Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
Achtste Orde.
De Tandeloozen (Edentata).
De bloeiperiode van deze Zoogdieren-orde is voorbij. In den voortijd
leefden in Brazilië Tandeloozen, zoo groot als een Neushoorndier en
nog grootere; de kolossaalste, thans nog levende leden der orde hebben
hoogstens de afmetingen van een flinken Wolf. Onder de uitgestorven
soorten waren er, die een overgang vormden tusschen familiën van
hedendaagsche Edentaten, die nu door diepe kloven van elkander
gescheiden schijnen. Maar ook aan enkele van de thans nog bestaande
soorten zal misschien weldra het lot beschoren zijn om, evenals de
vormen der voorwereld, vernietigd te worden: hunne dagen zijn geteld.
Bij de leden dezer diergroep is weinig te bespeuren van
overeenstemming, die men bij de vertegenwoordigers van elk der
andere Zoogdieren-orden opmerkt. Het belangrijkste kenmerk, dat zij
gemeen hebben, en dat hen van de overige Zoogdieren onderscheidt,
is de eigenaardige samenstelling van het gebit. Er zijn onder de
Tandeloozen wezens, waarop de naam der orde in haar zuiverste
beteekenis toepasselijk is, daar bij hen geen spoor van tanden
voorkomt; bij de overige, die wel degelijk (en soms zelfs zeer
vele) tanden hebben, ontbreken nagenoeg altijd de snijtanden; de
tusschenkaaksbeenderen zijn nl. bij alle Edentaten weinig ontwikkeld,
en alleen de in deze beenderen voorkomende tanden met die, welke er
in de onderkaak aan tegenovergesteld zijn, heeten snijtanden. (Alleen
bij de Gordeldieren treft men een paar onbeduidende tandjes in het
tusschenkaaksbeen aan.) Echte hoektanden zijn er evenmin; deze naam
komt nl. toe aan de tanden, die op den grens van het tusschenkaaksbeen
en van het eigenlijke bovenkaaksbeen geplaatst zijn. Nu is wel bij
eenige Luiaards de voorste kies zeer dicht bij den voorrand van het
bovenkaaksbeen gelegen en door een tusschenruimte van de overige
kiezen gescheiden; hij onderscheidt zich echter in geen enkel opzicht
van de maaltanden behalve door zijn grootere lengte. De maaltanden of
kiezen hebben steeds een eenvoudigen, cilindrischen of prismatischen
vorm en zijn door tusschenruimten van elkander gescheiden. Zij zijn
wortelloos en bestaan uitsluitend uit tandbeen en cement, zonder eenig
email. Slecht bij weinige soorten (Aardvarkens en sommige Gordeldieren)
worden zij gewisseld,--gewoonlijk dus maar éénmaal gevormd. Het
aantal van deze tanden varieert van de eene familie tot de andere,
en verschilt soms zelfs aanmerkelijk bij soorten, die tot eenzelfde
groep behooren: eenige hebben slechts 20, andere wel 100 tanden.
De nagels zijn bij deze dieren zeer krachtig, maar eveneens
vreemdsoortig ontwikkeld. Zelden zijn de teenen volkomen beweeglijk,
altijd echter dragen zij nagels, die het uiteinde van het nagellid
_geheel_ omgeven, en zich hierdoor reeds duidelijk onderscheiden
van de eigenlijke klauwen, die altijd aan het onderste gedeelte
van de holle zijde een spleet vertoonen. Bij sommige zijn zij zeer
lang, sterk gekromd en zijdelings samengedrukt, en bewijzen bij
't klimmen belangrijke diensten, bij andere zijn zij korter, breed,
bijna schopvormig en uitmuntend geschikt voor 't graven en wroeten
in den grond.
Door het bespreken van het gebit en van de nagels hebben wij de
algemeene kenteekenen van de Edentata uitgeput; want in alle andere
opzichten vertoont hun lichaamsbouw een zeer groote menigvuldigheid
van verschijnselen. Hun lichaamsbekleeding vooral wisselt af binnen
zeer wijde grenzen; deze afwijkingen zijn nagenoeg even groot als bij
alle overige Zoogdieren tezamen genomen. Sommige dragen een dichte,
zachte vacht, andere een ruig, dor haarkleed; deze zijn met borstels,
gene met schubben bedekt; bij eenige is het lichaam gehuld in een uit
schilden (door een hoornlaag bedekte beenplaten) samengesteld pantser,
zooals bij geen der andere Zoogdieren gevonden wordt.
De Edentaten zijn thans tot drie faunistische rijken beperkt, n.l. tot
het Oostersche, het Ethiopische en het Zuid-Amerikaansche. Azië
bevat slechts Schubdieren, Afrika bovendien nog Aardvarkens. De
Edentaten-fauna van Zuid-Amerika biedt een grootere verscheidenheid
van vormen aan; hier vindt men de Luiaards, de Mierenleeuwen en de
Gordeldieren. Van de thans levende zoowel als van de uitgestorvene
Tandeloozen, valt in overeenstemming met de ongelijkheid van hun
lichaamsbouw, ook een zeer belangrijk verschil in levenswijze te
vermelden.
In de eerste plaats moet de familie van de _Luiaards_ (_Bradypodidae_)
genoemd worden omdat de weinige, hiertoe behoorende soorten nog
het meest van alle Edentaten door hun uiterlijk op de overige
Zoogdieren met klauwen gelijken. Naast deze maken zij echter door
hun onbehaaglijken lichaamsbouw, hunne stompzinnigheid en traagheid
een zeer treurige figuur. Buffon beschouwde ze als "door de natuur
stiefmoederlijk bedeelde diervormen, de eenige, die reeds bij de
geboorte ware toonbeelden van ellende zijn."--De voorste ledematen
zijn bij hen aanmerkelijk langer dan de achterste, de voeten met
kolossale, sikkelvormige klauwen gewapend. De hals is betrekkelijk
lang en draagt een ronden, korten kop. Wegens de geringe ontwikkeling
der tusschenkaaksbeenderen, de kortheid en breedte der neusbeenderen
verkrijgt het aangezicht een zonderling stomp aanzien, waardoor het
op dat van een Aap gelijkt; de kleine mondopening wordt door meer
of minder harde, weinig beweeglijke lippen begrensd; de oogen zijn
klein, de oorschelpen geheel in de vacht verborgen. De staart is een
niet of nauwelijks zichtbaar stompje. De haren van het volwassen
dier zijn lang en grof als hooi, en hebben een geheel anderen val
dan bij de overige dieren; zij zijn n.l. van den buik naar den rug
gericht. Bij de in vrijheid levende dieren hebben zij een groenen
tint door een Alge (_Chroolepus_), die er op leeft. Zeer opmerkelijk
en geheel afwijkend van 't geen bij de overige Zoogdieren voorkomt,
is de bouw van de wervelkolom. In plaats van 7 halswervels, zooals
bij alle andere leden der klasse, vindt men er bij enkele Luiaards 6,
bij andere 9, bij uitzondering zelfs 10; het aantal ribbendragende
wervels (rugwervels) bedraagt bij den Aï 14, bij den Unau 24. Het
gebit bestaat uit 5 cilindervormige maaltanden in elke helft van de
bovenkaak; in de onderkaak zijn er bij _Choloepus_ vier, bij _Bradypus_
vijf; de voorste van elke reeks is bij _Choloepus_ grooter dan de
volgende en hoektandvormig; bij _Bradypus_ is hij daarentegen kleiner
dan de overige.
