moeder op, en verlaten deze veilige plaats ook dan niet als het oude
dier sneller begint te loopen. Naar het schijnt, staan zij gedurende
verscheidene jaren, althans tot aan de geboorte van een volgend jong,
onder de hoede van de ouders.
De Aziatische Olifant is inheemsch in de meeste, boschrijke gewesten
van zuidoost Azië, in Vóór-Indië van den voet van den Himalaja tot
aan de zuidspits, verder in Assam, Birma, Siam, op het Maleische
Schiereiland, en voorts in afnemend aantal op de twee naastbij gelegene
groote eilanden Ceylon en Sumatra. (De op Borneo levende Olifanten
zijn alle van Sumatra afkomstig.) Volgens Temminck en Schlegel vormen
de op Ceylon en Sumatra inheemsche Olifanten een afzonderlijke soort,
die onder den naam _Elephas sumatranus_ door hen beschreven werd,
maar slechts onbelangrijk van den Indischen Olifant verschilt. Deze,
hoewel in vele gewesten reeds uitgeroeid, of althans zeer in aantal
verminderd, bewoont binnen het zoo even genoemde verbreidingsgebied
alle groote en samenhangende wouden, het gebergte zoowel als de vlakte.
De _Afrikaansche Olifant_ (_Elephas africanus_) overtreft den Indischen
in grootte; zijn gedaante is over 't algemeen minder fraai; het is
echter te verwachten, dat men ook bij deze soort, evenals bij de
vorige, na nauwkeuriger onderzoek "slagen" zal leeren kennen, die
door uitwendige eigenschappen verschillen. Zijn romp is korter, maar
staat hooger op de pooten dan bij zijn stamgenoot, van wien hij zich
bovendien nog duidelijk onderscheidt door den platteren kop met meer
gewelfd voorhoofd, dunnere slurf, grootere slagtanden en veel grootere
ooren, door de meer gewelfde ruglijn, smallere borst en leelijker
pooten. Aan de voorpooten heeft hij vier, aan de achterpooten drie
hoeven, ofschoon het aantal teenen voor en achter vijf bedraagt.--De
plooien en groeven van de huid vormen een grover netwerk dan bij
den Indischen Olifant. Met uitzondering van een weinig beteekenende
haarlijst op den nek en tusschen de schouders, eenige wijd vaneen
geplaatste, soms wel 15 cM. lange, zwartbruine haren, die van de borst
en den buik afhangen en enkele borstels om de oogen en aan de onderlip,
ontbreekt de beharing geheel. De blauwachtig grijze, leikleurige huid
is gewoonlijk met vuil en stof bedekt en hierdoor vaalbruin.
Bij een door Kirk aan de oevers van de Zambesi gedooden, mannelijken
Olifant bedroeg de afstand van den spits van de snuit tot aan de kruin
2.75 M, de lengte van de gebogen lijn, die dit punt met den aanvang
van den staart verbindt, was 4.2 M., de staart had een lengte van 1.3
M.; de totale lengte bedroeg dus ruim 8 M. bij een schouderhoogte
van 3.14 M. En toch had dit dier nog geen hoogen leeftijd bereikt,
daar iedere slagtand slechts 15 KG. zwaar was.