1 Uit: Van Arme Menschen, P. N. Van Kampen & Zoon. Amsterdam.

´Pooverª noemden hem de enkele menschen die hem kenden of die van hem

hadden hooren spreken. Zijn eigenlijke naam herinnerde zich niemand. Hij

leefde moederziel alleen d‡‡r, drie uren van de naaste menschenwoning,

vier** van het naastgelegen kleine dorp verwijderd. Men wist alleen maar

dat hij er was komen wonen met zijn ouders, in den reeds lang geleden

tijd toen de groote bosschen zich nog tot in de buurt van zijn eenzaam

stroohutje uitstrekten. Als de jachtbewaker van een rijken heer was zijn

vader er gekomen. Maar de heer was arm geworden, en vele bosschen waren

uitgerooid. Enkel het huisje, dat voor niemand meer een waarde had, was

blijven staan. Daar hadden Poover's vader en moeder tot hun dood

gewoond, en na hun dood was hij er ook gebleven, omdat hij nu eenmaal

gewend was aan dat leven, omdat hij naar iets anders niet verlangde,

omdat hij, onwetend van alles wat er in de wijde wereld omging, zich

geen ander leven meer kon voorstellen.

Hij bezat enkele kippen die hem eieren gaven, een zwijntje dat hij

vetmestte, een hond, dien hij voor zijn kruiwagen spande, een kat, die

de muizen en de ratten uit zijn huisje weerde. En hij had ook een

sijsje, in een kooitje, dat vroolijk zingen kon in 't zonnig ochtenduur,

en ook een boschuil, vreemde stille gast, die gansche dagen roerloos in

een donker hok zat, en enkel met het schemeruur kwam opdagen,

stil-nijdig met zijn groote, ronde kattenoogen op de vensterbank van

't kleingeruite raam gezeten, waar Poover hem zijn voeder kikkers,

musschen, muizen in de klauwen stopte. Verder was er niets van leven om

hem heen. Op een door hem ontgonnen hoekje heide plantte en zaaide hij

aardappels, koren, groenten; uit de verre bosschen haalde hij takkebos

voor brandstof. Zijn slaapplaats was een hoop met stroo en dorre

bladeren tusschen vier ruwe planken, zijn kleederen hadden de kleur der

aarde. Hij was van middelmatige, ietwat gebogene gestalte, met

opmerkelijk lange armen. Zijn baard en haren waren ruig en grauwachtig,

zijn magere koonen hadden een zonderlinge hoog-roze kleur, en in zijn

vreemd-licht-grijze, rustelooze oogen lag een uitdrukking van groote

schuwheid en gejaagdheid.

Nooit, of bijna nooit kwam er een mensch in zijn nabijheid. En als er

zich soms een vertoonde, hield Poover zich liefst schuw-verborgen, alsof

het hem iets vreemds en onheilspellends was. Het spraakvermogen had hij

nagenoeg verloren, en de namen van zijn beesten uitte hij in korte

klanken. Zijn hond heette Duc, zijn uil heette Koeb, zijn poes heette

Mie, zijn sijsje heette Fientje. En in zijn geest waren de gedachten

schaarsch en duister, altijd en onveranderlijk beperkt tot den beperkten

horizon waarin zijn eenzaam leven opgesloten was. Hij dacht aan zijn

kippen en zijn zwijn, aan zijn aardappels en aan zijn koren, aan zijn

arbeid, aan zijn hond, aan zijn kat, aan zijn uil. Op stille

zomeravonden zat hij zijn pijp te rooken, neergehurkt in het zand vÛÛr

zijn deur, werktuigelijk-en-roerloos-starend, zonder gepeinzen. Des

winters zat hij starend voor zijn haardvuur, de oogen in de vlam, de

handen op zijn knieÎn, het denkvermogen ingeslapen. Soms keek hij lange

tijden naar de poes, die rustig in elkaar gerold te spinnen lag, soms

kwam hij in de schemering van 't venster naast den boschuil zitten, om

hem, in stil-starende-roerloosheid, de kikkers en de vogeltjes te zien

verslinden,**

Geld had hij niet, zag hij niet. Maar telkens als zijn zwijn was

vetgemest, of als hij te veel kippen had, wat om de vier of vijf maanden

gebeurde, trok hij er mee naar het ver afgelegen dorp, om er allerhande

waren tegen in te ruilen.

