bijna lederachtige hoornpantser, dat zijn lichaam bedekt, een der
merkwaardigste leden van het geheele dierenrijk. Dit zonderlinge
wezen is een dwerg in vergelijking met de andere Gordeldieren
en overtreft de kleinste, bekende Zoogdieren slechts weinig in
grootte. Door zijn vorm en meer nog door zijn levenswijze herinnert
het sterk aan de Mollen. Zijn kop is kort, de achterste helft breed,
de voorste toegespitst, en eindigt in een tamelijk korten, stompen
snuit. De oogen zijn klein en liggen verborgen onder de afhangende
haren. De op korten afstand achter de oogen gelegen ooren hebben geen
waarneembare oorschelp. In elke kaakhelft treft men acht kiezen aan
van zeer eenvoudig maaksel; zij zijn rolvormig en, met uitzondering
van de beide voorste in iedere kaak, die een weinig spits toeloopen,
aan de kauwvlakte afgeplat. De pooten zijn kort, de voorste ledematen
zeer krachtig, plomp en bijna op gelijke wijze als die der Mollen
samengesteld; de achterste daarentegen veel smaller dan de voorste,
met lange en smalle voeten voorzien. Alle teenen dragen middelmatig
scherpe klauwen; die van de voorvoeten zijn zeer groot en stevig
en vormen krachtige graafwerktuigen. De staart, die in een inham
van het pantser, dat het achterste deel van het lichaam bedekt,
vastgehecht is, maakt plotseling een benedenwaartsche kromming en
is tusschen de achterpooten door, langs het onderlijf teruggebogen,
zoodat hij geheel tegen den buik ligt.
De geheele bovenzijde van het lichaam wordt bedekt door een bijna
lederachtig, uit hoorn bestaand schild-pantser, dat tamelijk dik is
en minder buigzaam dan zoolleder, het begint op den kop, dicht bij de
spits van den snuit, en strekt zich over den geheelen rug tot op het
achterste deel van den romp uit, welks bovenvlakte hier rechthoekig
benedenwaarts gebogen is, waardoor het dier er uitziet, alsof het
afgeknot, verminkt werd. Dit pantser--dat meestal uit regelmatige
dwarse gordels of reeksen van grootendeels rechthoekige, gedeeltelijk
echter ruitvormige en ook wel onregelmatige, met knobbeltjes bezette
schilden bestaat--is geenszins, zooals bij de overige Gordeldieren,
overal stevig met de lichaamshuid verbonden, maar ligt er grootendeels
slechts los over heen. Volgens een lijn, die over het midden van den
rug loopt, is het door een vlies bevestigd aan de doornuitsteeksels van
de wervelkolom; bovendien is het door middel van twee schilden aan de
beide halfbolvormige uitsteeksels van het voorhoofdsbeen aangehecht;
daarentegen wijkt het aan de zijden van den romp van de oppervlakte
af en kan daar opgetild worden. Aan het voorste deel van den kop is
het pantser echter stevig met het geraamte verbonden en ook aan het
achterste deel van den romp, waar het een vlakke plaat vormt over het
afgeknotte deel van 't lichaam. Hoewel de ruimten tusschen de gordels
niet bijzonder groot zijn, laten zij toch een vrij groote buiging van
den romp toe; zelfs is er reden voor het vermoeden, dat dit dier zijn
lichaam tot een bal ineenrollen kan. Het volkomen onbeweeglijke, met
den staart slechts door een vlies verbonden pantser van het achterdeel,
dat een rechten hoek vormt met de as van lichaam en volkomen plat is,
bestaat uit 5 of 6 half-kringvormige reeksen van deels rechthoekige,
deels ruitvormige schildjes. Het geheele pantser is aan zijn bovenzijde
zoowel als aan het niet met de huid verbonden deel van de onderzijde
onbehaard en volkomen glad; alleen aan de onderranden bevinden zich
talrijke, tamelijk lange, zijdeachtige haren. Daarentegen is de
huid van het dier overal en zelfs onder de losse gedeelten van het
pantser, tamelijk dicht met lange, fijne en zachte, bijna zijdeachtige
haren begroeid, met uitzondering alleen van den staart, de zolen,
de spits van den snuit en de kin, die volkomen naakt zijn. De lengte
van het lichaam bedraagt 13 cM., zonder den 3.5 cM. langen staart;
de schouderhoogte is 5 cM.
