De _Gordeldieren_ (_Dasypodidae_) zijn, evenals de Luiaards, ontaarde

afstammelingen van een familie, die vroeger van grootere beteekenis

was, dan nu. In vergelijking met sommige van hunne verwanten uit

den voortijd moet men ze als dwergen beschouwen. Sommige van deze,

die een rugpantser hadden uit onbewegelijk aaneengevoegde beenplaten

samengesteld (_Glyptodontia_), bereikten de afmetingen van een

Neushoorndier, o.a. _Panochthus tuberculatus_; de grootste soorten

van het geslacht _Glyptodon_ werden 2 M. lang en 1.2 M. hoog; het

rugpantser van _Glyptodon reticulatus_ had een lengte van 1.6 M. en

een hoogte van 1 M. Sommige soorten van andere geslachten hadden

minstens den omvang van een Rund; _Doedicurus clavicaudatus_ b.v. was

3.6 M. lang. [Nog grooter waren echter de nauw aan de Luiaards verwante

_Gravigraden_: het in 1789 te Lujan bij Buenos Aires uitgegraven skelet

van _Megatherium Cuvieri,_ dat zich in 't museum te Madrid bevindt,

had een lengte van 4.5 M. bij een hoogte 2.5 M. Uit den bouw der

ledematen van dezen _Reuzenluiaard_ blijkt, dat hij zich slechts

langzaam en onbeholpen over den bodem kon voortbewegen, en dat de

voorpooten grijporganen waren, die vermoedelijk dienden om takken

en twijgen af te breken, of zelfs om geheele boomen om te werpen,

terwijl het gewicht van het lichaam door de achterpooten en den staart

werd gedragen.] De hedendaagsche Gordeldieren worden slechts 1.5 M.,

zonder den staart echter slechts 1 M. lang. Alle gordeldieren zijn

plompe wezens met een, wegens den langen snuit, langwerpigen kop,

waarboven groote varkensooren uitsteken, met een stevigen staart en

korte pooten, die zeer krachtige, voor 't graven geschikte klauwen

dragen. Den naam ontleenen zij aan het eigenaardige maaksel van hun uit

beenplaten samengesteld, door de lederhuid gevormd pantser, dat bedekt

is door een opperhuid, welker buitenste laag verhoornt. Het pantser

van de meeste soorten bestaat uit drie afdeelingen: een onbeweeglijk

voorste of _schouderschild_, een uit beweeglijke dwarsringen of

gordels samengesteld _middelschild_, en een onbeweeglijk _kruis_ of

_bekkenschild_. Door de beweeglijke gordels onderscheidt zich dit

pantser van het schubbenkleed van andere Zoogdieren. De middelste

gordels, die voor de onderscheiding van de soorten van belang zijn,

hoewel hun aantal ook bij de dieren van dezelfde soort niet altijd

even groot is, bestaan uit langwerpige, vierhoekige platen, terwijl

het schouderschild en het kruisschild gevormd worden door dwarsrijen

van vier- of zeshoekige platen, waartusschen kleine, onregelmatige

platen gelegen zijn. De voorrand van iederen gordel wordt in den regel

door den achterrand van den voorafgaanden gordel bedekt. Bij eenige

soorten is het geheele rugpantser uit zulke bewegelijke dwarsringen

samengesteld. De kop, de staart en de buitenzijde van de ledematen

worden door kleinere beenplaten beschermd. Alleen de bovenzijde van

deze dieren is gepantserd; de onderzijde van den romp is met meer of

minder grove, borstelige haren bedekt; zulke borstels komen ook op

vele plaatsen tusschen de schilden te voorschijn.

