De nauwe put.--Geen voedsel meer.--Levend verbranden.--De
laatste maaltijd.--Een gloeiende dampkring.
Het moet naar mijne gissing 's avonds omstreeks tien uur geweest
zijn. Het eerste mijner zintuigen, dat na dien laatsten stoot mij
weder ten dienste stond, was het gehoor. Ik hoorde bijna terstond,
want het was inderdaad eene zaak van het gehoor, dat er stilte in
de galerij ontstond en op het geloei volgde, dat sedert zoovele uren
mijn oor vervulde. Eindelijk drongen deze woord en van mijn oom als
een gemompel tot mij door:
"Wij stijgen!"
"Wat zegt gij daar?" riep ik.
"Ja! wij stijgen! wij stijgen!"
Ik stak den arm uit; ik raakte den muur aan; mijne hand begon te
bloeden. Wij stegen weder met verbazende snelheid.
"De toorts! de toorts!" riep de professor.
Het gelukte Hans, echter niet zonder veel moeite, om haar te ontsteken,
en hoewel de vlam van boven naar beneden woei ten gevolge van de
stijgende beweging, verspreidde zij genoeg helderheid om het geheele
tooneel te verlichten.
"Het is zooals ik dacht," zeide mijn oom. "Wij zijn in een nauwen put,
die geene drie vadem middellijn heeft. Nu het water op den bodem van
den afgrond is gekomen, herneemt het zijn waterpassen stand en voert
ons mede omhoog."
"Waarheen?"
"Dat weet ik niet, maar wij moeten ons op alles voorbereid houden. Wij
stijgen met eene snelheid, die ik op twee vadem per seconde bereken,
dat is honderd twintig vadem per minuut of meer dan twee en een derde
uur gaans per uur. Op die wijze vorderen wij goed."
"ja! als niets ons stuit, als deze put een uitgang heeft! Maar als
hij verstopt is, als de lucht langzamerhand samengeperst wordt onder
de drukking der waterkolom, als wij verpletterd worden!"
"Axel!" antwoordde de professor heel bedaard, "de toestand is bijna
wanhopig, maar er zijn eenige kansen van redding en die onderzoek
ik. Kunnen wij al ieder oogenblik omkomen, wij kunnen even goed ieder
oogenblik gered worden. Wees er dus op bedacht om van de geringste
omstandigheden partij te trekken."
"Maar wat moet ik doen?"
"Eten om uwe krachten te herstellen."
Op die woorden zag ik mijn oom met een verwilderden blik aan. Wat ik
tot nu toe had verzwegen, moest ik eindelijk zeggen:
"Eten?" herhaalde ik.
"Ja! zonder uitstel."
De professor voegde er in het deensch eenige woorden bij. Hans schudde
het hoofd.
"Hoe!" riep mijn oom, "is onze voorraad weg?"
"Ja! dit is alles wat nog over is: een stuk droog vleesch voor ons
drieën!"
Mijn oom zag mij aan, zonder mijne woorden te willen begrijpen.
"Welnu!" zeide ik, "denkt gij, dat wij nog gered kunnen worden?"
Er volgde op mijne vraag geen antwoord.
Een uur verliep. Ik begon een ergen honger te krijgen. Mijne
metgezellen leden ook, en niemand onzer durfde deze handvol
levensmiddelen aanraken.
Intusschen stegen wij nog altijd snel; soms belemmerde de lucht
onze ademhaling, gelijk de luchtreizigers die te snel stijgen,
het soms ondervinden. Maar dezen voelen eene koude, die toeneemt
naar mate zij in hoogere luchtlagen komen; wij ondergingen juist het
tegenovergestelde. De warmte nam op eene onrustbarende wijze toe en
steeg zeker wel tot veertig graden.