In de dierkundige werken wordt van de levenswijze van de Gordelmuis
niet anders bericht, dan dat zij in zandige vlakten leeft en hier
op soortgelijke wijze als onze Mol in Europa, lange gangen onder
de oppervlakte van den grond graaft; met zorg vermijdt zij het
verlaten van haar onderaardsch paleis en komt waarschijnlijk alleen
bij toeval aan de oppervlakte van den bodem. Naar men zegt doorwoelt
zij met groote snelheid den grond, zij loopt er doorheen evenals de
Mol; aan de aardoppervlakte zijn hare bewegingen echter langzaam en
plomp. Hoogstwaarschijnlijk maakt zij jacht op Insecten en Wormen,
misschien behelpt zij zich soms ook met malsche wortels. Van haar
voortplanting weet men alleen, dat zij niet snel geschiedt. De
inboorlingen beweren, dat het wijfje hare jongen onder haar pantser
verborgen medevoert.
Men ziet hoe gebrekkig deze mededeelingen zijn, terwijl sommige
bovendien slechts op bloote vermoedens berustten. Des te aangenamer was
het mij, van Göring nog iets over dit dier te vernemen: "De Schildmol
leeft niet alleen in Mendoza maar ook in San Louis" (beide staten van
de Argentijnsche Republiek, aan of bij de Chileensche grens). "De
Spanjaarden noemen hem _Bicho ciego_, omdat zij meenen, dat hij
geheel blind is; enkele geven hem echter den naam _Juan calado_ ('Jan
Kant'). Dit diertje bewoont zandige, droge, steenachtige gewesten,
hoofdzakelijk zulke, die met doornplanten en cactussen begroeid
zijn. Over dag houdt het zich steeds verborgen onder den grond;
des nachts echter verschijnt het ook aan de oppervlakte, vooral bij
maneschijn loopt het buiten zijn hol rond, het liefst onder struiken."
Men vangt dit dier niet anders dan bij toeval, vooral bij het graven
van de besproeiingskanalen, die aangelegd moeten worden daar, waar
men den bodem bebouwen wil. Eenige malen is het ook bij de vangst
van andere Gordeldieren mede gevangen geworden. In den laatsten
tijd heeft men zich, om aan de veelvuldige aanzoeken te voldoen,
wat meer moeite gegeven om Schildmollen te vangen; dit kost echter,
naar het schijnt, veel moeite, daar Göring, die zich 7 maanden lang
in deze streken ophield, in weerwil van alle pogingen, die hij deed
en de verlokkendste beloften, geen enkel levend of versch gedood
exemplaar meester kon worden. Ook thans nog is de "Bicho ciego" een
voorwerp van bewondering voor de inboorlingen. Zij laten ieder door
hen gevangen exemplaar zoo lang leven, als het bij de gebrekkige
zorg die zij er aan wijden, leven kan en bewaren het vervolgens
als een groote merkwaardigheid, zoo goed hun dit mogelijk is. Over
't algemeen hebben de Zuid-Amerikanen de gewoonte om dieren, die
hun merkwaardig voorkomen, in gevangenschap te houden, zonder er
evenwel aan te denken ze ook goed te verzorgen. Daar deze menschen
het prepareeren en opzetten van dieren niet kennen, vindt men de
Schildmollen bij hen alleen in den toestand van mummiën.
