Grondgesteldheid.--Teleurgestelde hoop.--Steenkolen.--Oorsprong
der steenkolen.--Vergeefsche tocht.
Wij moesten ons inderdaad op rantsoen stellen. Onze voorraad kon nog
maar drie dagen duren. Dat zag ik des avonds, toen wij gingen eten. En,
droevig vooruitzicht! wij hadden weinig hoop eenige waterbron te
ontmoeten in deze gronden van het overgangstijdperk.
Den geheelen dag door vertoonde de galerij voor ons uit hare
eindelooze kruisbogen. Wij liepen zonder bijna een woord te spreken. De
stilzwijgendheid van Hans stak ons aan.
De weg klom niet meer, ten minste niet merkbaar, soms scheen hij
zelfs te dalen. Maar deze niet zeer in het oog loopende neiging kon
den professor niet gerust stellen, want de aard der lagen veranderde
niet en het overgangstijdperk werd telkens duidelijker.
Het electrische licht deed den schiefer, den kalksteen en de oude roode
zandsteenen der wanden prachtig vonkelen; men zou gemeend hebben zich
in eene geopende loopgraaf in het midden van Devonshire te bevinden,
dat zijn naam aan deze soort van gronden gaf. Prachtige marmerblokken
bekleedden de muren; sommige waren agaatkleurig grijs met witte grillig
zich slingerende aderen, andere inkarnaatkleurig of geel met roode
vlekken, verder zag men stalen van die donkerkleurige marmersoorten,
waartusschen de levendige verven van den kalksteen uitkwamen.
De meeste dezer marmerblokken vertoonden indruksels van voorwereldlijke
dieren; maar sedert den vorigen avond had de schepping eene groote
schrede voorwaarts gedaan. In plaats van de onvolkomene Trilobiten
bemerkte ik overblijfsels eener volmaakte orde; o.a. Ganoïden [9] en
die Sauropteris, waarin het oog van den kenner der voorwereldlijke
organische schepping de eerste vormen van het kruipende dier heeft
weten te herkennen. De devonische zeeën werden bewoond door een groot
aantal dieren van die soort, die zij bij duizenden achterlieten op
de rotsen der nieuwe vorming.
Het werd stellig zeker, dat wij de ladder van het dierlijke leven,
op wier hoogste sport de mensch staat, weder opklommen. Maar professor
Lidenbrock scheen er geen acht op te slaan.
Hij verwachtte twee dingen: of dat een loodrechte put zich onder
zijne voeten opende en hem veroorloofde om weder te dalen, òf dat
een hinderpaal hem belette verder op dezen weg voort te gaan. Maar
het werd avond, zonder dat deze hoop vervuld werd.
Des vrijdags, na een nacht waarin ik de kwellingen van den dorst
begon te gevoelen, drong onze kleine troep nog verder door op de
kronkelpaden der galerij.
Na een tocht van tien uur bemerkte ik, dat de weerschijn onzer
lampen op de wanden sterk verminderde. Het marmer, de schiefer,
de kalksteen, de zandsteen der muren maakten plaats vooreen donker
en dof bekleedsel. Op een punt, waarop de tunnel zeer smal werd,
leunde ik tegen den wand.
Toen ik mijne hand wegtrok, was zij pikzwart. Ik keek wat
nauwkeuriger. Wij waren in eene kolenlaag.
"Een kolenmijn!" riep ik uit.
"Een mijn zonder mijnwerkers", antwoordde mijn oom.
"Wie weet?"
"Ik weet het", antwoordde mijn oom kortaf, "en ik ben zeker dat deze
galerij niet door menschenhanden door deze kolenbeddingen gegraven
is. Maar het komt er weinig op aan, of het al dan niet het werk der
natuur is. De tijd voor het avondeten is gekomen. Laten wij gaan eten."
Hans bereidde eenige spijzen. Ik at nauwelijks en dronk de weinige
droppelen water, die mijn rantsoen uitmaakten. De half gevulde
waterflesch van den gids was alles, wat er overbleef om den dorst
van drie menschen te stillen.
Na hun maaltijd strekten mijne beide metgezellen zich op hunne
dekens uit en vonden zij in den slaap een herstellingsmiddel voor
hunne vermoeienissen. Ik echter kon niet en telde de uren tot den
morgenstond.
Om zes uur des Zaterdags vertrokken wij weder. Twintig minuten later
kwamen wij aan een uitgestrekt hol; ik zag nu in, dat de hand des
menschen deze kolenmijn niet bewerkt kon hebben; anders zouden de
gewelven geschoord zijn, die nu slechts, als het ware, door een wonder
bleven staan.
Deze soort van spelonk was honderd voet breed en honderd vijftig voet
hoog. De grond was met geweld vaneen gescheurd door eene onderaardsche
schudding. De stevige aardschors, voor den een of anderen hevigen
schok wijkende, was uit haar verband gerukt en had deze uitgestrekte
ledige ruimte achtergelaten, waarin aardbewoners voor de eerste
maal doordrongen.
De geheele geschiedenis der steenkolenvorming was op deze donkere
wanden geschreven en een geoloog kon hare verschillende tijdperken
er gemakkelijk op volgen. De kolenbeddingen waren gescheiden, door
samengedrukte lagen zandsteen of klei, en als het ware verpletterd
door de bovenste lagen.