Het verbreidingsgebied van de Luiaard is tot Zuid-Amerika beperkt. De
groote wouden in de vochtige vlakten van dit vasteland, waar de
plantenwereld het toppunt van ontwikkeling bereikt, verschaffen
woonplaatsen aan deze merkwaardige wezens. Hoe wilder, donkerder en
schaduwrijker het woud is, hoe ondoordringbaarder de wildernis, des
te geschikter schijnen deze plaatsen voor het leven van de genoemde
dieren, die, daar zij tegen andere dieren niet opgewassen zijn, op
een minder goed beschutte woonplaats reeds voor lang het onderspit
gedolven zouden hebben.
De _tweeteenige Luiaards_ (_Choloepus_) houd ik voor de hoogst
ontwikkelde. Zij zijn te herkennen aan den tamelijk grooten kop
met vlak voorhoofd en stompen snuit, den betrekkelijk korten hals,
den slanken romp (die geen uitwendig waarneembaren staart draagt),
de lange, schrale ledematen (de voorste zijn met 2, de achterste met 3
zijdelings samengedrukte, sikkelvormige klauwen gewapend), het sluike,
zachte haar zonder wolhaar, het gebit en het gering aantal halswervels.
De _Unau_ (_Choloepus didactylus_) bewoont Suriname en andere deelen
van Guyana; hij kan ongeveer 70 cM. lang worden. Het lange haar,
dat aan den kop naar achteren, aan den borst en den buik echter naar
den rug gestreken is en hier een kruin vormt, is in het aangezicht,
aan den schedel en in den nek witachtig olijfgroen-grijs, aan den
romp olijfgrijs, op den rug donkerder dan aan de onderzijde, aan de
borst op de voorpooten en schouders en op de onderbeenen olijfbruin;
de onbehaarde lichaamsdeelen (de snuit en de zolen van voor- en
achtervoeten) zijn vleeskleurig (de snuit met bruinachtigen tint);
de klauwen zijn blauwachtig grijs.
In het tweede geslacht vereenigt men de _Drieteenige Luiaards_
(_Bradypus_). Zij zijn gedrongen gebouwd, hebben een kleinen kop
met scheef afgeknotten snuit en kleine, door harde lippen begrensde
mondopening, een zeer langen hals, een duidelijk waarneembaren,
zijdelings afgeplatten staart en tamelijk korte, krachtige ledematen;
zoowel de voorvoeten als de achtervoeten zijn met drie zeer sterk
zijdelings samengedrukte, sikkelvormige klauwen voorzien. Het haar
vertoont op den kop een scheiding, van waar het naar onderen afhangt,
overigens is het echter, evenals bij de dieren van het vorige
geslacht, van de buikzijde naar de rugzijde gericht; de zolen zijn
bijna geheel behaard.
De _Aï_ (_Bradypus tridactylus_, _B. pallidus_) is een bewoner
van Brazilië; hij bereikt een lengte van 52 cM., met inbegrip van
den 4 cM. langen staart. De vacht bestaat uit fijne, korte, dicht
bijeengeplaatste wolharen, waaraan men de drie overlangsche strepen
van de rugzijde van den romp het best kan waarnemen, en uit lange,
droge, harde, eenigszins gladde, op hooi gelijkende bovenharen. De
vacht is bleek roodachtig aschgrauw op de bovendeelen, zilvergrijs
op den buik; de klauwen zijn geelachtig of bruinachtig geel.
De _Luiaards_ zijn echte boomdieren, evenals de Apen en de
Eekhoorntjes. Deze gelukkige wezens bewegen zich echter naar
welgevallen in de kronen der boomen, terwijl gene met moeite, als 't
ware kruipend, van den eenen tak op den anderen overgaan. Wat door de
vlugge en overmoedige beheerschers der wouden een pleizierwandeling
wordt geacht, is in de oogen van den Luiaard een lange, bezwaarlijke
reis. Hoogstens tot een uit weinige leden bestaand gezelschap
vereenigd, leiden deze trage dieren een eentonig leven, waarin zij
langzaam van den eenen boom naar den anderen trekken. Vergeleken met
hunne bewegingen op den grond, is hun behendigheid in 't klimmen
zeer opmerkelijk. Hunne lange armen veroorloven hen ver afgelegen
takken te grijpen, terwijl hunne kolossale klauwen hen in staat
stellen zich zonder moeite vast te houden. Hun wijze van klimmen is
geheel anders dan die van alle overige boombewoners, want bij hen is
het regel, wat bij deze als uitzondering voorkomt. Terwijl zij den
romp naar onderen laten afhangen, reiken zij met hunne lange armen
opwaarts naar de takken, haken zich hieraan vast met hunne klauwen
en schuiven zich op hun gemak voort van twijg tot twijg, van tak
tot tak. Zij schijnen echter trager, dan zij werkelijk zijn. Als
nachtdieren brengen zij wel is waar den geheelen dag door zonder
zich te bewegen; reeds in de schemering echter worden zij wakker en
's nachts zwerven zij rond, wel is waar langzaam, maar toch niet lui,
door een grooter of kleiner gebied al naar dit tot bevrediging van
hunne behoeften noodig is. Zij voeden zich uitsluitend met knoppen,
jonge loten en vruchten en vinden in den overvloedigen dauw, dien
zij van de bladen aflekken, een voldoende vergoeding voor het hun
ontbrekende water. Ook bij het zoeken en opnemen van het voedsel toonen
zij een onmiskenbare traagheid: zij zijn sober, niet veeleischend en
geschikt om dagen achtereen, volgens sommigen zelfs weken lang, honger
en dorst te lijden, zonder er eenig nadeel van te ondervinden. Zij
verlaten een boom niet, zoolang deze hun nog voedsel kan verschaffen;
eerst wanneer de voorraad eetbare bestanddeelen schaarsch wordt,
denken zij er aan een anderen boom op te zoeken; met dit doel gaan
zij langzaam tusschen de takken naar beneden, zoeken een plaats uit,
waar de takken van de naburige boomen tusschen die van den door hen
bewoonden boom doordringen en bereiken langs dezen hoog boven den
grond gelegen brug het einddoel van den tocht.