Hij vreesde zeer die onvermijdelijke tochten. Want elken keer was het

een opschudding in het doorgaans zoo rustig dorpje.

Van zoo verre de straatjeugd hem met zijn trekken den hond en volgeladen

kruiwagen zag komen, ging het gegil op: ´Doar es Poover! Doar es

Poover!ª En in joelende, spottend-uitgelaten benden liepen zij met hem

mede, het geblaf van zijn hond, het geknor van zijn zwijn, het gekraai

van zijn hanen nabootsend, terwijl Poover, rood van angst en schaamte,

zich met schuwe, schuinsche blikken spoedde, en weldra hollend het wiel

van zijn kruiwagen tegen den staart van zijn jankenden hond duwde, om

zoo gauw mogelijk, door de dubbele rij van meehollende bengels en van

spottend op hun drempels staande dorpelingen, aan het huis van den

spekslager en winkelier, als in een veilige haven, te zijn.

Daar was hij uit de wreede klauwen. Zijn zwijntje werd gewogen, de prijs

gedebatteerd, en voor de waarde ervan nam hij allerhande uit den winkel

mede; eerst een nieuw jong zwijntje, dat hij weer vet zou mesten, en

verder spek en kruidenierswaren, linnengoed en andere kleeren, boter,

meel, koffie, tabak, alles wat hij voor zijn lange eenzaamheid weer

noodig had. De menschen van het winkeltje onthaalden hem daarenboven nog

op een lekkeren ´spoelkom kaffeeª, met kaas en tarweboterhammen, en

vergezelden hem met hun ietwat spottende, maar toch goedmoedige

gelukwenschen tot aan de deur. En telkens had daar weer dezelfde grap

plaats; telkens als Poover de draagboomen van den kruiwagen optilde, en

´ hue! ª roepend tegen zijn hond, sterk met het lichaam duwde om den

wagen voort te krijgen, ging er uit de groep van aan den overkant der

straat geschaarde bengels een joelende schaterlach op. Een van hen had

bedriegelijk een baksteen tusschen het wiel en de voorplank geduwd en de

wagen kon niet voort. Suf glimlachend en onnoozel met het hoofd

schuddend, als was hij telkens weer verrast door die telkens weer

herhaalde grap, liet Poover de draagboomen los, haalde met moeite den

baksteen van tusschen het wiel en de voorplank, en reed dan eindelijk

weg, al spoedig weer hollend als bij zijn aankomst, onder het spotgejoel

der tot verre buiten 't dorp met hem meehollende straatjeugd.

* * * * *

Zoo leefde hij, in volkomen verlatenheid, de lange, onbewuste jaren van

zijn kleurloos leven, tot op dien vreemden dag van stoornis, waarop het

verwijderd leven van zijn medemenschen zelf naar hem toe scheen te

komen.

Er waren daar plotseling menschen, op een ochtend, in de buurt van zijn

armoedig hutje, menschen die bedrijvig op de heide heen en weer liepen,

met lange kettingen en rood-en-wit geverfde staken, die zij hier en daar

in den grond duwden, en er dan met gespannen aandacht van verre naar

keken.

Poover, ontsteld en bang, hield zich schuil achter zijn kleingeruit

raampje. Hij begreep niets van wat er gebeurde, maar weldra zag hij een

man, gekleed als een heer, en gevolgd door een arbeider in de richting

van zijn hutje komen, en 't ogenblik daarna werd er op zijn gesloten

deur geklopt.

- Is er iemand?ª hoorde hij buiten roepen.

Eerst hield Poover zich als dood en wou niet open doen. Maar harder werd

geklopt, en bevend kwam hij eindelijk te voorschijn.

- Mijn vriendª, sprak de heer zeer beleefd, ´zoudt gij ons niet aan een

paar lange stokken kunnen helpen? Wij zijn bezig met de afmetingen op te

nemen voor de nieuwe spoorbaan, die hier langs moet komen.ª

- O bah joa ik, meniere,ª antwoordde Poover, met zijn hol-heesche stem,

waarvan hij zelf haast nooit den klank meer hoorde. En van achter zijn

hutje haalde hij de gevraagde stokken, en overhandigde die aan den

arbeider.

- Merci, ge zijt wel bedanktª, glimlachte de heer. Wilt g'n sigaar

rooken?ª**

- As 't ou blieft, meniere,ª heeschte Poover.

