De mijn gesprongen.--De ontploffing.--Snelle vaart van het vlot.
--De woede van den stortvloed.--Onverwachte overstrooming.
De volgende dag, Donderdag de 27ste Augustus, was een merkwaardig
tijdstip onzer onderaardsche reis. Ik kan er niet aan denken, zonder
dat de schrik mijn hart doet kloppen. Van dit oogenblik af hebben
onze rede, ons oordeel, onze vindingrijkheid geene stem meer in den
raad en worden wij de speelbal der natuurverschijnselen.
Te zes uur waren wij op de been. Het oogenblik naderde, waarop het
kruit ons een doortocht moest banen door de schors van graniet.
Ik verzocht om de eer de mijn te ontsteken. Als dat gedaan was,
moest ik mij bij mijne makkers voegen op het vlot, dat niet ontladen
was; dan zouden wij van wal steken om de gevaren der ontploffing te
ontwijken, welker uitwerkselen zich wellicht niet tot het inwendige
der vaste massa zouden bepalen.
De lont moest naar onze berekening tien minuten branden, alvorens
het vuur de kruitkamer kon bereiken. Ik had dus den noodigen tijd om
weder op het vlot te komen.
Niet zonder eene zekere ontroering maakte ik mij gereed om mijne taak
te vervullen.
Na een korten maaltijd gingen mijn oom en de jager scheep, terwijl ik
op den oever achterbleef. Ik was voorzien van eene brandende lantaarn,
die mij dienen moest om de lont aan te steken.
"Ga, mijn jongen!" sprak mijn oom, "en kom dadelijk weder bij ons."
"Wees gerust!" antwoordde ik, "ik zal onderweg niet loopen spelen."
Terstond begaf ik mij naar de opening der galerij. Ik maakte mijne
lantaarn open en greep het uiteinde der lont.
De professor hield zijn tijdmeter in de hand.
"Zijt gij gereed?" riep hij mij toe.
"Ik ben gereed!"
"Welaan dan! vuur, mijn jongen!"
Ik stak de lont, die bij de aanraking knetterde, gezwind in de vlam
en liep pijlsnel naar den oever.
"Kom aan boord!" zeide mijn oom, "steek van wal!"
Met een krachtigen stoot verwijderde Hans ons van den oever. Het vlot
dreef omtrent twintig vadem ver.
Het was een benauwd oogenblik. De professor staarde op den wijzer
van den tijdmeter.
"Nog vijf minuten," zeide hij. "Nog vier. Nog drie."
Mijn pols klopte gejaagd.
"Nog twee. Eene!.... Stort in, bergen van graniet."
Wat gebeurde er toen? Ik geloof, dat ik het geraas van de ontploffing
niet hoorde. Maar de gedaante der rotsen veranderde plotseling voor
mijn oog; zij gingen als een gordijn open. Ik bemerkte een onpeilbaren
afgrond, die zich in den oever opende. De zee, door schrik bevangen,
was slechts één onzettend groote golf, op wier rug het vlot zich
loodrecht verhief.
Wij werden alle drie omvergeworpen. In minder dan eene seconde maakte
het licht plaats voor de zwartste duisternis. Vervolgens voelde ik
het steunpunt ontzinken, niet aan mijne voeten, maar aan het vlot. Ik
geloofde, dat het rechtstandig zonk. Maar dat was zoo niet. Al had
ik tot mijn oom willen spreken, dan zou toch het geloei van het water
hem belet hebben mij te verstaan.
In weerwil van de duisternis, het geraas, de verbazing, de
ontsteltenis, begreep ik wat er gebeurd was.
Aan gene zijde van de rots, die wij hadden laten springen, bestond een
afgrond. De uitbarsting had eene soort van aardbeving teweeg gebracht
in dezen door scheuren doorsneden grond; de afgrond had zich geopend,
en de zee, in een stortvloed veranderd, sleepte ons er in mede.
Ik gevoelde, dat ik verloren was.
Een, twee uren, weet ik het! gingen zoo voorbij. Wij drongen ons
tegen elkander aan, wij hielden elkaars handen vast, om niet van
het vlot geslagen te worden; allerhevigste schokken hadden plaats,
wanneer het tegen den muur stiet. Toch waren die schokken zeldzaam,
waaruit ik opmaakte, dat de galerij werkelijk breeder werd. Er was
geen twijfelen aan, het was de weg van Saknussemm, maar in plaats
van hem alleen te begaan, hadden wij door onze onvoorzichtigheid eene
geheele zee medegesleept.
Men begrijpt licht, dat die gedachten zich in een onbepaalden en
duisteren vorm aan mijn geest voordeden. Ik kon ze met moeite verbinden
gedurende dezen duizelingwekkenden tocht, die op een val geleek. Naar
den wind te oordeelen, die mijn aangezicht zweepte, moest hij de
snelste treinen in vaart overtreffen. In deze omstandigheden eene
toorts aan te steken was dus onmogelijk, en onze laatste electrieke
toestel was, op het oogenblik van de ontploffing, gebroken.
Het verbaasde mij dus zeer, toen ik eensklaps een licht bij mij zag
schitteren. Het kalme gelaat van Hans werd er door beschenen. Het was
den behendigen jager gelukt de lantaarn aan te steken, en hoewel hare
vlam trilde, alsof zij uit wilde gaan, wierp zij toch eenig schijnsel
in de verschrikkelijke duisternis.
