(Huivert als in angst, en loopt dieper de nevels in; na een poos

zwijgen schreeuwt hij het uit:)

Is er niemand, niemand in 't heele woelen...

Niemand in den afgrond, niemand in den hemel...!

(Komt een eind lager weer te voorschijn, gooit zijn hoed op den

grond en grijpt zich met de handen in 't haar. Zachtjes aan wordt

hij kalmer).

Zoo onzegbaar arm kan een menschenziel

Terugvallen in grauwe neev'len van 't Niet.

O, heerlijke aarde, wees niet verstoord,

Dat ik trad op uw gras, zonder nut te doen.

O, heerlijke zon, die uw stralen zondt

In een leege hut, waar geen mensen ze begroette.

Er zat niemand binnen om te warmen, te koestren,...

De eigenaar, zei men, was altijd van huis.

Heerlijke zon, en heerlijke aarde,

Waarom deedt gij mijn moeder ontstaan in uw licht?

Geest is maar schaarsch, de natuur is verkwistend,

Het is hard zijn geboorte te boeten met 't leven...

Naar boven wil ik, naar de heel hooge toppen;

Nog éénmaal wil ik zien opgaan de zon,

Moe staren mij op het beloofde land,

Zien in een sneeuwval mijn rustbed te vinden;

Daar kan men dan schrijven: "hier ligt niemand begraven".

En dan,... daarna...! moet 't maar gaan zooals 't kan.

(Kerkgangers zingen op den boschweg).

Gezegende morgen,

Toen vurige tongen

Uit 't Godsrijk neerdaalden op aard'!

Van de aarde nu stijgen

Der kindskindren zangen,

Tot lof van den Heiligen Geest!

PEER GYNT (krimpt verschrikt ineen).

Niet daarheen zien! Daar is nacht en verderf...

Ik ben bang dat ik dood was lang vóór ik stierf!

(Wil door het kreupelhout wegsluipen, maar stuit op een kruisweg).

DE KNOOPENGIETER.

Goêmorgen, Peer Gynt, waar is 't zondenregister?

PEER GYNT.

Zou je niet denken dat ik aanriep en floot

Wat in mijn bereik viel?

DE KNOOPENGIETER.

En je vondt niemand?

PEER GYNT.

Niemand,... dan een reizenden fotograaf.

DE KNOOPENGIETER.

Ja, 't verlof is nu uit.

PEER GYNT.

Alles is uit.

De uil speurt een prooi. Hoor je hem huilen?

DE KNOOPENGIETER.

Ik hoor enkel maar klokken...

PEER GYNT (wijzend).

Wat is daar dat schijnsel?

DE KNOOPENGIETER.

Dat 's maar licht in een hut.

PEER GYNT.

Wat is dat voor geluid...?

DE KNOOPENGIETER.

Dat 's maar een zingende vrouw.

PEER GYNT.

Ja daar,... dáár vind ik

Mijn zondenregister...

DE KNOOPENGIETER (pakt hem beet).

Beschik je huis!

(Zij zijn uit het hout gekomen en staan bij de hut. De dag breekt aan).

PEER GYNT.

Mijn huis beschikken? Dáár is het! Weg!

Ga heen! Was de lepel zoo groot als een kist...

Voor mij en mijn zondenlijst ware er geen ruimte.

DE KNOOPENGIETER.

Tot den derden kruisweg, Peer; maar dán...!

(hij buigt op zij af en verdwijnt).

PEER GYNT (dichter bij het huis).

Heen en terug, het is even lang.

Er uit of er in, 't is een zelfde gang. (blijft stilstaan).

Neen!... Als een wilde, oneindige klacht

Is 't naar huis te gaan, binnen, en weer terug.

(gaat enkele stappen verder, maar blijft weer staan).

Buitenom, zei Böjgen!

(hoort zingen in de hut).

Neen, dezen keer

Dwars er doorheen, hoe moeilijk het ook zij!

(Hij loopt hard naar het huis toe; op hetzelfde oogenblik komt

Solvejg de deur uit, gekleed voor de kerk en met het gezangboek

in haar zakdoek gewikkeld; een stok in de hand. Zij staat rechtop,

hoog en zachtzinnig).

