HOOFDSTUK XLIII

Miswijzend kompas.--Ontploffingen.--Eene

uitbarsting.--Zwavelvlammen.--Het vlot blijft

liggen.--Op nieuw opgestuwd.

Ja miswijzend! De naald sprong met plotselinge schokken van de eene

pool op de andere, doorliep al de streken van de windroos, en draaide,

als had een duizeling haar bevangen.

Ik wist wel, dat volgens de meest algemeen aangenomene theoriën

de delfstoffelijke schors van den aardbol nooit in een staat van

volslagene rust is; de wijzigingen teweeggebracht door de ontbinding

der inwendige stoffen, de beweging voortkomende uit de groote

stroomingen der vloeistoffen, de werking van het magnetismus, dat

alles strekt om haar onophoudelijk te schudden, zelfs dan als de op

hare oppervlakte verspreide wezens hare ontroering niet vermoeden. Dit

verschijnsel zou mij dus anders niet beangst of, althans in mijn geest,

geen verschrikkelijk denkbeeld opgewekt hebben.

Maar andere feiten, sommige omstandigheden van gezegden aard; konden

mij niet langer bedriegen, de ontploffingen vermenigvuldigden met eene

verschrikkelijke kracht: ik kon ze alleen vergelijken met het geraas,

dat een groot aantal karren, die snel over het plaveisel voortgetrokken

worden, zouden maken. Het was een aanhoudende donder.

Het miswijzend kompas, geschokt door de electrieke

natuurverschijnselen, bevestigde mij verder in mijne meening; de

delfstoffelijke korst dreigde te breken, het massieve graniet zich

te vereenigen, de scheur zich te sluiten, het ledige zich te vullen,

en wij, nietige stofjes, zouden in die geduchte omhelzing verpletterd

worden.

"Oom! oom! wij zijn verloren!" riep ik uit.

"Wat is dat voor een nieuwen schrik?" antwoordde hij mij met eene

verbazende kalmte. "Wat scheelt u toch?"

"Wat mij scheelt? zie die muren die schudden; dat vaste gesteente

dat scheurt; die verzengende hitte, dat kokende water, die dampen,

die al dikker en dikker worden, die gekke naald, alle kenteekenen

van eene aardbeving."

Mijn oom schudde zachtjes het hoofd.

"Eene aardbeving?" vraagde hij.

"Ja!"

"Mijn jongen! ik geloof, dat gij u vergist!"

"Hoe! herkent gij dan die kenteekenen niet?"

"Van een aardbeving? neen? Ik verwacht wat beters!"

"Wat bedoelt gij?"

"Eene uitbarsting, Axel!"

"Eene uitbarsting!" zeide ik; "zijn wij dan in den schoorsteen van

een werkenden vulkaan?"

"Ik denk het ten minste," zeide de professor glimlachende, "en dat

is het gelukkigste wat ons overkomen kan!"

Het gelukkigste! Was mijn oom dan gek? Wat beduidden die woorden? Van

waar die kalmte en die glimlach?

"Hoe!" riep ik, "zijn wij midden in eene uitbarsting! Heeft het noodlot

ons geworpen op den weg der witgloeiende lava, der brandende rotsen,

van het kokende water, van alle uitgebraakte stoffen! zullen wij

nu opgestuwd, uitgedreven, uitgeworpen, uitgebraakt, in de lucht

geslingerd worden met de rotsblokken, de asch- en slakkenregens,

in een dwarlwind van vlammen! en is dat het gelukkigste wat ons

overkomen kan?"

"Ja!" antwoordde de professor mij over zijn bril aanziende, "want

het is de eenige kans, die wij hebben, om weder op de oppervlakte

der aarde te komen!"

Ik ga stilzwijgend de duizend gedachten voorbij, die elkaar in mijne

hersenen kruisten. Mijn oom had gelijk, volkomen gelijk, en nooit

kwam hij mij stoutmoediger noch inniger overtuigd voor dan op dit

oogenblik, waarop hij de kansen eener uitbarsting afwachtte en optelde.

