Begrepen! Veel namen heeft 't lieve kindje.

Zoo zoo, Peer, kom je dus daar te belanden!

Maar dit, goede vriend, is geen eerlijk spel!

Ik weet dat ik beet're behandling verdien;...

Ik ben niet zoo slecht als je denkt misschien,...

Heb hier op aarde ook wel goeds gedaan;...

Op zijn ergst kan men een domkop mij noemen,...

Maar volstrekt niet zoo'n bizonder groot zondaar.

DE KNOOPENGIETER.

Neen, dáár zit ook juist de knoop, mijn vriend;

Je bent ook geen zondaar in hoogeren zin;

En daarom ontkom je dan ook aan de hel,

En komt in mijn lepel, als zoovelen meer.

PEER GYNT.

Noem 't zooals je wilt,... lepel of hel;

Brown stout of ale, 't is allebei bier.

Weg Satan!

DE KNOOPENGIETER.

Je bent toch niet zoo onbeleefd

Om te denken dat 'k loop op een paardevoet?

PEER GYNT.

Op paardevoet of vosseklauw,...

Pak je weg! En let op wat je doet!

DE KNOOPENGIETER.

Goede vriend, je verkeert in een groote dwaling.

Wij hebben allebei haast, en om tijd te sparen

Zal ik je grondig de zaak verklaren.

Je bent, als je zelf daareven gezegd hebt,

Niet wat men noemt een waarlijk groot zondaar;

Op z'n best middelmatig...

PEER GYNT.

Kijk, nu begin je

Verstandig te praten...

DE KNOOPENGIETER.

Ja... wacht nog even;

Maar je deugdzaam te noemen, zou wat te ver gaan...

PEER GYNT.

Daar maak ik ook heelemaal geen aanspraak op.

DE KNOOPENGIETER.

Dus zoo tusschenbeiden, zoo om en bij.

Een zondaar van 't echte voorname slag

Vindt men tegenwoordig niet zoo langs den weg;

Daar hoort wat meer toe dan ploetren in vuil;

Echte zonde eischt ernst, echte zonde eischt kracht.

PEER GYNT.

Ja, dat 's waarachtig een juiste bewering;

Je moet er op los gaan als de oude Vandalen.

DE KNOOPENGIETER.

Jij, evenwel, nam de zonde licht op.

PEER GYNT.

Uitwendig maar, man, als een vuile vlek.

DE KNOOPENGIETER.

Nu worden wij 't eens. De zwavelpoel

Is niet voor jullie, die ploetert in 't vuil...

PEER GYNT.

En dus, goede vriend, kan 'k vrij weer heengaan?

DE KNOOPENGIETER.

Neen, dus wordt je opgesmolten, man.

PEER GYNT.

Wat is dat voor een streek, die je hebt bedacht

Hier thuis, terwijl ik in 't buitenland was?

DE KNOOPENGIETER.

't Gebruik is zoo oud als de slang en haar wording,

En berekend om waardeverlies te voorkomen.

Je kent toch het handwerk,... weet wel dat vaak

Een gietsel mislukken kan, en niets meer waard is;

Soms worden het knoopen zonder oog.

Wat zou jij doen?

PEER GYNT.

'k Gooide 't gietsel weg.

DE KNOOPENGIETER.

Jawel; Jon Gynt verstond ook dat kunstje,

Zoo lang er nog geld was in geldkist en zak.

Maar, Meester, zie je, die is heel spaarzaam;

En daardoor is hij 'n welgesteld man.

Hij gooit 't minste niet weg, als geheel ondeugdlijk,

Zoo het als grondstof nog valt te gebruiken.

Jij was bedoeld als een blinkende knoop

Op 't vest van de wereld; maar 't oog hield niet.

Daarom moet 'k je nu met het uitschot smelten,

Om, zooals 't heet, òp te gaan in de massa.

PEER GYNT.

Je bedoelt toch niet mij met Jan, Piet en Klaas

Samen op te smelten, weer tot iets nieuws?

DE KNOOPENGIETER.

Ja, dat is inderdaad juist mijn plan.

Dat hebben we al zoo vaak gedaan.