De heer overhandigde hem enkele sigaren, en zei, met iets triomfants in

de stem, als dacht hij Poover daarmee groot plezier te doen:

- Het zal hier niet lang meer zoo eenzaam zijn, weet ge?

Poover, de bleeke oogen schuw-verbauwereerd, gaf geen antwoord.

- 't Is voor de groote expressen dat wij hier die route komen leggen,ª

voegde de heer als toelichting bij zijn gezegde, met een schuinschen

blik op den zonderlingen man.

Maar Poover bleef halsstarrig sprakeloos, als was hij eensklaps stom

geworden; en na een ´allo, de goÍn dag, van avond zullen wij u de

stokken terugbrengenª, was de heer met zijn arbeider weg.

* * * * *

Een spoorweg! dacht Poover. En hij werd bang voor dien spoorweg, die

daar nu zou komen. Het stoorde diep zijn leven, het bracht er een

omwenteling in reeds vÛÛr hij er was. Veel liever had hij er daar geen

zien komen. Hij, de dood-eenzame, vreesde het verkeer van menschen die

altijd den spot met hem dreven. En toch, in hem ontwaakte een

nieuwsgierigheid, die allengs werd een groot en vaag verlangen. Eerst

vluchtte hij tot in de wijde verre bosschen voor de indringing van al

die onbekende lui, die nu voortdurend kwamen. Maar langzamerhand

verminderde zijn schuwheid, tot hij weldra af en toe naar de werken kwam

kijken, en zelfs met die vreemde menschen, die hem toch geen kwaad

deden, enkele woorden wisselde.

´Hawel Poover,** schertsten zij, ´da zal hier amezant gaan worden, hË,

veur ou, ne kier dat de boane daar ligt? Dan zie je nie anders mier as

luxe-treins mee keunijngen en prinsen en prinsessen hier veurbij

zjoeven.ª

´En komt er euk 'n stoasie in de buurte?ª vroeg Poover.

´Wel nien 't; zij-je zot dan? Dat 'n es hier moar 'n deursnÍe, om de wig

van de gruete treins wa te verkorten. Moar, weet-e watte,ª gekscheerden

zij: ´den trein zal veur ou kastiel euk wel ne kier stilhouÍn, moar ge

moet hem bij tijds tieken doen mee ouÎ neusdoek.ª

´'K 'n hË nog noeit gienen trein gezien,ª antwoordde Poover.

En peizende keerde hij terug naar de verre bosschen.

* * * * *

Hij zag weldra de treinen: gillende, puffende locomotiefjes met lange,

lange rijen open wagentjes, waarvan hoopen zand, houten staven, stalen

rails werden afgeladen. Bang maakte 't hem niet; hij vond het alleen

maar onbegrijpelijk, wonderbaar. Het wonderbaarst van al dat die lange,

zware gevaarten steeds zoo trouw langs die dunne riggels bleven loopen

zonder er een enkele maal af te kegelen.

´Hoe es 't toch meugelijk!ª dacht Poover. En dikwijls kwam hij kijken,

elk oogenblik verwachtend dat een onvermijdelijk ongeluk gebeuren zou.

Maar nooit gebeurde het. In regelrechte streep, borend door heide en

door bosschen, strekte zich de lijn weldra van den eenen einder tot den

anderen uit, en eindelijk werd zij voor 't verkeer der groote

prachttreinen geopend.

Poover was daar, toen dit voor het eerst plaats greep.

Hij stond beneden den dam waarop de spoorweg was aangelegd, met enkele

van de arbeiders die 't groote werk voltooid hadden. Daar kwam hij aan,

de eerste groote trein. In de verre verte, op het uitpunt waar de rails

schenen in elkaar te loopen, iets als een klein zwart hijgend,

krabbelend beestje, dat zich vreeselijk scheen te haasten om er gauw

genoeg te komen, en, oogenziens vergrootend, als door zijn eigen woede

opgeblazen, weldra in duizeling-wekkend snelle vaart kwam aanrennen.

Het werd een monster, vuurspuwend van onder, rookspuwend van boven, het

stormde daverend voorbij, in krijgsgegil van stoom en raderen, als een

reusachtige kanonskogel de schuiflende, van opgezweepte stof en halmen

dwarrelende lucht doorborend...