Intusschen stegen wij maar altijd door; de nacht ging voorbij onder

die stijgende beweging; het geraas om ons heen verdubbelde; ik was

bijna gestikt; ik meende, dat mijn laatste uur kwam; en toch is de

verbeeldingskracht zoo grillig, dat ik mij overgaf aan een waarlijk

kinderachtig onderzoek. Maar ik stond onder de heerschappij mijner

denkbeelden, zij niet onder de mijne!

Het was duidelijk, dat wij opgestuwd werden door eene uitbarsting;

onder het vlot was kokend water, en onder dat water smeltende lava,

een mengsel van rotssteenen, die zich aan den rand van den krater in

alle richtingen zouden verstrooien. Wij waren dus in den schoorsteen

van een vulkaan. Daar was geen twijfel aan.

Maar in plaats van den Sneffels, een uitgebranden vulkaan, was het

er nu een in volle werkzaamheid. Ik vraagde mij af, welke berg het

kon zijn en in welk werelddeel wij uitgebraakt zouden worden.

Zonder twijfel in de noordelijke streken. Vóór zijne miswijzing

had het kompas ten dien aanzien geen afwijking getoond. Van kaap

Saknussemm af waren wij honderden uur ver rechtstreeks naar het

noorden gedreven. Waren wij dan nu weder onder IJsland? Zouden wij

uitgeworpen worden door den krater van den Hekla of door dien van een

der zeven andere vuurspuwende bergen des eilands? In een straal van

vijf honderd uur gaans naar het westen zag ik onder dien breedtegraad

slechts de bijna onbekende vulkanen der noordwestkust van Amerika. Ten

oosten bestond er onder den tachtigsten breedtegraad maar één vulkaan,

de Esk, op het Jan Mayen-eiland, niet verre van Spitsbergen. Zeker,

er was geen gebrek aan kraters en zij waren ruim genoeg om een geheel

leger uit te braken! Maar welke ons een uitgang zou verleenen, dat

trachtte ik te gissen.

Tegen den morgen werd de stijgende beweging sneller. Dat de warmte

toenam in plaats van te verminderen hoe dichter wij bij de oppervlakte

des aardbols kwamen, had eene plaatselijke oorzaak en was een gevolg

van den invloed des vulkaans. Ik kon niet langer twijfelen aan de

soort van ons middel van vervoer; eene ontzettende kracht, eene kracht

van verscheidene honderden dampkringen, veroorzaakt door de dampen

opeengehoopt in den schoot der aarde, dreef ons onwederstaanbaar

voort. Maar aan welke ontelbare gevaren stelde zij ons bloot?

Weldra drong een vale weerschijn in de wijder wordende loodrechte

galerij; ik bespeurde links en rechts diepe gangen, gelijk aan

onmetelijke tunnels, waaruit dichte dampen ontsnapten; vurige tongen

lekten flikkerend hunne wanden.

"Zie eens! zie eens, oom!" riep ik.

"Welnu! het zijn zwavelvlammen. Niets is natuurlijker bij uitbarsting."

"Maar als zij ons eens omhullen?"

"Zij zullen ons niet omhullen."

"Maar als wij stikken?"

"Wij zullen niet stikken; de galerij wordt wijder en als het noodig

is, zullen wij het vlot verlaten om in een kloof te schuilen."

"En het water, het stijgende water dan?"

"Er is geen water meer, Axel! maar eene soort van lavadeeg, dat ons

oplicht tot aan de opening des kraters."

De waterkolom was inderdaad verdwenen om plaats te maken voor vrij

dichte, hoewel kokend heete uitstroomende stoffen. De hitte werd

onuitstaanbaar en een thermometer, welke aan dien dampkring werd

blootgesteld, zou meer dan zeventig graden gewezen hebben! Ik baadde

in het zweet. Zonder de snelheid der opstijging zouden wij zeker

gesmoord zijn.

Echter gaf de professor geen gevolg aan zijn voorstel om het vlot te

verlaten, en hij deed wel. Die weinige slecht samengevoegde planken

boden eene vaste oppervlakte aan, een steunpunt, dat ons overal elders

ontbroken zou hebben.

's Morgens omstreeks acht uur had er voor het eerst een nieuw voorval

plaats. De stijgende beweging hield eensklaps op. Het vlot bleef

onbeweeglijk liggen.