In Kongsberg doen zij hetzelfde met de munten,

Waar de stempel van afsleet door 't lange rollen.

PEER GYNT.

Maar dat 's toch een gemeene schraperij!

Beste vriend, hoor eens, laat mij nu vrij!...

Een knoop zonder oog, een versleten stuk geld,...

Wat is dàt nu voor iemand in je Meesters positie?

DE KNOOPENGIETER.

O, hoe dan ook, als de geest er nog in is,

Heeft als metaal iemand altijd nog waarde.

PEER GYNT.

Neen, zeg ik! Neen! Met hand en tand

Zal ik mij verzetten. Alles liever dan dat!

DE KNOOPENGIETER.

Maar wàt dan anders? Wees toch verstandig,

Je bent toch niet luchtig genoeg voor den hemel...

PEER GYNT.

'k Ben bescheiden; mijn streven gaat niet zoo hoog;

Maar van mij zelf geef ik niets af.

Laat mij straffen op de oude manier, volgens recht!

Zet mij een tijdlang bij hem-met-de-hoef,...

Een honderd jaren, als 't niet minder kan;

Kijk, dat is iets wat iemand kan dragen;

Want de pijn is toch enkel maar moreel

En dus ook wel niet zoo pyramidaal.

Het is een overgang, zooals er staat,

En zooals de vos zei:... men wacht dan; eens slaat

Het uur der verlossing; men trekt zich terug,

En hoopt maar intusschen op betere dagen...

Maar dat andere,... óp te moeten gaan

In een vreemd, onverschillig lichaam, als damp,...

Die gietlepel-manier, dat oplossen van Gynt,...

Dat brengt in oproer mijne heele ziel!

DE KNOOPENGIETER.

Maar, waarde Peer, hoe kom je er bij

Zoo'n drukte te maken voor een kleinigheid.

Je bent nooit vroeger je zelf geweest;...

Wat hindert 't dan nu of je heelemaal sterft?

PEER GYNT.

Ben ik nooit geweest...? Nu moet ik toch lachen!

Peer Gynt is wat anders geweest dus? Och kom!

Neen, Knoopengieter, je praat in den blinde.

Kon je doorzoeken mijn hart en mijn nieren,

Dan vondt je daar Peer, en nog eens Peer.

En stellig niets anders en ook niet veel meer.

DE KNOOPENGIETER.

Dat kan toch niet waar zijn. Hier heb ik mijn order.

Kijk, hier staat duidlijk: Peer Gynt moet je halen.

Hij heeft zijn levensbestemming gemist.

In den gietlepel met hem, als mislukte waar.

PEER GYNT.

Malligheid! Er is zeker een ander bedoeld.

Staat er werkelijk Peer? Is 't niet Rasmus of Jon?

DE KNOOPENGIETER.

Die heb ik al lang geleden gesmolten.

Kom dus nu goedschiks en verspil geen tijd meer!

PEER GYNT.

Waarachtig niet! Ja, dat ware wat moois

Als het morgen dan bleek dat een ander bedoeld was.

Jij bent verantwoordelijk, mijn goede man!

Pas dus maar op, voor wat volgen kan...

DE KNOOPENGIETER.

Ik heb 't hier op schrift toch...

PEER GYNT.

Maar gun mij toch tijd!

DE KNOOPENGIETER.

Wat wil je dan doen?

PEER GYNT.

Bewijzen wil ik,

Dat ik was mijzelf mijn heele leven;

En dat is toch de kwestie waarover wij keven.

DE KNOOPENGIETER.

Bewijzen? Hoe?

PEER GYNT.

Met getuigen en attesten.

DE KNOOPENGIETER.

Ik vrees dat mijn meester die niet zal erkennen.

PEER GYNT.

Onmooglijk! Maar dat is van later zorg!

Goede vriend, laat mij stellen mijzelf als borg;

Ik kom gauw weer terug. Men komt ééns maar ter wereld,

En men houdt aan zichzelf, als schepsel, vast.

Zeg zijn wij 't nu ééns, hè?

DE KNOOPENGIETER.

Nou, 't zij zoo, dan.

Maar onthoû, 'k vind je weer op den volgenden kruisweg!