Poover slaakte een gil en zakte sidderend door zijn knieÎn. Hij sloeg

van schrik de beide handen alsof hij doodelijk getroffen was, en stortte

neer als weggemaaid, ten gronde.

De werklui van de spoor**, die den voorbijtocht van den eersten trein

met wild gejuich en armgezwaai begroet hadden, lachten den armen Poover

heftig uit.

´Zij-je nog heel? Leeft e nog?ª schimpten zij.

Beschaamd en sprakeloos stond Poover op, en trok met waggelende schreden

naar zijn hutje.

* * * * *

Nu waren zij weer allen weg, die daar maanden lang in de nabijheid

geleefd en gewerkt hadden. Nu was Poover weer alleen in zijn volkomen

eenzaamheid, die enkel nog gestoord werd door het dagelijks

voorbij-ruischen der groote wereldtreinen. Viermaal per dag stormden zij

er voorbij, een s'ochtends** en een 's avonds, in ieder der twee

richtingen. En Poover, die weldra zijn eerste schrik te boven was, kwam

er geregeld nu naar kijken. De schrik Was weg, maar de emotie bleef,

ontzettend. Hij kon niet op de heide of in zijn eenzaam hutje blijven op

de uren dat het groote monster daar voorbij zou snorren. Hij klom op den

dam, staarde de verte in, legde zich plat ten gronde, het oor tegen de

rails. En hij hoorde ze zingen, de rails. Zij zongen voor hem vreemde

wonderen van onbekende dingen. Zij zongen van een gansche wereld, die

hem onbekend was, van een groote eindeloos uitgestrekte wereld, waar hij

nog nooit den voet in had gezet, waar hij hem nooit in zetten zou.

Aldoor, aldoor lagen zij eindeloos stil en klagend-zacht te zingen, maar

als de groote trein zou komen, zongen zij schriller en harder, als uit

de zachtheid van hun lange droomen opgeschrikt. Zij sidderden weldra, en

gilden, als werden zij gefolterd, als werden zij verwoed, wraakzuchtig.

D‡‡r was de trein. Ginds aan den verren, verren horizon vertoonde zich

zijn donkere stip. En telkens weer was 't, als den eersten keer, een

klein, zwart, overhaastigkrabbelend en hijgend beestje, dat door zijn

eigen woede tot een reuzenmonster scheen te zwellen, dat vlam en rook

uitspuwde, dat donderend als een kogel door de van elkaar gescheurde

lucht floot, en in een furie van metaal-en-stoom-gegil verdween.

Poover, een tiental schreden, in de heide achteruitgedeinsd, keek, in

roerlooze emotie, naar het schouwspel. En, als in een weerlicht, zag hij

iets van 't leven van den trein: de open vuurmond van het monster, die

werd volgestopt met steenkool, den machinist, die met gespannen aandacht

door zijn raampje naar den einder keek, als door een reusachtigen bril,

en, in de lange prachtige luxe-wagens, gebaren en houdingen van

menschensilhouetten: heeren die rookten, achterover op de roode kussens

uitgestrekt, heeren en dames voor de raampjes aan de tafel: de heer rood

en dik, met etenden mond, de dame fijn en elegant, in lichte blouse en

donkeren hoed, glimlachend voorovergeheld naar den heer.

Dat was het groote leven waar de rails van zongen, het vreemd-wonderbaar

leven waar Poover niets van kende, waar hij alleen van kende dien

weerlicht-straal van snel voorbij vliegende silhouetten, die hij maar

nooit van dichter bij zou mogen zien. O! hoe graag had hij ze nu eens

goed willen zien Hoe graag had hij hem willen stil zien houden, dien

prachtigen, steeds woest voorbijsnorrenden trein, al was 't ook maar

ÈÈn enkele maal, om iets van al dat wonderbare, onbekende leven te

vernemen, hij die nu plotseling begreep dat hij nog niets wist van de

wereld, hij die daar heel zijn leven in de doodendste verlatenheid

gesleten had, die nooit een mooie vrouw gekend had, die nooit een groote

stad gezien had, die nooit van een lekkeren maaltijd had geproefd.