Bij geen enkele Zoogdieren-familie varieert een aantal tanden zoo

sterk als bij de Gordeldieren. Eenige soorten hebben zooveel tanden,

dat de naam Tandeloozen, op hen toegepast, eerst dan eenige beteekenis

krijgt, wanneer men er de nadruk op legt, dat de tusschenkaaksbeenderen

altijd tandeloos zijn, of wanneer men op de gebrekkigheid van de tanden

wijst. Tot dusver heeft men nog niet eens met voldoende zekerheid

kunnen bepalen, hoeveel tanden deze of die soort van Gordeldieren

bezit, want ook binnen de grenzen van de soort komen er ten aanzien van

het aantal tanden belangrijke afwijkingen voor. Over 't algemeen kan

men zeggen, dat dit getal nooit geringer is dan acht in elke kaakhelft,

en dat het stijgen kan tot 26 aan elke zijde van de bovenkaak, en 24

aan elke zijde van de onderkaak, zoodat het geheele aantal tanden 100

kan bedragen. Ondanks dit groot aantal tanden is het gebit van weinig

beteekenis; door hun onvolkomen samenstelling hebben zij als 't ware

opgehouden tanden te zijn. Zij gelijken op zijdelings samengedrukte

cylinders, hebben geen echte wortels, missen het email en wisselen ook

in groote aanmerkelijkheid af. Gewoonlijk nemen zij van den eersten

tot ongeveer den middelsten allengs aan grootte toe, en daarna naar

achteren langzamerhand af, maar ook deze verhouding is geen doorgaande

regel. Bovendien zijn de tanden buitengewoon zwak. Wel grijpen zij in

elkander, maar het dier is niet in staat met kracht toe te bijten of

te kauwen.--De tong gelijkt eenigszins op die van den Miereneter,

maar is veel korter en kan niet zoo ver buiten den bek gestoken

worden; zij is driekantig toegespitst en met kleine verhevenheden

bezet. Door buitengewoon groote speekselklieren in de onderkaak,

wordt zij voortdurend bedekt gehouden met een kleverig slijm.

Alle Gordeldieren zijn bewoners van het Zuid-Amerikaansche faunistische

rijk tot aan Mexico. Zij bewonen schaars begroeide en zandige vlakten

en velden, en komen niet verder dan tot aan den woudzoom, zonder in

dezen door te dringen. Slechts gedurende de paring komen verscheidene

individuën van dezelfde soort bijeen; gedurende het overige deel van

't jaar leeft ieder Gordeldier afzonderlijk, en bekommert zich niet

veel om de andere levende wezens, met uitzondering van die, welke

het tot voedsel dienen. Alle Gordeldieren verbergen zich over dag

zooveel mogelijk en graven daarom gangen, die bij de meeste geen groote

uitgestrektheid hebben; één soort leeft echter, evenals de Mol, onder

den grond. De overige graven hunne holen bij voorkeur aan den voet van

groote Mieren- of Termietenwoningen; omdat hun voedsel hoofzakelijk

bestaat uit Insecten en hunne larven, vooral echter uit Mieren en

Termieten. Wormen en Slakken worden, als de gelegenheid zich voordoet,

ook opgegeten; doode dieren, die in ontbinding verkeeren, worden

evenmin versmaad; sommige houden ook veel van plantaardig voedsel.

Zoodra 's avonds de duisternis invalt, verschijnen de gepantserde

dieren voor hunne onderaardsche woningen, en zwerven een tijd lang

rond, waarbij zij zich langzaam stappend van de eene plaats naar de

andere begeven. De vlakke bodem is hun eigenlijk rijk; hier zijn

zij te huis zooals weinig andere dieren. Zoo langzaam en traag

zij schijnen, als zij gaan of op een andere wijze zich bewegen,

zoo snel en behendig zijn zij, als het hun doel is in den grond te

graven. Als zij opgejaagd, verschrikt of vervolgd worden, weten zij

niets beters te doen, dan zich in den volsten zin van het woord aan

den grond toe te vertrouwen. En zij verstaan het graven werkelijk

zoo goed, dat zij letterlijk voor de oogen van den toeschouwer in den

grond wegzakken. Omdat zij zoo geheel en al het vermogen om zich te

verdedigen missen, zouden zij weerloos aan hunne vijanden overgeleverd

zijn, indien zij niet in staat waren hun op deze wijze te ontkomen. Wel

is waar is één soort in staat om zich tot een bal op te rollen als onze

Egel; hij doet dit echter alleen in den uitersten nood, om vervolgens

zoo schielijk mogelijk weder te gaan graven en zich in den grond te

verbergen. Deze oogenschijnlijk zoo stumperachtige dieren weten zich

trouwens ook wel in 't water te redden.

