HOOFDSTUK XX

Grondgesteldheid.--Teleurgestelde hoop.--Steenkolen.--Oorsprong

der steenkolen.--Vergeefsche tocht.

Wij moesten ons inderdaad op rantsoen stellen. Onze voorraad kon nog

maar drie dagen duren. Dat zag ik des avonds, toen wij gingen eten. En,

droevig vooruitzicht! wij hadden weinig hoop eenige waterbron te

ontmoeten in deze gronden van het overgangstijdperk.

Den geheelen dag door vertoonde de galerij voor ons uit hare

eindelooze kruisbogen. Wij liepen zonder bijna een woord te spreken. De

stilzwijgendheid van Hans stak ons aan.

De weg klom niet meer, ten minste niet merkbaar, soms scheen hij

zelfs te dalen. Maar deze niet zeer in het oog loopende neiging kon

den professor niet gerust stellen, want de aard der lagen veranderde

niet en het overgangstijdperk werd telkens duidelijker.

Het electrische licht deed den schiefer, den kalksteen en de oude roode

zandsteenen der wanden prachtig vonkelen; men zou gemeend hebben zich

in eene geopende loopgraaf in het midden van Devonshire te bevinden,

dat zijn naam aan deze soort van gronden gaf. Prachtige marmerblokken

bekleedden de muren; sommige waren agaatkleurig grijs met witte grillig

zich slingerende aderen, andere inkarnaatkleurig of geel met roode

vlekken, verder zag men stalen van die donkerkleurige marmersoorten,

waartusschen de levendige verven van den kalksteen uitkwamen.

De meeste dezer marmerblokken vertoonden indruksels van voorwereldlijke

dieren; maar sedert den vorigen avond had de schepping eene groote

schrede voorwaarts gedaan. In plaats van de onvolkomene Trilobiten

bemerkte ik overblijfsels eener volmaakte orde; o.a. Ganoïden [9] en

die Sauropteris, waarin het oog van den kenner der voorwereldlijke

organische schepping de eerste vormen van het kruipende dier heeft

weten te herkennen. De devonische zeeën werden bewoond door een groot

aantal dieren van die soort, die zij bij duizenden achterlieten op

de rotsen der nieuwe vorming.

Het werd stellig zeker, dat wij de ladder van het dierlijke leven,

op wier hoogste sport de mensch staat, weder opklommen. Maar professor

Lidenbrock scheen er geen acht op te slaan.

Hij verwachtte twee dingen: of dat een loodrechte put zich onder

zijne voeten opende en hem veroorloofde om weder te dalen, òf dat

een hinderpaal hem belette verder op dezen weg voort te gaan. Maar

het werd avond, zonder dat deze hoop vervuld werd.

Des vrijdags, na een nacht waarin ik de kwellingen van den dorst

begon te gevoelen, drong onze kleine troep nog verder door op de

kronkelpaden der galerij.

Na een tocht van tien uur bemerkte ik, dat de weerschijn onzer

lampen op de wanden sterk verminderde. Het marmer, de schiefer,

de kalksteen, de zandsteen der muren maakten plaats vooreen donker

en dof bekleedsel. Op een punt, waarop de tunnel zeer smal werd,

leunde ik tegen den wand.

Toen ik mijne hand wegtrok, was zij pikzwart. Ik keek wat

nauwkeuriger. Wij waren in eene kolenlaag.

"Een kolenmijn!" riep ik uit.

"Een mijn zonder mijnwerkers", antwoordde mijn oom.

"Wie weet?"

"Ik weet het", antwoordde mijn oom kortaf, "en ik ben zeker dat deze

galerij niet door menschenhanden door deze kolenbeddingen gegraven

is. Maar het komt er weinig op aan, of het al dan niet het werk der

natuur is. De tijd voor het avondeten is gekomen. Laten wij gaan eten."

Hans bereidde eenige spijzen. Ik at nauwelijks en dronk de weinige

droppelen water, die mijn rantsoen uitmaakten. De half gevulde

waterflesch van den gids was alles, wat er overbleef om den dorst

van drie menschen te stillen.

Na hun maaltijd strekten mijne beide metgezellen zich op hunne

dekens uit en vonden zij in den slaap een herstellingsmiddel voor

hunne vermoeienissen. Ik echter kon niet en telde de uren tot den

morgenstond.

Om zes uur des Zaterdags vertrokken wij weder. Twintig minuten later

kwamen wij aan een uitgestrekt hol; ik zag nu in, dat de hand des

menschen deze kolenmijn niet bewerkt kon hebben; anders zouden de

gewelven geschoord zijn, die nu slechts, als het ware, door een wonder

bleven staan.

Deze soort van spelonk was honderd voet breed en honderd vijftig voet

hoog. De grond was met geweld vaneen gescheurd door eene onderaardsche

schudding. De stevige aardschors, voor den een of anderen hevigen

schok wijkende, was uit haar verband gerukt en had deze uitgestrekte

ledige ruimte achtergelaten, waarin aardbewoners voor de eerste

maal doordrongen.

De geheele geschiedenis der steenkolenvorming was op deze donkere

wanden geschreven en een geoloog kon hare verschillende tijdperken

er gemakkelijk op volgen. De kolenbeddingen waren gescheiden, door

samengedrukte lagen zandsteen of klei, en als het ware verpletterd

door de bovenste lagen.

