HOOFDSTUK XVI

Prachtig uitzicht van den Sneffels.--In verrukking.--Naar den

krater.--De vervloekte naam.--Geen zon, geen schaduw.--Lidenbrock

wanhopig.--De Scartaris geeft schaduw.

Het avondeten was spoedig afgeloopen en de kleine troep legde zich

zoo goed mogelijk te rusten. De ligplaats was hard, de dekking

beduidde niet veel, de toestand was zeer hachelijk op eene hoogte

van vijf duizend voet boven den spiegel der zee. Toch sliep ik dezen

nacht zeer rustig, die een der beste was, welke ik sinds lang had

doorgebracht. Zelfs droomde ik niet eens.

Den volgenden morgen werden wij, half bevroren door de zeer scherpe

lucht, wakker door de stralen eener heldere zon. Ik verliet mijn

bed van graniet en ging mij verlustigen in het heerlijke schouwspel,

dat zich aan mijn oog vertoonde.

Ik bevond mij op eene der beide pieken van den Sneffels, de

zuidelijke. Van daar had ik het gezicht op het grootste gedeelte

des eilands; het gezichtsbedrog, dat aan alle aanzienlijke hoogten

eigen is, deed zijne oevers rijzen, terwijl het binnenland scheen te

dalen. Men zou gezegd hebben, dat eene kaart in relief van Helbesmer

aan mijne voeten lag uitgespreid; ik zag de diepe dalen elkander in

alle richtingen kruisen, de afgronden zich als putten voordoen, de

meren in vijvers, de rivieren in beken veranderen. Ter rechterzijde

volgden de tallooze gletschers en de menigvuldige pieken op elkander,

waarvan eenige een vederbos van lichte rookwolkjes schenen te

dragen. De golven dezer eindelooze bergen, die schenen te schuimen

door hunne sneeuwlagen, deden mij denken aan de oppervlakte eener

onstuimige zee. Wendde ik mij naar het westen, dan breidde daar de

oceaan zich uit in zijn volle pracht, als ware hij eene voortzetting

dier gekroesde toppen. Mijn oog kon nauwelijks onderscheiden, waar

de aarde eindigde en de golven begonnen.

Ik verzonk in die begoochelende geestverrukking, welke de hooge toppen

verwekken, en ditmaal zonder duizelig te worden; want ik geraakte

eindelijk gewoon aan dat zien uit de hoogte. Mijne verblinde oogen

baadden zich in de doorschijnende uitstraling van het zonnelicht. Ik

vergat, wie ik was, waar ik was, om het leven der elfen en sylphen,

de denkbeeldige bewoners der scandinavische fabelleer, te doorleven;

ik zwelgde het wellustig genot van mijne hooge standplaats met volle

teugen in, zonder te denken aan de afgronden, waarin mijn noodlot mij

binnen kort zou storten. Maar ik werd tot bewustheid der werkelijkheid

teruggevoerd door de komst van den professor en van Hans, die zich

op den top van de piek bij mij voegden.

Mijn oom keerde zich naar het westen en wees mij met de hand een

lichten damp, een nevel, eene flauwe schemering van land boven de

waterlijn.

"Groenland," sprak hij.

"Groenland?" riep ik uit.

"Ja, wij zijn er geen vijf en dertig uur van daan en als het dooit,

komen de ijsberen op de ijsschotsen uit het noorden tot op IJsland

toe. Maar dat hindert ons niet. Wij zijn op den top van den Sneffels;

hier zijn twee pieken, de eene ten zuiden, de andere ten noorden. Hans

zal ons zeggen, welken naam de IJslanders geven aan die, waarop wij

ons thans bevinden."

Toen de vraag duidelijk gesteld was, antwoordde de jager:

"Scartaris."

Mijn oom wierp mij een zegepralenden blik toe.

"Naar den krater!" zeide hij.

De krater van den Sneffels had de gedaante van een omgekeerden kegel,

welks opening een half uur in middellijn kon wezen. Zijne diepte

schatte ik op ongeveer twee duizend voet. Men kan licht oordeelen

over den toestand van zulk een ontvanger, als hij gevuld werd met

donder en vlammen. Het grondvlak van den trechter kon niet meer dan

vijfhonderd voet omtrek hebben, zoodat zijne vrij zachte hellingen

de nederdaling gemakkelijk maakten. Onwillekeurig vergeleek ik dien

krater met eene verbazend groote en wijde donderbus en die vergelijking

beangstigde mij.

