POOVER'S huisje stond eenzaam op de groote heide.....
Vier okergele, scheef-en-schots-gezakte kernen muurtjes, vol barsten en
builen, een grauw, half ingevallen stroodak, aan den westkant met een
zware, donkere deken van klimop begroeid, twee kleingeruite raampjes met
verschoten, scheefhangende blauwe luikjes, en** laaggewelfd, vermolmd,
bleekblauw deurtje, zoo stond het, in zijn stille, doodsche eenzaamheid
op de verlaten heide... Zoo klein en nietig onder het eindeloos breed en
hoog gewelf der hemelen, tegen de verre donkere streep van aan den
horizon golvende bosschen... Zoo knellend-melankolisch-eenzaam onder
de gure, grijze najaarsstormen, die in klaaggeloei over de gansche
wijdte van de hobbelige vlakte zweepten; zoo eenzaam-rustig en
gemoedelijk enkele malen, wanneer het heidekruid in verre roze-en-paarse
tinten bloeide, wanneer de zon, stralend in hoogere reinen hemel, als
met eigen louter hemelsblauw het week, verschoten blauw van deurtje en
van luikjes weer deed opglanzen.