De familie van Hans.--Stapi.--Verbasterde geestelijke.--Vrees
voor uitbarsting.--Te mooi om mogelijk te zijn.--Gevaar voor
uitbarsting.
Stapi is een gehucht van een dertigtal hutten op lava gebouwd en
beschenen door de zonnestralen, welke de vulkaan terugkaatst. Het
strekt zich uit aan het einde van een kleinen fjörd, ingesloten door
een basaltmuur van een allervreemdst voorkomen.
Men weet, dat de basalt eene door het vuur gevormde bruine rotssoort
is; hij neemt regelmatige vormen aan, die door hunne schikking
verbazen. Hier handelt de natuur meetkunstig en werkt op menschelijke
wijze, alsof zij winkelhaak, passer en schietlood gebruikte. Toont
zij overal elders hare kunst in hare groote, ordeloos nedergeworpene
massa's, hare onvolmaakte piramiden, in die grillige opeenvolging harer
lijnen, hier heeft zij, het voorbeeld van regelmaat willende geven,
en de oudste bouwmeesters voorgaande, eene strenge orde geschapen,
die nooit overtroffen is door de prachtwerken van Babylon noch door
de wonderen van Griekenland.
Ik had wel hooren spreken van den Reuzendam op Ierland en van de
Fingalsgrot op een der Hebriden; maar het schouwspel van een onderbouw
van basalt had zich nog nooit aan mijn oog vertoond.
Te Stapi vertoonde zich dit verschijnsel in zijne volle schoonheid.
De muur van den fjörd bestond, evenals de geheele kust van het
schiereiland, uit eene rij loodrechte, dertig voet hooge zuilen. Die
rechte en zuiver geëvenredigde schachten droegen een kroonboog,
bestaande uit horizontale zuilen, die door hare afwijking van de
waterpaslijn een half gewelf boven de zee vormden. Op sommige plaatsen
van dit natuurlijke regenscherm bespeurde men spitsboogvormige,
heerlijk geteekende openingen, waardoor de baren der zee schuimende
nederstortten. Eenige basaltblokken, door de woede van den oceaan
los gescheurd, lagen op den grond, gelijk de puinhoopen van een
eeuwenouden tempel, maar het waren eeuwig jonge puinhoopen, waarover
de eeuwen henen gingen zonder ze te beschadigen.
Zoo zag de laatste pleisterplaats op onze aardsche reis er uit. Hans
had ons met veel beleid zoo ver gebracht en ik werd een beetje
geruster, toen ik bedacht, dat hij ons nog verder zou vergezellen.
Aan de deur van het huis van den geestelijke komende, dat slechts
eene gewone lage hut, noch schooner noch gemakkelijker ingericht
dan de andere, was, zag ik iemand, die juist bezig was een paard te
beslaan met den hamer in de hand en het lederen schootsvel voor.
"Saellvertu"! zeide hem de jager.
"God dag"! antwoordde de hoefsmid in zuiver deensch.
"Kyrkoherde", sprak Hans, zich tot mijn oom wendende.
"De geestelijke"! herhaalde deze. "Het schijnt, Axel! dat die brave
man de geestelijke is".
Intusschen bracht de gids den "Kyrkoherde" op de hoogte van de
zaak. Deze staakte zijn arbeid, gaf eene soort van schreeuw, die zeker
in gebruik is tusschen paarden en paardenkoopers, en oogenblikkelijk
kwam eene groote helleveeg de hut uit. Als zij geen volle zes voet
haalde, scheelde het toch weinig.
Ik vreesde, dat zij den reiziger den gebruikelijken ijslandschen kus
kwam aanbieden; maar het gebeurde niet en zelfs maakte zij niet veel
omslag, toen zij ons in haar huis bracht.
De kamer voor de vreemdelingen scheen wel de slechtste van de pastorie,
bekrompen, vuil en stinkend. Wij moesten er ons mede behelpen; de
geestelijke scheen de aloude gastvrijheid niet te beoefenen. Verre
van daar. De dag was nog niet verstreken, of ik zag reeds, dat wij
te doen hadden met een smid, een visscher, een jager, een timmerman,
maar niet met een dienaar des Heeren. Maar het is waar, het was in
de week. Misschien hield hij zich des Zondags beter.