Op den bodem zijn deze tot levenslange gevangenschap op de boomen
gedoemde wezens niet thuis. Hun gang, of liever het hiervoor in de
plaats tredende, gebrekkig voortzeulen van het lichaam over den grond,
is van dien aard, dat het medelijden van den toeschouwer er door gewekt
wordt. Evenals de langzame Landschildpad tracht de plompe Luiaard
zijn lichaam te verplaatsen. Met ver zijwaarts gestrekte ledematen,
op de ellebogen steunend, met de pooten één voor één behoedzaam een
cirkelboog beschrijvend, schuift hij telkens een klein stukje verder;
de buik sleept intusschen bijna over den grond; kop en hals worden
voortdurend op loome wijze naar links en rechts bewogen, alsof zij
het zoo buitengewoon onbeholpen dier in evenwicht moeten houden. Men
zou na zulk een schouwspel niet kunnen gelooven, dat dit zoo ellendig
voorthompelend wezen in staat zal zijn om zich uit het water te redden,
wanneer het er bij ongeluk in valt. Toch zwemt de Luiaard tamelijk
goed; hij beweegt zich in 't water vlugger zelfs dan in de boomen,
houdt den kop hoog boven den waterspiegel, doorklieft de golven met
vrij groot gemak en komt werkelijk weer op den vasten wal terug. Bates
en Wallace zagen een Luiaard een rivier overzwemmen op een plaats waar
deze 300 M. breed was. Hieruit blijkt, dat de naam Luiaard, hoe goed
hij overigens ook gekozen moge zijn, eigenlijk alleen in den gang van
dit dier zijn volkomen rechtvaardiging vindt; want op de boomen maakt
hij niet den indruk van zóó traag te zijn, als men vroeger, verleid
door de overdreven voorstellingen van de eerste beschrijvers van dit
dier, meende te moeten aannemen. Opmerkelijk is de verbazingwekkende
zekerheid, waarmede alle klimbewegingen plaats hebben. De Luiaard
is in staat om zich met den eenen voet vast te haken aan een hooger
gelegen tak en zich dan onbezorgd er aan te laten hangen; niet slechts
wordt dan het volle gewicht van het lichaam door één poot gedragen,
maar ook wordt dit door dezen poot opgetrokken tot aan den tot steun
dienenden tak.
Het kost zeer veel moeite een Luiaard, die zich aan een tak heeft
vastgeklemd, er van los te maken. De Luiaard slaapt en rust ongeveer
in dezelfde houding als die, welke hij gedurende zijne werkzaamheden
aanneemt. De vier pooten worden dicht bij elkander geplaatst;
de romp wordt bijna tot een bol ineengekromd; de naar de borst
gebogen kop rust of steunt niet op dit lichaamsdeel. In deze houding
hangt het dier den geheelen, langen dag, steeds op dezelfde plaats,
zonder moede te worden. Even ongevoelig als het voor honger en dorst
schijnt te zijn, even gevoelig toont het zich voor vocht en hierdoor
veroorzaakte afkoeling. In het regenseizoen hangt het dikwijls dagen
achtereen treurig en ellendig op een en dezelfde plaats; stellig in
de hoogste mate ontstemd over het naar beneden stroomende water.
Niet dan hoogst zelden, gewoonlijk alleen des avonds, of als de morgen
aanbreekt, of ook, wanneer het zich niet veilig acht, verneemt men de
stem van den Luiaard. Zij is niet luid, en bestaat uit een klagende,
lang voortgezetten, fijnen, korten en snijdenden toon, die door
sommigen nagebootst wordt, door een veelvuldige herhaling van den
klank "i". Een van de onderzoekers uit lateren tijd maakt melding van
een geschreeuw, dat uit twee opeenvolgende klanken, of zelfs uit een
klimmend en dalend accoord zou bestaan. Over dag hoort men van den
Luiaard hoogstens diepe zuchten; op den grond schreeuwt hij niet,
zelfs niet, wanneer hij geplaagd wordt.
Uit het bovenstaande valt af te leiden, dat de zinnen van de Luiaards
geen hoogen graad van volkomenheid zullen bezitten. Zelfs schijnt
het, dat zij alle even stomp zijn. Zeer weinig ontwikkeld zijn ook de
geestvermogens. Deze dieren geven weinig blijken van verstand, maar
toonen veeleer stompzinnigheid, domheid en onverschilligheid. Men noemt
ze goedaardig en wil hiermede aanduiden, dat zij over 't algemeen voor
geen aandoeningen van den geest geschikt zijn. Volgens de berichten van
de reizigers, komen bij hen geen ware hartstochten voor; zij gevoelen
geen vrees, maar hebben ook geen moed, schijnen geen vreugde te
kennen, maar ook niet voor treurigheid vatbaar te zijn. Deze berichten
berusten volgens mijne ervaringen op geen goede gronden. Zoo laag als
de meeste natuuronderzoekers ons deze dieren voorstellen, staan zij
niet. Gewoonlijk wordt bij hun beoordeeling uit het oog verloren, dat
zij nachtdieren zijn, welker geestvermogens men niet naar behooren kan
leeren kennen, door ze alleen over dag na te gaan. De naam Luiaard is
in zijn letterlijke beteekenis alleen geldig voor het slapende dier;
wanneer het wakker geworden is en zijne bezigheden verricht, beweegt
het zich in een engen kring, maar beheerscht dezen op voldoende wijze.
De Luiaard brengt slechts één jong ter wereld, dat bij de geboorte
een volledig haarkleed, en zelfs tamelijk goed ontwikkelde teenen
en klauwen bezit; het klemt zich dadelijk met de klauwen aan de
lange haren van de moeder vast, en omstrengelt met de armen haren
hals. Het wijfje voert haar jong altijd op deze wijze met zich mede. In
den beginne schijnt zij er veel genegenheid voor te gevoelen; haar
moederliefde bekoelt echter spoedig; ternauwernood getroost zij zich
de moeite haar kind te zoogen en te reinigen, of andere moederzorgen
op zich te nemen.