(Peer Gynt loopt hard weg).

Verder weg in het bosch.

PEER GYNT (in volle vaart).

Tijd is geld, als geschreven staat.

Als je nu maar wist waar een kruisweg komt...

Misschien is 't nog ver, misschien al vlak bij,

De grond brandt mij hier als gloeiend metaal.

'n Getuige! 'n Getuige! Waar vind ik er een?

Het is haast ondenkbaar hier in het bosch.

De wereld is knoeiwerk. De inrichting slecht,

Als iemand moet bewijzen zijn zonneklaar recht.

(Een kromgebogen, oude man, met een stok in de hand en een zak op

zijn rug, sukkelt voor hem uit).

DE OUDE (blijft staan).

Ach, goede heer; een aalmoes voor een dakloos man!

PEER GYNT.

't Spijt me; ik heb geen klein geld bij de hand...

DE OUDE.

Prins Peer! Neen maar! Dat is een ontmoeting...

PEER GYNT.

Wie ben je?

DE OUDE.

Kent hij den oude van Ronden niet meer?

PEER GYNT.

Maar je bent toch niet...?

DE OUDE.

De Kabouterkoning, ja!

PEER GYNT.

De Kabouterkoning? Meen je 't? De Kabouterkoning, zeg?

DE OUDE.

Och ja, ik ben er maar heel slecht aan toe...!

PEER GYNT.

Geruïneerd?

DE OUDE.

Uitgekleed tot op het hemd.

Nu loop ik te bedelen met een honger als 'n wolf.

PEER GYNT.

Hoera! Zoo'n getuige groeit niet aan de boomen!

DE OUDE.

Meneer de prins is ook grijs geworden, sinds ik hem zag.

PEER GYNT.

Waarde schoonpapa, de jaren knagen en slijten.

Nou; wij halen 'n streep door private affaires,...

En, bovenal geen familietwist.

Ik was een dolleman...

DE OUDE.

Och ja, och ja;...

Maar wijs was de prins dat hij de bruid niet wou;

Daardoor heeft hij zich verdriet en schande bespaard!

Want sedert heeft zij zóó er op los geleefd...

PEER GYNT.

Och kom!

DE OUDE.

Zij ging geheel haar eigen gang;

En nu,... denk eens aan, woont zij samen met Trond.

PEER GYNT.

Welken Trond?

DE OUDE.

Van de Valbergen.

PEER GYNT.

Hem? Wel, wel;

Hij was 't wien ik eens drie meiden ontstal.

DE OUDE.

Mijn kleinzoon is groot, en dik en vet geworden,

En heeft knappe kindren over 't heele land...

PEER GYNT.

Ja, goede man, spaar mij je verhalen;...

Er ligt mij iets heel anders nu op 't hart...

Ik ben in een moeilijk parket geraakt, naamlijk...

En verlang een getuignis of een attest;...

Daarmee kan nu schoonpapa mij helpen 't best...

'k Heb daar natuurlijk wel wat voor over...

DE OUDE.

Zoo zoo? Kan ik meneer den prins van dienst zijn?

Misschien krijg ik dan ook een getuigschrift in ruil?

PEER GYNT.

Met plezier. 'k Zit een beetje slecht in m'n contanten,

En moet zuinig zijn, en sparen aan alle kanten.

Maar hoor nu wat de zaak is. Je weet nog wel

Toen ik om je dochter kwam, op Ronden, dien dag...

DE OUDE.

Dat zal waar zijn, prins!

PEER GYNT.

Laat dat prins nu maar weg!

Genoeg. Jullie wilden met alle geweld toen

Mij 't gezicht benemen door een snee in de lens,

En van Peer Gynt een kabouter maken.

Wat deed ik toen? Ik bleef mij verzetten,...

Zwoer dat ik mijn eigen zin wou volgen;

Ik deed afstand van liefde en eer en macht,

Enkel en alleen om mijzelf te zijn.

Dit feit, zie je, moet je voor de rechtbank bezweren...

DE OUDE.

Dat kan ik niet!

PEER GYNT.

Wat beteekent dat nu?

DE OUDE.

Je wilt mij toch niet tot een leugen dwingen?

