Om u wordt door geen mensch getreurd...
(schreeuwt en laat los).
'k Verdrink...!
PEER GYNT (grijpt hem vast).
Ik hou je bij je kraag;
Bid gauw je Onze-Vader nog!
DE KOK.
Ik weet niet meer...; 't wordt alles zwart...!
PEER GYNT.
't Voornaamste dan maar... haast je wat...
DE KOK.
Geef ons van daag!
PEER GYNT.
Sla over dat;
Je krijgt wel wat je noodig hebt.
DE KOK.
Geef ons van daag...
PEER GYNT.
Dezelfde deun!
't Is merkbaar... altijd was je kok... (laat hem glippen).
DE KOK (zinkend).
Geef ons van daag ons... (zinkt weg).
PEER GYNT.
Amen, man!
Je was en bleef tot 't eind je zelf...
(werkt zich boven op de kiel).
Waar leven is, daar is nog hoop...
DE VREEMDE PASSAGIER (slaat de hand aan de boot).
Goêmorgen!
PEER GYNT.
Hoei!
DE VREEMDE PASSAGIER.
Ik hoorde uw roep!
't Doet mij plezier dat 'k u toch vond.
Wel? Ziet u dat 'k voorspellen kan?
PEER GYNT.
Los! Los! 'k Heb nauwlijks plaats alleen!
DE VREEMDE PASSAGIER.
Ik zwem wel met mijn linkerbeen.
Ik drijf, al houd ik maar den top van
Mijn vinger hier, in deze gleuf vast.
Maar à propos van 't lijk...
PEER GYNT.
Wees stil!
DE VREEMDE PASSAGIER.
Als 't nu dan toch ten einde loopt...
PEER GYNT.
Mond houden!
DE VREEMDE PASSAGIER.
Net zooals u wil! (stilte).
PEER GYNT.
Nou... èn...?
DE VREEMDE PASSAGIER.
Ik zwijg.
PEER GYNT.
Wat Satanswerk!...
Wat wil je?
DE VREEMDE PASSAGIER.
Wachten.
PEER GYNT (grijpt zich in 't haar).
Ik word gek!...
Wat ben je?
DE VREEMDE PASSAGIER (knikt).
Vriendlijk!
PEER GYNT.
Wat nog meer?
DE VREEMDE PASSAGIER.
Wat denkt u? Weet u iemand anders
Die op mij lijkt?
PEER GYNT.
Den duivel weet ik...!
DE VREEMDE PASSAGIER (zachtjes).
Brengt hij gewoonlijk dan nog licht aan
Op 's levens weg door angst en donker?
PEER GYNT.
Wel ja! Als 't er op aankomt is
U mooglijk wel een lichtgezant?
DE VREEMDE PASSAGIER.
Vriend,... heeft u elk halfjaar maar éénmaal
Den diepen ernst van angst gevoeld?
PEER GYNT.
Bang wordt men als gevaren dreigen;...
Maar opgeschroefd vind ik uw woorden...
DE VREEMDE PASSAGIER.
Viel u te beurt één keer in 't leven
De zege, in den angst gegeven?
PEER GYNT (kijkt hem aan).
Komt u mij met een uitweg aan?
Dat had u eerder moeten doen.
Het lijkt naar niets uw tijd te kiezen
Als ik op 't punt ben te verdrinken.
DE VREEMDE PASSAGIER.
U steunt meer op een overwinning,
Gezellig bij uw haardvuur zittend?
PEER GYNT.
Mij wel... maar hou die gekheid voor u.
Denkt u dat die opwekkend zijn kan?
DE VREEMDE PASSAGIER.
Waar ik van daan kom, geldt een lach
Net zooveel als verheven taal.
PEER GYNT.
Een ieder 't zijn', wat past voor mindren,
Mag 'n bisschop zich niet permitteeren.
DE VREEMDE PASSAGIER.
En zij, wier asch rust in de urnen
Gaan ook niet altijd op kothurnen.
PEER GYNT.
Ga weg, jij spooksel! Weg die hand!
Ik wil niet sterven! Wil aan land!
DE VREEMDE PASSAGIER.
Wees maar gerust! Zoo midden in
De vijfde akte sterft men niet.
(glijdt weg).
PEER GYNT.
Daar kwam 't er uit ten slotte nog!...
't Was een zwaarwichtig moralist.
Kerkhof in een hoog gelegen berggehucht. Een begrafenisstoet. De
priester en het volk. Het laatste psalmvers wordt gezongen. Peer Gynt
gaat er langs over den weg.
PEER GYNT (bij het hek).
Daar gaat een landsman onder den grond.
God lof en dank dat ik 't niet ben.