De Gordeldieren zijn onschadelijke, vreedzame, stompzinnige wezens,

zonder eenige in 't oog loopende geestesgaven. Hun stem bestaat uit een

knorrend geluid, zonder kleur of uitdrukking. Ook de Gordeldieren staan

aan den vooravond van hun algeheele uitroeiing. Hun vermenigvuldiging

is gering. Wel werpen eenige soorten tot aan 9 jongen; deze groeien

echter zoo buitengewoon langzaam, en zijn evenals hunne ouders zoo

weinig opgewassen tegen hunne vijanden, dat er bij geen enkele soort

sprake kan zijn van toeneming van het aantal.

De _Gordeldieren_ of _Armadillen_ (_Dasypus_) hebben alle nagenoeg

dezelfde gestalte. De op korte pooten rustende romp is gedrongen,

de kegelvormige staart middelmatig lang, gepantserd en stijf,

de pantserschilden beenig en volkomen met de onderliggende deelen

vergroeid. Het middelschild bestaat uit zes of meer beweeglijke

gordels. Alle voeten hebben vijf teenen; de klauwen van de voorvoeten

zijn zijdelings samengedrukt, de buitenste een weinig naar buiten

gedraaid.

Alle Gordeldieren dragen in de Guaranische taal den geslachtsnaam

_Tatoe_, die ook in de Europeesche talen is overgenomen. De naam

"Armadil" is van Spaanschen oorsprong en beteekent eigenlijk

"gepantserd", "met een harnas voorzien." Deze naam wordt bij voorkeur

gebruikt voor het _Zesgordelige Gordeldier_, terwijl men voor de

overige soorten den Guaranischen of anderen vaderlandschen naam

behouden heeft.

Een van de meest bekende Gordeldieren--de _Tatoepoyoe_ der Guarani,

d.i. de "Tatoe met de gele hand", ons _Borstelig Gordeldier_ (_Dasypus

villosus_),--dat de Pampas van Buenos Aires bewoont, heeft van al zijne

verwanten het leelijkste en plompste voorkomen. De nek is voorzien

met een kraag van 9 naast elkander gelegen, langwerpig vierhoekige

schildjes; op het voorste deel van den rug bevinden zich aan elke

zijde zeven, in het midden vijf overlangsche reeksen van onregelmatig

zeshoekige platen. Op dit schouderschild volgen zes van elkander

gescheiden, beweeglijke gordels, die uit langwerpig vierhoekige

schildjes zijn samengesteld; hierna komt het kruis- of bekkenschild,

dat uit tien reeksen van langwerpig vierhoekige schildjes bestaat. Het

dichtst bij den romp gelegen deel van den staart is gepantserd met

vijf beweegbare gordels, die uit vierhoekige schildjes samengesteld

zijn; het overige deel van den staart is met onregelmatig zeshoekige

schildjes bedekt. De kop is aan de bovenzijde door een groep van

onregelmatig zeshoekige schildjes beschut, dit kopschild heeft

boven ieder oog een inham. Onder ieder oog bevinden zich eenige

samenhangende, horizontale en aan den hals twee dwarsloopende, niet

samenhangende reeksen van schildjes. Ook de bovenzijde van de voeten

en de voorzijde van den voorarm zijn met onregelmatig zeszijdige

schubben bezet. Alle pantserplaten zijn bruinachtig geel van kleur;

door schuring tegen de wanden van het hol worden zij soms lichtgeel. De

overige lichaamsdeelen zijn bedekt met een bruinachtige, gerimpelde

huid, die met talrijke platte wratten bezet is. Lichtkleurige haren

staan langs den achterrand van de gordels en van eenige andere reeksen

van schildjes; met bruine haren zijn de niet gepantserde lichaamsdeelen

begroeid. De lichaamslengte bedraagt 50 cM. zonder den 24 cM. langen

staart, de schouderhoogte 24 cM.

Het _Zesgordelige Gordeldier_ (_Dasypus sexcinctus_) gelijkt op

de vorige soort en is met inbegrip van den 20 cM. langen staart

55 à 60 cM. lang. Het heeft achter en tusschen de ooren een uit

acht stukken bestaande reeks van schildjes, zes breede gordels zijn

gelegen tusschen het schouderschild en het bekkenschild. Het pantser

is bruinachtig geel, aan de rugzijde donkerder; de gewone huid is

bleek bruinachtig geel.