De galerij was breed. Mijn vermoeden werd dus bevestigd. Ons
onvoldoend licht veroorloofde ons niet de beide wanden te gelijk te
zien. De helling van het water, dat ons medevoerde, overtrof die
der onoverkomelijkste watervallen van Amerika; zijne oppervlakte
scheen te bestaan uit een bundel pijlen die met verbazende kracht
waren afgeschoten. Ik kan den indruk, dien ik ondervond, door geene
juistere vergelijking wedergeven. Het vlot, soms in eene draaikolk
rakende, schoot al ronddraaiende verder. Wanneer het de wanden der
galerij naderde, liet ik het licht der lantaarn er op vallen, en ik
kon over zijne snelheid oordeelen, daar ik de uitspringende rotspunten
in verlengde lijnen zag veranderen, zoodat wij besloten waren in een
net van beweeglijke lijnen. Ik schatte onze vaart op dertig uur gaans
per uur.
Mijn oom en ik, leunende tegen de stomp van den mast, die op het
oogenblik van de ramp weggeslagen was, zagen elkander met verwilderde
oogen aan. Wij keerden den rug naar den luchtstroom, om niet gesmoord
te worden door de snelheid eener beweging, die geene menschelijke
macht kon beteugelen.
Intusschen verliepen de uren. De toestand veranderde niet, maar een
voorval maakte hem nog ingewikkelder.
Toen ik trachtte een weinig orde in de lading te brengen, zag ik dat
het grootste gedeelte der aan boord gebrachte voorwerpen verdwenen was
op het oogenblik der ontploffing, toen de zee ons met zooveel geweld
aangreep. Ik wilde nauwkeurig weten, hoe het met onze hulpmiddelen
stond, en met de lantaarn in de hand begon ik mijne nasporingen. Van
onze werktuigen was er niets over dan het kompas en de tijdmeter. De
ladders en touwen waren weg, op een eindje kabel na, dat om de stomp
van den mast zat.
Geen houweel, geen breekijzer, geen hamer was er meer, en,
onherstelbaar ongeluk! wij hadden voor geen dag levensmiddelen meer!
Ik begon de tusschenruimten van het vlot, de kleinste hoekjes door de
balken en de samengevoegde planken gevormd, te doorzoeken. Niets! Al
onze voorraad bestond slechts uit een stuk gedroogd vleesch en wat
beschuit!
Wat stond ik versuft te kijken! Ik wilde het maar niet begrijpen! En
toch over welk gevaar bekommerde ik mij? Al ware er mondvoorraad genoeg
geweest voor maanden, voor jaren, hoe zouden wij nog uit die afgronden
komen, waarin die onweerstaanbare stortvloed ons medesleepte? Waarom
zouden wij de martelingen van den honger vreezen, als de dood zich
reeds onder zoo vele andere gedaanten vertoonde? Zouden wij den tijd
hebben om van gebrek om te komen?
En echter vergat ik door eene onverklaarbare gril der verbeelding
het onmiddellijke gevaar, voor de bedreigingen der toekomst, die mij
in al hare verschrikkelijkheid voor den geest zweefden. Bovendien
zouden wij misschien aan de woede van den stortvloed kunnen ontkomen
en op de oppervlakte van den aardbol terugkeeren. Hoe? dat wist ik
niet! Waar? Dat kon mij niet schelen! Eene kans van de duizend is
toch altijd eene kans, terwijl de hongerdood ons ook niet de geringste
hoop overliet.
Ik dacht er over om alles aan mijn oom te zeggen, hem aan te toonen hoe
bitter slecht wij voorzien waren, en nauwkeurig den tijd te berekenen,
dien wij nog te leven hadden. Maar ik had den moed om te zwijgen. Ik
wilde hem niet van zijn koelbloedigheid berooven.
Op dit oogenblik verflauwde het licht der lantaarn allengs en ging
uit. De pit was geheel opgebrand. Het werd stikdonker. Er viel niet
meer aan te denken om die ondoordringbare duisternis te verdrijven. Er
bleef nog eene toorts over, maar wij zouden haar niet brandende kunnen
houden. Nu sloot ik als een kind mijne oogen om die verschrikkelijke
duisternis niet te zien.
Na een vrij lang tijdsverloop verdubbelde de snelheid onzer vaart. Ik
bespeurde het aan de terugkaatsing der lucht op mijn gelaat. Het water
liep verbazend snel af. Ik geloof waarlijk, dat wij niet meer dreven,
maar vielen. Ik had een gevoel, alsof ik loodrecht nederviel. De
hand van mijn oom en die van Hans, om mijne armen gekneld, hielden
mij met kracht tegen.
Na een onberekenbaar tijdsverloop voelde ik eensklaps iets als een
schok; het vlot had niet tegen een hard lichaam gestooten, maar was
plotseling in zijn val gestuit. Eene waterhoos, eene onmetelijke
vloeibare zuil viel op zijne oppervlakte neder. Ik stikte. Ik verdronk.
Die onverwachte overstrooming duurde echter niet lang. Binnen weinige
seconden ademde ik weder met volle teugen de vrije lucht in. Mijn oom
en Hans hielden mij zoo stevig vast, dat mijn arm bijna verbrijzeld
werd, en het vlot droeg ons nog alle drie.