Prachtig uitzicht van den Sneffels.--In verrukking.--Naar den
krater.--De vervloekte naam.--Geen zon, geen schaduw.--Lidenbrock
wanhopig.--De Scartaris geeft schaduw.
Het avondeten was spoedig afgeloopen en de kleine troep legde zich
zoo goed mogelijk te rusten. De ligplaats was hard, de dekking
beduidde niet veel, de toestand was zeer hachelijk op eene hoogte
van vijf duizend voet boven den spiegel der zee. Toch sliep ik dezen
nacht zeer rustig, die een der beste was, welke ik sinds lang had
doorgebracht. Zelfs droomde ik niet eens.
Den volgenden morgen werden wij, half bevroren door de zeer scherpe
lucht, wakker door de stralen eener heldere zon. Ik verliet mijn
bed van graniet en ging mij verlustigen in het heerlijke schouwspel,
dat zich aan mijn oog vertoonde.
Ik bevond mij op eene der beide pieken van den Sneffels, de
zuidelijke. Van daar had ik het gezicht op het grootste gedeelte
des eilands; het gezichtsbedrog, dat aan alle aanzienlijke hoogten
eigen is, deed zijne oevers rijzen, terwijl het binnenland scheen te
dalen. Men zou gezegd hebben, dat eene kaart in relief van Helbesmer
aan mijne voeten lag uitgespreid; ik zag de diepe dalen elkander in
alle richtingen kruisen, de afgronden zich als putten voordoen, de
meren in vijvers, de rivieren in beken veranderen. Ter rechterzijde
volgden de tallooze gletschers en de menigvuldige pieken op elkander,
waarvan eenige een vederbos van lichte rookwolkjes schenen te
dragen. De golven dezer eindelooze bergen, die schenen te schuimen
door hunne sneeuwlagen, deden mij denken aan de oppervlakte eener
onstuimige zee. Wendde ik mij naar het westen, dan breidde daar de
oceaan zich uit in zijn volle pracht, als ware hij eene voortzetting
dier gekroesde toppen. Mijn oog kon nauwelijks onderscheiden, waar
de aarde eindigde en de golven begonnen.
Ik verzonk in die begoochelende geestverrukking, welke de hooge toppen
verwekken, en ditmaal zonder duizelig te worden; want ik geraakte
eindelijk gewoon aan dat zien uit de hoogte. Mijne verblinde oogen
baadden zich in de doorschijnende uitstraling van het zonnelicht. Ik
vergat, wie ik was, waar ik was, om het leven der elfen en sylphen,
de denkbeeldige bewoners der scandinavische fabelleer, te doorleven;
ik zwelgde het wellustig genot van mijne hooge standplaats met volle
teugen in, zonder te denken aan de afgronden, waarin mijn noodlot mij
binnen kort zou storten. Maar ik werd tot bewustheid der werkelijkheid
teruggevoerd door de komst van den professor en van Hans, die zich
op den top van de piek bij mij voegden.
Mijn oom keerde zich naar het westen en wees mij met de hand een
lichten damp, een nevel, eene flauwe schemering van land boven de
waterlijn.
"Groenland," sprak hij.
"Groenland?" riep ik uit.
"Ja, wij zijn er geen vijf en dertig uur van daan en als het dooit,
komen de ijsberen op de ijsschotsen uit het noorden tot op IJsland
toe. Maar dat hindert ons niet. Wij zijn op den top van den Sneffels;
hier zijn twee pieken, de eene ten zuiden, de andere ten noorden. Hans
zal ons zeggen, welken naam de IJslanders geven aan die, waarop wij
ons thans bevinden."
Toen de vraag duidelijk gesteld was, antwoordde de jager:
"Scartaris."
Mijn oom wierp mij een zegepralenden blik toe.
"Naar den krater!" zeide hij.
De krater van den Sneffels had de gedaante van een omgekeerden kegel,
welks opening een half uur in middellijn kon wezen. Zijne diepte
schatte ik op ongeveer twee duizend voet. Men kan licht oordeelen
over den toestand van zulk een ontvanger, als hij gevuld werd met
donder en vlammen. Het grondvlak van den trechter kon niet meer dan
vijfhonderd voet omtrek hebben, zoodat zijne vrij zachte hellingen
de nederdaling gemakkelijk maakten. Onwillekeurig vergeleek ik dien
krater met eene verbazend groote en wijde donderbus en die vergelijking
beangstigde mij.
