Kalmte.--Begin der onderaardsche reis.--Schakeeringen der lava.
Des morgens te acht uur deed een lichtstraal ons ontwaken. De
duizende vlakken der lavawanden vingen hem op zijn voorbijgang op en
verstrooiden hem als een regen van vonken.
Dit schijnsel was sterk genoeg om de omringende voorwerpen duidelijk
te kunnen onderscheiden.
"Welnu, Axel! wat zegt gij er van?" zeide mijn oom zich de handen
wrijvende. "Hebt gij ooit een rustiger nacht doorgebracht in ons huis
in de Koningstraat? Hier wordt men niet gestoord door het geratel
van karren, door het geschreeuw der kooplieden, door het getier
der schippers!"
"Het is hier zeker heel rustig op den bodem van dezen put; maar die
kalmte zelve heeft iets ontzettends."
"Komaan!" riep mijn oom, "als gij nu reeds bang zijt, wat zal het
dan later zijn? Wij zijn nog geen duim diep in den schoot der aarde
doorgedrongen."
"Wat wilt gij daarmede zeggen?"
"Ik wil zeggen, dat wij nog pas den bodem van het eiland hebben
bereikt! Die lange, loodrechte buis, die uitloopt in den krater van
den Sneffels, eindigt ten naasten bij gelijk met den spiegel der zee."
"Zijt gij daarvan verzekerd?"
"Ongetwijfeld; raadpleeg den barometer, dan zult gij het zien."
Inderdaad was het kwik, dat gedurende onze nederdaling weder
langzamerhand in het werktuig gestegen was, op negen en twintig duim
blijven staan.
"Gij ziet het," hernam de professor, "wij hebben nog slechts
éene dampkringsdrukking, en ik verlang er vurig naar, dat de
luchtdichtheidsmeter dezen barometer moet vervangen."
Dit werktuig zou ons dan ook nutteloos worden, zoodra de zwaarte der
lucht hare drukking op den waterspiegel zou te boven gaan.
"Maar," zeide ik, "staat het niet te vreezen, dat die gestadig
toenemende drukking hoogst lastig zal worden?"
"Neen. Wij zullen langzaam dalen en onze longen zullen er
aan gewennen om eene meer samengeperste dampkringslucht in te
ademen. De luchtreizigers krijgen eindelijk gebrek aan lucht, als
zij in de bovenste lagen komen; wij integendeel zullen misschien
te veel hebben. Maar dat heb ik liever. Wij moeten geen oogenblik
verliezen. Waar is het pak, dat ons in het binnenste van den berg
is voorgegaan?"
Ik herinnerde mij nu, dat wij het den vorigen avond te vergeefs
gezocht hadden. Mijn oom ondervroeg Hans, die, na oplettend met zijne
jagersoogen rondgezien te hebben, antwoordde:
"Der huppe"!
"Daar boven ons!"
Inderdaad was het pak blijven hangen aan eene uitstekende rotspunt
omtrent honderd voet boven ons hoofd. De vlugge IJslander begon
dadelijk als eene kat te klauteren, en in eenige minuten was het pak
bij ons.
"Nu," zeide mijn oom, "zullen wij ontbijten; maar laten wij het doen
als lieden, die wellicht een langen tocht moeten doen."
De beschuit en het gedroogde vleesch werden doorgespoeld met eene
mondvol water en jenever.
Toen het ontbijt afgeloopen was, haalde mijn oom een aanteekenboekje
voor de waarnemingen bestemd uit den zak; hij nam achtereenvolgens
zijne verschillende werktuigen en schreef de volgende gegevens op:
Maandag 1 Juli. Tijdmeter: 8 uur 17 min. des morgens. Barometer:
292 millimeter. Thermometer: 6°. Windrichting: O.Z.O.
Deze laatste waarneming had betrekking op de donkere galerij en werd
door het kompas aangegeven.
"Nu eerst, Axel!" riep de professor met geestdrift uit, "nu eerst
gaan wij wezenlijk in den schoot der aarde doordringen. Dit is het
juiste oogenblik van het begin onzer reis."