Het werd in hem een soort van heimwee, van ziekelijk, kwellend

verlangen. Hij stond daar elken ochtend, elken avond, met groote oogen

van emotie en verlangen, als een bedelaar. Het personeel van de treinen,

dat hem weldra kende, dacht dat hij werkelijk,** een bedelaar was, daar

altijd op diezelfde plek, in de buurt van het armzalige hutje, en soms

werd, hem,** in 't voorbijsnorren iets toegeworpen: brood, een flesch

bier, een of ander kliekje uit den restauratie-wagen. En altijd, altijd

stond hij daar, in daglicht of bij duisternis, met zijn zoo vreemd, van

allen onbekend verlangen, zijn heimweeÔg verlangen naar die prachtige

groote treinen, mar dien wilden, meesleependen stroom van het onbekend,

voor het eerst aan hem zich openbarend, groote leven.

* * * * *

Zoo stond hij daar ook weer op een Novemberavond, wachtend op den dam,

't gezicht gekeerd naar de verre lichtjes-flikkering in 't Zuiden, van

waar de trein nu komen moest. De nacht was kil en helder, flonkerend van

sterren, met laag aan den gezichtseinder een fijne sikkel-maan,

scheefhellend in zacht-droomerig-glanzen over de verre zwarte kruinen

van de bosschen. Er was een kalm-harmonieuze stemming in den nacht. Het

donkere van 't uitspansel versmolt zich in de donkerstreep der wouden,

de verre lichtjes van de spoorbaan mengden hun zachte tinteling in

't zacht geflonker van de manesikkel en de sterren.

Poover hurkte neer, drukte zijn oor tegen de rails. Zacht-melancholisch

zongen zij hun geheimzinnig lied. En 't was of deze kalme harmonie niet

neer gestoord zou worden, en of de trein, die blijkbaar reeds vertraging

had, nu heelemaal niet meer zou komen.

En Poover, die anders nooit van uur noch tijd wist, dacht nu;** wat is

hij laat, van avond**? En in hem kwam iets van angst en droefheid, als

een vaag voorgevoel van ramp. Maar heel, heel in de verte begon een der

tintelende lichtjes als 't ware naar hem te knipoogen, en de eensklaps

schriller zingende rails schenen aan zijn oor te roepen: ´jawel, ik kom,

ik kom....ª

Het was de trein. In de duisternis kon Poover het zwart, hijgend beestje

niet ontwaren, maar in de trillende flikkering van het, als door een

storm gezweepte, bliksemsnel vergrootend licht, kreeg hij dadelijk den

indruk dat de trein met een ongewone, schrikwekkende snelheid

aangevlogen kwam. De sidderende rails gierden letterlijk onder het

naderend morren van de wielen, de grond dreunde, het licht werd als een

sprankelende brandtoorts, als een laaiende vuurbaak, met rechts en links

uitslaande stoom- en vlammenflarden, en plotseling was 't als een

nachtmerrie-verschijning in een aardbeving: een rood-en-zwarte,

donderend neerploffende massa, een plettering van metaal, een

splintering van hout, een brijzelen van glas, en dwars door alles heen

het doodsgegil van menschenstemmen...

Als een gek was Poover brullend op de heide weggehold, als een gek kwam

hij terug, de vuisten op zijn slapen, de oogen uitgepuild, schreeuwend,

huilend, snikkend in het oorverscheurend fluiten der locomotief, die

daar tot halver hoogte in den grond geboord, onder de wrakken der

wagens, als een enorm, ter dood gewond beest lag te blazen en te

brullen. Hij werd omvergeworpen, onder de voeten getrapt, hij sprong

weer op en viel weer in elkaar, uitglijdend in lauw kleverig vocht,

gewond door scherpe splinters, stikkend in rook en vlammen-walmen,

gillend in 't gegil der vluchtenden, gillend in 't aanhoudend,

afschuwelijk, oorverscheurend gillen der locomotief.

Toen vluchtte hij, als in een stormloop, naar zijn huisje.

- Nou hÍ 'k het gezien! Nou hÍ 'k het gezien!ª gilde hij. En in zijn

hutje zag hij 't weer, zag hij de kermende slachtoffers, die men daar

reeds binnen had gedragen: de mannen en de vrouwen, plat ten gronde, op

dekens en op kussens uitgestrekt, allen zoo rijk gekleed, met zijde en

juweelen, maar 't lichaam van elkaar getrokken, met bloedende stompen

van armen en beunen, met brekende Dogen in grauwe gezichten, met

wringende handen en smeekende lippen om genade en verlossing door den

dood.