De Gordeldieren blijven niet in een bepaald gebied, maar veranderen

dikwijls van leger. Dit bestaat uit een gangvormig, 1 à 2 M. lang hol,

dat door henzelf gegraven wordt. De opening van dit hol is kringvormig

en heeft, al naar de grootte van het dier, een middellijn van 20 à

60 cM.; nader bij het blind loopende uiteinde wordt de gang wijder;

het laatste gedeelte is kamervormig, zoodat de bewoner zich onder den

grond gemakkelijk omdraaien kan. In de wildernis gaan deze dieren,

als de lucht bewolkt is en het felle zonlicht hen dus niet hindert,

ook over dag uit; in bewoonde gewesten verlaten zij hunne holen niet

voordat de schemering aanvangt, maar zwerven dan ook gedurende den

ganschen nacht rond. Het schijnt hun tamelijk onverschillig te zijn,

of zij hun hol terugvinden of niet; als zij den weg gemist hebben,

graven zij zonder aarzeling een nieuw hol. Hiermede beoogen zij

een tweeledig doel, zooals reeds door Azara werd opgemerkt en door

andere natuuronderzoekers bevestigd: de Gordeldieren leggen hunne holen

hoofdzakelijk onder Mieren- en Termietenhoopen aan om in de gelegenheid

te zijn, hun belangrijkste voedsel ook over dag in te zamelen.

Behalve uit Mieren en Termieten bestaat het voedsel van de Gordeldieren

hoofdzakelijk uit Kevers en hunne larven, uit Rupsen, Sprinkhanen

en Aardwormen. Het staat bovendien onwedersprekelijk vast, dat zij

ook plantaardig voedsel gebruiken; uit het onderzoek van de maag van

gedoode dieren is dit gebleken.

Het is licht te begrijpen, dat de omzwervingen van den Armadil altijd

slechts binnen een beperkten kring kunnen plaats hebben. De gewone gang

van deze dieren is een langzame draf, de eenige versnelling, die zij

er in kunnen aanbrengen, is het schielijker verplaatsen van de pooten;

toch kunnen zij op deze wijze zoo snel vooruitkomen, dat een mensch ze

niet kan inhalen. Het is voor hen een onmogelijkheid sprongen te maken

of zich snel en behendig om te draaien. De zwaarlijvigheid verhindert

gene, het nauwsluitend pantser deze verrichting. Zij kunnen dus,

als zij aan hun gang de grootst mogelijke snelheid willen geven,

niets anders doen dan in rechte richting voortdraven of een zeer

grooten boog beschrijven; zij zouden weerloos aan hunne vijanden prijs

gegeven zijn, indien zij niet andere kunststukken verstonden. Wat

aan hun behendigheid ontbreekt, wordt door hun groote spierkracht

vergoed. Deze openbaart zich vooral in de snelheid, waarmede zij zich

in den grond verbergen, zelfs op plaatsen waar een houweel slechts

met moeite doordringt, b.v. aan den voet van Termieten-heuvels. Een

volwassen Tatoe, die een vijand in de buurt bespeurt, heeft slechts 3

minuten noodig om een gang te graven, die aanmerkelijk langer is dan

zijn lichaam. Zoodra zij zich zoover hebben ingegraven, dat hun lichaam

geheel in den gang is doorgedrongen, is zelfs de sterkste man niet meer

in staat, om ze aan den staart rugwaarts uit hun hol te trekken. Daar

hunne holen nooit wijder zijn dan voor het binnensluipen juist noodig

is, hebben zij eenvoudig hun rug eenigszins te krommen om te maken,

dat de randen van de gordels aan de rugzijde en de scherpe klauwen

aan de buikzijde den weerstand zoozeer doen toenemen, dat niemand

dien overwinnen kan.

Het wijfje werpt in den winter of in het voorjaar 4 à 6 jongen

en houdt ze gedurende eenige weken zorgvuldig in haar hol

verborgen. Waarschijnlijk duurt de zoogtijd niet lang, want men ziet

de jongen spoedig in 't veld rondloopen. Zoodra zij eenigszins in

staat zijn om zichzelf te redden, gaat ieder zijns weegs en de moeder

bekommert zich in 't geheel niet meer om haar kroost.