Toen hij dit gezegd had, nam mijn oom met de eene hand den aan zijn
hals hangenden toestel van Ruhmkorff, met de andere bracht hij den
electrischen stroom in verbinding met de slang der lantaarn en een
vrij helder licht verdreef de duisternis der galerij.
Hans droeg den tweeden toestel, die ook in werking werd gebracht. Deze
vernuftige toepassing der electriciteit stelde ons in staat om lang
voort te gaan, terwijl wij een kunstmatigen dag schiepen, zelfs in
het midden der meest ontvlambare gassen.
"Voorwaarts!" sprak mijn oom.
Ieder nam zijn pak weder op. Hans belastte zich bovendien met de zorg
om het pak met de touwen en de kleederen voor zich uit te rollen, en
zoo traden wij de galerij binnen, waarbij ik de achterhoede uitmaakte.
Op het punt zijnde mij in dien donkeren gang te begeven, hief ik
nog eens het hoofd op, en bemerkte voor de laatste maal door het
gezichtsveld der verbazende buis den hemel van IJsland, "dat ik nooit
zou wederzien."
Tijdens de laatste uitbarsting van 1229 had de lava zich een weg
door dien tunnel gebaand. Zij overdekte hem inwendig met eene dikke
en glimmende korst; het electrieke licht werd er door teruggekaatst
met honderdvoudige dichtheid.
De weg leverde geene andere moeielijkheid op dan deze, dat men zorgen
moest om niet te schielijk af te glijden van eene helling, die een
hoek van omstreeks vijf en veertig graden maakte; gelukkig vervingen
eenige holten en hoogten de plaats van treden, en behoefden wij slechts
te dalen, terwijl wij onze bagage met lange touwen voorttrokken.
Maar wat ons tot treden diende, werd aan de andere wanden dropsteen;
de op sommige plaatsen poreuse lava vertoonde kleine ronde belletjes;
ondoorschijnende kwartskristallen, versierd met heldere waterdroppels
en als lichtstroomen aan het gewelf hangende, schenen, toen wij er
voorbijgingen, aangestoken te worden. Men zou gezegd hebben, dat de
geesten van den afgrond hun paleis verlichtten om de aardsche gasten
te ontvangen.
"Dat is prachtig!" riep ik onwillekeurig uit. "Welk een tooneel,
oom! Bewondert gij ook die schakeeringen der lava niet, die met
onmerkbare overgangen van bruinrood tot lichtgeel gaan? En die
kristallen, die zich als lichtende bollen voordoen?"
"Zoo! ziet gij het eindelijk ook, Axel?" antwoordde mijn
oom. "Zoo! vindt gij dat heerlijk, mijn jongen? Gij zult nog wel wat
anders zien, hoop ik. Vooruit maar, vooruit maar!"
Hij had met meer grond kunnen zeggen: "glijd wat aan!" want wij
lieten ons zonder eenige inspanning van de glooiing afzakken. Dat
was het "facilis descensus Averni," van Virgilius. Het kompas, dat ik
gedurig raadpleegde, wees onveranderlijk eene zuidoostelijke richting
aan. Deze lavastroom week ter rechter- noch ter linkerzijde af. Hij
had de onbuigzaamheid der rechte lijn.
Toch nam de warmte niet merkbaar toe, hetgeen de theorie van Davy
bevestigde, en meer dan eens raadpleegde ik met verwondering den
thermometer.
Twee uur na ons vertrek wees hij nog slechts 10°, d.i. eene
vermeerdering van 4°. Dit gaf mij recht om te denken, dat wij meer
in eene waterpasse dan in eene loodrechte richting daalden. Niets
was overigens gemakkelijker dan de bereikte diepte met juistheid te
weten. De professor mat nauwkeurig de hoeken van de afwijking en de
helling van den weg, maar hij hield de uitkomst zijner waarnemingen
voor zich.