Een vale gloed sloeg door de kleine raampjes op dat gruwelijk

schouwspel, en in den schrikwekkenden warboel van de ramp zag Poover den

verongelukten trein nu branden. De roode vlammen sloegen uit den zwarten

puinhoop als een hel ten wemel op, in het nog steeds aanhoudend gillen

van de stervenden, in het nog steeds aanhoudend brullen van de

stoomfluit der locomotief, als van een stervend beest, dat tot het

laatst gefolterd wordt.

Ho!** ho!... ho! ho! nou hÍ 'k het gezien! Nou hÍ 'k het gezien!....ª En

snikkend holde Poover uit zijn huisje, in dwarsche vlucht over de heide,

door het afschuwelijk gedruisch der ramp achtervolgd, naar de verre

zwarte bosschen.

Hij viel er neer op mos en droge blaren; hij stond weer op en holde

verder, dieper in de diepte van de bosschen, tot aan een soort van kuil

begroeid met wilde ranken, laatste overblijfsel van een vervallen

boschwachtershuisje, waar hij niets van 't afgrijselijk gedruisch meer

hoorde. Daar kroop hij in weg, als een doodgejaagd beest in zijn laatste

schuilplaats. Den ganschen nacht bleef hij er zitten, stom-roerloos

sidderend in elkaar gedrongen, met klapperende tanden en van schrik

wijduitgezette, strakstarende oogen.

Met 't eerste ochtendlicht kwam hij er uit gekropen en vond nog enkele

braambessen, die hij, flauw van den honger, opat. Toen trok hij takken

van de boomen, en bouwde er een soort van dak mee op, boven den kuil, op

welks bodem hij een bed van droge bladeren strooide.

Den ganschen dag dwaalde hij, verloren, in de bosschen rond, aldoor met

schaarsche braambessen zijn honger stillend. Eerst laat na zonsondergang

keerde hij naar zijn huisje terug.

Zijn knieÎn knikten en hij struikelde over de hobbelige heide, elk

oogenblik stilhoudend om peilend in de duisternis te kijken en te

luisteren, elk oogenblik bereid om bij het minst alarm weer weg te

vluchten.

Maar niets gebeurde nu. Alles bleef stil. En in den nu zeer donkeren

nacht stond hij aan zijn hutje vÛÛr hij 't zich bewust werd.

Zijn hart bonsde van schrik en gruwel, toen hij het zoo plotseling in

zijn sombere silhouette vÛÛr zich zag verrijzen, en met schorre stem

stootte hij vreemde woorden uit:

´Wie es er doar? Es er doar iemand?ª

Een luguber gehuil van zijn hond klonk hem als antwoord tegen.

´Duc! woar zij-je?ª riep hij. En hij ging achter het huisje, waar de

hond nog aan zijn hok gebonden lag. In 't hok daarnaast hoorde hij

't zwijntje knorren.

Hij maakte Duc los en dadelijk liep de hond door de openstaande

achterdeur in huis.

Sidderend bleef Poover op den drempel staan. Hij hoorde den hond

snuffelend rond loopen. Poover hield een lucifertje in de hand, klaar om

het aan te strijken, maar durfde niet, uit angst voor 't schouwspel dat

hem daar wellicht zou treffen.

´ Es er doar nog iemand?ª schor-trilde eindelijk zijn stem. En daar

alles doodstil bleef, streek hij let lucifertje aan en waagde een stap

naar binnen.

Niets meer,.... niemand,.... de doodsche, zwarte stilte van een graf.

Het olielampje stond in zijn bereik: hij stak het bevend aan. Het zwak,

vaalgele schijnsel danste weerkaatsend met grauwe schaduwschimmen, op de

naakte muren van het akelig krot. Het bruingerookte Christusbeeldje,

boven op den schoorsteenmantel van den haard, scheen als in foltering

zijn kronkelende beenen door elkaar te wringen. Hij boog het lichtje

naar den grond. Daar waren, op den leemen vloer, groote, donkere,

kleverige vlekken: wijd-uitgebreide bloedvlekken; en midden in eene van

die vlekken zat zijn zwarte poes rustig aan den grond te likken. Hij

huiverde en 't lampje trilde in zijn hand. Hij keerde 't naar den haard,

naar de grauwe wanden, naar de zwartgerookte zolder-balken. Niets meer;

niets; alles weg... Hij keek naar 't kooitje. Het sijsje sliep, in een

balletje gerold op zijn stokje, het kopje omgekeerd, het bekje in de

veeren. Hij keek onder de tafel, waar de hond aan 't grabbelen was, en

waar hij plotseling een soort geblaas hoorde. En d‡‡r, tegen den versten

poot teruggedrongen, zag hij Koeb, zijn boschuil, zitten, de oogen zwart

van woede, de beide klauwen in een bloedigen lap gehaakt.