(gaat het hek binnen).
DE PRIESTER (spreekt aan het graf).
En nu, terwijl zijn ziel ten hemel stijgt,
En 't lichaam als een leeg omhulsel ligt,...
Nu, lieve vrienden, zij een woord gezegd
Van 't leven van dien doode, hier op aard'.
Hij was niet rijk, en ook niet heel verstandig.
Zijn stem was zwak, zijn optreden onmanlijk.
Zijn meening sprak hij slap en weiflend uit,
En nauwlijks was hij baas in eigen huis;
In 't kerkje kwam hij stil, verlegen binnen,
Als vroeg hij of, als andren, hij mocht zitten.
Uit 't Gudbransdal, gij weet 't, was hij gekomen.
Toen hij hier kwam, was hij nog haast een knaap;
En tot op 't laatst, gij weet het vast nog wel,
Hield hij zijn rechterhand steeds in zijn jaszak.
De rechterhand verstopt,... dat was het kenmerk...
Dat 't beeld van dezen man onthouden deed,
En daarbij dat gedrukte, die verlegen
Teruggetrokkenheid, bij 't binnen gaan.
Hoewel hij liefst maar stil zijn eigen weg ging
En ook een vreemdling bleef hier onder ons,
Toch weet gij wel, hoe hij het ook verborg,
Dat aan die hand vier vingers nog maar waren.
Ik weet nog goed, dien morgen, lang geleên,
Toen er te Lunde keuring werd gehouden.
Het was in oorlogstijd. In aller mond was
De nood van 't land en wat te wachten stond.
Ik was er ook. Breed voor de tafel zat
De kapitein met ambt'naar en sergeanten;
En de eene knaap na d'andere werd gemeten,
Gekeurd, en ingeschreven als soldaat.
Vol was 't vertrek, en buiten voor de ramen
Klonk van het jonge volk luidruchtig lachen.
Een naam werd afgeroepen. 'n Nieuwe kwam,
Die bleek zag, doodlijk wit, als gletschersneeuw.
Men wenkte hem; hij naderde de tafel,
De rechterhand gewikkeld in een doek;...
Hij hijgde, slikte, hapte naar zijn woorden,
Maar kon niet spreken, schoon men 't hem gebood.
Toch eindlijk nog; en toen, de wangen gloeiend,
Half staamlend, stotterend en dan weer snel,
Vertelt hij van een sikkel, die uitschietend,
Hem had glad afgekapt den éénen vinger.
't Werd in de kamer doodlijk stil.
Men keek elkander aan; kneep dicht den mond;
Men steenigde den knaap met stomme blikken.
Hij voelde 't wel, maar dorst niet op te kijken.
De kapitein stond op, oud, grijs en stram;...
Hij spuwde, wees de deur hem, zeggend: ga!
En hij ging heen. Men week naar beide kanten,
Dat 't was of hij spitsroeden loopen moest;...
Eens buiten, ging hij ijlings aan den haal;...
Naar boven nu,... òp, tusschen rots en struiken,
Op, tusschen losse steenen, rollend, stortend...
Hoog boven in 't gebergte lag zijn woning...
Een half jaar later was het toen hij hier kwam
Met moeder, zuigling en aanstaande vrouw.
Hij pachtte 'n stukje land, dat braak lag ginds,
Daar, waar de grens is van de groote hei.
Hij trouwde toen zoo gauw als 't doenlijk was;
Hij bouwde een hut; hij brak den harden grond;
Hij kwam vooruit, wat menig stukje land
Getuigde, golvend als een gele zee;...
Ter kerke kwam hij met de hand verborgen,...
Maar ongezien en thuis, daar werkten wel
Die negen vingers ruim zoo hard als tien...
Een voorjaarsvloed eens sleepte alles weg.
Hun leven redden zij. Toen arm en naakt,
Toog hij opnieuw aan het ontginningswerk.
En vóór het najaar, steeg alweer de rook
Op meer beschutte plek, uit 'n nieuwe hut.
Beschut? Voor 't water, ja... niet voor lawinen;
Twee jaar daarna lag ze onder sneeuw bedolven,
Doch moedig bleef de man, en onverschrokken;
Hij ruimde en hakte, hij groef steenen uit,...
En vóór in 't volgend jaar de eerste sneeuw viel
Stond daar ten derde maal zijn huis gebouwd.
Drie zoons had hij, drie flinke, sterke jongens;
Die moesten schoolgaan en de school was ver.
Om van zijn huis te komen op den landweg,
Moest men een rotskloof door, heel nauw en steil,
Wat deed hij toen? De oudste moest zich redden
Zoo goed als 't ging,... waar 't pad werd àl te steil,
Sloeg hij een touw om 't kind om het te steunen;...