De _Schubdieren_ (_Manididae_) komen door lichaamsvorm en levenswijze
met de Miereneters overeen, maar vormen toch een familie op zich
zelf, die van de zooeven genoemde duidelijk onderscheiden is. Het
lichaam van de Schubdieren is n.l. aan de bovenzijde bedekt met
groote, plaatvormige hoornschubben, die elkander dakpansgewijs of
liever als de schubben van een dennekegel bedekken. Deze bedekking,
het voornaamste kenteeken der familie, is eenig in haar soort; want
het pantser van de Gordeldieren en van de Gordelmuizen vertoont
slechts een verwijderde overeenkomst met de bedoelde eigenaardige
hoornvormingen, die wat haar vorm betreft, eerder met de schubben
van een Visch of van een Kruipend Dier vergeleken kunnen worden dan
met eenig voortbrengsel van de huid van een Zoogdier.
Tot nauwkeuriger omschrijving van de Schubdieren moge het volgende
dienen: De romp is gestrekt, de staart lang, de kop klein, de snuit
kegelvormig toegespitst; de vóór- en achterpooten zijn kort, hunne
voeten hebben vijf teenen, die met stevige, voor 't graven geschikte
klauwen gewapend zijn. Slechts aan de keel, de onderzijde van den romp
en de binnenzijde der pooten ontbreken de schubben, terwijl het geheele
overige deel van het lichaam door het "schobbejak" omhuld is. Alle
schubben zijn met de eene spits in de lichaamshuid vastgehecht;
zij hebben een ruitvormige gedaante, zijn aan de randen zeer scherp
en bovendien buitengewoon hard en vast. Door deze inrichting kan het
lichaam tamelijk goed in alle richtingen bewogen worden; de schubben
zelf kunnen trouwens even goed zijdelings heen en weer geschoven,
als opgericht en tegen het lichaam aan gelegd worden.
Tusschen de schubben in en op de ongeschubde lichaamsdeelen staan dunne
haren, die echter soms aan de buikzijde volkomen wegslijten. De snuit
is ongeschubd, maar met een stevige, hoornachtige huid bedekt. De kaken
zijn volkomen tandeloos. Een eigenaardige, breede spier, die evenals
bij den Egel onder de huid gelegen is, dient voor het ineenrollen of
in een bol veranderen van het lichaam. De tong is tamelijk lang en
vooruitsteekbaar; buitengewoon groote speekselklieren leveren haar
het noodige slijm om het voedsel, dat uit Insecten, waarschijnlijk
vooral uit Mieren en Termieten, bestaat, er aan te doen kleven.
Een groot deel van Afrika en geheel Zuid-Azië alsmede eenige naburige
eilanden vormen het vaderland van deze vreemdsoortige dieren; zij
houden zich op in steppen en boschstreken, in de gebergten zoowel als
in de vlakten. Waarschijnlijk bewonen zij alle holen, die door hen
zelf gegraven zijn en leven hierin eenzaam en ongezellig. Evenals
hunne verwanten verbergen zij zich over dag, en bewegen zich 's
nachts. Aan gevangen Schubdieren heeft men opgemerkt, dat zij over
dag slapen en dan ineengerold zijn, zoodat de kop onder den staart
verborgen is. Als de schemering aanvangt, ontwaken zij en zwerven
daarna rond om voedsel te zoeken.
De Schubdieren maken bij het gaan hoofdzakelijk gebruik van de
achterste ledematen, die met de geheele zool op den grond rusten,
richten het sterk gekromde lichaam naar voren, buigen den kop ter
aarde en laten de voorpooten hangen, zoodat de klauwen bijna den
bodem raken. Soms wordt ook de staart tegen den grond gedrukt tot
ondersteuning van het lichaam gedurende het gaan; het dier kan zijn
evenwicht echter ook behouden, wanneer het den staart recht uitgestrekt
of met de spits naar boven gekromd draagt.