De traagheid en stompzinnigheid der Luiaards blijkt ook, wanneer zij
mishandeld of gewond worden. Het is een bekend feit, dat de laagst
ontwikkelde dieren naar verhouding het best bestand zijn tegen
mishandelingen, verwondingen en smarten; bij de Luiaards vindt men
een bevestiging van deze stelling. Blijkbaar hebben zij een zeer
taai leven. Zij verdragen zware kwetsuren met de onverschilligheid
van een lijk. Dikwijls nemen zij niet eens een andere houding aan,
na door een flink schot hagel getroffen te zijn. Volgens Schomburgk
blijft de werking van het vreeselijke curare-gif der Indianen bij
hen langer uit, dan bij eenig ander dier.
Vele vijanden hebben deze weerlooze schepsels niet. Door hun leven in
de boomen hebben zij weinig te lijden van de gevaarlijkste der dieren
die hen bedreigen, n.l. van de Zoogdieren. Hierbij komt, dat hun
vacht over 't algemeen in kleur overeenstemt met de takken, waaraan
zij onbeweeglijk hangen, als vruchten aan een boom, zoodat voor het
ontdekken van een slapenden Luiaard het geoefend oog van een Indiaan
vereischt wordt. Bovendien zijn deze dieren niet zoo volkomen weerloos,
als men aanvankelijk zou kunnen vermoeden. Ervaringen hierover kan men,
daar zij in den boom natuurlijk moeielijk te genaken zijn, alleen
opdoen bij Luiaards, die op den grond aangetroffen en aangevallen
worden; zij keeren dan spoedig hun buikzijde omhoog, en grijpen
den vijand met de klauwen aan; hunne ledematen, vooral de voorste,
zijn zeer gespierd. Zelfs een sterke man heeft moeite om zich los te
maken uit een omhelzing van dit dier, of om het los te rukken van den
boomtak, waaraan het zich heeft vastgeklemd; deze bewerking gelukt
trouwens in 't geheel niet, wanneer men niet den eenen voet na den
anderen loshaakt en daarna vasthoudt.
Over het leven van den Luiaard in de gevangenschap was tot voor
weinige jaren niet veel bekend. Buffon verhaalt, dat de Markies de
Montmirail te Amsterdam een Luiaard kocht, die men tot aan dien tijd
gedurende den zomer met malsche bladeren en gedurende den winter
met scheepsbeschuit gevoed had. De Markies behield dit dier drie
jaren lang in 't leven en voedde het met brood, appels en wortels,
welke het met de klauwen van de voorvoeten aanvatte en naar den mond
bracht. Tegen den avond werd het dier wakker, zonder ooit eenige
bewijzen van hartstochtelijkheid te geven en zonder ooit te toonen,
dat het zijn verzorger had leeren kennen.
Bij een rondreis door de dierentuinen van Engeland, Frankrijk,
Holland, België en de Rijnlanden was ik te Amsterdam voor 't eerst
in de gelegenheid, aan een levenden Luiaard waarnemingen te doen. De
talrijke bezienswaardigheden van dezen dierentuin veroorloofden
mij tot mijn spijt niet, langer dan een paar uren bij het hok van
het merkwaardige dier te blijven. Maar reeds dit korte bezoek was
voldoende om mij te leeren, dat de tot dusver gegeven beschrijvingen
grootendeels zeer overdreven zijn. Later heb ik zelf verscheidene
Luiaards gehad en bij hen mijne waarnemingen aangevuld. Ik wil niet
zoo koen zijn te beweren, dat deze ook over de levenswijze van het
dier in de vrije natuur onze denkbeelden kunnen wijzigen; toch kan
ik verzekeren, dat de Luiaards volstrekt geen treurige, vervelende
schepsels, maar integendeel zeer aantrekkelijk zijn, in alle opzichten
waardig om in een dierenverzameling opgenomen te worden.
_Kees_, zoo heette de Luiaard van den Amsterdamschen dierentuin,
bewoonde zijn hok reeds sedert negen jaren; hieruit blijkt,
dat hij minstens even goed als andere dieren bestand is tegen de
verandering van levenswijze, die met het verlies van de vrijheid
gepaard gaat. Het door hem bewoonde hok was in 't midden met een
houten stellage voorzien, om het dier gelegenheid tot klimmen te
geven; de vloer was met een dikke laag hooi bedekt, de zijden waren
door dikke glazen platen gesloten, van boven was het hok alleen met
traliewerk bedekt. Op soortgelijke wijze heb ook ik de woningen van
mijne gevangenen ingericht.
Als men over dag een bezoek brengt aan het dier, ziet men in dezen
glazen kast niets anders dan een bal, die veel op een hoop droog
rietgras gelijkt. Deze bal schijnt vormloos, omdat men van de ledematen
van den Luiaard eigenlijk zoo goed als niets zien kan. Bij nauwkeuriger
onderzoek blijkt het, dat dit de houding is, die hij gewoonlijk bij
't rusten en slapen aanneemt. De kop is teruggebogen naar de borst,
zoodat de spits van den snuit op het onderste deel van den buik rust,
en wordt door de pooten geheel bedekt. De ledematen liggen nl. dicht
op elkander, de eene poot altijd afwisselend met den anderen, en zijn
zóó overkruis gevouwen, dat men er niet tusschen door kan zien. In
den regel zijn de klauwen van één of twee voeten om een stok van de
stellage geslagen; niet zelden echter vat de Luiaard met de klauwen
van den eenen voet de bovenarm of het bovenbeen van een anderen poot
en slingert dus deze lichaamsdeelen op een vreemdsoortige wijze
door elkander heen. Van den kop is op deze wijze niets te zien,
men kan niet eens onderscheiden, waar de romp in den hals en deze
in den kop overgaat: kortom, men ziet niets anders dan een harigen
bal, en moet al zeer goed toekijken om op te merken, dat deze bal
zich langzaam op en neer beweegt. De bal is volkomen onverschillig
voor alle pogingen, die de toeschouwers aanwenden om door kloppen,
roepen en snelle bewegingen met de handen de aandacht van het dier te
trekken; door geen beweging verraadt het zijn leven; gewoonlijk gaan
de omstanders ontevreden weg, nadat zij verbijsterd den naam van het
dier gelezen en eenige niet bijzonder vleiende opmerkingen over het
"leelijke beest" gemaakt hebben.