Men jaagt den Tatoe gewoonlijk bij maneschijn. De jager wapent

zich met een dikken stok van hard hout, die aan het einde spits of

ook wel knotsvormig toeloopt en zoekt met eenige Honden het wild

op. Als de Tatoe de Honden nog te rechter tijd bemerkt, vlucht hij

oogenblikkelijk naar zijn eigen hol; veel liever graaft hij zich zoo

schielijk mogelijk een nieuw hol, dan dat hij in een vreemd hol zijn

toevlucht zoekt. Als de Honden hem ingehaald hebben, voordat hij het

hol bereikt heeft, dan is hij verloren. Daar zij hem met de tanden

niet aanpakken kunnen, houden zij hem met den snuit en de pooten vast,

totdat de jager bij hen gekomen is en het Gordeldier door een slag op

den kop doodt. Geoefende Honden trachten den loopenden Tatoe met den

neus om te wenden om hem aan de onderzijde te kunnen aangrijpen. Als

dit gebeurd is, verscheuren zij hem oogenblikkelijk in den letterlijken

zin van 't woord; het pantser kraakt daarbij onder hunne tanden, alsof

eierschalen worden stuk geknepen. Een Tatoe, die zijn hol heeft kunnen

bereiken, ontkomt altijd aan de Honden, omdat het hun niet mogelijk

is, hem op te graven. Wanneer hij door de Honden gegrepen is, denkt

hij er niet aan zich te verdedigen, hoewel hij, naar men zou zeggen,

met zijne klauwen belangrijke verwondingen zou kunnen toebrengen.

Alle Gordeldieren worden door de Zuid-Amerikanen ten zeerste

gehaat, omdat zij de oorzaak zijn van vele ongelukken. De koene

ruiters van de steppen, die het grootste deel van hun leven te

Paard zittend doorbrengen, worden door den arbeid der Gordeldieren

op sommige plaatsen zeer gehinderd. Het paard, dat in gestrekten

galop voortsnelt, trapt plotseling in een hol, en kan met den

ruiter verongelukken. Daarom vervolgen de eigenaars van alle

landbouwondernemingen en veefokkerijen den armen pantserdrager op

de onmeedoogendste en volhardendste wijze. Behalve door den mensch,

wordt hij vervolgd door de groote soorten van Katten, door den

Braziliaanschen Wolf en door den Jakhalsvos.

Zelden worden in Paraguay Tatoes in gevangenschap gehouden. Zij zijn

te vervelend, en door hun neiging tot woelen ook te schadelijk om

als huisgenooten van den mensch diens vriendschap te kunnen verwerven.

De Gordeldieren worden dikwijls naar Europa gebracht, en in eenige

diergaarden bij de Apen geborgen. In de gevangenschap worden zij met

Wormen, Insecten, Insectenlarven en rauw of gekookt vleesch gevoed. Het

vleesch moet men echter voor hen in kleine stukjes snijden, omdat

zij van groote stukken niets afbijten kunnen. Zij vatten de spijs aan

met de lippen of met de tong, die zich sterk kan verlengen. Wanneer

zij behoorlijk verzorgd worden, kunnen zij jaren lang blijven leven

en in goeden welstand gehouden worden; gewillig of onwillig dienen

zij als rijdieren en speelkameraden voor de Apen, laten zich alles

welgevallen, geraken gewoon aan wandelingen over dag, en planten zich

ook wel voort. Jongen, die in den Londenschen dierentuin ter wereld

kwamen, waren bij de geboorte blind; aan hun nog zachte huid waren

alle plooien en velden van het volwassen dier reeds zichtbaar.

Het nut van de Gordeldieren is niet onbelangrijk. De Indianen houden

zeer veel van het vleesch van alle soorten dezer familie; slechts

twee van deze vallen bij de Europeanen in den smaak. Volgens Kappler

verliest het vleesch de hieraan eigen muscusreuk, als het een nacht

over in een oplossing van zout en citroensap blijft liggen. Rengger

verzekert, dat gebraden Gordeldieren-vleesch, met Spaansche peper

en citroensap toebereid een van de smakelijkste gerechten van de

Paraguayaansche keuken is. De Indianen van Paraguay maken van het

pantser korfjes; de Botokoeden gebruiken het afgestroopte staartpantser

als spreektrompet; vroeger maakte men van gedeelten van het pantser

ook klankbodems voor gitaren.

