De kruisweg.--Vermoeienis van Axel.--Klimmen of dalen?--Naar
boven, naar Gräuben--Dreigend watergebrek.
Den volgenden dag, Dinsdag den 30sten Juni te zes uur, hervatten wij
onze nederdaling.
Wij volgden steeds de lavagalerij, een echt natuurlijk hellend vlak,
even zacht glooiend als die hellende vlakken, die in sommige oude
huizen nog tot trap dienen. Zoo bleef het tot zeventien minuten
over twaalven, het oogenblik waarop wij Hans inhaalden, die was
blijven staan.
"Kom aan!" riep mijn oom, "wij zijn aan het einde des schoorsteens
gekomen."
Ik zag rond; wij waren in het middelpunt van een kruisweg, waarop twee
donkere en smalle wegen uitliepen. Welken moesten wij inslaan? Dat
was een punt van bezwaar.
Toch wilde mijn oom den schijn niet hebben voor den gids en mij,
alsof hij aarzelde; hij wees den oostelijken tunnel aan, en weldra
waren wij met ons drieën er in verdwenen.
Aan eene aarzeling voor dien dubbelen weg zou ook nooit een einde
gekomen zijn, want geen enkel kenteeken kon de keus op den een of
den anderen doen vallen; men moest het geheel aan het toeval overlaten.
De helling dezer nieuwe galerij was bijna onmerkbaar en hare indeeling
zeer ongelijk; soms vertoonde zich, voor ons uit, eene rij van bogen
gelijk de zijbeuken eener gothische hoofdkerk; de kunstenaars van de
middeleeuwen hadden daar al de vormen van dien kerkelijken bouwtrant
kunnen bestudeeren, die uit den kruisboog is ontstaan. Eene mijl
verder moesten wij het hoofd bukken onder de gedrukte bogen van den
romeinschen bouwstijl, en dikke pilaren, in het massieve gesteente
dringende, bogen onder het gewicht der gewelven. Hier en daar maakte
deze bouworde plaats voor een lagen onderbouw, die op het werk der
bevers geleek, en moesten wij door enge gangen voortkruipen.
De warmte bleef draaglijk. Onwillekeurig dacht ik er aan, hoe heet het
wel zou zijn, als de lava, door den Sneffels uitgebraakt, door dezen
nu zoo stillen weg stroomde. Ik stelde mij voor, hoe de stroomen vuur
braken op de hoeken der galerij en hoe de buitensporig heete dampen
op deze nauwe plek zich ophoopten!
"Als de oude vulkaan", dacht ik, "maar niet eene nieuwe gril krijgt."
Deze overdenkingen deelde ik aan professor Lidenbrock niet mede; hij
zou ze toch niet begrepen hebben. Hij dacht aan niets anders dan om
vooruit te gaan. Hij liep, gleed, tuimelde zelfs met eene overtuiging,
die men in allen gevalle moest bewonderen.
Te zes uur 's avonds, na eene niet zeer vermoeiende wandeling, waren
wij twee uur gaans in eene zuidelijke richting verder, maar nauwelijks
eene kwartmijl dieper gekomen.
Mijn oom gaf het sein om te rusten. Wij aten zonder veel te praten
en gingen slapen zonder veel na te denken.
Onze beschikkingen voor den nacht waren zeer eenvoudig: al het
beddegoed bestond uit eene reisdeken, waarin wij ons rolden. Wij hadden
geene koude noch een lastig bezoek te duchten. De reizigers, die zich
diep in de woestijnen van Afrika of in de wouden der nieuwe wereld
wagen, zijn verplicht om ieder op zijne beurt elkander gedurende den
slaap te bewaken; maar hier heerschten eene ongestoorde eenzaamheid
en volkomene veiligheid. Wilden noch verscheurende dieren, geen enkele
van die kwaaddoende soorten, behoefden wij te vreezen.
Den volgenden morgen werden wij frisch en opgeruimd wakker en
gingen weder op weg over eene lavabaan gelijk den vorigen dag. Het
was onmogelijk om den aard der gronden, waar zij door heen liep,
te onderkennen. In plaats dat de tunnel naar de ingewanden der aarde
leidde, had hij veeleer eene neiging om geheel waterpas te worden. Ik
meende zelfs op te merken, dat hij weder naar de oppervlakte der
aarde steeg. Deze neiging werd des morgens omtrent tien uur zoo in
het oog loopend en bij gevolg zoo vermoeiend, dat ik verplicht was
mijn tred te matigen.
"Wat scheelt er aan, Axel?" zeide de professor ongeduldig.
"Wat er aan scheelt? dat ik niet verder kan", antwoordde ik.
"Hoe! na eene wandeling van drie uur over zulk een gemakkelijken weg."
"Ik ontken niet, dat hij gemakkelijk is, maar hij is hoogst vermoeiend
ook."
"Wat! en wij behoeven slechts te dalen!"
"Te klimmen met uw welnemen!"
"Te klimmen!" zeide mijn oom, zijne schouders ophalende.
"Ongetwijfeld. Sedert een half uur is de helling veranderd en als
wij zoo voortgaan, komen wij zeker op IJsland terug."