Je weet toch wel dat je onze broek aantrok,

En dronk van de mede...?

PEER GYNT.

Ja, je lokte verleidend,...

Maar tegen 't beslissende bleef 'k mij verzetten.

En het is juist dááraan dat men zijn man kent.

De slotwoorden zijn het waar het op aan komt.

DE OUDE.

Maar aan het slotwoord hieldt je juist vast.

PEER GYNT.

Wat moet dat nu weer?

DE OUDE.

Toen je Ronden verliet,

Schreef jij je achter 't oor mijn levensleuze.

PEER GYNT.

Welke?

DE OUDE.

Het woord... 't afsnijdende, sterke...

PEER GYNT.

Het woord?

DE OUDE.

Dat ons scheidt van het menschenvolk,

En zegt: kabouter, wees u zelf genoeg!

PEER GYNT (wijkt achteruit).

Genoeg!

DE OUDE.

En je hebt je heele leven

Sedert altijd daarnaar gehandeld.

PEER GYNT.

Ik! Peer Gynt?

DE OUDE (huilt).

Dat 's toch ondankbaar!

Je leefde als 'n kabouter maar hieldt het verborgen.

't Woord, dat ik je leerde, stelde je in staat

Om vooruit te komen als 'n welgesteld man!...

En nu kom je hier en wilt niets meer weten

Van mij en van 't woord, waaraan je 't hebt te danken.

PEER GYNT.

Genoeg! 'n Kabouter! Een egoïst!

Dat is toch alles onzin; 't is zeker een streek!

DE OUDE (haalt een pak oude couranten te voorschijn).

Je weet zeker niet dat wij ook een krant hebben?

Wacht; dan zal je eens zien hier, rood op zwart,

Hoe de "Bloksberg-post" je prijst en verheerlijkt;

En dat zelfde deed ook de "Heklaberg-courant",

Al sinds den winter toen je vertrok...

Wil je ze lezen, Peer? Doe 't dan gerust;

Hier staat iets onderteekend met: "Paardehoef",

En hier: "Van 't kabouterachtig-nationale".

De schrijver discht hier de waarheid op

Dat het weinig aankomt op staart en horens,

Als je er verder van binnen maar op gelijkt.

"Ons genoeg", zegt hij, "drukt kabouters" stempel

"Op den man",... en dan noemt hij jou als exempel.

PEER GYNT.

'n Kabouter? Ik!

DE OUDE.

Ja, 't lijkt er wel naar.

PEER GYNT.

Kon dus net zoo goed gebleven zijn, waar ik was?

Kon in Ronden blijven zitten op mijn doode gemak?

Sparen zorg en moeite en schoenen menig paar?

'n Kabouter... Peer Gynt!... Dat is onzin! Dat 's klets!

Vaarwel! Daar heb je een fooitje voor tabak.

DE OUDE.

Maar, lieve prins Peer!

PEER GYNT.

Kom, je bent gek,

Of misschien kindsch. Zoek een hospitaal op.

DE OUDE.

Och, dat is het nu juist wat ik zoek.

Maar mijn kindskindren, zooals ik al zei,

Hebben verbazend veel invloed in 't land;

En zij zeggen, dat 'k enkel besta in boeken.

Men zegt wel eens, van je familie moet je het hebben...

Ik stakkerd, voel wat een waar woord dat is.

't Is hard om voor leugen en nonsens te gelden...

PEER GYNT.

Goede man, dat ongeluk overkomt velen.

DE OUDE.

En wij zelf hebben geen armenkas,

Geen spaarpot, hulpkas of bedeeling;...

In Ronden zou zoo iets toch ook niet gaan.

PEER GYNT.

Neen, dáár gold dat helsche: wees je zelf genoeg!

DE OUDE.

O, de prins mag zich over dat woord niet beklagen.

En als hij, op eene of andere wijs...

PEER GYNT.

Manlief, je bent heelemaal op een dwaalspoor.

Ik ben zelf, als men zegt, zoo kaal als een kerkrot...

DE OUDE.

Dat kan toch niet waar zijn? Is de prins ook arm?

PEER GYNT.

Straatarm. Mijn prinselijk ik is verpand.