PEER GYNT (laat zich op den drempel neervallen).

Wil je een zondaar verdoemen, spreek het dan uit!

SOLVEJG.

Daar is hij! Daar is hij! God zij geloofd!

(zoekt tastend naar hem).

PEER GYNT.

Klaag 't uit hoe zwaar ik gezondigd heb!

SOLVEJG.

Mijn eenige jongen! Je zondigde niet!

(tast weer en vindt hem).

DE KNOOPENGIETER (achter het huis).

't Register, Peer Gynt?

PEER GYNT.

Schreeuw uit mijn misdaad!

SOLVEJG (gaat bij hem neerzitten).

Door jou werd mijn leven een mooi gezang.

Wees gezegend dat je weer bij mij kwam!

Gezegend het Pinksterfeest, waarop we elkaar weerzien.

PEER GYNT.

Dan ben 'k verloren!

SOLVEJG.

Eén is er die raad weet.

PEER GYNT (lacht).

Verloren! Tenzij je kunt raadsels oplossen!

SOLVEJG.

Noem ze.

PEER GYNT.

Noem ze! Wel ja! Komaan!

Kan je zeggen waar Peer Gynt is geweest al dien tijd?

SOLVEJG.

Geweest?

PEER GYNT.

In zijn borst 't bestemmingsmerk dragend!

Geweest... zoo als God hem gewild en gedacht had!

Kan jij dat zeggen? Zoo niet, dan moet ik weg...

En ondergaan in de nevellanden.

SOLVEJG (glimlacht).

O, dat 's licht te raden.

PEER GYNT.

Zeg dan wat je weet!

Waar was ik, als mij zelf, als de heele, de ware?

Waar was ik, met Gods stempel gemerkt in mijn wezen?

SOLVEJG.

In mijn geloof, in mijn hoop en in mijn liefde.

PEER GYNT (schrikt terug).

Wat zeg je...! Stil! Die woorden zijn waan!

Van den jongen in mij, was moeder jij zelf!

SOLVEJG.

Dat ben ik, ja, maar wie is zijn vader?

Dat is hij, die vergeeft om moeders gebeden.

PEER GYNT (een lichtglans glijdt over hem heen; hij roept uit):

Moeder! Vrouw! Reine, onschuldige maagd!...

O, berg mij, berg mij in je ziel!

(Hij klampt zich aan haar vast en verbergt zijn gezicht in haar

schoot. Lang zwijgen. De zon komt op).

SOLVEJG (zachtjes zingend).

Slaap nu, liefste jongen mijn!

Ik zal je wiegen, ik zal waken...

Mijn jongen zat op zijn moeders schoot.

Zij speelden samen hun leven lang.

Mijn jongen sliep aan zijn moeders borst

Zijn leven lang. God zegen je, mijn vreugd!

Mijn jongen lag zoo dicht bij mijn hart

Zijn levenlang. Nu is hij zoo moe.

Slaap nu liefste jongen mijn!

Ik zal je wiegen, ik zal waken!

DE STEM VAN DEN KNOOPENGIETER (achter het huis).

Wij zien elkaar weer op den laatsten kruisweg;

En dan zullen wij zien, of...; ik zeg niets meer.

SOLVEJG (zingt luider in het licht van den dag).

Ik zal je wiegen, ik zal waken;...

Slaap en droom nu, liefste mijn!

EINDE VAN HET VIJFDE EN LAATSTE BEDRIJF.

AANTEEKENINGEN

[1] een boerendans.

[2] "den store Böjgen" = letterlijk: "het groote Buigen". Bedoeld

wordt alle halfheid, alles wat niet flink durft, maar langs omwegen

gaat en buigt en uitvluchten zoekt. Hier een onzichtbaar, ontastbaar,

ongrijpbaar symbolisch spooksel dat Peer Gynt aan alle kanten omsluit

en belemmert. (Vert.

Dramatische Werken: De comedie der liefde; Brand; Peer Gynt · 第 24 / 24 段