Hunne bewegingen zijn volstrekt niet zoo langzaam en traag, als vroeger
beweerd werd. Van een in Liberia waargenomen soort (_Manis gigantea_)
zegt Büttikofer: "Dit dier loopt, in tegenstelling met hetgeen de
boeken er van vermelden, zeer snel, zoodat een man het bijna niet
zou kunnen inhalen en richt zich, terwijl het vlucht, soms op de
achterpooten en den staart op, om achterwaarts te zien; het laat dan
de voorpooten hangen." Bovendien bevestigt onze zegsman het feit, dat
twee Afrikaansche soorten eveneens goede loopers zijn en bovendien
behendig in de boomen kunnen klimmen; van de laatstbedoelde zegt
hij: "Deze dieren worden tam en kunnen langen tijd in huis gehouden
worden, waar men ze vrij laat rondloopen, omdat zij ijverig jacht
maken op Mieren, Kakkerlakken en andere lastige Insecten. Zij zijn
zeer behendig en beklimmen in een ommezien de daken der huizen en de
stammen der boomen."
Als zij behoorlijk verzorgd worden, verdragen de Schubdieren geruimen
tijd het leven in de gevangenschap. Ook raken zij tamelijk spoedig
gewoon aan melk, brood, ja zelfs aan graankorrels, hoewel Insecten
steeds hun liefste voedsel blijven uitmaken. Het vleesch van de
Schubdieren wordt door de inboorlingen gegeten en als smakelijk
geroemd; het pantser dient bij sommige volksstammen tot het opsieren
van verschillende gereedschappen.
Het _Langstaartige Schubdier_ (_Manis longicaudata_) heeft een totale
lengte van 1 à 1.3 M., waarvan bijna twee derden op den staart
komen. Bij jongere dieren is de staart voluit het dubbele van het
overige lichaam; naarmate het dier ouder wordt, wijzigt zich deze
verhouding eenigszins. De schubben bedekken, met uitzondering van het
onderste deel van de buitenzijde der voorpooten, de geheele boven-
en buitenzijde van den romp en van den staart, van dezen ook nog de
onderzijde; de niet geschubde lichaamsdeelen zijn met stijve borstels
begroeid. Het aangezicht en de keel schijnen bijna geheel kaal. De
buitengewoon stevige en aan de randen scherpe schubben zijn op het
midden van den rug het grootst. De algemeene kleur van het dier is
zwartachtig bruin met een roodachtige tint; iedere schub afzonderlijk
is aan den voet zwartbruin en langs de randen geelachtig gezoomd. De
borstelige haren zijn zwart. Het vaderland van dit dier is West-Afrika.
Het eerste uitvoerige bericht over de levenswijze van dit Schubdier
danken wij aan Desmarchais: "In Guinea vindt men in de wouden een
viervoetig dier, dat de Negers _Quoggelo_ noemen. Het is van den hals
tot aan de spits van den staart met schubben bedekt, die bijna den
vorm hebben van de bladen van artisjokken, maar een weinig spitser
toeloopen. Overal dicht opeengedrongen, zijn zij dik en stevig genoeg
om het dier te beschutten tegen de klauwen en tanden van andere
dieren, die het aanvallen. De Luipaarden vervolgen het onophoudelijk
en bereiken het zonder moeite, daar het op lange na niet zoo snel
loopt als zij. Het vlucht, maar wordt spoedig ingehaald. Zoomin met
de klauwen als met den bek, kan het zich tegen de vreeselijke tanden
en klauwen van de Roofdieren verweren. Daarom rolt het zich ineen en
slaat den staart onder den buik, zoodat de spitsen van de schubben
allerwege naar buiten gekeerd zijn. De groote Katten rollen het zacht
met de klauwen heen en weer, steken zich echter zoodra zij het steviger
aangrijpen en zien zich genoodzaakt het met vrede te laten. De Negers
slaan het met stokken dood, trekken het de huid af, die zij aan de
blanken verkoopen, en eten zijn vleesch. In zijn snuit, die men met
een eendensnavel zou kunnen vergelijken, ligt een zeer lange, kleverige
tong, die het in de gaten der mierenhoopen steekt of op hun weg legt;
de Mieren, door den reuk aangelokt, begeven zich dadelijk op deze tong
en blijven er aan hangen. Bemerkt het dier, dat zijn tong met Insecten
bedekt is, dan trekt het haar in den bek terug en houdt zijn maal."