´Hier, Duc!ª riep hij, den hond bij zijn staart terugtrekkend. Maar met

een schorren angstkreet sprong hij zelf op zij: het was een bloedende

lap menschenvleesch dien Loeb tusschen zijn klauwen hield.

´ Kom,ª riep Poover tot zijn hond. Hij nam hem mee naar buiten en spande

hem aan, vÛÛr zijn kruiwagen. Het eene stuk na 't andere laadde hij zijn

schamel huisraad op, en weg er mee naar den verlaten kuil in de donkere

diepte der bosschen.

Den ganschen nacht reed hij zoo heen en weer, en vÛÛr de ochtend kriekte

was het hutje leeg. Het laatst verhuisde hij zijn beesten: het zwijntje

in een houten kist met gaten, de kippen in een korf, het sijsje in zijn

kooi, de poes in een zak, en de uil in een oude, half opgeroeste, met

proppen stroo van onder en van boven dichtgestopte kachelpijp.

Toen de dageraad met paarlemoer de topjes van het roze heidekruid

bedauwde, had hij, zonder een blik nog op de plaats van de schrikkelijke

ramp, zijn hutje voor altijd verlaten.

O! nu wist hij het! Nu had hij het gezien! Nu had hij 't voor altijd

gezien, het menschenleven van de, groote wereld!

En ginds, heel verre nu van alles af'** in 't diepste van de zwarte

bosschen achteruitgeweken en verscholen voor de komst der menschen, werd

hij opnieuw de stugge, dood-verlaten Eenzame van vroeger.

[Illustratie]

´Klokª ´Klokª.

door

dr. Jaak BOONEN.

De dag grauwde, een oude haan op den dampenden mesthoop kraaide van

dartelen overmoed, jonge haantjes kiekerkieden na, de koeien in den stal

loeiden en de varkens knorden om nieuw voeder.

Het was vroeg in den ochtend op de kleine boerderij. De meid was het

eerste op de been, schreeuwde twee maal op den knecht ´Jan, Jan, eruitª,

die dit geroep met een dof ´jaª beantwoordde en liep naar achter buiten

den mesthof om brandhout, dat vlak bij de roodsteenenschuur met breed

afhangend dak opeengetast lag. Uit een zwart-grijzen mutsaarden** hoop

trok zij lastig er een uit en legde hem op den houtblok.

Toen ze even kapte, hoorde ze op eens** een geritsel en gezucht. Ze

schrikte, zag rond maar bemerkte niets en luisterde nog eventjes. De

dikste knuppels klief ze in tweeÎn, het lichtere hout kortte ze met de

handen, het gezicht scheef trekkend en de oogen toenijpend, als het niet

vlot genoeg brak. Weder hoorde zij hetzelfde gerucht. 't Leek een

geronk. Zij liet hou en wapen** liggen, piepte angstig rond en gluurde

dan in de schuur van waar zij meende dat dit vreemd geluid komen moest.

Iets roods, iets vuurroods ontwaarde zij. Het verroerde. Mogelijk lag

een man op het stroo. Zij vloog naar binnen met hoog opfladderende

rokken en liep Jan bijna omver, die met zijn slaperige oogen en gapenden

mond de lucht bestudeerde om te zien welk weder het vandaag geven zou.

Met hijgenden boezem en kloppend hart vertelde ze aan den knecht dat er

iemand in de schuur lag te slapen. Zij had hem gehoord en gezien. Jan

lachte en wilde het niet gelooven. Gedroomd had zij. Maar Trien, bleek

van schrik was zeker van haar oogen. Zij had hem zien bewegen. Een rood

geruiten zakdoek droeg hij om den hals. Hare verbeelding werkte nu zoo

sterk, zij had den heelen mensch goed gezien. Wie mocht het zijn en wat

gedaan?

Jan, die geen moedig hart onder den riem droeg, wist niet wat te doen.

