Cyriel Buysse.[1]

POOVER'S huisje stond eenzaam op de groote heide.....

Vier okergele, scheef-en-schots-gezakte kernen muurtjes, vol barsten en

builen, een grauw, half ingevallen stroodak, aan den westkant met een

zware, donkere deken van klimop begroeid, twee kleingeruite raampjes met

verschoten, scheefhangende blauwe luikjes, en** laaggewelfd, vermolmd,

bleekblauw deurtje, zoo stond het, in zijn stille, doodsche eenzaamheid

op de verlaten heide... Zoo klein en nietig onder het eindeloos breed en

hoog gewelf der hemelen, tegen de verre donkere streep van aan den

horizon golvende bosschen... Zoo knellend-melankolisch-eenzaam onder

de gure, grijze najaarsstormen, die in klaaggeloei over de gansche

wijdte van de hobbelige vlakte zweepten; zoo eenzaam-rustig en

gemoedelijk enkele malen, wanneer het heidekruid in verre roze-en-paarse

tinten bloeide, wanneer de zon, stralend in hoogere reinen hemel, als

met eigen louter hemelsblauw het week, verschoten blauw van deurtje en

van luikjes weer deed opglanzen.

De Eenzame; "Klok" "Klok"; Een lustige broeder · 第 4 / 7 题