Er komt echter zeer spoedig leven en beweging in den haarbal, als men
het goed aanlegt; want de Luiaard is volstrekt niet zoo stompzinnig,
als wel beweerd wordt, maar een ordentlijke, brave gast, die op goede
behandeling aanspraak maakt. Zoodra zijn oppasser bij het hok komt en
hem roept, heeft er een verandering van tooneel plaats. Bedachtzaam,
of, laat ik liever zeggen, langzaam en op een eenigszins houterige
wijze, ontwikkelt de bal zich tot een dier, dat, moge het al niet
op een schoone gestalte bogen, toch volstrekt geen wangedrocht
is, zooals wel eens beweerd werd, geen wezen zonder begrip en
waarnemingsvermogen. Langzaam en gelijkmatig steekt de Luiaard
een van zijne lange pooten uit en klemt de scherpe klauwen om een
van de dwarsstangen van de stellage, Het is hem daarbij volkomen
onverschillig, of hij het eerst een achterpoot dan wel een voorpoot
uitsteekt, ook of de klauwen aangehaakt worden in den stand, dien zij
gewoonlijk ten opzichte van den arm hebben, dan wel, in dien, welken
zij na het omdraaien van den arm verkrijgen; al zijn ledematen gelijken
op kabels, die geen gewricht hebben, maar overal beweeglijk zijn. In
allen gevalle is de beweging van de ellepijp ten opzichte van het
spaakbeen zoo volkomen, dat misschien geen enkel dier te dezen aanzien
den Luiaard overtreft of nabij komt. Hij kan zich met alle vier pooten
zóó vast haken, dat de klauwen van iederen poot een andere richting
hebben dan die van den anderen. Die van één achtervoet zijn b.v. naar
buiten, die van één voorvoet naar binnen, die van den anderen voorvoet
naar voren en die van den laatsten achtervoet naar achteren omgeslagen;
welke combinaties van houdingen men ook bedenkt, bij den Luiaard komen
zij alle voor. Hij kan zijne ledematen geheel om hun as doen draaien,
zooals een geoefende acrobaat, en het blijkt duidelijk, dat dit hem
in 't geheel geen moeite kost. Hij haakt zich met de klauwen vast,
zooals hem dit het best uitkomt, en kan ook, eens vastgehecht zijnde,
zich geheel en al omdraaien, zonder in den stand der om de steunsels
geklemde klauwen eenige verandering te brengen. Of de kop nu laag of
hoog hangt, is hem eveneens onverschillig; hij grijpt even dikwijls
met de achterpooten naar boven, als met de voorpooten naar onderen,
hangt aan den rechter voorpoot of aan den linker achterpoot of
omgekeerd, strekt zich dikwijls op zijn gemak uit, door zich met de
achterklauwen vast te haken en den rug ergens op te laten rusten,
zooals een luie Hond pleegt te doen. In deze houdingen, die steeds
het bewijs zijn, dat de gemoedsrust van het dier niets te wenschen
overlaat, krabt het zich vaak met een der niet vastgehaakte ledematen
op alle deelen van zijn lichaam, ten deele door den poot er geheel
om heen te slingeren. Het kan lichaamsdeelen bereiken, die voor een
ander Zoogdier ontoegankelijk zijn zouden, kortom het geeft bewijzen
van een werkelijk verrassende lenigheid. Wanneer de Luiaard zoo aan
't luieren is, doet hij de oogen bij afwisseling open en dicht,
gaapt, steekt de tong uit en opent daarbij den stompen snuit zoover
mogelijk. Steekt men hem nu door het traliewerk, dat het hok van
boven bedekt, iets lekkers toe, b.v. een klontje suiker, dan klautert
hij tamelijk vlug naar boven om de lekkernij in ontvangst te nemen,
snuffelt bij den wand langs en opent den bek zoover mogelijk, alsof
hij vragen wilde, hem het stukje suiker maar dadelijk in den mond te
laten vallen. Daarna vreet hij het smakkend met gesloten oogen op en
geeft duidelijk te kennen, dat hij de zoetigheid lekker vindt.
Den vreemdsoortigsten indruk maakt de Luiaard, als men hem vlak
van voren ziet. De kopharen zijn in 't midden gescheiden, en hangen
aan weerszijden van de scheiding naar beneden, waardoor de kop een
uilachtig voorkomen verkrijgt. De kleine oogen zien er onnoozel uit,
omdat de pupil nauwelijks de grootte van een speldeknop heeft en
het oog dus geen uitdrukking bezit. Bij den eersten aanblik zou men
kunnen meenen, dat het dier blind moet zijn. De lippen zijn steeds
vochtig, alsof zij met vet bestreken zijn. Zij zijn bij den Unau
niet zoo onbeweeglijk, als wel eens gezegd is, ook volstrekt niet
hoornachtig, zooals soms beweerd werd, ofschoon zij vermoedelijk niet
zoo buigzaam zijn als bij andere Zoogdieren; zij zijn trouwens bij
het vreten tamelijk overbodig, want de beweging van de spitse tong
vervangt de werkzaamheid van de lippen. De tong herinnert aan die
van andere Tandeloozen, vooral van den Mierenleeuw. De Luiaard kan
haar ver uitsteken en bijna als een hand gebruiken.
De Luiaard van den Amsterdamschen dierentuin werd met verschillende
plantaardige stoffen gevoederd; gekookte rijst en wortels waren echter
zijne gewone spijzen. De rijst gaf men hem op een bord, de wortels
werden ergens op het hooi neergelegd. Gewoonlijk werd _Kees_ vóór den
maaltijd geroepen. Hij had dien tijd goed onthouden en richtte zich
dadelijk op, zoodra hij zijn naam hoorde. In 't eerst taste hij zeer
onhandig en plomp met de lange armen in 't rond; zoodra hij echter
eens een wortel gegrepen had, verkregen zijne bewegingen dadelijk
meer vastheid. Hij trok den wortel naar zich toe, vatte hem eerst
met den mond, daarna met de beide pooten, of liever met de klauwen,
aan, klemde hem er tusschen en beet nu, terwijl hij den wortel steeds
verder in den bek schoof, betrekkelijk zeer groote stukken er van
af; hij lekte zich intusschen voortdurend de lippen schoon en deed
dit ook met den wortel, die hij nu eens aan de eene dan weer aan de
andere zijde in den mond stak. Aan een bordje rijst en drie wortels
per dag heeft hij genoeg.
