Heller en feller riep Karel ´Kom eruit.ª En anders.ª**

Dat geluid en dat geschreeuw moest een doode levend maken.

Mogelijk ook een vreemde, die de landstaal niet verstond.

Karel, die in zijn jonge jaren in de Rijnprovincie gearbeid had,

herhaalde op zachte, op heftige wijze in geradbraakt Duitsch zijn

bevelen. Doof en stom.

Duitscher was hij ook niet...

Jan, die twee jaar te Luik bij de zandruiters** gediend had, moest hem

in 't Fransch aanroepen. Op het oogenblik kon hij geen gebenedijd woord

eruit krijgen.

´Slapen,ª ´opstaanª hoe zei men dat weder? Hij kon er niet meer opkomen.

Gekend had hij het. Die woorden alsmede zijn ander Fransch waren

tusschen zijn veldarbeid, in bosschen en hagen verloren gegaan.

Op eens begon hij met schetterende bevende stem te roepen: ´Garde ‡

vous, PrÈsentez-armes**... Joue, joue, joue.ª

Trien moest het uitproesten van lachen. Wat trok die Jan daar een

leelijk gezicht. En zij herhaalde half lachend ´Joue, joueª.

´Non** de tonnerre...ª sakkerde Jan nog eens.

Maar de gewaande Franschman ronkte en zuchtte door...

Kende Trien ook maar een vreemde taal, zij zou hem wel wakker maken.

De moedige Karel wilde het nog eens beproeven of hij op zijn Vlaamsche

vragen geen bevredigend antwoord bekwam. ´Vriend wilt gij opstaan? Het

is meer dan tijdª Maar de vriend hoorde noch sprak. Toen werd Karel's

stem weder barscher. Hij gebood hem op te staan in den naam der wet, uit

Konings naam. Als dat niet hielp dan zou hij naar boven komen en hem

naar beneden smijten. Verder dan vijf minuten in den omtrek kon men zijn

bulderen hooren.

Maar de man zonder taal sliep den slaap der rechtvaardigen.

Dat moest hij hooren of neen was hij dood. En wat dan aangevangen?...

Zij luisterden nog eens, daar zoefde nog iets. Er was nog leven.

Nu begonnen Trien en Jan den buurman op te hitsen.

Dat mensch deed alsof hij niets hoorde.

Dit prikkelde Karel's gespannen zenuwen. Daar moest een einde aan komen.

Hij had hun geduld al lang genoeg getart. Naar boven zou Karel klimmen,

om hem met zak en pak naar beneden te bliksemen. Om zekerder van zijn

stuk te zijn bediende hij zich van een kleine ladder. In de rechter hand

hield hij den knuppel dreigend gereed, met de linker klampte hij zich

sport voor sport vast en keek angstig naar boven. Nu kregen Jan en Trien

eerst voor goed het kippenvlees.

De man moest Karel eens den kop inslaan. Bevend hielden zij hem in het

oog. Toen Karel bijna met het hoofd over het stroo kon zien, vloog een

haan verschrikt weg: ´Klokª, ´Klokª. Wat was dat? Over het gansche stroo

was geen levend wezen meer te vinden.

Zij stonden een oogenblik paf. Maar toen begonnen zij allen te

schaterlachen. De haan! Kokkelorus**

Maar hemel toch, dat was nog nooit gebeurd. Nu konden zij niet begrijpen

hoe ze dat niet eerder gezien hadden. Wederom werd er gelachen. Maar

Trien lachte het meest. Karel maakte zich nu boos en meende dat men hem

had willen bij het lijntje krijgen.

De twee dienstboden moesten al hun uiterste best doen om den verbolgen

man tot bedaren te brengen. Hij wilde hen aftroeven en smeed woedend

zijn knuppel naar den haan, die van verre zijn zege onbewust uitkraaide.

Maar zij wisten Karel te overtuigen, dat ze werkelijk meenden dat er

iemand op het stroo te slapen lag. Hij moest mede binnenkomen en de

koffie drinken. Anders zou de baas, aan wien ze de grap gingen

vertellen, niet tevreden zijn. Het oudje was er mede in zijn nopjes.

Sedert lang had hij zoo hartelijk niet meer gelachen. Daar moest op

gefeest worden. Spek en eieren werden in de pan geslagen. Een dikke

koffie schudde de meid op. De gebeurtenis werd onder veel lachen twee,

drie maal verteld. Als de buikjes verzadigd waren, bedankte men Karel

voor zijn heldhaftig optreden, die liefst had dat men er verder over

zweeg.