De _Pangolin_ (_Manis pentadactyla_) heeft een korten staart en
een volledig pantser op de buitenzijde van de voorpooten. Dit dier
bewoont Vóór-Indië en Ceylon, bij voorkeur heuvelachtige gewesten;
het komt echter nergens talrijk voor. Reeds Aelianus bericht, dat er
in Indië een dier voorkomt, dat er als een Landkrokodil uitziet.
Van de overige Schubdieren, met uitzondering van het Steppen-schubdier,
onderscheidt de Pangolin zich door zijn grootte en bovendien, doordat
zijne schubben, die op 11 à 13 reeksen geplaatst zijn, op den rug
en den staart zeer breed en nergens gekield zijn. Een volwassen
mannetje kan wel 1.3 M. lang worden; hiervan komt ongeveer de helft
op den staart.
Ook van deze soort is de levenswijze ons slechts zeer onvolledig
bekend. Het dier graaft gangen, die over een afstand van 2 à
4 M. schuins naar beneden gericht zijn en in een groote kamer
uitkomen. Hier leven de Schubdieren paarsgewijs; waarschijnlijk van
Januari tot Maart vindt men 1 of 2 jongen bij hen. Als zij in het hol
zijn, verstoppen zij gewoonlijk den ingang zoo goed met aarde, dat deze
niet gemakkelijk gevonden zou worden, zonder het eigenaardig spoor,
dat er om heen leidt. Burt verhaalt, dat de Pangolin niets anders
dan Mieren eet en er zeer vele verdelgt, maar dat hij ook 2 maanden
achtereen zonder voedsel in 't leven kan blijven, dat hij 's nachts
rondzwerft en in de gevangenschap zeer onrustig is, zich tamelijk snel
kan bewegen en, als men hem aanvat, zich bedaard bij den staart laat
opnemen, zonder de minste poging te doen om zich tegen zijn vijand
te verweren, enz. De Chineezen vervaardigen pantsers uit zijn huid.
Het _Javaansche Schubdier_ (_Manis javanica_) bewoont op Java,
Sumatra en Borneo bosschen, liefst in bergachtige streken. Het klimt
in de boomen en vindt een schuilplaats in boomspleten of tusschen
bovenaardsche boomwortels, vooral van _Ficus_-soorten, minder dikwijls
in rotsholen. Het maakt jacht op Mieren en Termieten, welker nesten
het opengraaft, voorts op andere Insecten, Wormen, enz. Zijn vleesch
wordt vrij algemeen door de inlanders gegeten en van zijne schubben
worden soms ringen vervaardigd, die als amuletten tegen allerlei
kwalen gebruikt worden. "Meermalen," schrijft Haszkael, "heb ik op
Java Schubdieren gekocht, maar ze nooit lang behouden, daar ik ze, bij
gebrek aan een betere bergplaats, in navolging van de inboorlingen,
met een touw, dat aan een vooraf doorboorde schub was vastgemaakt,
aan een boom moest binden. Zij klommen zeer snel en behendig in den
boom; ook op den grond bewegen zij zich vermoedelijk vrij goed: ik kon
mijne gevangenen, als zij, hun doorboorde schub in den steek latend,
ontvluchtten, nooit weder krijgen."