De stompzinnige onverschilligheid, waarvan de reizigers melding maken,
kan, althans bij den Unau, plaats maken voor een duidelijk merkbare
opgewondenheid. Zoo goed als de Luiaard vriendschap toont voor zijn
verzorger, zoo goed onderscheidt hij hem van andere personen; hun
toont hij soms de tanden, of bedreigt ze met de klauwen, terwijl hij
zich zonder weerstand te bieden van zijn oppasser elke aanraking
en behandeling laat welgevallen. Nog onvriendelijker gedraagt de
Tweeteenige Luiaard zich tegenover andere wezens. Mijn plan om den
Unau en den Aï in een en hetzelfde hok te laten wonen, werd door den
eerstgenoemden, den oudsten bewoner van het hok, verijdeld; de poging
om de beide verwanten bij elkander te brengen moest onmiddellijk
opgegeven worden. Al de luiheid, die hem toegeschreven wordt, geheel
verloochenend, viel de Unau, zoodra hij zijn stamgenoot zag, dezen
onmiddellijk aan, gaf hem eerst eenige goed gemikte slagen met een
zijner krachtige pooten, en pakte hem vervolgens zoo woedend met de
tanden aan, dat de oppasser de beide dieren zoo schielijk mogelijk van
elkander scheiden moest, en den Aï, den onschuldigsten van de twee,
in veiligheid moest brengen: hetgeen niet kon geschieden, voordat deze
van den vertoornden Unau eenige slagen met de klauwen had ontvangen.
Duidelijk verschilt van den tot dusver beschreven aard van den Unau,
die van den Aï. Op dezen doelden de meeste reizigers bij de schildering
van den Luiaard en in vele opzichten zijn de mededeelingen van de
meeste berichtgevers op hem toepasselijk. Het valt niet te betwijfelen,
dat hij veel minder begaafd is dan zijn stamgenoot.--Wanneer hij,
wakker wordend, den dunnen hals en den kleinen kop ver uitsteekt,
blijkt het spoedig, dat hij niet tevergeefs negen halswervels
heeft. Want met even groot gemak, als waarmede wij de hand omdraaien,
draait hij den kop zoover om, dat het achterhoofd geheel in het
verlengde van de borst, het aangezicht echter aan de rugzijde komt te
liggen. (Zie de afb. op p. 360.) Geen ander Zoogdier is in staat tot
deze draaiing, die aan den Drieteenigen Luiaard een hoogst zonderling
voorkomen verschaft. De Tweeteenige Luiaard beproeft deze beweging
van den kop nimmer; de Aï draagt den kop meestal in deze schijnbaar
onnatuurlijke houding, ofschoon hij haar naar vekiezing door de andere
kan vervangen. Zoo gemakkelijk de draaiing van den hals plaats heeft,
zoo plomp zijn alle overige bewegingen van den Aï, in vergelijking
met die van de Unau.
Het voordeel, dat de Luiaards brengen aan de menschelijke bewoners
van hun woongebied, is buitengewoon gering. In sommige streken
eten de Indianen en de Negers hun vleesch, welks onaangename reuk
en smaak den Europeanen walging veroorzaken; op sommige plaatsen
wordt hun huid verwerkt tot een zeer taaie, stevige en duurzame
leersoort. Schade kunnen deze dieren niet veroorzaken; daar zij in
dezelfde mate verdwijnen, als het door den mensch bewoonde gebied
zich uitbreidt. Ook zij staan op de lijst van de diersoorten, welker
verdwijning van den aardbol men met zekerheid voorspellen kan. Slechts
in de afgelegenste wouden kunnen zij zich handhaven, en zoolang de
prachtige boomen, die hun een woonplaats en voedsel verschaffen, door
den bijl van den steeds verder doordringenden Europeaan verschoond
worden, zoolang zullen ook zij hun leven kunnen rekken.
De _Miereneters_ of _Mierenberen_ (_Myrmecophagidae_), die de tweede
familie vormen, hebben uitwendig slechts weinig overeenkomst met
de Luiaards. Het lichaam is gerekt, de kop, vooral de snuit, sterk
verlengd; de staart bereikt bijna de helft van de lengte van het
overige lichaam. Een dichte, ruige, eigenaardige vacht bedekt den romp,
vooral de bovenzijde. De achterste ledematen zijn slank, en zwakker dan
de voorste. Zoowel de voorvoeten als de achtervoeten hebben, zooals
uit het onderzoek van het geraamte blijkt, vijf teenen, die evenwel
niet alle met klauwen voorzien zijn. De mondspleet is zeer klein; de
lange, dunne en cilindervormige tong herinnert aan een Worm. De ooren
en de oogen zijn zeer klein. Nog opmerkelijker is de bouw van den
kop. Door de verlenging van de neusbeenderen en bovenkaaksbeenderen,
is de snuit lang, buisvormig, geworden; de tusschenkaaksbeenderen
zijn zeer klein en gekromd, met de bovenkaaksbeenderen alleen door
kraakbeen verbonden. Tevergeefs zou men hier naar tanden zoeken;
elke spoor ervan ontbreekt.
De grootste soort van deze familie is de _Groote Miereneter_ of
_Manendragende Mierenbeer_, die in Paraguay _Yurumi_ (= "kleine mond"),
in Suriname _Tamanoa_ wordt genoemd (_Myrmecophaga jubata_). De vacht
van dit opmerkelijke dier bestaat uit dichte, stijve borstelharen,
die bij het bevoelen ruw zijn. Dicht achter den kop, langs den
nek en de ruggegraat, vormen zij manen en hebben zij een lengte van
hoogstens 24 cM.; aan den staart zijn zij 26 à 40 cM., aan de overige
lichaamsdeelen, bij en aan de pooten hoogstens 8 à 11 cM. lang. De
kleur van de vacht is tamelijk verschillend; aan den kop is zij
aschgrauw met zwart gemengd; bijna dezelfde kleur hebben de nek,
de rug (ten deele ook de zijden van den romp), de voorpooten en de
staart. De keel, de hals, de borst, de buik, de achterpooten en de
onderzijde van den staart zijn zwartbruin. Een zwarte, naar achteren
spits toeloopende streep, strekt zich van den kop en de borst over
den rug in schuinsche richting naar achteren uit tot aan het kruis,
en wordt omgeven door twee hieraan evenwijdige, smalle, bleekgrijze
strepen. Een zwarte strook bedekt het uiteinde van den voorarm; zwart
zijn ook de teenen van de voorvoeten en de onbehaarde deelen van het
lichaam. De lengte van den volwassen Yurumi bedraagt 1.3 M., zonder
den staart, die 68 cM. lang is, als men de haren niet mederekent,
met deze echter minstens 95 cM. en dikwijls nog meer. In 't geheel is
het dier dus 2.3 M. lang; soms treft men echter oude mannetjes aan,
die nog langer zijn.