In den tijd van het bestaan der aarde, die de secundaire vorming

voorafging, bedekte de aarde zich met een verbazenden plantengroei,

die zijn ontstaan te danken had aan de dubbele werking eener

keerkringswarmte en eener bestendige vochtigheid. Eene zee van dampen

omringde den geheelen aardbol en bedekte hem nog voor de stralen

der zon.

Daaruit leidt men af, dat de hooge warmtegraad niet voortkwam uit

dezen nieuwen vuurhaard; misschien zelfs was de fakkel van den dag nog

niet geschikt om hare schitterende rol te spelen. De "luchtstreken"

bestonden nog niet, en eene verschroeiende hitte, die aan den evenaar

en de polen gelijk was, heerschte over de geheele oppervlakte van

den aardbol. Waaruit ontstond zij? Uit het binnenste van den bol.

In spijt van de theoriën van professor Lidenbrock blaakte er een

geweldig vuur in de ingewanden van den langwerpig ronden bol; de

werking er van was voelbaar tot in de buitenste lagen der aardschors;

de planten, van de weldadige uitstralingen der zon beroofd, gaven

bloemen noch geuren, maar hare wortels putten een krachtig leven uit

de brandende gronden der eerste dagen.

Er waren weinig boomen, alleen kruidachtige planten, verbazende

grasgewassen, varens, wolfsklauwen, zegel- en sterrenplanten,

zonderlinge familiën, wier soorten toen bij duizenden geteld werden.

Aan dezen buitensporigen plantengroei heeft de steenkool juist haar

ontstaan te danken. De nog veerkrachtige aardschors gehoorzaamde aan

de bewegingen der vloeibare massa, die zij bedekte. Daaruit ontstonden

talrijke scheuren en verzakkingen; de planten onder het water bedolven

vormden allengs aanzienlijke ophoopingen.

Toen kwam de scheikundige werking der natuur tusschen beiden; op den

bodem der zeeën werden de plantenmassaas eerst turf; later ondergingen

zij door den invloed der gassen en door de hitte der gisting eene

volkomene verandering in delfstoffen.

Zoo ontstonden die onmetelijke kolenlagen, die zelfs na vele eeuwen

nog niet uitgeput zullen zijn door het verbruik van alle volken.

Deze gedachten rezen bij mij op, toen ik den steenkolen-rijkdom, in dit

gedeelte der aarde opeengehoopt, beschouwde. Hij zal ongetwijfeld nooit

bloot komen. De bewerking dezer diepe mijnen zou te aanzienlijke offers

eischen. Waartoe zou het vooreerst ook noodig zijn, daar de steenkool

in vele landen, om zoo te zeggen, op de oppervlakte der aarde verspreid

is? In den toestand waarin ik deze onaangeroerde lagen zag, zullen

zij wellicht nog verkeeren, als het laatste uur der wereld slaat.

Intusschen liepen wij door en ik alleen vergat de lengte van den

weg om mij te verdiepen in mijne geologische overpeinzingen. De

warmtegraad bleef dezelfde, als toen onze weg door lava en schiefer

leidde. Alleen werd mijn reukorgaan sterk geprikkeld door den geur van

koolwaterstofgas. Ik ontdekte terstond in deze galerij de aanwezigheid

van eene aanzienlijke hoeveelheid van die gevaarlijke luchtsoort,

waaraan de mijnwerkers den naam van "grisou" [10] gegeven hebben en

welker ontploffing zoo menigmaal ontzettende rampen heeft veroorzaakt.

Gelukkig werden wij verlicht door de vernuftige toestellen van

Ruhmkorff. Zoo wij bij ongeluk deze galerij onvoorzichtig onderzocht

hadden met toortsen in de hand, dan zou eene verschrikkelijke

ontploffing een einde hebben gemaakt aan de reis, door de reizigers

te vernietigen.

Dit uitstapje in de kolenmijn duurde tot den avond. Mijn oom bedwong

met moeite het ongeduld, dat de waterpasse richting van den weg hem

veroorzaakte. De op een afstand van twintig schreden ondoordringbare

duisternis belette de lengte van de galerij te schatten, en ik begon

reeds te denken, dat er geen einde aan zou komen, toen wij onverwacht,

te zes uur, voor een muur stonden. Rechts, links, omhoog, omlaag,

nergens was een uitgang. Wij waren aan het einde eener blinde straat.

"Welnu, des te beter!" riep mijn oom, "nu weet ik ten minste, waaraan

ik mij te houden heb. Wij zijn niet op den weg van Saknussemm, en er

schiet ons niets anders over dan terug te keeren. Wij zullen een nacht

rust nemen en binnen drie dagen zullen wij het punt bereikt hebben,

waar de twee galerijen zich scheiden!"

"Ja", zeide ik, "als wij er de kracht toe hebben!"

"En waarom niet?"

"Omdat morgen al het water op zal zijn."

"En zal de moed u dan begeven?" sprak de professor, mij met een

strengen blik aanziende.

Ik durfde hem niet antwoorden.

Naar het middelpunt der Aarde · 第 24 / 60 题