Een betrekkelijk korte, breede, eerst bij de spits dunner
wordende en daar plotseling stomp afgeronde staart komt voorbij
het _Steppen-schubdier_ (_Manis Temminckii_), de _Aboe-Khirfa_
("Schors-vader") van de nomaden van Kordofan. Wat grootte en vorm
betreft komt het nog het meest met den Pangolin overeen. De kop
is kort en dik, de romp breed, de staart ongeveer zoo lang als het
overige lichaam. Eivormige schubben bedekken den kop; zeer groote,
aan den wortel fijn overlangs gegroefde, aan de spits gladde schubben
vormen aan de rugzijde van den romp 11 à 13, op het voorste deel van
den staart 5 en bij de spits 4 reeksen. Volwassen mannetjes bereiken
een lengte van ongeveer 80 cM., met inbegrip van den ongeveer 30
cM. langen staart. Het Steppen-schubdier bewoont voornamelijk Oost-
en Zuid-Afrika, maar wordt ook in West-Afrika, gevonden; het vindt
in de aan Termieten zoo rijke steppen een overvloed van voedsel en
de gewenschte eenzaamheid. Het graaft en bewoont gaten in den grond,
welke nooit zoo diep zijn als die van het Aardvarken en waaruit het
eerst na het begin van de schemering te voorschijn komt. Het is
zoomin behendig als vlug en niet in staat zich tegen vijanden te
verdedigen. Mieren, Termieten, Sprinkhanen, Kevers, misschien ook
Wormen maken zijn voedsel uit.
Ik zag een van deze merkwaardige wezens levend bij een koopman in
Khartoem, die het met melk en wittebrood voedde. Het was, evenals de
overige leden van zijn geslacht, volkomen onschadelijk; men kon met
hem doen, wat men wilde. Over dag lag het ineengerold in den een of
anderen hoek, 's nachts kwam het te voorschijn; het at met de tong,
die het telkens in de melk dompelde en waaraan de wittebroodkruimels
zich hechtten.
In de laatste familie vereenigen wij de _Aardvarkens_
(_Orycteropodidae_), plompe dieren, met dikken, loggen romp, die
met een ijl, borstelig haarkleed bedekt is, met dunnen hals, langen,
slanken kop met rolvormigen snuit, middelmatig langen, kegelvormigen
staart en korte, betrekkelijk dunne pooten, waarvan de voorste vier,
de achterste vijf teenen hebben, die met zeer stevige, bijna rechte en
platte, aan de randen scherpe, hoefachtige nagels voorzien zijn. De
bek is tamelijk groot, de oogen staan ver naar achteren, de ooren
zijn lang. Bij het jonge dier bevat elke bovenkaakshelft 8, elke
onderkaakshelft 6 kiezen; bij oude dieren daarentegen is het aantal
kiezen in elke reeks verminderd tot 5 boven en 4 onder; deze kiezen
zijn rolvormig, wortelloos, uit tallooze fijne buisjes samengesteld,
die op de kauwvlakte gesloten, aan het tegenovergestelde uiteinde
echter open zijn.
Het _Kaapsche Aardvarken_ (_Orycteropus capensis_) bereikt een
lengte van ongeveer 2 M., met inbegrip van den ongeveer 85 cM. langen
staart, en een gewicht van 50 à 60 KG. De huid is zeer dik, met glad
neerliggende en tamelijk wijd uiteenstaande, borstelachtige haren
bekleed; het haar van de bovenzijde van 't lichaam is iets korter
dan dat van de onderzijde, waar het, vooral aan den oorsprong der
teenen, bosjes vormt. De kleur is zeer gelijkmatig: de rug en de
zijden zijn geelachtig bruin met een roodachtig waas, de onderzijde
en de kop licht roodachtig geel, het achterdeel, de staartwortel en
de ledematen bruin. Pas geboren jongen zijn vleeschkleurig.
De Hollandsche Boeren in Zuid-Afrika hebben dit dier "Aardvarken"
genoemd, omdat zijn vleesch in smaak overeenkomt met dat van het
Wilde Zwijn; reeds sinds lang maken zij er ijverig jacht op; zij
hebben het hierdoor goed leeren kennen.
Het Aardvarken komt voor in Zuid- en Midden-Afrika, van de oostkust
tot aan de westkust; evenals de Gordeldieren bewoont het bij voorkeur
het vlakke land, woestijnachtige gewesten en steppen, waar Mieren en
Termieten talrijk zijn. Het is een eenzaam levend dier; hoewel men
het soms in gezelschap van zijne soortgenooten aantreft, heeft het met
deze geen omgang; over dag slaapt het in groote, zelf gegraven holen,
des nachts zwerft het rond.