"Wat is dat?" vroeg ik, verontrust door dit oponthoud, dat even

plotseling was als een schok.

"Eene halt," antwoordde mijn oom.

"Houdt de uitbarsting op?"

"Ik hoop van neen."

Ik stond op. Ik poogde rond te zien. Misschien bood het vlot, door eene

uitspringende rotspunt tegengehouden, eene kortstondigen tegenstand

aan de uitstroomende massa. In dit geval moesten wij ons haasten het

zoo spoedig mogelijk los te maken.

Het was zoo niet. De kolom van asch, slakken en steenbrokken had

zelve opgehouden te stijgen.

"Zou de uitbarsting geen voortgang hebben?" riep ik.

"Wel, mijn jongen! vreest gij dat?" zeide mijn oom met op elkander

geklemde tanden; "maar stel u gerust, dit oogenblik van kalmte kan

niet lang aanhouden; het duurt nu reeds vijf minuten en weldra zal

onze opklimming naar den mond des kraters weder beginnen."

Zoo sprekende hield de professor niet op zijn tijdmeter te raadplegen,

en alweder zouden zijne voorspellingen vervuld worden. Weldra werd het

vlot op nieuw aangegrepen door eene snelle en onregelmatige beweging,

die omtrent twee minuten aanhield; toen bleef het nogmaals stil liggen.

"Goed!" zeide mijn oom op het uurwerk ziende, "binnen tien minuten

gaan wij weder op weg."

"Binnen tien minuten?"

"Ja! Wij hebben te doen met een vulkaan, wiens uitbarsting

tusschenpoozend is. Hij laat ons met zich ademhalen."

Niets was meer overeenkomstig de waarheid. Op de minuut af werden

wij op nieuw met groote snelheid opgestuwd; wij moesten ons aan de

balken vasthouden om niet van het vlot geslagen te worden. Daarna

hield de stoot weder op.

Naderhand heb ik nagedacht over dit zonderlinge verschijnsel,

zonder er eene voldoende verklaring van te vinden. Intusschen houd

ik het voor zeker, dat wij ons niet in den hoofdschoorsteen van den

vulkaan bevonden, maar wel in een zijgang, waar alleen de terugwerking

merkbaar was.

Ik kan niet zeggen hoe dikwijls die beweging herhaald werd; ik

kan alleen verzekeren, dat wij, telkens als zij zich herhaalde,

met toenemende kracht werden opgestuwd en als het ware door een

kogel medegevoerd. In de oogenblikken van rust stikten wij; in de

oogenblikken van opstuwing belette de brandend heete lucht mijne

ademhaling. Ik dacht een oogenblik aan het genot van mij plotseling

in die hoog noordelijke gewesten te zullen bevinden, waar eene koude

heerscht van dertig graden onder nul. Mijne overspannen verbeelding

dwaalde rond op de sneeuwvlakten der poolgewesten en ik smachtte naar

het oogenblik, waarop ik mij rond zou rollen op het ijstapijt aan

de pool. Maar langzamerhand verloor ik, door die herhaalde schokken

uitgeput, mijn bewustzijn. Zonder de armen van Hans zou ik meer dan

eens mijne hersenpan verbrijzeld hebben tegen den granietwand.

Ik kan mij dus niets met zekerheid herinneren van hetgeen in de

volgende uren voorviel. Ik heb een duister gevoel van aanhoudende

ontploffingen, van de beroering van het vaste gesteente, van eene

ronddraaiende beweging, waarin het vlot werd medegesleept. Het

dreef op golven van lava midden in een aschregen. De loeiende

vlammen omwikkelden het. Een orkaan, die men meenen zou, dat uit een

ontzaglijken luchttrekker voortkwam, blies het onderaardsche vuur

aan. Nog eenmaal zag ik het gelaat van Hans in den weerschijn van

den brand, en ik gevoelde niets meer dan die ontzettende angst van

veroordeelden, die aan den mond van een stuk geschut zijn gebonden,

op het oogenblik dat het schot afgaat en hunne ledematen in de lucht

verstrooit.

Naar het middelpunt der Aarde · 第 49 / 60 题