Het nog weinig bekende _Kogel-gordeldier_ (_Tolypeutes tricinctus_)

wordt door de inboorlingen _Apar_ of _Matako_, door de Spanjaarden

_Bolita_ genoemd. De eerste beschrijving van dezen vertegenwoordiger

van een nieuw geslacht, werd gemaakt naar een opgezet exemplaar,

dat door sommige onderzoekers gehouden werd voor een uit stukken van

verschillende soorten samengesteld voorwerp. Reeds Azara gaf echter van

het bedoelde dier zulk een duidelijke beschrijving, dat zijn bestaan

niet langer betwijfeld kon worden. Hij zegt, dat de Matako niet in

Paraguay aangetroffen wordt, maar op 36° Z.B. en verder zuidwaarts

voorkomt. "Sommigen noemen hem Bolita, omdat hij de eenige is van alle

Tatoes, die, als hij bevreesd is, of gevaar loopt gevangen te worden,

den kop, den staart en de vier pooten verbergt, door van het geheele

lichaam een kogel te vormen, die men als een bal in alle richtingen

kan rollen, zonder dat het dier zijn gewone houding herneemt. Men

kan dezen kogel ook slechts met groote moeite ontrollen. De jagers

dooden het dier door het met geweld tegen den grond te werpen."

Zijn lengte, gemeten van het puntje van den snuit tot aan de spits van

den staart, bedraagt 45 cM.; de 7 cM. lange staart is van onderen aan

de spits rond of kegelvormig, aan den wortel daarentegen in de breedte

samengedrukt. De schubben zijn niet vlak zooals bij de overige soorten,

maar gelijken meer op dikke korrels en treden ver naar buiten.

Anton Göring kreeg een levende Bolita, uit San Louis in westelijk

Argentinië het eigenlijke vaderland van deze diersoort, of althans

de streek, waar zij het veelvuldigst voorkomt. Daar leeft dit

dier, juist zooals Azara aangeeft, in het vrije veld; of het ook

in eigen gegraven holen woont, kon Göring niet gewaar worden. De

inboorlingen nemen het bij de vangst van andere Gordeldieren (die

gelijk reeds gezegd werd, een lievelingsspijs van de Gaucho's zijn)

bij gelegenheid mede. Omdat echter de Matako een aardig dier is,

vindt hij gewoonlijk genade in hunne oogen; hij blijft gespaard,

maar wordt gevangen gehouden. Hij dient n.l. als speelgoed voor de

kinderen des huizes, die met hem werpen als met een bal, of hem langs

een plank naar beneden laten rollen en zich vermaken met het geklepper,

dat hij door zijn zonderlinge gang veroorzaakt. Göring werd dikwijls

door zijne bezoekers aangezocht om zijn Bolita te laten zien. Hoewel

deze nog niet lang gevangen was geweest, gaf hij reeds eenige bewijzen

van vertrouwelijkheid, en nam zonder schroom het voedsel, dat men

hem voorhield uit de hand. Hij at allerlei vruchten en bladen, vooral

perziken, komkommers en salade; dit deed hij slechts, wanneer men hem

deze zaken voorhield, maar toch meermalen op een dag, zoo vaak men hem

wat gaf. Het voedsel moest voor hem, wegens zijn kleine mondopening,

in smalle stukjes gesneden zijn, die hij vervolgens op een zeer nette

wijze opnam. Hij sliep zoowel over dag als 's nachts. Hiertoe strekte

hij de voorpooten recht voor zich uit, trok de achterpooten in, en

ging liggen op deze en op den buik; de kop werd benedenwaarts gebogen

en tusschen de voorpooten verborgen. De rug was in iedere houding

sterk bovenwaarts gekromd; het dier was niet bij machte hem geheel te

strekken. Hoewel het in het bijzijn van verscheidene personen volkomen

rustig heen en weerliep, kromp het toch dadelijk ineen, zoodra men

het aanraakte, en deed dit, als men het drukte, zoo sterk, dat het

bijna een volslagen bol werd. Als men het daarna met vrede liet,

strekte het zich allengs weder uit, en zette zijn wandeling voort.