En dat 's jullie schuld, vervloekte kabouters!

Zoo ziet men wat 't gevolg is van slecht gezelschap.

DE OUDE.

Dan is dus de kans voor mij ook weer verkeken!

Vaarwel! 'k Zal mijn best doen de stad te bereiken.

PEER GYNT.

Wat wil je daar?

DE OUDE.

Gaan naar de comedie.

Zij vragen in de krant nationale sujetten...

PEER GYNT.

Nu, goede reis dan; en groet hen van mij.

Als 'k los komen kan, ga ik ook maar dien weg.

Dan schrijf ik een farce, dwaas en diepzinnig,

Die heeten zal: "Sic transit gloria mundi."

(Loopt hard weg. De Oude roept hem nog na).

Aan een kruisweg.

PEER GYNT.

Nu komt het er op aan, Peer, meer nog dan ooit!

Dat kaboutersche woord heeft het oordeel geveld.

't Schuitje is wrak, je moet drijven op planken.

Alles liever dan in den hoop oude lorren!

DE KNOOPENGIETER (op het kruispunt).

Nu dan, Peer Gynt, waar is nu je attest?

PEER GYNT.

Is 't hier weer een kruisweg? Dat is vlug, hoor!

DE KNOOPENGIETER.

Ik lees op je gezicht net als in een boek,

Wat 't papier vertelt, nog vóór ik het zie.

PEER GYNT.

Dat rennen verveelt mij;... je loopt telkens mis...

DE KNOOPENGIETER.

Ja, en dan nóg, wat helpt het je?

PEER GYNT.

Natuurlijk; zoo 's nachts in het dichte bosch...

DE KNOOPENGIETER.

Ginds loopt een oude man. Wil je dat 'k hem hier roep?

PEER GYNT.

Neen, laat hem maar gaan. Hij is toch dronken!

DE KNOOPENGIETER.

Maar misschien zou hij...

PEER GYNT.

Stil; neen... laat hem loopen!

DE KNOOPENGIETER.

Nou... zijn wij dan klaar?

PEER GYNT.

Eén vraag nog maar!

Wat is dat: "zichzelf te zijn" welbeschouwd toch?

DE KNOOPENGIETER.

Een zonderling vragen, vooral in den mond van

Een man, die nog pas...

PEER GYNT.

Geef kort en goed antwoord!

DE KNOOPENGIETER.

Zichzelf te zijn, is: zichzelf te dooden.

Maar voor jou is die uitleg bepaald niet genoeg?

Laat ons zeggen daarom: overal te verschijnen

Met mijn Meesters bedoeling als uithangbord.

PEER GYNT.

Maar als iemand nu nooit te weten kwam

Wat Meester vóór had met hem?

DE KNOOPENGIETER.

Dat moet hij voelen.

PEER GYNT.

Maar hoe dikwijls misleiden gevoelens ons,...

En dan gaat men ad undas zoo ongemerkt.

DE KNOOPENGIETER.

Zeer waar, Peer Gynt; 't gebrek aan juist voelen

Doet hem-met-de-hoef, de beste vangst doen.

PEER GYNT.

Dit is een beroerd verwarde historie,...

Hoor eens, 'k doe afstand van mijzelf-te-wezen;...

Het kon mooglijk lastig zijn het te bewijzen.

Dat gedeelte van de zaak houd ik voor verloren.

Maar onlangs, toen 'k hier eenzaam dwaalde door 't pijnbosch,

Voelde ik mijn geweten toch ernstig knagen;

Ik zei tegen mijzelf: je bent toch een zondaar.

DE KNOOPENGIETER.

Nu schijn je van nieuw af weer te beginnen...

PEER GYNT.

Wel neen, volstrekt niet; een groot zondaar, meen ik;

Niet in daden alleen, ook in woorden en willen.

In 't buitenland heb ik schandalig geleefd...

DE KNOOPENGIETER.

Kan wel zijn; maar 'k zou 't geregistreerd moeten zien.

PEER GYNT.

Ja, gun mij maar tijd, dan zoek ik een priester,

En biecht hals over kop, en breng je zijn attest dan.

DE KNOOPENGIETER.