Zouden zij den ouden boer wekken, maar die kon ook geen vlieg meer kwaad

doen.**

En was het waarheid? De dienstmeid verstoutte zich. Ze zouden samen door

den ouden stal gaan en van uit de achterdeur stil toezien of er

werkelijk iemand lag. Jan greep een riek, Trien volgde met een gaffel.

Met ingehouden adem en stille voetpasjes gingen zij op de deur aan. Den

kop stak de knecht langrekkend door de deur in de richting van de

schuur. Hij zag niets en schuddebolde. Trien duwde hem vooruit, wat Jan

erg angstig maakte en hij wilde teruggaan. Maar Trien drong hem verder

en wees met den vinger naar de roode plek.

Ja, daar zat iemand op het stroo. Snel trokken zij zich terug tot bij de

huisdeur. Nu raadpleegden zij. Wat zouden ze er meedoen**? Dat kon een

gevaarlijk man zijn. Wellicht een landlooper, een nietsdoener, een

leelijke Pruis. Hij kon gewapend zijn. Blinkende scherpe messen zagen ze

kervend voor hun geesten. Revolverschoten knalden en pangden rond hun

hoofden.

Alleen durfden zij het zaakje niet aanpakken. Na alles gewikt, gewogen

en goed bevonden te hebben, dat ze te licht waren om dien onbekende, een

reus misschien, te lijve te gaan, kwamen ze overeen dat Trien, den

buurman Karel, die sterke armen had en vaar noch vrees kende, zou

roepen.

Jan hield intusschen gewapend de wacht, nauw lettend op een eenigen

afstand of er geen gedrocht uit de schuur te voorschijn kwam.

Het dienstmeisje ijlde met rassche schreden tot bij den kloeken boer,

die op een drie minuten gaans een klein maar net huisje bewoonde.

Room-gelig kleurde zich het opbleekende Oosten. Over de landouwen

welfden kleine grijslichtende wolkjes omhoog, vogeltjes kwinkeleerden,

fladderden en rumoerden lawaaierig in den geurenden boomgaard en de

groene hagen.

't Was een frissche aangename lentemorgen**

Karel werkte in zijn hofje, toen Trien bij hem kwam aangeloopen. Hij

moest medegaan. Daar zat een verdacht, een onheilbrengend man in de

schuur. Zij vertelde eerst wat ze gezien had en meende te hebben

ontwaard. Karel buur was niet bevreesd. Hij had in zijn leven voor

andere leelijke dingen gestaan. Op kermissen had men hem willen doen

loopen gaan. Maar bewust van zijn kracht, bleef hij alleen staan, als de

ander laf wegbeenden en vocht als een woedene leeuw, hakte en kerfde.

Liever liet hij zich kapot slaan dan zich blootweg over te geven of te

vluchten. Met zoo 'n man dacht Trien zullen wij het pleit wel winnen.

Haar opjagende angst stilde.

Voor twee jaar had hij in een naburig dorp waar men hem een geduchtige

rammeling wilde geven, den herberg-inboedel kort en klein geslagen. Een

paar maanden nog maar geleden had hij in ´de Roode Sterª twee

duiveljagende Pruissen erg toegetakeld.

En met dezen zou hij ook kort recht spelen.

Jan kwam hem te gemoet. Gelukkig voor hem, hij had de wapens niet moeten

gebruiken. Stil fluisterde hij dat de vent er nog lag te ronken. Karel

zou er hem wel uitdonderen. Het rood schemerde nog altijd boven op het

stroo.

De dienstboden moesten op een tien meter afstand van de schuur gewapend

post vatten en hem geweldig op zijn ribben slaan als hij er uit kwam

gedromd. Door de spitsroede moest hij.

Karel zocht en vond den gewenschten knuppel en ging daarmede op de

schuur aan.

Op een drie passen van de stroomijt, de oogen strak naar boven gericht,

begon hij: ´Vriend, ik verzoek u vriendelijk op te staan.ª Geen

antwoord. Harder klonken de woorden, die nu een eischend dringend bevel

werden.

Lang genoeg had de man geslapen. Hier was geen logement.

Niets was er te zien. Enkel hoorde men een heel stil geronk.

't Zou wellicht een zatlap zijn, die zijn roes uitsliep en zijn liters

bier uitzweette.

De Eenzame; "Klok" "Klok"; Een lustige broeder · 第 5 / 7 题