Wat beteekende die verandering? Tot nu toe hadden de feiten
de theoriën van Davy en Lidenbrock bevestigd; tot nu toe hadden,
bijzondere omstandigheden van tegen het vuur bestand zijnde rotsen, van
electriciteit, van magnetismus, de algemeene natuurwetten gewijzigd;
want de theorie van het inwendige vuur bleef, mijns inziens, de eenige
ware, de eenige verklaarbare. Zouden wij nu op eene plaats komen,
waar die verschijnselen zich in volle kracht openbaarden en waar de
hitte de rotsen volkomen smeltend maakte? Ik vreesde het en zeide
tot den professor:
"Al verdrinken wij niet, al worden wij niet verpletterd, al sterven
wij niet van honger, dan hebben wij toch altijd nog kans van levend
te verbranden."
Hij vergenoegde zich met de schouders op te halen en verviel weder
in gepeins.
Een uur verliep en met uitzondering van een geringe toeneming
van hitte, bracht geen voorval eenige verandering in onzen
toestand. Eindelijk verbrak mijn oom het stilzwijgen.
"Welaan!" zeide hij, "wij moeten een besluit nemen."
"Een besluit nemen?" antwoordde ik.
"Ja! wij moeten onze krachten herstellen. Als wij ons leven eenige uren
trachten te rekken door de overschietende levensmiddelen te sparen,
zullen wij tot het einde toe zwak zijn."
"Ja, tot het einde toe, dat niet lang zal uitblijven."
"Welnu! als er zich een kans op redding voordoet, als er een oogenblik
van handelen komt, waar zullen wij dan de kracht tot handelen vinden,
als wij ons door gebrek aan voedsel laten verzwakken?"
"Maar, oom! wat blijft ons over, als dit stuk vleesch opgegeten is?"
"Niets, Axel! niets, maar zal het u meer voeden, als gij het met uwe
oogen verslindt? Gij redeneert daar als iemand zonder wil, als een
wezen zonder geestkracht!"
"Wanhoopt gij dan niet?" riep ik verbitterd uit.
"Neen!" antwoordde de professor op vasten toon.
"Hoe! gelooft gij dan nog aan eene kans op behoud?"
"Ja! zeker ja! en zoo lang zijn hart klopt, zijn vleesch trilt,
duld ik niet dat een met een wil begaafd wezen aan de wanhoop eene
plaats inruimt."
Welke woorden! De man, die ze in zulke omstandigheden sprak, was
zeker van een buitengewonen aard.
"Wat wilt gij dan eigenlijk doen?" zeide ik.
"Tot de laatste kruimel het voedsel, dat nog overgebleven is, opeten
en onze verlorene krachten herstellen. Deze maaltijd zal onze laatste
zijn, het zij zoo! maar ten minste zullen wij, in plaats van uitgeput
te wezen, weder mannen zijn geworden."
"Welnu! wij zullen eten!" riep ik uit.
Mijn oom nam het stuk vleesch en de weinige beschuiten, die uit de
schipbreuk gered waren, maakte er drie gelijke deelen van en gaf ze
ons. Het was ten naasten bij een pond voedsel voor elk. De professor
at gulzig met eene soort van koortsige drift; ik, zonder trek ondanks
mijn honger, en bijna met tegenzin; Hans, rustig, bedaard, en zonder
leven te maken kleine beetjes kauwende en ze doorslikkende met de
kalmte van een man, dien de bezorgdheid voor de toekomst niet kon
verontrusten. Na lang zoeken had hij eene half volle flesch jenever
gevonden, en dit weldadige vocht wekte mij weder eenigszins op.
"Förtrafflig!" zeide Hans op zijne beurt drinkende.
"Voortreffelijk!" antwoordde mijn oom.
Ik begon weder eenige hoop te koesteren. Maar onze laatste maaltijd
was afgeloopen. Het was nu 's morgens vijf uur.
Het is met den mensch zoo gesteld, dat zijne gezondheid een zuiver
negatief iets is; als de behoefte aan voedsel eens voldaan is, kan men
zich moeielijk de kwellingen van den honger voorstellen; men moet ze
ondervinden om ze te begrijpen. Na het lange vasten zegevierden dan
ook eenige beten beschuit en vleesch over onze doorgestane smarten.