Ja, als je dat brengt dan is het in orde,

En blijf je gespaard voor de gietlepel-kwestie.

Maar mijn order, Peer...

PEER GYNT.

Dat papier is oud;

Dat moet van een vroeger tijdperk dateeren;...

Toen leefde ik een tijd, zoo misselijk en week

En speelde profeet en geloofde aan 't Fatum.

Dus, mag ik 't beproeven?

DE KNOOPENGIETER.

Ja, maar...!

PEER GYNT.

Och kom,...

Je hebt toch zeker zooveel niet te doen,

Hier in 't district is de lucht zoo gezond;...

De menschen hier leven zooveel langer daardoor.

Bedenk wat de priester van Justedal schreef:

"'t Komt zelden voor dat iemand sterft hier in 't dal."

DE KNOOPENGIETER.

Tot den volgenden kruisweg... maar dan niet langer.

PEER GYNT.

Een priester, al moest 'k er een grijpen met tangen!

(draaft weg).

Heideheuvel. De weg gaat slingerend opwaarts.

PEER GYNT.

Die kan mij nog dienen tot velerlei,

Zei Esben, en raapte een eksterwiek op.

Wie kon nu denken dat zijn zondenschuld

Hem den laatsten avond nog vrij maken zou?

Nou, eigenlijk blijft 't zaakje al even leelijk,

Want 't brengt me uit de asch in het vuur toch ten slotte;...

Maar er is ook een troostwoord, oud en beproefd,...

Dat zegt: zoo lang er leven is, is er nog hoop.

(Een magere persoon, in een hoog opgenomen priesterkleed en met een

vogelvangersnet over den schouder, loopt snel den heuvel op).

PEER GYNT.

Wie daar? Een priester met 'n vogelnet?

Peer, je bent toch de lieveling van 't geluk!

Goeden avond, eerwaarde! Het pad is steil...

DE MAGERE.

Dat is 't; maar wat doet men al niet voor een ziel?

PEER GYNT.

Aha; is er een die gaat hemelen?

DE MAGERE.

Neen;

Ik hoop dat hij is op een and'ren weg.

PEER GYNT.

Eerwaarde, mag 'k met u meegaan een eindje?

DE MAGERE.

Heel graag. Gezelschap is mij altijd welkom.

PEER GYNT.

Ik heb iets op mijn hart, en...

DE MAGERE.

Heraus! Vooruit!

PEER GYNT.

U ziet hier vóór u 'n fatsoenlijk man.

Ik heb nooit gezondigd tegen de wet;

Heb nooit gezeten achter grendel en slot.

Doch, somtijds verliest men vasten voet

En struikelt...

DE MAGERE.

Dat gebeurt ook den beste... ach ja!

PEER GYNT.

De kleine zonden...

DE MAGERE.

Kleine enkel?

PEER GYNT.

Ja;

Van zonden "en gros" hield ik altijd mij vrij.

DE MAGERE.

Ja, goede vriend, laat mij dan met rust;...

Ik ben niet de man voor wien u mij houdt...

U kijkt naar mijn vinger? Wat vindt u daaraan?

PEER GYNT.

Een merkwaardig ontwikkeld nagelsysteem.

DE MAGERE.

En nu weer? U kijkt zoo naar mijn voet?

PEER GYNT (wijzend).

Is die hoef ook een echte?

DE MAGERE.

Ja, daar vlei ik mij mee.

PEER GYNT (neemt zijn hoed af).

'k Had een eed willen doen dat u priester was;

En dus heb ik de eer... Wel, beter is best;

Staat de zaaldeur open... mijd dan de keuken;

Kan je terecht bij den koning... laat den lakei staan!

DE MAGERE.

Uw hand! U schijnt mij zonder vooroordeel.

Nu, vriendlief, waar kan ik u mee van dienst zijn?

Maar u moet mij niet vragen om macht of geldswaarde,

Dat kan 'k u niet verschaffen, al wou u mij ook hangen.

U kan niet begrijpen welk een slapte er is in zaken.

Er is zoo'n geweldige achteruitgang in den omzet;

Niets geen aanvoer van zielen; maar zoo nu en dan

Een enkle...

