Het vertrek van Stapi.--Grondgesteldheid.--Moeielijkheid
van den tocht.--De hellingen van den Sneffels.--De "mistoer."
De Sneffels is vijf duizend voet hoog; zijn dubbele kegel is het
einde van eene rij trachiet, die zich losmaakt van het bergstelsel des
eilands. Van ons punt van vertrek uit kon men zijne beide pieken zich
niet zien afteekenen op den grauwen achtergrond des hemels. Ik bemerkte
alleen eene verbazende sneeuwmuts op het voorhoofd van den reus.
Wij gingen achter elkander, voorafgegaan door den jager; deze besteeg
voetpaden, waar geen twee menschen naast elkander konden gaan. Een
gesprek werd dus ten naastenbij onmogelijk.
Aan de overzijde van den basaltmuur van den fjord van Stapi vertoonde
zich vooreerst een kruidachtige en vezelachtige veengrond, het
overblijfsel van den voormaligen plantengroei der moerassen van het
schiereiland; de hoeveelheid van deze nog ongebruikte brandstof zou
toereikend zijn om de geheele bevolking van IJsland eene eeuw lang
te verwarmen; dit uitgestrekte veen had, van den bodem van eenige
holle wegen gemeten, dikwijls zes en zestig voet dikte en vertoonde
opeenvolgende lagen van verkoolde overblijfsels van vergane gewassen,
gescheiden door schilfers van puimsteenachtigen tufsteen.
Als een echte neef van professor Lidenbrock en in weerwil van
mijne bezorgdheid beschouwde ik belangstellend de delfstoffelijke
merkwaardigheden in dit uitgebreide kabinet van natuurlijke historie
ten toon gesteld; tevens doorliep ik in den geest de geheele
aardkundige geschiedenis van IJsland.
Dit zoo merkwaardige eiland is klaarblijkelijk in een betrekkelijk
jong tijdperk uit den schoot der golven opgerezen; misschien zelfs
verheft het zich nog tegenwoordig door eene onmerkbare beweging. Als
dit zoo is, kan men zijn oorsprong alleen toeschrijven aan de werking
van het onderaardsche vuur. In dat geval dus verdwenen de theorie van
Humphry Davy, het document van Saknussemm, de beweringen van mijn oom
in rook. Deze veronderstelling bracht mij er toe om den aard van den
grond oplettend te onderzoeken en weldra kon ik mij rekenschap geven
van de opeenvolging der natuurverschijnselen, die de vorming van dit
eiland voorafgingen.
IJsland, geheel beroofd van bezonken gronden, bestaat alleen uit
vulkanischen tufsteen, dat is te zeggen uit eene opeenhooping van
steenen en rotsen van een poreus weefsel. Vóór het bestaan der vulkanen
bestond het uit massief trap-porfier, langzaam uit de golven opgeheven
door het omhoog werken der inwendige krachten. Het inwendige vuur
had zich nog niet naar buiten getoond.
Maar later werd eene breede, dwarse scheur van het zuidoosten naar
het noordwesten des eilands geopend, waardoor langzamerhand al het
halfgesmolten trachiet zich een uitweg baande. Dit verschijnsel had
toen zonder geweld plaats; de uitkomst was verbazend, en de gesmolten
stoffen, uit de ingewanden der aarde verdreven, verspreidden zich
rustig als groote vlakke lagen of als heuvelachtige massa's. Te dien
tijde verschenen het veldspaat, syeniet en porfier.
Maar ten gevolge van die uitstorting nam de dikte des eilands en
bij gevolg zijn tegenstandbiedend vermogen aanmerkelijk toe. Men
begrijpt licht, welk eene hoeveelheid veerkrachtige vloeistoffen zich
in zijn binnenste ophoopte, toen het geen uitweg meer aanbood na de
afkoeling der trachietkorst. Toen kwam er een oogenblik, waarin het
arbeidsvermogen dier gassen zoo groot was, dat zij de zware schors
ophieven en zich hooge schoorsteenen oprichtten. Zoo ontstond dus de
vulkaan door de opheffing van de korst, en werd vervolgens de krater
plotseling in den top van den vulkaan geboord.