"In eene donderbus af te dalen," dacht ik, "die misschien geladen is

en bij den geringsten schok kan losbranden, is het werk van gekken."

Maar ik kon niet meer terug. Hans stelde zich met een onverschillig

gelaat weder aan het hoofd der troep. Ik volgde hem zonder een woord

te spreken.

Ten einde de afdaling gemakkelijk te maken beschreef Hans binnen in

den kegel zeer uitgestrekte ellipsen; wij moesten over uitgebraakte

steenen loopen, waarvan eenige, door de dreuning van hun steunpunt

beroofd, telkens opspringende op den bodem van den afgrond vielen. Hun

val verwekte zeer helder klinkende, telkens herhaalde echo's.

Zekere gedeelten des kegels vormden inwendige gletschers; dan ging Hans

slechts met de uiterste behoedzaamheid voort, terwijl hij gedurig den

grond met zijn met ijzer beslagen stok peilde om er de scheuren in te

ontdekken. Op sommige twijfelachtige punten werd het noodzakelijk om

ons met een lang touw aan elkander te binden, opdat hij, wiens voet

soms mocht uitglijden, vastgehouden werd door zijne makkers. Deze

vastbinding was een maatregel van voorzichtigheid, maar sloot alle

gevaar nog niet uit.

Evenwel werd de weg, ondanks de moeielijkheden van de afdaling langs

hellingen, die de gids niet kende, zonder ongelukken afgelegd; alleen

ontglipte een pak aan de handen van een IJslander en ging regelrecht

naar den bodem van den afgrond.

Te twaalf uur waren wij aangekomen. Ik hief het hoofd op en bespeurde

de bovenste opening van den kegel, waardoor een gedeelte van den

hemel zichtbaar werd, welks omtrek zeer verkleind maar bijna zuiver

was. Op één punt slechts teekende de piek van den Scartaris zich af,

die in de eindelooze ruimte zich verloor.

Op den bodem van den krater openden zich drie schoorsteenen, waardoor

de hoofdhaard bij eene uitbarsting van den Sneffels zijne lava en

dampen uitbraakte. Elk dezer schoorsteenen had omtrent honderd voet

middellijn. Zij gaapten onder onze voeten. Ik had de kracht niet om

er in te zien. Professor Lidenbrock had hun stand snel onderzocht,

hij hijgde, liep van den een naar den anderen, gebaren makende en

allerlei onverstaanbare woorden uitende. Hans en zijne makkers, op

brokken lava zittende, zagen het aan en hielden hem zeker voor een gek.

Eensklaps schreeuwde mijn oom luidkeels; ik dacht, dat de grond onder

hem wegzonk en hij in een der drie afgronden viel. Maar neen. Ik zag

hem met wijd uitgestrekte armen en de beenen ver van elkander voor

een granietblok staan, dat in het middelpunt van den krater lag, als

een verbazend voetstuk bestemd voor het standbeeld van een Pluto. Hij

stond in de houding van een ontsteld mensch, maar wiens ontsteltenis

weldra plaats maakte voor eene dwaze vreugde.

"Axel, Axel!" riep hij, "kom eens hier, kom eens hier!"

Ik snelde heen. Hans noch de IJslanders bewogen zich.

"Zie eens!" zeide mij de professor.

En zoo al niet in zijne vreugde, dan toch in zijne verbazing deelende,

las ik op de westzijde van het blok in runische, door den tijd half

uitgewischte letters, dezen duizendmaal vervloekten naam:

[AFBEELDING]

"Arne Saknussemm!" riep mijn oom, "kunt gij nu nog twijfelen?" Ik

antwoordde niets en keerde geheel ontzet naar mijne bank van lava

terug. Dit tastbare bewijs verpletterde mij.