PEER GYNT.

Heeft 't menschdom zich zoo merkbaar verbeterd dan?

DE MAGERE.

Integendeel, het is juist schandelijk achteruit gegaan:

De meesten komen in 'n gietlepel terecht.

PEER GYNT.

Ja, ja,... van dien lepel heb 'k ook wat gehoord;

't Was eigenlijk naar aanleiding dáárvan dat 'k kwam.

DE MAGERE.

Spreek vrij uit!

PEER GYNT.

Als 't niet onbescheiden is,

Dan zou ik wel wenschen...

DE MAGERE.

Een toevluchtsoord? Wat?

PEER GYNT.

U raadt mijn verzoek al, nog vóór ik het uit.

't Bedrijf gaat, zoo zegt u, niet bijster goed;

Misschien neemt u het daarom niet al te nauwkeurig...

DE MAGERE.

Maar, vriendlief...

PEER GYNT.

Mijn eischen zijn niet buitensporig.

Eenig loon is eigenlijk volstrekt niet noodzakelijk;

Enkel vriendlijke omgang, naar omstandigheid en plaats.

DE MAGERE.

Warme kamer?

PEER GYNT.

Niet ál te warm;... en liefst

Verlof om weer heen te gaan, vrank en vrij,...

't Recht, zooals men 't noemt, om terug te treden,

Als zich gelegenheid opdoet om 't beter te krijgen.

DE MAGERE.

Mijn goede vriend, dat zal moeilijk gaan;

U zou niet gelooven, wat een massa verzoeken

Van dergelijken inhoud, de menschen mij sturen,

Als zij van hun aardsche werk weg moeten.

PEER GYNT.

Maar als ik mijn vroeger leven herdenk nu,

Dan komt mij het toegangsrecht, meen ik, wel toe...

DE MAGERE.

't Was maar klein werk toch...

PEER GYNT.

Wat men zoo noemt;...

Doch, het viel mij nu in, ik dreef handel in negers...

DE MAGERE.

Zij dreven wel handel in zinnen en willen,

Maar zij deden het dom, en kwamen ook niet binnen.

PEER GYNT.

Ik verzond ook veel Brahma-figuren naar China.

DE MAGERE.

Wat een bombast en bluf! Dat 's voor ons om te lachen!

Er zijn er die erger figuren uitzenden

In preeken, in kunsten en litteratuur...

Toch moeten zij buiten staan...

PEER GYNT.

Maar nog meer...

U moet weten,... ik heb voor profeet gespeeld.

DE MAGERE.

In 't buitenland? Humbug! De meeste kijkers

"Ins Blaue" komen terecht in den lepel.

Heeft u anders niet om u op te beroepen

Dan kan 'k, tot mijn spijt, u geen onderdak geven.

PEER GYNT.

Jawel, luister...: 'k leed schipbreuk... zat op een wrak...

En wie verdrinkt grijpt naar een stroohalm,...

En er staat geschreven: zichzelf is men het naast,...

En zoo verloor, half door mij, een kok het leven.

DE MAGERE.

'k Had liever gehoord dat een keukenmeid

Tegelijk iets anders verloor, half door u.

Wat zijn dat nu toch voor praatjes van "half"?...

Met alle respect... Wie, denkt u, heeft lust om

Het kostbare vuur te stoken, in tijden

Als deze, voor zulk karakterloos volk?

Word niet boos; uw zonden zijn boevenstreken;

Excuseer dat ik ronduit maar zeg mijn opinie...

Neen, beste vriend, zie daarvan af;

En maak u vertrouwd met de lepelgedachte.

Wat wint u er bij, of 'k u kost geef en woning?

Denk na toch; u is een verstandig man.

Ja, herinring behoudt u; dat is wel waar;...

Maar 't uitzicht over 't áchter-u-liggende land

Werd, voor uw hart en voor uw verstand,

Een uitkijk over een dorre vlakte.

Niets heeft u om over te huilen, te lachen,

Niets om over te juichen of wanhoop te voelen;

Enkel dingen waarover u ergernis voelt.

PEER GYNT.

Geschreven staat: dat men niet oordeelen kan

Waar de schoen wringt, heeft men dien zelf niet aan.