Die verdomde haan!...

[Illustratie]

Een lustige broeder,

door

dr. Jaak BOONEN.

´OPSTAAN, hier niet blijven liggen.ª

Een fatsoenlijk mensch belt eerst aan mijn hotelª zei dronken Harike,

liggend met romp en kop diep ineen gedoken in een hooihoop; zijn beenen

even uit het spichtige dorre gras naast een pet met breede voorklep en

een bundel biezen. Nog grommelde hij eenige woordjes en ronkte zijn roes

verder.

De gendarmen, die hem gewekt hadden om te hooren en te zien wie daar

onder den blauwen hemel tabernakelde, lachten en gingen verder. 't Was

hun geen onbekende. 't Was weder Hari, altijd dezelfde.

Woning heeft de man niet. 's Zomers slaapt hij waar zijn waggelende

beenen hem het eerst doen ineenstorten. 's Winters zoekt hij

nachtverblijf bij den eenen of anderen boer. Daar slaapt en droomt hij

zoo goed en zacht ais een kind in zijn weelderige wieg.

't Is een jonggezel van in de vijftig jaren, maar hij heeft nog gezonde

knoken aan het lijf, door alle weders en lucht verhard en gestaald, en

een goede maag, die veel, heel veel spoeling wenscht en bekomt.

Meestal draagt hij een frak, een oude afgedankte trouwjas, die in zijn

plooien en vouwen hooitjes en strooitjes bergt ais teeken van zijn

nachtelijke tochten. Zoo gauw zijn broek versleten is, krijgt hij een

afgedragene bij een ´goeden braven Heerª. Die is nieuw voor hem. Hij

kent zijn klanten, die niet zouden willen dat hij in lompen over de

straat zwenkt. Zijn voeten steken in groote schoenen, die niet op zijn

leest geklopt werden. Meestal is zijn halskraag van de witsten niet.

Doch dit steekt niet erg af met zijn vel, dat niet van water houdt.

Hij moest nu en dan eens geschrobd worden, oordeelden de lui.

Stoelenvlechter van beroep is Hari. En drinkebroer van eerste klas.

Eerlijk en braaf. Deftigheid zijn leuze. Drinken zijn alledaagsche motto

en hoofdwerk. Vosslim. Zonder veel werk en zonder eigenlijk bedelen alle

dagen zijn botten vol drank.

Als hij 's morgens in de vrije lucht ontwaakt, wrijft hij zich de oogen

eens goed uit. Vindt hij dadelijk geen beekje of wat water, dan maar

door. Straks zal hij zich wel ergens kunnen wasschen. Dikwijls vergeet

hij het. Met zijn waggewiggelende biezen op den rug en de pet diep

achter op den kop gaat hij op weg niet wetend naar links of rechts,

vraagt zich peinzend af waar hij gisteren geweest is, waar heden iets

los is. Dan vandaag naar den anderen kant, steekt zijn aarden pijpje aan

en dampend ais een schoorsteen trekt hij de eerste herberg binnen om een

verkoelenden borrel, die hij voor zijn ontbijt houdt. Hiertoe bewaart

hij altoos vijf centen van daags te voren. Moest hem de bazin een tweede

druppel ingieten, heel vriendelijk; weigeren doet hij niet of nooit.

Lippensmakkend ijlt hij verder op zoek naar wat werk, een bete broods en

veel, veel borrels...

In lente en zomer leeft Hari in voortdurende feestweelde.

Alle Zondagen en de meeste werkdagen is er dan hier, dan ginder iets te

feesten. Dat weet hij beter dan iemand, dit staat zoo vast in zijn

grijzenden kop ais in den Maastrichter almanak.

Hij kent al de feestjes, de groote en kleine kermissen, de veemarkten,

de verkoopdagen, de trouwdagen van de beste ingezetenen...

Daags voor de kermis komt hij met zijn biezen het dorp in ´Geen**

stoelen of matten te vlechten?ª Langs de straat vliegen de huisdeuren

open, winkelbelletjes schellen, nieuwsgierigen komen buiten piepen,

kinderen roepen zegevierend: ´Harike is daar.ª Nu zet hij zijn

vroolijkste gezicht op, vlecht soms hier en daar wat, vraagt of men

kermisgereed is of** 't baksel goed gelukt is, of Hari ook een stukje

krijgt.