"De Yurumi," zegt Rengger, "ziet er zeer leelijk uit. Zijn kop heeft
den vorm van een langen, dunnen, een weinig naar beneden omgebogen
kegel en eindigt in een kleinen, stompen snuit. De beiden kaken
zijn even lang; de onderste kan slechts weinig beweging maken;
de spleetvormige mondopening is zoo klein, dat zij met een dikken
mansduim geheel gevuld is; de neusgaten zijn halvemaanvormig; de
kleine oogen zijn diep gelegen; de eveneens kleine ooren zijn iets
meer dan 25 mM. breed, even lang en van boven afgerond. Wegens de
lange beharing schijnt de hals dikker dan het achterhoofd; de romp is
groot, wanstaltig en van boven naar onderen een weinig samengedrukt; de
ledematen zijn kort, de voorarmen breed en zeer gespierd. De voorvoeten
hebben vier teenen, ieder voorzien met een dikken nagel, die als een
adelaarsklauw samengedrukt is. Bij 't gaan en in den toestand van
rust, is deze nagel naar de zool teruggebogen; bij 't gaan rust alleen
de buitenrand van de zool, die vlak achter den buitensten teen met
een groote eeltplek voorzien is, op den grond. Van de achtervoeten
komt echter de geheele zool met den grond in aanraking. De lange,
ruige staart is hoog en smal en vormt een echte pluim. De tong, die
niet meer dan 9 mM. dik is, heeft den vorm van een langen, naar den
top ongevoelig dunner wordenden kegel; zij bestaat uit twee spieren
en twee klierachtige lichamen, die bij haar wortel gelegen zijn. Zij
kan sterk verlengd worden; het dier kan haar bijna 50 cM. ver buiten
den bek uitsteken.
"De Yurumi komt in Paraguay niet veelvuldig voor; hij bewoont
de onbewoonde of althans weinig bezochte vlakten in 't noorden
des lands. Hij heeft geen bepaald leger en ook geen andere vaste
verblijfplaats, maar zwerft over dag door de vlakte rond, en slaapt
daar, waar de nacht hem overvalt; tot slaapplaats kiest hij echter bij
voorkeur een plek, waar het gras zeer hoog is, of waar althans eenige
struiken voorkomen. Gewoonlijk ontmoet men hem alleen, tenzij men
te doen heeft met een wijfje en haar jong. Zijn langzame, stappende
gang verandert soms, als hij vervolgd wordt, in een loggen galop,
waardoor hij echter zoo weinig vordert, dat een voetganger hem met
een gewonen pas kan inhalen. Zijn voedsel bestaat uitsluitend uit
Termieten en Mieren en uit de larven van deze Insecten. Om deze
dieren te verkrijgen, krabt hij met de nagels van zijne voorpooten
de heuvels en de aardhoopen, die haar tot woonplaats dienen, open,
steekt dan zijn lange tong tusschen de van alle zijden toesnellende
Insecten en trekt haar met diertjes bedekt in den bek terug. Hiermede
gaat hij voort, tot hij verzadigd is, of totdat er geen Mieren of
Termieten meer te voorschijn komen.
"Het wijfje werpt in 't voorjaar één enkel jong en draagt dit een
tijd lang op den rug met zich. Het is een stil en vreedzaam dier,
dat noch den mensch, noch eenig ander Zoogdier kwaad doet, tenzij
het sterk geplaagd wordt. Men kan den Yurumi in het open veld over
een grooten afstand voor zich uitdrijven, zonder dat hij weerstand
biedt. Wanneer hij echter mishandeld wordt, gaat hij op de achterpooten
staan en steekt de armen naar zijn vijand uit om dezen met zijne
nagels te grijpen.
"Ik heb langen tijd een Yurumi gehad, die nog geen jaar oud was, toen
ik hem kreeg. Men had hem in een boerderij aan den linkeroever van
den Nexay gevangen tegelijk met zijn moeder, die echter weinige dagen
daarna stierf. Ik voedde hem met melk, Mieren en gehakt vleesch. De
melk slurpte hij op, of wel hij stak de tong er in en trok deze
vervolgens met het weinige er aan hangende vocht in den bek terug. De
Mieren zocht hij in den tuin of in de nabuurschap van het huis op.
"Het vleesch en het vel van den Yurumi worden alleen door de wilde
Indianen gebruikt; er zijn echter landlieden in Paraguay, die het vel
van dit dier, onder het beddelaken gelegd, voor een uitmuntend middel
tegen pijn in de lenden houden en het voor dit doel gebruiken. Zelden
wordt op dezen Miereneter jacht gemaakt; wanneer men hem echter
toevallig in het veld ontmoet, kost het niet veel moeite hem door
eenige stokslagen op den kop te dooden. De menschen moesten deze
dieren liever beschermen dan vervolgen, want wel verre van schadelijk
te zijn, bewijzen zij hun een belangrijken dienst, door het aantal
Termieten en Mieren te verminderen, die in eenige gewesten van
Paraguay zoozeer de overhand genomen hebben, dat daar niets verbouwd
kan worden. Waarschijnlijk heeft hij behalve den mensch geen andere
vijanden dan de Jagoear en den Koegoear. De fabelachtige verhalen van
de bewoners van Paraguay over gevechten, die tusschen den Miereneter
en den Jagoear zouden plaats vinden, zijn reeds door Azara wederlegd."
Van andere onderzoekers vernemen wij, dat de Miereneter niet slechts
Paraguay, maar ook bijna alle overige landen van het oosten van
Zuid-Amerika bewoont, en dat zijn verbreidingsgebied zich uitstrekt
van den La-Platastroom tot aan de Caraïbische Zee. Bij 't gaan houdt
hij den kop naar den grond gebogen en besnuffelt met den neus den
bodem. Den staart draagt hij intusschen recht uitgestrekt en de
manen van den rug hoog opgezet, zoodat hij veel grooter schijnt,
dan hij werkelijk is. Behalve Mieren en Termieten hebben nieuwere
onderzoekers in de maag van den Yurumi ook nog wel aarde en houtvezels
gevonden; deze slikt het dier onwillekeurig door, terwijl het de Mieren
verslind. Dat het behalve de dieren, die zijn hoofdvoedsel uitmaken,
ook zeer gaarne Duizendpooten en Wormen eet, voor zoover deze niet
te groot zijn, is aan geen twijfel onderhevig.