DE MAGERE.

Dat is waar; ik heb... die-en-die zij geloofd,--

Enkel behoefte aan een ònpare laars.

Maar 't was 'n geluk dat ik sprak van laarzen;

Het herinnert mij dat ik verder moet...

Ik moet uit op gebraad, naar ik hoop dik en vet;

En ik sta mijn tijd hier maar te verpraten...

PEER GYNT.

En mag ik ook vragen, welk zondenvoeder

Dien kerel gemest heeft?

DE MAGERE.

Zoover ik weet,

Was hij altijd zichzelf, bij nacht en bij dag;

En dat is toch ten slotte de hoofdzaak maar.

PEER GYNT.

Zichzelf? Komt dan dát soort bij u in huis?

DE MAGERE.

Zoo als 't uitkomt; de deur staat althans op een kier.

Bedenk, men kan zijn op tweeërlei wijs

Zichzelf: zijn de rechterkant of de verkeerde.

U weet, men heeft pas te Parijs uitgevonden

Om portretten te maken met hulp van de zon.

Men kan geven daarop directe beelden,

Of negatieve, die evenveel waard zijn,...

Alleen dat daar licht en schaduw verkeerd zijn,...

En voor leeken-oogen dus leelijk lijken;

Maar gelijkenis ligt er toch ook in deze,

En het is maar de zaak die te voorschijn te halen.

Heeft nu een ziel in haar levenswandel

Zich negatief gefotografeerd,

Wordt daarom de plaat nog niet gebroken,...

Men stuurt die dood-eenvoudig aan mij.

Ik neem die dan onder verdre behandling,

En passende midd'len bewerken verandring.

Wij stoomen, wij baden, wij branden, wij poetsen,

Met zwavel en meer zulke ingrediënten,

Tot het beeld verschijnt dat de plaat moest geven,...

Dat naamlijk, wat men noemt 't positieve.

Maar heeft men, als u, zich half uitgewischt,...

Dan helpen geen zwavel of kaliloog meer.

PEER GYNT.

Dus wie bij u komt, zwart als een raaf, vertrekt

Als een witte patrijs? Mag 'k vragen welke naam

Er staat onder 't negatieve portret,

Dat u nu tot een positief maken moet?

DE MAGERE.

Er staat Peter Gynt.

PEER GYNT.

Peter Gynt? Och kom!

En is Gynt zichzelf?

DE MAGERE.

Dat bezweert hij, ja.

PEER GYNT.

Nu, geloofwaardig is hij, die meneer Peer.

DE MAGERE.

Kent u hem wellicht?

PEER GYNT.

Och ja, wel zoo wat;...

Men kent zooveel menschen.

DE MAGERE.

Ik heb weinig tijd...

Waar zag u hem 't laatst?

PEER GYNT.

Dat was aan de Kaap.

DE MAGERE.

Di buona speranza!

PEER GYNT.

Ja, maar hij vertrok weer

Met 't eerstvolgende schip, als 'k goed mij herinner.

DE MAGERE.

Dan moet ik er heen, op staanden voet.

Als 'k hem nu nog maar bijtijds kan vangen!

Dat Kaapland... daaraan had ik altijd het land;

Daar zijn van die kwade zendelingen van Stavanger.

(zuidwaarts af).

PEER GYNT.

Zoo'n stommerik! Daar gaat hij aan den haal

Als een hijgende hond, met de tong uit den bek!

't Was mij een wellust hem te bedotten.

Zoo'n kerel verbeeldt zich wat en speelt den baas nog!

't Is wel de moeite waard om zich dik te maken.

Zijn ambacht zal hem niet den mond open houden;

Straks valt hij van de graat nog met al zijn drukte...

Hm, ik zit ook niet zoo heel vast in het zadel;

Ik ben uitgestooten, kan 'k zeggen, van den eigen-zelf adel.

(een vallende ster licht; hij knikt haar toe).

Groet van Peer Gynt, broer meteoor!

Lichten, dooven en vergaan in een zucht...

Dramatische Werken: De comedie der liefde; Brand; Peer Gynt · 第 23 / 24 段