Bij de goede boeren, de enkele renteniers, bij den pastoor en den

burgemeester weet hij praatjes naar hun zin te verkoopes. Te herstellen

viel er niets--dit wist hij voorop--hij wenscht hun dan een goede

vroolijke kermis. Zonder rechtstreeks iets te vragen wordt hem

kermisgeld in den zak gestopt. Hij heeft met goede lui te doen, die

kunnen lijden dat de zon in het water schijnt.

Nergens was hij uitgenoodigd en toch ging en kwam hij overal. Vast

overtuigd is hij dat hij de gast van het gansche dorp is.

Aan de jonge meisjes wenscht hij een goeden vrijer, de jongens een mooi

lief kermismeisje. Dit was water op hun molen. Hari moest met de

kermisdagen maar eens aankomen. Hij dankte en zou het bij gelegenheid

wel doen. Alle menschen moeten leven en Hari ook.

In de koffiehuizen, waar de herbergprinsesjes hoekjes en kantjes netjes

afstoften, de glazen spoelden en waschten, de koperen knoppen van deuren

en vensters glanzend blinkten, trekt Harike de sluizen zijner

welsprekendheid wijd, wijd open...

Hij weet hun te vertellen en op te schroeven dat het goed kermis zijn

zal; dat de bewoners der omliggende dorpen goed op zullen dagen, dat

verschillende clubben van heinde en verre zullen afgefietst komen.

Lieske, Betje, Antje en Netje hadden de groeten van hun vrijers. Hij had

ze gezien en gesproken. Vroeg zouden ze morgen hier zijn, ze dachten

zich goed te vermaken met hun lief poesjes. Van hun vrijages was hij op

de hoogte. Sloeg hij ook al eens den bal mis, dan wist hij zich met een

schaterlach uit den slag te trekken. Overal kreeg hij een borrel,

vandaag een heelen grooten omdat het kermis was--en hier was het stil om

te doen. Als de late avondzon aan de westerkim vuurrood onderging, heeft

Hari den vooravond der kermis goed ingezet en zingend trekt hij naar een

aangewezen schuur, die hem tot slaapleger dient. Hier slaapt hij

gedurende vijf dagen zijn kermisroes uit en laat zijn biezen

ongeschonden veilig liggen.

Den Zondag morgen wascht hij zich Paaschwit bij den herbergzamen boer.

Vandaag moet Hari deftig er onderuit komen. In witten halskraag en

zuiver hemd--gisteren bij een goeden vriend met een onnoozel oogknipje

en een korte vingerwijzing opgedolven--en uitgeklopte kleederen, gaat

hij na eerst eentje gepakt te hebben naar de hoogmis. Hij bidt en dankt

den Heer, dat Hij hem laat eten zonder gezaaid noch gemaaid te hebben.

Bij den afloop der kerkelijke diensten meldt hij zich heel beleefd bij

den voorzitter der fanfare of schutterij aan. Hij biedt zoo als ander

jaren zijn diensten aan.

De menschen waren over hem tevreden. Hij mocht weder vaandrig of

piekdrager zijn; hij mocht weder den standaard of de dikke trom der

fanfare dragen. Zijn aanstelling vroolijkt hij luide uit. Hij vertelt

als een groote gebeurtenis aan iedereen dat hij de kermis met zijn

tegenwoordigheid komt opluisteren. Gek doen staat nu eerst voor goed op

zijn kermisprogramma.

Zegevierend huppelt hij de herbergen in, groet vriendelijk de lui en

krijgt den meesten drank geschonken.

's Middags weet hij behendig ergens zijn beenen onder de

kermis-dischplank te schuiven. Maar in den namiddag begint eerst zijn

vroolijk leventje.

Zijn pet en jas smukt hij fijn met bloemen en flarden op. Dit vestigt

dadelijk de aandacht op hem van groot en klein, die gunstig voor hem

gestemd worden. Naar links en rechts loopt hij alhoewel hij nergens zijn

moet. Hij draaft achter de hoofden der vereeniging. Die moet hij bij hun

jas houden en die brengen hem drank in den maagkelder.

Als de fanfare--daar heeft hij de meeste pret bij--uit haar koperen

speeltuigen een schetterende muziek doen opklanken, danst Hari als een

dartele jongen van vijftien jaar. Lustig, vrolijk, herberg in, herberg

uit, trekken de muzikanten het dorp rond. Fratsen en kwinkslagen van

Hari worden als tusschenspelen gegeven. 's Avonds heeft de man het lijf

vol drank op de kas der vereeniging. Zooals de eerste dag, zoo gekt hij

de ander** dagen om.