De professor schudde zijn hoofd als iemand, die niet overtuigd
wil worden. Ik trachtte het gesprek weder aan te knoopen: maar hij
antwoordde mij niet, en gaf het teeken tot het vertrek. Ik zag wel,
dat zijn stilzwijgen niets anders was dan ingehouden kwaadheid.
Ik had intusschen mijn pak met nieuwen moed weder opgenomen en volgde
snel Hans, die door mijn oom werd voorgegaan. Ik wilde ongaarne
achterblijven; mijne grootste zorg was mijne makkers niet uit het
oog te verliezen. Ik sidderde bij de gedachte van in de diepte van
dezen doolhof te verdwalen.
Al werd de stijgende weg ook moeielijker, zoo troostte ik mij daarmede,
dat hij mij dichter bracht bij de oppervlakte der aarde en bij mijne
lieve Gräuben. Dat was een aangenaam vooruitzicht, dat bij iederen
tred bevestigd werd.
Te twaalf uur veranderde het voorkomen van de wanden der galerij. Ik
bemerkte het aan de verzwakking van het door de muren weerkaatste
electrische licht. Op de bekleeding met lava volgde onvermengde rots,
bestaande uit hellende en dikwijls loodrecht hangende lagen. Wij
waren in het overgangstijdperk, de silurische vorming. [8]
"Het is duidelijk," riep ik, "het bezinksel van het water heeft in
het tweede tijdperk der aarde dezen schiefer, dezen kalksteen en dezen
zandsteen gevormd! Wij keeren den rug toe aan het massieve graniet! Wij
gelijken op Hamburgers, die over Hanover naar Lubeck gaan!"
Ik had mijne waarneming wel voor mij mogen houden. Maar mijne drift
als geoloog won het van de voorzichtigheid en oom Lidenbrock hoorde
mijne uitroepen.
"Wat scheelt u toch?" zeide hij.
"Zie eens!" antwoordde ik, hem de afwisseling van zand- en kalksteen
en de eerste kenteekenen der leigronden wijzende.
"Welnu?"
"Wij zijn in het tijdperk gekomen, waarin de eerste planten en dieren
verschenen!"
"Denkt gij dat?"
"Zie, onderzoek, neem zelf waar!"
Ik dwong den professor om met zijne lamp langs de wanden der galerij
te gaan. Ik rekende op den een of anderen uitroep van hem. Maar in
plaats daarvan sprak hij geen woord en vervolgde zijn weg.
Had hij mij al dan niet begrepen? Wilde hij ten gevolge van zijne
eigenliefde als oom en geleerde niet erkennen, dat hij zich bedrogen
had in de keus van den oostelijken tunnel, of stond hij er op om dien
weg tot het einde toe te onderzoeken? Het was duidelijk, dat wij den
weg van de lava hadden verlaten en dat dit pad niet naar den haard
van den Sneffels kon leiden.
Toch vroeg ik mij af, of ik niet te veel gewicht hechtte aan deze
verandering van grond. Bedroog ik mij niet? Gingen wij wezenlijk door
steenlagen, die zich boven het massieve graniet bevinden?
"Als ik gelijk heb," dacht ik, "moet ik eenige overblijfselen van
voorwereldlijke planten vinden en dan zal hij de waarheid niet langer
kunnen ontkennen. Ik wil zoeken."
Ik was nog geen honderd schreden verder of onbetwistbare bewijzen
vertoonden zich aan mijn oog. Dat moest ook zoo wezen, want in
het silurische tijdvak bevatten de zeeën meer dan vijftien honderd
plant- en diersoorten. Mijne aan den harden lavagrond gewende voeten
betraden eensklaps een uit overblijfselen van planten en schelpen
bestaand stof. Op de wanden zag men duidelijk indrukken van zeewier
en wolfsklauw; professor Lidenbrock kon zich er niet in vergissen,
maar hij sloot, denk ik, zijne oogen en ging met vasten tred voort.
Dit mocht wel heeten de stijfhoofdigheid tot het uiterste te
drijven. Ik kon het niet langer uithouden. Ik raapte eene ongeschondene
schelp op, die toebehoord had aan een dier, dat bijna geleek op de
tegenwoordige pissebed, voegde mij toen bij mijn oom en zeide:
"Zie eens!"
"Welnu," antwoordde hij bedaard, "dat is de schelp van een dier van
de uitgestorven orde der Triboliten. Anders niet."
"Maar besluit gij daaruit niet?..."
"Wat gij zelf er uit besluit? Ja zeker. Wij hebben de granietlaag en
den weg der lava verlaten. Het is mogelijk, dat ik mij vergist heb;
maar ik zal niet zeker zijn van mijne dwaling voor ik het einde dezer
galerij bereikt heb."
"Gij hebt gelijk, dat gij zoo handelt, oom! en ik zou het zeer
goedkeuren, zoo wij geen hoe langer hoe dreigender gevaar te vreezen
hadden."
"En dat is?"
"Gebrek aan water."
"Welnu! dan zullen wij ons op rantsoen stellen, Axel!"