"In eene donderbus af te dalen," dacht ik, "die misschien geladen is
en bij den geringsten schok kan losbranden, is het werk van gekken."
Maar ik kon niet meer terug. Hans stelde zich met een onverschillig
gelaat weder aan het hoofd der troep. Ik volgde hem zonder een woord
te spreken.
Ten einde de afdaling gemakkelijk te maken beschreef Hans binnen in
den kegel zeer uitgestrekte ellipsen; wij moesten over uitgebraakte
steenen loopen, waarvan eenige, door de dreuning van hun steunpunt
beroofd, telkens opspringende op den bodem van den afgrond vielen. Hun
val verwekte zeer helder klinkende, telkens herhaalde echo's.
Zekere gedeelten des kegels vormden inwendige gletschers; dan ging Hans
slechts met de uiterste behoedzaamheid voort, terwijl hij gedurig den
grond met zijn met ijzer beslagen stok peilde om er de scheuren in te
ontdekken. Op sommige twijfelachtige punten werd het noodzakelijk om
ons met een lang touw aan elkander te binden, opdat hij, wiens voet
soms mocht uitglijden, vastgehouden werd door zijne makkers. Deze
vastbinding was een maatregel van voorzichtigheid, maar sloot alle
gevaar nog niet uit.
Evenwel werd de weg, ondanks de moeielijkheden van de afdaling langs
hellingen, die de gids niet kende, zonder ongelukken afgelegd; alleen
ontglipte een pak aan de handen van een IJslander en ging regelrecht
naar den bodem van den afgrond.
Te twaalf uur waren wij aangekomen. Ik hief het hoofd op en bespeurde
de bovenste opening van den kegel, waardoor een gedeelte van den
hemel zichtbaar werd, welks omtrek zeer verkleind maar bijna zuiver
was. Op één punt slechts teekende de piek van den Scartaris zich af,
die in de eindelooze ruimte zich verloor.
Op den bodem van den krater openden zich drie schoorsteenen, waardoor
de hoofdhaard bij eene uitbarsting van den Sneffels zijne lava en
dampen uitbraakte. Elk dezer schoorsteenen had omtrent honderd voet
middellijn. Zij gaapten onder onze voeten. Ik had de kracht niet om
er in te zien. Professor Lidenbrock had hun stand snel onderzocht,
hij hijgde, liep van den een naar den anderen, gebaren makende en
allerlei onverstaanbare woorden uitende. Hans en zijne makkers, op
brokken lava zittende, zagen het aan en hielden hem zeker voor een gek.
Eensklaps schreeuwde mijn oom luidkeels; ik dacht, dat de grond onder
hem wegzonk en hij in een der drie afgronden viel. Maar neen. Ik zag
hem met wijd uitgestrekte armen en de beenen ver van elkander voor
een granietblok staan, dat in het middelpunt van den krater lag, als
een verbazend voetstuk bestemd voor het standbeeld van een Pluto. Hij
stond in de houding van een ontsteld mensch, maar wiens ontsteltenis
weldra plaats maakte voor eene dwaze vreugde.
"Axel, Axel!" riep hij, "kom eens hier, kom eens hier!"
Ik snelde heen. Hans noch de IJslanders bewogen zich.
"Zie eens!" zeide mij de professor.
En zoo al niet in zijne vreugde, dan toch in zijne verbazing deelende,
las ik op de westzijde van het blok in runische, door den tijd half
uitgewischte letters, dezen duizendmaal vervloekten naam:
[AFBEELDING]
"Arne Saknussemm!" riep mijn oom, "kunt gij nu nog twijfelen?" Ik
antwoordde niets en keerde geheel ontzet naar mijne bank van lava
terug. Dit tastbare bewijs verpletterde mij.