Den zesden morgen scharrelt hij zijn biezen bijeen en gaat naar een

ander** kermis, eerst in het dorp nog eens loerend of er geen navierders

zijn, dan plakt hij er den voormiddag nog bij...

Dan verder op zoek naar vreugde met kosteloozen drank overgoten...

Zoo vliegt de jolige zomer voorbij met zijn wonne en zonne.

De herfst met zijn sombere en korte dagen, de winter met zijn nijpenden

vorst en koude sneeuw zijn niet bij machte Hari weemoedig te stemmen.

Daar komen nog eenige nakermissen, die hij goed medeviert. Nergens

vertoeft hij nu lang. Hoort hij onderweg kanonnetjes ergens afvuren,

dadelijk slaat hij die baan in. Er heen. Daar trouwen of ondertrouwen

ze--en daar wordt drank, veel drank ten beste gegeven. Daar mag Hari ook

bij zijn en zijn kannetje van medenemen.

Om dezen tijd vieren de in-verlof-zijnde boeren plechtig de feestdagen

van de beschermheiligen hunner parochiÎn. Eer al die heiligen hun

waslicht hebben, vliegen er veel weken voorbij en Hari heeft er zijn

drinkpenning geofferd en meer nog ontvangen.

Voor en na het blanke kerstfeest wenscht hij enkel de gegoeden een zalig

hoogtij.

Gansch den maand Januari heeft hij noodig om zijn klanten een gelukzalig

nieuwjaar te wenschen. Als de menschen hem ook al zeggen dat hij er zoo

erg laat mede afkomt, dan weet hij te antwoorden dat hij het erg druk

gehad heeft. Zijn wenschen zijn daarom niet minder oprecht. Beter laat

dan nooit.

Met Februari begint de stille tijd, het kalme sezoen** voor Hari en hij

vervlecht de biezen waarmede hij maanden op en af gedraafd en gesleurd

heeft en die erg veel van regen en wind, zonneschijn en vorst geleden

hebben. Om te lappen zijn ze goed. De menschen zijn nog al gauw

tevreden, daar hij geen hoog loon vraagt. Moest zijn werk blijven duren,

dan kon hij niets meer verdienen. Alle menschen moeten leven en Hari

ook.

Intusschen valt hij toch nu en dan eens met zijn gat in de boter bij

dorpsbraspartijen en de vette gekke vastenavonddagen.

Als hij moe gewerkt is zwiert hij naar koffiehuizen waar hij bij

ondervinding weet dat de menschen van zijn gewonen zeever niets moeten

hebben. De lui zeggen dat ze geen tijd hebben. Hij moet maar gauw zijn

grooten druppel uitdrinken. Zonder iets te betalen mag hij de deur uit.

Anderen, die van zijn met opzet gemaakte ellenlange litaniÎn niets

hooren willen, geven hem gauw vijf centen om hem vroolijk zonder

binnenkomen langs te zien trekken.

Bij nog anderen gaat hij enkel binnen als er goede vrienden van hem rond

den toog staan. Gauw eentje gewipt en Hari is weg met een ´hartelijk

dankjeª voor den milden gever.

Hari kent de omstreken op zijn duimpje. Hij kent zijn klanten, zijn

vrienden en zijn vijanden. Iedereen weet en tracht hij naar zijn zin te

praten tot grooter voordeel van zijn dorstige keel, die dagelijks het

hare goed krijgt.

Acht dagen voor Paschen**, staakt hij alle werk. Voor eenige dagen laat

hij biezen en stoelen met rust. De goede week moet voor hem bizonder

goed zijn.

Voor nieuw kleedsel van kop tot teen loopt hij rond en verkrijgt het.

Goed geloovige menschen weet hij wijs te maken dat zoo ze hem niet

helpen in het bekomen van een nieuw pak, hij zijn paaschplichten niet

kan vervullen. Dat zou doodjammer zijn en de Heer van hierboven zou dat

ook niet willen.

En moest het eens gebeuren dat hij stierf dan zou St. Pieter hem aan de

deur laten staan, zoo hij in slecht verzorgd gewaad kwam aankloppen.

Paaschdag staat Hari in een deftige kleeding, vervult zijn christelijke

plichten. Dien dag heeft hij zijn inwoning bij heel brave lieden. Diep

ingetogen, gedwongen ernstig is hij dien dag.

's Anderendaags beginnen zijn zwervende lentesotterniÎn...

[Illustratie]

De Eenzame; "Klok" "Klok"; Een lustige broeder · 第 6 / 7 题