Ik wil niets ten nadeele van die arme priesters zeggen, die toch al
ongelukkig genoeg zijn; zij genieten van het deensche gouvernement
eene bespottelijke bezoldiging en ontvangen het vierde gedeelte van
de tienden van hun kerspel, hetgeen eene som van nog geen zestig
mark bedraagt [7]. Daaruit ontstaat de noodzakelijkheid om te werken;
maar al visschende, jagende, paarden beslaande, neemt men eindelijk
de manieren, den toon en de zeden van jagers, visschers en ander ruw
volkje aan; denzelfden avond bemerkte ik ook, dat onze gastheer de
matigheid niet onder zijne deugden telde.
Mijn oom begreep spoedig met welk een slag van een man hij te doen
had; in plaats van een braaf en waardig geleerde vond hij een lompen,
ruwen boer; hij besloot dus ten allerspoedigste zijn grooten tocht
te beginnen en deze ongastvrije pastorie te verlaten. Hij lette
niet op zijne vermoeidheid en besloot eenige dagen in den berg te
gaan doorbrengen.
Daags na onze komst te Stapi maakten wij derhalve reeds toebereidselen
tot ons vertrek. Hans huurde drie IJslanders om de paarden te
vervangen bij het vervoeren der bagage; maar als wij op den bodem van
den krater waren, zouden die inboorlingen terugkeeren en ons aan ons
lot overlaten. Dit punt werd stellig bepaald.
Bij deze gelegenheid moest mijn oom den jager wel mededeelen, dat
zijn plan was om de verkenning van den vulkaan zoo ver mogelijk voort
te zetten.
Hans vergenoegde zich met een hoofdknikje. Daar of ergens anders
te gaan, in de ingewanden van zijn eiland door te dringen of het te
doorloopen, daarin zag hij geen verschil; ik voor mij, hoewel ik tot
nu toe door de voorvallen van de reis nog al afleiding gehad en de
toekomst min of meer vergeten had, voelde mijne beklemdheid op nieuw
terugkomen. Maar wat was er aan te doen? Als ik eene poging had kunnen
wagen om mij tegen professor Lidenbrock te verzetten, dan had dit te
Hamburg maar niet aan den voet van den Sneffels moeten plaats hebben.
Een denkbeeld vooral pijnigde mij, een verschrikkelijk denkbeeld,
dat wel in staat was om sterker zenuwen dan de mijne te schokken.
"Komaan!" zeide ik, "wij zullen den Sneffels bestijgen. Goed. Wij
zullen zijn krater bezoeken. Goed. Anderen hebben het gedaan en
zijn er niet van gestorven. Maar dat is niet alles. Als er een weg
bestaat om in de ingewanden der aarde af te dalen, als die ongeluk
aanbrengende Saknussemm de waarheid heeft gesproken, dan zullen
wij onzen ondergang vinden in de onderaardsche galerijen van den
vulkaan. Maar niets bevestigt, dat de Sneffels uitgebrand is. Wie
verzekert ons, dat er geene uitbarsting wordt voorbereid? Al slaapt
het monster sedert 1219, volgt dan daaruit nog, dat het niet ontwaken
kan? En als het ontwaakt, wat zal er dan van ons worden?" Dat was wel
de moeite waard om er eens over te denken, hetgeen ik ook deed. Ik
kon niet slapen zonder van eene uitbarsting te droomen; de rol van
eene metaalslak te spelen scheen mij toch wat al te erg toe.
Eindelijk kon ik het niet langer uithouden; ik besloot zoo behendig
mogelijk het geval aan mijn oom mede te deelen, ingekleed als eene
volstrekt onvervulbare veronderstelling.
Ik zocht hem op, deelde hem mijne vrees mede en ging wat achteruit
om hem vrij te laten losbarsten. Hij antwoordde eenvoudig: "Daar heb
ik ook al aan gedacht."
Wat beteekende dit gezegde? Zou hij eindelijk gehoor geven aan de
stem der rede? Dacht hij er aan om zijn plannen op te schorten? Het
zou te mooi geweest zijn om mogelijk te wezen.
Na eenige oogenblikken zwijgens, daar ik hem niet durfde ondervragen,
hervatte hij het gesprek, zeggende:
"Ik dacht er aan. Sedert onze komst te Stapi heb ik mij ernstig
bezig gehouden met de gewichtige vraag, die gij mij daar voorlegt;
want wij moeten niet als onbezonnenen handelen."
"Neen!" antwoordde ik met nadruk.