Hoe lang ik zoo in mijne gepeinzen verdiept bleef, weet ik niet. Al
wat ik weet is, dat ik, toen ik mijn hoofd ophief, mijn oom en Hans
alleen in den krater zag. De IJslanders waren weggezonden en nu
daalden zij weder langs de buitenste hellingen van den Sneffels af
om naar Stapi terug te keeren.
Hans sliep gerust aan den voet eener rots op een lavastroom, waarin
hij eene soort van slaapplaats had gemaakt, mijn oom liep op den
bodem van den krater rond, gelijk een wild dier in den kuil van
een jager. Ik had lust noch kracht om op te staan en een voorbeeld
nemende aan den gids, gaf ik mij over aan eene pijnlijke slaperigheid,
telkens mij verbeeldende gerommel te hooren of schokken in de zijden
van den berg te gevoelen.
Zoo verliep deze eerste nacht op den bodem des kraters.
Den volgenden dag hing eene grauwe, bewolkte en zware lucht op den top
des kegels. Ik bespeurde dit minder aan de duisternis in den afgrond,
dan aan den toorn, die mijn oom beving.
Ik begreep er de reden van en eene straal van hoop verhelderde mijn
hart. Ziehier waarom.
Van de drie wegen, die voor ons openstonden, was er slechts een door
Saknussemm gevolgd. Naar het zeggen van den ijslandschen geleerde
kon men hem herkennen aan deze in het geheimschrift aangeduide
bijzonderheid, dat de schaduw van den Scartaris zijn rand in de
laatste dagen der maand Juni raakte.
Men kan inderdaad deze scherpgepunte piek beschouwen als de staaf
van een ontzaglijken zonnewijzer, wiens schaduw op een gegeven dag
den weg naar het middelpunt van den aardbol aanwees.
Bleef nu de zon weg, dan was er geene schaduw en bij gevolg geene
aanwijzing. Wij hadden den 25sten Juni. Bleef de lucht zes dagen
achtereen betrokken, dan moest de waarneming tot een ander jaar
uitgesteld worden.
Ik waag het niet om den machteloozen toorn van professor Lidenbrock
te schilderen. De dag verstreek, en geene schaduw viel op den bodem
des kraters. Hans week niet van zijne plaats; toch moest hij zich
wel afvragen, waarop wij wel wachtten, als hij zich ten minste iets
afvroeg! Mijn oom sprak mij geen enkelen keer aan. Zijne bestendig
naar den hemel gewende blikken verloren zich in het grauwe en mistige
verschiet.
Den 26sten was er nog niets te zien. Eene regenbui met hagel vermengd
viel den ganschen dag. Hans bouwde eene hut van brokken lava. Ik vond
er een zeker genoegen in om met het oog de duizenden watervallen op
de zijden van den kegel, wier oorverdoovend gemurmel door iederen
steen versterkt werd, te volgen.
Mijn oom kon zich niet langer inhouden. Een geduldiger man zelfs zou
dan ook razend geworden zijn; want dit mocht wel heeten in de haven
schipbreuk lijden.
Maar de hemel vermengt steeds groote vreugde met groote smarten en
had voor professor Lidenbrock eene voldoening weggelegd, die zijne
wanhopend makende verveling evenaarde.
Den volgenden dag was de lucht nog betrokken, maar Zondag, den 28sten
Juni, op twee na den laatsten dag der maand, kwam er met de verandering
van maan ook verandering van weder. De zon goot hare stralen met volle
stroomen in den krater. Ieder bergje, iedere rots, iedere steen,
iedere oneffenheid deelde in hare weldadige uitstrooming en wierp
oogenblikkelijk zijne schaduw op den grond. Onder allen teekende die
van den Scartaris zich af als een kam en begon onmerkbaar met het
lichtgevende hemellichaam te draaien.
Mijn oom draaide mede.
Ten twaalf uur, toen zij het kortste was, raakte zij eventjes den
kant van den middelsten schoorsteen.
"Daar is het!" riep de professor, "daar is het! Naar het middelpunt
van den aardbol!" voegde hij er in het deensch bij.
Ik zag Hans aan.
"Forüt!" sprak de gids heel bedaard.
"Vooruit!" herhaalde mijn oom.
Het was één uur en dertien minuten na den middag.