In lateren tijd zijn gevangen Miereneters herhaaldelijk naar Europa
gebracht; men heeft ze hier bij doelmatige voeding jaren lang in
't leven kunnen houden.
De gevangenen van den Londenschen dierentuin krijgen rauw, zeer
fijn gehakt vleesch en eidooier als voedsel; de Mierenbeer in den
Hamburger dierentuin, waarover door Noll berichten zijn gegeven, hield
bovendien zeer veel van brij, die bereid was door maïsmeel met heete
melk aan te roeren, en met een lepel stroop zoet te maken; het was een
vreemdsoortig schouwspel, het zonderlinge dier voor den schotel brij
te zien staan en dezen met zijn merkwaardige tong te zien ledigen. Met
een bijna ongeloofelijke snelheid, ongeveer 160 maal in de minuut,
wordt de zwartachtige, rolvormige tong wel 50 cM. ver buiten den
mond en in de brij gestoken, waarin zij zich kronkelt om onmiddellijk
daarna met spijs bedekt weer in den bek teruggetrokken te worden.
Dat de Miereneter niet alleen volgens het oordeel der menschen een
zonderlinge gedaante heeft, maar ook bij andere dieren verrassing
en zelfs schrik teweegbrengt, bleek, toen het dier in het apenhuis
zou geborgen worden. Alle bewoners van dit huis werden bij 't zien
van den nieuwen commensaal door een hevigen schrik bevangen; de Apen
schreeuwden en raasden zoo, dat men om hun het uitzicht te benemen
hunne hokken bedekken moest; zelfs een Chimpanzee kroop, bij het zien
van het voor hen zoo vreeselijke dier, vol angst onder het stroo.
De overige Miereneters zijn boombewoners. Van deze gelijkt
de _Tamandoea_ of _Cagoear_ (_Tamandua tetradactyla_) nog het
meest op zijn zooeven beschreven stamgenoot; toch wordt hij als
vertegenwoordiger van een afzonderlijk geslacht beschouwd, omdat
hij aan de voorpooten vier, aan de achterpooten vijf teenen heeft,
die alle met klauwen voorzien zijn, terwijl bovendien zijn staart een
grijpstaart is. Deze soort bewoont dezelfde landen als de vorige, met
uitzondering van Peru. Zijn lengte bedraagt ongeveer 1 M., met inbegrip
van den aan zijn topgedeelte geschubden, overigens echter behaarden,
40 cM. langen staart; de gemiddelde hoogte van dit dier is 30 à 35 cM.
Tot dusver is men van de levenswijze van dit merkwaardige wezen
nog niet voldoende op de hoogte. In Paraguay en Brazilië leeft de
Tamandoea overal in de eenzame, met bosch begroeide gewesten; gaarne
houdt hij zich op in den woudzoom en in het kreupelhout, dikwijls ook
dicht bij de woningen der menschen; hij is niet gelijk zijne grootere
verwanten tot den bodem beperkt, maar klautert zeer behendig in de
boomen, hoewel hij dit, evenals de Luiaards, zeer langzaam doet;
evenals de andere dieren met echten grijpstaart zorgt hij er voor,
zich voor den staart een stevig steunpunt te verschaffen, zelfs
gedurenden den slaap. Zijn voedsel bestaat bij voorkeur uit Mieren
en wel hoofdzakelijk uit die, welke in de boomen leven.
Ook de Tamandoea is in den laatsten tijd eenige malen levend naar
Europa en wel naar Londen overgebracht. Het eerste exemplaar had
Bartlett in zijn kamer gehuisvest, om goed te kunnen nagaan hoe
het zich beweegt. Met behulp van de kolossale, haakvormige klauwen
en van den grijpstaart klom het schielijk op de verschillende
meubelen, en sprong, toen het vertrouwelijker werd, van hier op
Bartlett's schouders, waarbij hij; den spitsen snuit en de lange,
wormvormige tong in alle plooien van de kleederen van zijn verzorger
stak en diens ooren, neus en oogen op een niet juist aangename wijze
onderzocht. Later, toen de Tamandoea een andere verblijfplaats had
gekregen, kwam hij, wanneer een bezoeker hem naderde, snel bij het
traliewerk aan de voorzijde van het hok en liet zijn onderzoekende
tong vlug over de tegen de traliën gehouden hand glijden; men moest
echter wel oppassen, dat het dier de klauwen niet om de vingers sloeg.
Eigenaardig is de sterke, muscusachtige reuk, die de Tamandoea
verbreidt, vooral als hij geplaagd wordt.
De _Dwerg_- of _Tweeteenige Miereneter_ (_Cycloturus didactylus_),
een diertje van de grootte van een Eekhoorn, is ongeveer 40 cM. lang,
waarbij 18 cM. voor den grijpstaart. Aan de voorvoeten komen vier
teenen voor, waarvan slechts twee met stevige klauwen voorzien zijn;
de achtervoeten hebben vijf teenen. De vacht is zoo zacht als zijde,
aan de bovendeelen vosrood, aan de onderdeelen grijs; ieder haar
van de bovendeelen is zwart met geelbruine spits, de haren van de
onderdeelen zijn grijsbruin.
Hoewel ook de Dwerg-Miereneter tamelijk plomp gebouwd is, maakt
hij, vooral wegens zijn fraaie vacht, geen onaangenamen indruk. Zijn
verbreidingsgebied is beperkt. Men heeft hem tot dusver alleen gevonden
in het noorden van Brazilië, in Guyana en Peru, dus in gewesten,
die tusschen 10° Z.B. en 6° N.B. gelegen zijn. In het gebergte komt
hij soms tot op 600 M. boven den zeespiegel voor. Bijna overal is hij
zeldzaam, of wordt althans niet veelvuldig aangetroffen. Hij houdt
zich op in de dichtste wouden. Daar hij geheel en al nachtdier is,
brengt hij den dag slapend in de boomkronen door. Zijne bewegingen
zijn onbeholpen, langzaam en afgemeten; hij klimt echter behendig,
hoewel voorzichtig en steeds met behulp van den staart. Zijn voedsel
bestaat uit Mieren, Termieten, Bijen, Wespen, en uit de larven van
deze Insecten.