Het was een bijzonder aardig dier; elk zijner bewegingen was, hoe

vreemdsoortig ook, toch werkelijk bevallig. De gang op de spitsen van

de omstreeks 3 cM. lange, gekromde klauwen, was in de hoogste mate

verrassend en wekte steeds de verwondering van alle toeschouwers. Als

men het buiten liet loopen, trachtte het zoo schielijk mogelijk te

ontvluchten; wanneer het echter ingehaald werd door een vervolger,

b.v. door een Hond, dan rolde het zich tot een kogel samen. Als

men deze kogel over den bodem voortrolde, bleef hij vast gesloten;

zoodra echter de beweging ophield, ontrolde het dier zich en liep

weg. De Honden toonden zich niet meer gebeten op den Bolita dan op

alle overige Gordeldieren.

Het geslacht _Priodon_, dat boschrijke gewesten van Brazilië en

Guyana bewoont, wordt vertegenwoordigd door het _Reuzen-gordeldier_

(_Priodon gigas_). De Prins Von Wied, die dit dier niet te zien

heeft kunnen krijgen, meent, dat het over het grootste deel van

Brazilië en misschien zelfs over geheel Zuid-Amerika verbreid is. In

de groote oerwouden vonden zijne jagers dikwijls holen of gangen

van dit dier, vooral onder de wortels van oude boomen, en men kon

zijn omvang uit de wijdte dezer woningen afleiden. De jagers onder

de inboorlingen beweerden, dat het hierin een groot Zwijn evenaart,

welke mededeeling niet in tegenspraak was met de wijdte der holen,

en nog meer bevestigd werd door de staarten dezer dieren, welke

de Prins aantrof bij de Botokoeden, die aan de oevers van den Rio

Grande de Belmonte wonen. Deze wilden gebruiken als spreektrompet een

voorwerp, dat zij "Tatoe-staart" noemen en dat 36 cM. lengte heeft

bij 8 cM. middellijn aan het dikste uiteinde.

Uit latere onderzoekingen bleek, dat het Reuzen-gordeldier een

lichaamslengte van 1 M. en meer bereikt, zonder den ongeveer half

zoo langen staart; volgens Kappler kan het 45 KG. zwaar worden. Het

voorhoofd en de schedel zijn met zeer onregelmatige beenplaten

bedekt. Het schouderpantser bestaat uit tien gordelvormige reeksen

van beenplaten, waartusschen dicht bij den achterrand van weerszijden

nog een reeks doordringt; de beweeglijke gordels zijn ten getale van

12 of 13 voorhanden; het heuppantser bestaat uit 16 à 17 reeksen

van schilden. Deze zijn vierkant of rechthoekig, ook wel vijf-

of zeshoekig, die van de achterste reeksen van het heuppantser

onregelmatig; de staart is met onregelmatige, vierhoekige beenplaten

bedekt. Het merkwaardigste van het geheele dier is misschien zijn

gebit. In elke bovenkaakshelft komen 22 à 24 tanden voor, waarvan

er echter dikwijls verscheidene uitvallen; steeds echter bestaat

dit gebit uit 90 à 100 tanden, of althans organen, die de tanden

vervangen. In de voorste helft van elke reeks zijn het namelijk

slechts dunne platen en eerst verder achterwaarts worden zij allengs

dikker. Waarom het Reuzen-gordeldier dit kolossaal gebit bezit is

nagenoeg onverklaarbaar, daar het zich, voor zoover men weet, door

zijn voedingswijze volstrekt niet van de overige soorten onderscheidt.

De Amerikaan Harlan ontdekte in het jaar 1824 niet ver van Mendoza

in westelijk Argentinië tot groote verbazing van de bewoners dezer

gewesten, die met het bestaan van dit dier nagenoeg onbekend waren, een

hoogst merkwaardig lid van de familie der Gordeldieren--de _Gordelmuis_

(_Chlamydophorus truncatus_). Gedurende geruimen tijd waren er slechts

twee exemplaren van bekend, die in de verzamelingen van Philadelphia en

Londen bewaard werden en gelukkig op de zorgvuldigste wijze onderzocht

konden worden. De Gordelmuis wordt terecht als vertegenwoordigster

van een afzonderlijk geslacht beschouwd; zij onderscheidt zich echter

van de overige, reeds genoemde Gordeldieren meer door haar pantser

dan door haar inwendig maaksel.

Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 08: De Tandeloozen; Hoofdstuk 09: De Slurfdieren; Hoofdstuk 10: De Onevenvingerigen · 第 2 / 13 段