Toen volgden vulkanische verschijnselen op de
uitwerpingsverschijnselen; door de pas gevormde openingen ontsnapten
vooreerst de uitwerpselen van basalt, waarvan de vlakte, die wij thans
doorgingen, aan onze blikken de merkwaardigste proeven vertoonde. Wij
liepen over de zware donkergrijze rotsen, die de afkoeling gevormd
had tot prisma's met zeshoekige grondvlakken. In de verte zag men
een groot aantal afgeknotte kegels, die voorheen zoovele vuurspuwende
monden waren.
Nadat de basaltuitwerking uitgeput was, verleende de vulkaan, wiens
kracht nog toenam door die der uitgebrande kraters, een doortocht
aan de lava en aan die tufsteenen van asch en slakken, welker
lange stroomen ik op zijne hellingen verstrooid zag, als waren het
weelderige haren.
Dit was de opeenvolging der natuurverschijnselen, die IJsland te
voorschijn riepen; alle ontstonden uit de werking van het inwendige
vuur, en het was dwaasheid te vooronderstellen, dat de binnenste
massa niet bleef in een voortdurenden toestand van witgloeiende
vloeibaarheid. Dwaas vooral was het plan om te trachten het middelpunt
van den aardbol te bereiken!
Ik stelde mijzelven dus gerust betreffende den uitslag onzer
onderneming, terwijl ik op weg was om den Sneffels met den stormpas
te beklimmen.
De weg werd hoe langer hoe moeielijker; de grond rees; de rotsbrokken
geraakten in beweging, en de grootste oplettendheid was noodig om
een gevaarlijken val te vermijden.
Hans ging rustig vooruit als op een effen bodem; soms verdween hij
achter de groote klompen en verloren wij hem voor een oogenblik uit het
gezicht; dan wees een scherp gefluit de richting aan, die wij moesten
volgen. Dikwijls ook bleef hij staan, raapte eenige brokken steen op,
schikte ze op eene in het oog loopende wijze en vormde zoo wegwijzers
om den terugweg aan te duiden. De voorzorg was op zichzelve goed,
maar de volgende gebeurtenissen maakten haar nutteloos.
Een vermoeiende marsch van drie uur had ons nog niet verder gebracht
dan den voet van den berg. Daar gaf Hans een teeken om stil te houden
en deelden wij een kort ontbijt. Mijn oom slikte de brokken door om
maar spoedig te kunnen vertrekken. Doch, daar dit maal tevens eene
rust moest zijn, was hij genoodzaakt het goeddunken van zijn gids af
te wachten, die een uur later het sein gaf om weder op te breken. De
drie IJslanders, even zwijgend als hun makker, de jager, spraken geen
woord en aten matig.
Nu begonnen wij de hellingen van den Sneffels te bestijgen; door
een in de bergen zeer gewoon gezichtsbedrog scheen zijn besneeuwde
top mij zeer nabij toe, en toch! hoe lang duurde het nog eer wij hem
bereikten! op wat al vermoeienis kwam hij ons te staan! De steenen,
door geene aarde noch gras verbonden, rolden onder onze voeten weg
en verdwenen in de vlakte met de snelheid eener lawine.
Op sommige plaatsen maakten de zijden van den berg met den
gezichteinder een hoek van minstens zes en dertig graad; het was
onmogelijk ze te beklimmen, en niet zonder moeite moesten die
steenachtige steilten worden omgetrokken. Dan stonden wij elkander
door middel van onze stokken bij.
Ik moet zeggen, dat mijn oom zoo dicht mogelijk bij mij bleef; hij
verloor mij niet uit het oog en bij menige gelegenheid verleende
zijn arm mij een stevigen steun. Hij had zeker een ingeschapen gevoel
van evenwicht, want hij struikelde niet. De IJslanders, hoewel zwaar
beladen, klauterden met de vlugheid van bergbewoners.