Het heeft een ongeloofelijke bekwaamheid in 't graven. Weinige
oogenblikken heeft het maar noodig om zich geheel in den grond te
verbergen, hoe hard de bodem ook moge zijn. Als het bij een Mieren-
of Termieten-woning komt, besnuffelt het deze eerst zorgvuldig aan
alle zijden, en tijgt dan aan den arbeid: het wroet in den grond,
totdat het de belangrijkste afdeeling van het nest of althans
een hoofdverkeersweg van de Insecten bereikt heeft. In zulke
hoofdgangen nu steekt het Aardvarken herhaaldelijk zijn lange,
kleverige tong, wacht totdat deze geheel met Insecten bedekt is,
trekt haar dan in den bek terug, en herhaalt deze beweging zoolang,
totdat het volkomen verzadigd is. Zoo wordt het eene nest na het
andere geplunderd, en onder de alles vernielende Termieten een groote
slachting anngericht. Geen dier is in staat het Aardvarken in zijn
hol te vervolgen, daar het de uitgegraven aarde met zooveel kracht
achteruitwerpt, dat de aanvaller zich verschrikt terugtrekt. Zelfs
voor den mensch is het moeilijk hem op te delven, en ieder jager,
die dit beproeft, wordt na weinige minuten volkomen met aarde bedekt.
Het Aardvarken is buitengewoon voorzichtig en schuw, en begraaft
zich ook 's nachts bij het geringste gedruisch onmiddellijk in den
grond. Door zijn groote lichaamskracht is het trouwens in staat aan
velerlei gevaren het hoofd te bieden. De jager, wien het gelukt een
Aardvarken te overrompelen en vast te houden, is hierdoor nog volstrekt
niet zeker van den gewenschten buit. Evenals het Gordeldier drukt het
zich, zelfs wanneer het slechts halverwege in zijn hol doorgedrongen is
met al zijn kracht tegen de wanden, houdt zich met de scherpe klauwen
er stevig aan vast, kromt den rug en drukt hem met zooveel geweld
naar boven, dat het nagenoeg onmogelijk is, ook maar een enkelen poot
los te rukken en het dier uit den grond te trekken. Zelfs voor de
vereenigde krachten van verscheidene mannen is dit werk zwaar genoeg.
Nauwkeurige berichten over de voortplanting ontbreken tot dusver.
In de laatste tientallen jaren is het Aardvarken herhaaldelijk naar
Europa gebracht; men heeft het hier bij behoorlijke verzorging meer
dan een jaar lang in 't leven kunnen houden. Het wordt gevoederd
met fijn gehakt vleesch, rauwe eieren, mierenpoppen en meelbrij,
waardoor echter het voedsel dat het in de vrije natuur gebruikt,
slechts op een zeer onvoldoende wijze wordt vervangen.
Alleen in gewesten, die dikwijls door karavanen worden bezocht, wordt
het Aardvarken den mensch schadelijk door zijn graven; overigens
veroorzaakt het eerder nut dan schade. Het vleesch gelijkt op dat
van 't Zwijn en wordt soms uitmuntend, soms taai en kwalijk riekend
genoemd; de dikke, stevige huid wordt tot leder verwerkt.
Negende Orde.
De Slurfdieren (Proboscidea).
Als een uitstervend geslacht, als de laatste afstammelingen van een
voormaals talrijkere Zoogdieren-groep, treden de _slurfdieren_ voor
ons. Zij maken den indruk van levende getuigen uit vroegere tijdperken
van de ontwikkelingsgeschiedenis der dierenwereld, van wezens uit den
vóórtijd, die aan het lot, dat hunne stamgenooten getroffen heeft,
ontkomen zijn, en tot den tegenwoordigen tijd gespaard bleven.