In den tijd van het bestaan der aarde, die de secundaire vorming
voorafging, bedekte de aarde zich met een verbazenden plantengroei,
die zijn ontstaan te danken had aan de dubbele werking eener
keerkringswarmte en eener bestendige vochtigheid. Eene zee van dampen
omringde den geheelen aardbol en bedekte hem nog voor de stralen
der zon.
Daaruit leidt men af, dat de hooge warmtegraad niet voortkwam uit
dezen nieuwen vuurhaard; misschien zelfs was de fakkel van den dag nog
niet geschikt om hare schitterende rol te spelen. De "luchtstreken"
bestonden nog niet, en eene verschroeiende hitte, die aan den evenaar
en de polen gelijk was, heerschte over de geheele oppervlakte van
den aardbol. Waaruit ontstond zij? Uit het binnenste van den bol.
In spijt van de theoriën van professor Lidenbrock blaakte er een
geweldig vuur in de ingewanden van den langwerpig ronden bol; de
werking er van was voelbaar tot in de buitenste lagen der aardschors;
de planten, van de weldadige uitstralingen der zon beroofd, gaven
bloemen noch geuren, maar hare wortels putten een krachtig leven uit
de brandende gronden der eerste dagen.
Er waren weinig boomen, alleen kruidachtige planten, verbazende
grasgewassen, varens, wolfsklauwen, zegel- en sterrenplanten,
zonderlinge familiën, wier soorten toen bij duizenden geteld werden.
Aan dezen buitensporigen plantengroei heeft de steenkool juist haar
ontstaan te danken. De nog veerkrachtige aardschors gehoorzaamde aan
de bewegingen der vloeibare massa, die zij bedekte. Daaruit ontstonden
talrijke scheuren en verzakkingen; de planten onder het water bedolven
vormden allengs aanzienlijke ophoopingen.
Toen kwam de scheikundige werking der natuur tusschen beiden; op den
bodem der zeeën werden de plantenmassaas eerst turf; later ondergingen
zij door den invloed der gassen en door de hitte der gisting eene
volkomene verandering in delfstoffen.
Zoo ontstonden die onmetelijke kolenlagen, die zelfs na vele eeuwen
nog niet uitgeput zullen zijn door het verbruik van alle volken.
Deze gedachten rezen bij mij op, toen ik den steenkolen-rijkdom, in dit
gedeelte der aarde opeengehoopt, beschouwde. Hij zal ongetwijfeld nooit
bloot komen. De bewerking dezer diepe mijnen zou te aanzienlijke offers
eischen. Waartoe zou het vooreerst ook noodig zijn, daar de steenkool
in vele landen, om zoo te zeggen, op de oppervlakte der aarde verspreid
is? In den toestand waarin ik deze onaangeroerde lagen zag, zullen
zij wellicht nog verkeeren, als het laatste uur der wereld slaat.
Intusschen liepen wij door en ik alleen vergat de lengte van den
weg om mij te verdiepen in mijne geologische overpeinzingen. De
warmtegraad bleef dezelfde, als toen onze weg door lava en schiefer
leidde. Alleen werd mijn reukorgaan sterk geprikkeld door den geur van
koolwaterstofgas. Ik ontdekte terstond in deze galerij de aanwezigheid
van eene aanzienlijke hoeveelheid van die gevaarlijke luchtsoort,
waaraan de mijnwerkers den naam van "grisou" [10] gegeven hebben en
welker ontploffing zoo menigmaal ontzettende rampen heeft veroorzaakt.
Gelukkig werden wij verlicht door de vernuftige toestellen van
Ruhmkorff. Zoo wij bij ongeluk deze galerij onvoorzichtig onderzocht
hadden met toortsen in de hand, dan zou eene verschrikkelijke
ontploffing een einde hebben gemaakt aan de reis, door de reizigers
te vernietigen.
Dit uitstapje in de kolenmijn duurde tot den avond. Mijn oom bedwong
met moeite het ongeduld, dat de waterpasse richting van den weg hem
veroorzaakte. De op een afstand van twintig schreden ondoordringbare
duisternis belette de lengte van de galerij te schatten, en ik begon
reeds te denken, dat er geen einde aan zou komen, toen wij onverwacht,
te zes uur, voor een muur stonden. Rechts, links, omhoog, omlaag,
nergens was een uitgang. Wij waren aan het einde eener blinde straat.
"Welnu, des te beter!" riep mijn oom, "nu weet ik ten minste, waaraan
ik mij te houden heb. Wij zijn niet op den weg van Saknussemm, en er
schiet ons niets anders over dan terug te keeren. Wij zullen een nacht
rust nemen en binnen drie dagen zullen wij het punt bereikt hebben,
waar de twee galerijen zich scheiden!"
"Ja", zeide ik, "als wij er de kracht toe hebben!"
"En waarom niet?"
"Omdat morgen al het water op zal zijn."
"En zal de moed u dan begeven?" sprak de professor, mij met een
strengen blik aanziende.
Ik durfde hem niet antwoorden.