"Sedert zes honderd jaar is de Sneffels stom, maar hij zou weder
kunnen spreken. De uitbarstingen nu worden altijd voorafgegaan door
volkomen bekende natuurverschijnselen; ik heb dus de bewoners des
lands ondervraagd, ik heb den grond bestudeerd en ik kan u zeggen,
Axel, dat er geene uitbarsting zal plaats hebben."
Op deze stellige verzekering stond ik verstomd en kon niet antwoorden.
"Twijfelt gij aan mijne woorden?" sprak mijn Oom, "welnu, volg mij!" Ik
gehoorzaamde werktuiglijk. De pastorie verlatende, sloeg de professor
dadelijk een weg in, die door eene opening in den basaltmuur zich
van de zee verwijderde. Weldra waren wij op het vlakke veld, als men
dien naam geven mag aan eene verbazende ophooping van uitgebraakte
vulkanische stoffen; de landstreek scheen als verpletterd onder een
regen van ontzaglijke steenen, basalt, graniet en olijfblende.
Hier en daar zag ik de dampen in de lucht opstijgen; die witte dampen,
in de ijslandsche taal "reykir" genoemd, kwamen uit de warme bronnen,
en wezen door hun geweld de vulkanische werkzaamheid van den grond
aan. Ik meende, dat mijne vrees hierdoor gerechtvaardigd werd. Ik
viel dus uit de wolken, toen mijn oom zeide:
"Gij ziet al dien rook, Axel! welnu, hij bewijst, dat wij niets van
de woede van den vulkaan hebben te vreezen!"
"Nu nog fraaier!" riep ik.
"Onthoud dit goed," hernam de professor: "bij de nadering van eene
uitbarsting verdubbelen de dampen hunne werkzaamheid, om geheel te
verdwijnen zoolang het verschijnsel duurt, want de veerkrachtige
vloeistoffen, dan die noodige spankracht niet meer hebbende, nemen
haren weg door den krater in plaats van te ontwijken door de scheuren
van den aardbol. Als die dampen dus in hun gewonen toestand blijven,
als hunne kracht niet toeneemt, als gij bij deze waarneming nog voegt,
dat de wind en de regen niet door eene zwoele, stille lucht worden
vervangen, dan kunt gij stellig verzekeren, dat er geene uitbarsting
ophanden is."
"Maar...."
"Genoeg. Wanneer de wetenschap heeft gesproken, past het ons te
zwijgen."
Ik kwam met hangende ooren in de pastorie terug; mijn oom had mij
met wetenschappelijke bewijzen geslagen. Toch had ik nog eene hoop,
namelijk, dat het, als wij eens op den bodem van den krater waren,
onmogelijk zou zijn, uit gebrek aan eene galerij, om dieper te dalen,
in spijt van alle Saknussemms der wereld.
Den volgenden nacht kwelde de nachtmerrie mij geducht. Ik bracht hem
door in het midden van een vulkaan, diep onder den grond, en voelde,
hoe ik, onder den vorm van een uitgebraakten steen, in het wereldruim
werd geslingerd.
Den volgenden morgen, den 23sten Juni, wachtte Hans ons op met zijne
makkers, beladen met de levensmiddelen, de gereedschappen en de
werktuigen. Twee met ijzer beslagen stokken, twee geweren en twee
kardoesdoozen waren voor mijn oom en mij bestemd. Hans had als een
voorzichtig man bij onze bagage nog een vollen lederen zak gevoegd,
die met onze waterflesschen ons voor acht dagen van water verzekerde.
Het was 's morgens negen uur. De geestelijke en zijne groote huisplaag
wachtten voor hunne deur. Zij wilden ons zonder twijfel het laatste
vaarwel van den gastheer aan den reiziger toeroepen. Maar dat vaarwel
nam den onverwachten vorm van eene hooge rekening aan, waarop zelfs
de lucht der pastorie, eene bedorven lucht durf ik zeggen, gebracht
was. Dit waardige paar plukte ons gelijk een zwitsersche kastelein,
en vorderde eene goede belooning voor zijne gastvrijheid.
Mijn oom betaalde zonder afdingen. Als iemand, die naar het middelpunt
der aarde vertrok, zag hij niet op eenige rijksdaalders.
Toen dit punt afgehandeld was, gaf Hans het sein tot het vertrek,
en eenige oogenblikken later hadden wij Stapi verlaten.