Omstreeks acht uur des avonds gaf hij sein om stil te houden. Hans ging
terstond zitten; de lampen werden aan eene uitstekende punt van de
lava opgehangen. Wij waren in eene soort van hol, waarin geen gebrek
aan lucht was; integendeel, van tijd tot tijd kwam er een windje tot
ons. Door welke oorzaak werd dit teweeggebracht? Aan welke beweging
van den dampkring moest zijn ontstaan worden toegeschreven? Dit
vraagstuk trachtte ik op dit oogenblik niet eens op te lossen: honger
en vermoeidheid maakten het mij onmogelijk om te redeneeren. Eene
nederdaling van zeven uur kan niet volbracht worden zonder groot
verlies van kracht. Ik was uitgeput. Tot mijne vreugde hoorde ik daarom
het woord "halt!" Hans legde eenigen voorraad op een blok lava en ieder
at met smaak. Een ding echter verontrustte mij: onze watervoorraad
was tot de helft verminderd. Mijn oom rekende op de onderaardsche
bronnen om hem weder aan te vullen; maar tot nu toe ontbraken zij
geheel. Ik kon niet nalaten zijne aandacht op dit punt te vestigen.
"Verwondert u dat gemis van bronnen?" zeide hij.
"Zonder twijfel! het verontrust mij zelfs; wij hebben nog maar voor
vijf dagen water."
"Wees gerust, Axel! ik sta u borg dat wij water zullen vinden, zelfs
meer dan ons lief is."
"Wanneer?"
"Als wij buiten deze lavakorst zijn. Hoe wilt gij, dat er bronnen
uit deze wanden zullen vloeien?"
"Maar misschien strekt deze bedding zich tot eene aanmerkelijke diepte
uit. Mij dunkt, dat wij nog niet veel afstand in eene loodrechte
richting hebben afgelegd."
"Wat brengt u op die gedachte?"
"Wel, als wij diep onder de aardschors waren, moest het veel heeter
zijn."
"Volgens uw stelsel althans," antwoordde mijn oom; "maar hoe staat
de thermometer?"
"Nauwelijks vijftien graad, hetgeen eene vermeerdering van nog geen
negen graad sedert ons vertrek bedraagt."
"Welnu! besluit dan zelf."
"Ziehier mijn besluit. Volgens de nauwkeurigste waarnemingen bedraagt
de vermeerdering der warmte in het binnenste van den aardbol één
graad op de honderd voet. Maar plaatselijke omstandigheden kunnen
dit cijfer wijzigen. Zoo heeft men te Jakutsk in Siberië opgemerkt,
dat de vermeerdering van één graad plaats heeft bij iedere zes en
dertig voet, hetgeen zekerlijk afhangt van het geleidend vermogen der
steenrotsen. Ik voeg hier nog bij, dat men in de nabijheid van een
uitgebranden vulkaan en door het gneis heen opgemerkt heeft, dat de
verhooging van den warmtegraad slechts op de honderd vijf en twintig
voet één graad bedroeg. Wij zullen deze laatste veronderstelling als
de gunstigste eens aannemen en dan berekenen."
"Bereken maar, mijn jongen!"
"Niets is gemakkelijker," zeide ik, terwijl ik de cijfers in mijn
aanteekenboekje schreef, "Negen maal honderd vijf en twintig voet
geeft elf honderd vijf en twintig voet diepte."
"Dat komt juist uit."
"Welnu?"
"Welnu! volgens mijne waarnemingen zijn wij tien duizend voet onder
den spiegel der zee."
"Is het mogelijk?"
"Ja! of de cijfers zijn geen cijfers meer!"
De berekeningen des professors waren nauwkeurig; wij waren reeds zes
duizend voet beneden de grootste diepten, die de mensch nog bereikt
heeft, zooals de mijnen van Kitz-Bahl in Tyrol en die van Wuttemberg
in Boheme.
De warmte, die op deze plaats een en tachtig graad had moeten bedragen,
steeg nauwelijks tot vijftien. Dit gaf stof tot denken.