De hoogte van den top des Sneffels in aanmerking genomen dacht het
mij onmogelijk hem van deze zijde te bereiken, als de helling niet wat
toenam. Gelukkig vertoonde zich onverwacht, midden in het uitgestrekte
sneeuwtapijt, dat den rug van den vulkaan bedekte, eene soort van
trap, die onze beklimming veel gemakkelijker maakte. Zij was gevormd
door een van die stroomen van steenen, welke bij de uitbarsting in
de hoogte geslingerd en op IJsland "stinâ" genoemd worden. Als deze
stroom niet in zijn val ware gestuit door de ligging van de zijden des
bergs, zou hij zich in zee gestort en nieuwe eilanden gevormd hebben.
Zoo als hij was kwam hij ons goed van pas; de steilte der hellingen
nam toe, maar die steenen treden boden de gelegenheid aan om ze
gemakkelijk, ja zelfs zoo snel te bestijgen, dat ik, een oogenblikje
achter gebleven zijnde, terwijl mijne metgezellen met hunne beklimming
voortgingen, hen door den afstand reeds verkleind zag tot een
microscopisch voorkomen.
's Avonds te zeven uur hadden wij de twee duizend treden van de trap
beklommen en overzagen wij eene ronde verhevenheid van den berg,
eene soort van voetstuk, waarop de eigenlijke kegel des kraters rustte.
De zee lag drie duizend twee honderd voet onder ons; wij waren boven
de sneeuwlinie gekomen, die op IJsland door de aanhoudende vochtigheid
van het klimaat niet zeer hoog ligt. Het was snerpend koud; de wind
woei hevig. Ik was uitgeput. De professor zag wel, dat de beenen mij
allen dienst weigerden en ondanks zijn ongeduld besloot hij stil te
houden. Hij wenkte dus den jager, die het hoofd schudde en zeide:
"Ofvanför".
"Het schijnt dat wij hooger moeten stijgen," zeide mijn oom.
Daarop onderzocht hij bij Hans naar de reden van zijn antwoord.
"Mistour"! antwoordde de gids.
"Ja, mistour"! herhaalde een der IJslanders op een ontstelden toon.
"Wat beteekent dat woord?" vroeg ik zeer ongerust.
"Zie maar rond!" sprak mijn oom.
Ik richtte mijne blikken naar de vlakte; eene verbazende kolom van
fijne puimsteen, zand en stof verhief zich draaiende als eene hoos; de
wind dreef haar naar die zijde van den Sneffels, waar wij ons bevonden;
deze ondoorschijnende gordijn onderschepte het zonnelicht en hulde den
berg in de schaduw. Als deze hoos daalde, moest zij ons stellig in hare
dwarrelingen wikkelen. Dit, wanneer de wind van de gletschers waait,
zeer gewone natuurverschijnsel, heet in het ijslandsch "mistour".
"Hastigt! hastigt"! riep onze gids.
Zonder deensch te kennen begreep ik toch, dat wij hem ten spoedigste
moesten volgen. Hans begon den kegel van den krater om te loopen, maar
in eene schuine richting om gemakkelijker te kunnen voortkomen; weldra
viel de hoos op den berg, die bij haar schok sidderde; de steenen door
den luchtstroom medegevoerd vielen als regen neder, gelijk bij eene
uitbarsting. Wij waren gelukkig tegen alle gevaar beveiligd aan den
anderen kant des bergs; zonder de voorzorg van den gids zouden onze
gekorven lichamen verre van daar in kleine stukken nedergevallen zijn,
als het voortbrengsel van het een of ander onbekend luchtverschijnsel.
Toch oordeelde Hans het niet voorzichtig om den nacht door te brengen
op de zijden van den kegel. Wij klommen dus zigzagsgewijze hooger;
voor de vijftien honderd voet, die wij nog moesten afleggen, hadden
wij bijna vijf uur noodig; de omwegen, draaiingen en rugwaartsche
bewegingen waren minstens drie mijl lang. Ik kon niet langer, ik
bezweek van koude en honger. De eenigszins verdunde lucht was niet
toereikende voor mijne ademhaling.
Eindelijk werd te elf uur in de dichtste duisternis de top van den
Sneffels bereikt, en voor ik eene schuilplaats ging zoeken in het
inwendige van den krater, had ik tijd om "de middernachtszon" op
het laagste punt harer baan te zien, terwijl zij hare bleeke stralen
wierp op het slapende eiland onder mijne voeten.