Na dien maaltijd gaven wij ons allen aan onze overpeinzingen
over. Waaraan dacht Hans, die man uit het hooge noorden, die onder
de heerschappij stond van de oostersche leer van onderwerping aan
het noodlot? Mijne denkbeelden bestonden slechts uit herinneringen,
en deze voerden mij terug naar de oppervlakte van den aardbol, die ik
nooit had moeten verlaten. Het huisje in de Koningstraat, mijn arme
Gräuben, de goede Martha, gingen als gezichten voorbij mijne oogen,
en in het doffe gebrul, dat door het vaste gesteente liep, meende ik
het geraas van de steden op aarde te herkennen.
Mijn oom, "altijd bij de zaak," onderzocht aandachtig met de toorts
in de hand den aard der gronden; hij trachtte te onderscheiden waar
hij was door de opeenvolging der op elkander liggende lagen. Die
berekening of liever die schatting kon slechts bij benadering wezen;
maar een geleerde is altijd een geleerde, wanneer het hem gelukt zijne
koelbloedigheid te behouden, en zeker bezat professor Lidenbrock die
hoedanigheid in een buitengewonen graad.
Ik hoorde hem woorden uit de geologische wetenschap mompelen: ik
begreep ze en stelde ondanks mij zelven belang in die verhevene studie.
"Uitgebraakt graniet," zeide hij; "wij zijn nog altijd in het eerste
tijdperk; maar wij stijgen! wij stijgen! Wie weet?"
Wie weet? Hij hoopte dus nog altijd. Met zijne hand betastte hij den
loodrechten wand, en eenige oogenblikken later hernam hij aldus:
"Dat is gneiss! dat mica-leisteen! Goed! nu komen weldra de gronden
uit het overgangstijdperk en dan...."
Wat wilde de professor zeggen? Kon hij de dikte der aardschors boven
ons meten? Bezat hij het eene of andere middel om die berekening
te verrichten? Neen! Hij miste den luchtdichtheidsmeter, en geene
schatting kon dien vergoeden.
Inmiddels nam de warmte geducht toe en ik was doornat midden in een
gloeienden dampkring. Ik kon haar niet anders vergelijken dan met de
hitte, die door de fornuizen eener ijzersmelterij wordt uitgestraald,
wanneer het metaal vloeibaar wordt. Langzamerhand hadden Hans, mijn
oom en ik onze buizen en vesten moeten uittrekken; het geringste
kleedingstuk werd een oorzaak van onbehaaglijkheid, om niet te zeggen
van pijn.
"Stijgen wij dan naar een witgloeienden haard?" riep ik uit op een
oogenblik dat de warmte verdubbelde.
"Neen!" antwoordde mijn oom, "het is onmogelijk! het is onmogelijk!"
"Maar die muur is gloeiend!" zeide ik den wand betastende.
Terwijl ik dit zeide, had mijne hand het water even aangeraakt en
moest ik haar zoo spoedig mogelijk terug trekken.
"Het water is kokend heet!" riep ik.
Ditmaal antwoordde de professor slechts met een toornig gebaar.
Nu maakte zich een onoverwinnelijke schrik van mijne hersenen meester
en verliet ze niet meer. Ik had een voorgevoel van een naderend
onheil, en wel van een dat de stoutste verbeeldingskracht niet zou
hebben kunnen bevatten. Een eerst onbepaald en weifelend denkbeeld
werd in mijn verstand tot zekerheid. Ik durfde het niet onder woorden
brengen. Intusschen bevestigden eenige onwillekeurige waarnemingen
mijne overtuiging; bij het twijfelachtige toortslicht bespeurde ik
onregelmatige bewegingen in de granietlagen; er was klaarblijkelijk
een verschijnsel op handen, waarin de electriciteit eene rol speelde;
dan die buitensporige hitte, dat kokende water!... Ik besloot het
kompas waar te nemen.
Het was miswijzend geworden!