Hoe lang ik zoo in mijne gepeinzen verdiept bleef, weet ik niet. Al

wat ik weet is, dat ik, toen ik mijn hoofd ophief, mijn oom en Hans

alleen in den krater zag. De IJslanders waren weggezonden en nu

daalden zij weder langs de buitenste hellingen van den Sneffels af

om naar Stapi terug te keeren.

Hans sliep gerust aan den voet eener rots op een lavastroom, waarin

hij eene soort van slaapplaats had gemaakt, mijn oom liep op den

bodem van den krater rond, gelijk een wild dier in den kuil van

een jager. Ik had lust noch kracht om op te staan en een voorbeeld

nemende aan den gids, gaf ik mij over aan eene pijnlijke slaperigheid,

telkens mij verbeeldende gerommel te hooren of schokken in de zijden

van den berg te gevoelen.

Zoo verliep deze eerste nacht op den bodem des kraters.

Den volgenden dag hing eene grauwe, bewolkte en zware lucht op den top

des kegels. Ik bespeurde dit minder aan de duisternis in den afgrond,

dan aan den toorn, die mijn oom beving.

Ik begreep er de reden van en eene straal van hoop verhelderde mijn

hart. Ziehier waarom.

Van de drie wegen, die voor ons openstonden, was er slechts een door

Saknussemm gevolgd. Naar het zeggen van den ijslandschen geleerde

kon men hem herkennen aan deze in het geheimschrift aangeduide

bijzonderheid, dat de schaduw van den Scartaris zijn rand in de

laatste dagen der maand Juni raakte.

Men kan inderdaad deze scherpgepunte piek beschouwen als de staaf

van een ontzaglijken zonnewijzer, wiens schaduw op een gegeven dag

den weg naar het middelpunt van den aardbol aanwees.

Bleef nu de zon weg, dan was er geene schaduw en bij gevolg geene

aanwijzing. Wij hadden den 25sten Juni. Bleef de lucht zes dagen

achtereen betrokken, dan moest de waarneming tot een ander jaar

uitgesteld worden.

Ik waag het niet om den machteloozen toorn van professor Lidenbrock

te schilderen. De dag verstreek, en geene schaduw viel op den bodem

des kraters. Hans week niet van zijne plaats; toch moest hij zich

wel afvragen, waarop wij wel wachtten, als hij zich ten minste iets

afvroeg! Mijn oom sprak mij geen enkelen keer aan. Zijne bestendig

naar den hemel gewende blikken verloren zich in het grauwe en mistige

verschiet.

Den 26sten was er nog niets te zien. Eene regenbui met hagel vermengd

viel den ganschen dag. Hans bouwde eene hut van brokken lava. Ik vond

er een zeker genoegen in om met het oog de duizenden watervallen op

de zijden van den kegel, wier oorverdoovend gemurmel door iederen

steen versterkt werd, te volgen.

Mijn oom kon zich niet langer inhouden. Een geduldiger man zelfs zou

dan ook razend geworden zijn; want dit mocht wel heeten in de haven

schipbreuk lijden.

Maar de hemel vermengt steeds groote vreugde met groote smarten en

had voor professor Lidenbrock eene voldoening weggelegd, die zijne

wanhopend makende verveling evenaarde.

Den volgenden dag was de lucht nog betrokken, maar Zondag, den 28sten

Juni, op twee na den laatsten dag der maand, kwam er met de verandering

van maan ook verandering van weder. De zon goot hare stralen met volle

stroomen in den krater. Ieder bergje, iedere rots, iedere steen,

iedere oneffenheid deelde in hare weldadige uitstrooming en wierp

oogenblikkelijk zijne schaduw op den grond. Onder allen teekende die

van den Scartaris zich af als een kam en begon onmerkbaar met het

lichtgevende hemellichaam te draaien.

Mijn oom draaide mede.

Ten twaalf uur, toen zij het kortste was, raakte zij eventjes den

kant van den middelsten schoorsteen.

"Daar is het!" riep de professor, "daar is het! Naar het middelpunt

van den aardbol!" voegde hij er in het deensch bij.

Ik zag Hans aan.

"Forüt!" sprak de gids heel bedaard.

"Vooruit!" herhaalde mijn oom.

Het was één uur en dertien minuten na den middag.

Naar het middelpunt der Aarde · 第 20 / 60 题