De andre twee droeg hij op arm en rug.
Zoo streed hij jaar op jaar; zij groeiden op.
Kreeg hij nu dank, die hem wel toekwam toch?
Drie rijke heeren in de nieuwe wereld
Vergaten 't Noorsche bergland en hun vader.
Hij had geen ruimen blik. Van wat er buiten
Zijn naaste omgeving was, kon hij niets zien.
Geen zin had het voor hem, wat ons als klokken,
Sonoor van klank, tot diep in 't harte dringt.
Volk, vaderland, 't verhevene, het hooge,
Stond als in mist gehuld voor 't oog zijns geestes.
Maar hij was needrig, needrig deze man;
En van dien keuringsdag af droeg hij 't oordeel,
Zoo zeker als het schaamrood op zijn wang,
En zijn vier vingers, in zijn zak verborgen.
Een schender van de wet des lands? O, ja!
Maar er is iets dat uitschijnt boven wetten,
Zoo wel als ginds dier toppen blanke tent
Heeft wolken en daar boven uit weer toppen.
Slecht burger was hij. En voor kerk en staat
Onvruchtbaar hout. Maar hier, op 't hooge veld,
In zijn familiekring, waar hij zijn arbeid zag,
Dáár was hij groot, omdat hij was zichzelf!
Zijn ingeschapen klank bleef zich gelijk;
Gedempt van toon, dat was zijn heele leven.
En daarom: vrede zij u, stille strijder,
Die kampte en viel in kleinen boerenstrijd!
Wij willen hart en nieren niet doorgronden;
Dat is geen werk voor ons, maar voor den Schepper;...
Doch vast en vrij durf ik de hoop uitspreken:
Die man zal voor zijn God niet als verminkt staan!
(De menschen van den stoet gaan uiteen en weg. Peer Gynt blijft
alleen achter).
PEER GYNT.
Kijk dat, dat noem ik nu Christendom!
Volstrekt niets dat iemand griezelig aandoet...
Ja, 't thema; zichzelf te wezen onwrikbaar,...
Waar heel de preek zich omheen bewoog,...
Is op zichzelf alleen al opbouwend.
(kijkt in het open graf).
Was hij het misschien, die zich daar verminkte
Toen ik in 't bosch was aan 't boomen vellen?
Wie weet? Stond ik hier niet met mijn stok
Aan den rand van 't graf van dien geestverwant,
Kon ik denken dat ik het was, die sliep
En hoorde, als waar-gedroomd, mijn lof...
Inderdaad, 't is een christelijk mooi gebruik,
Welwillend den blik nog te laten gaan
In herinring over des dooden leven.
Ja, zelf zou 'k wel mijn lot willen hooren
Den volke verhaald door dien waardigen man.
Nou, het kan licht nog een poosje duren,
Eer de doodgraver komt en mij noodigt te gast;...
En, als de Schrift zegt: beter is best,...
En eveneens: alle leed op zijn tijd,...
En verder: leen voor je begraafnis geen geld...
De kerk blijft toch maar je ware troost.
'k Heb er vroeger zooveel niet aan gehecht;...
Nu voel ik toch hoeveel goed het doet,
Door kundige menschen te hooren verzeekren:
Wat iemand zaait, dat zal hij ook oogsten...
Zichzelf moet hij wezen; om zich en 't zijne
Moet hij zich bekomren in 't groote en 't kleine.
Loopt 't hem niet mee, dan blijft hem de eer toch
Dat hij zijn leven naar de leer wist te richten...
Nu huiswaarts! Valt moeilijk en steil ook de weg,
Laat 't lot toch lang nog maar met mij spotten;...
Oude Peer Gynt gaat zijn eigen weg,
En blijft wie hij is altijd: arm maar braaf.
(af).
Een berghelling met het uitgedroogde bed van een beek. Een ingestorte
molen aan de beek; opengebarste grond, verwoesting rondom. Hoogerop
een groote hoeve.
Boven, op de hoeve, wordt publieke verkooping gehouden. Veel menschen
zijn er bijeen. Drinken en lawaai. Peer Gynt zit beneden op een
puinhoop dicht bij den molen.
PEER GYNT.
Heen en terug, het is even lang;
Er in of er uit, 't is een zelfde gang;...
De tijd verwoest, de beek is verdroogd.
Ga buitenom, zei Böjgen;... dat doe 'k dus ook.
EEN MAN-IN-DE-ROUW.
Nu is er niets dan rommel meer...
(krijgt Peer Gynt in het oog).
Zijn hier nog vreemden ook? God zegen je, vriend!
PEER GYNT.
Insgelijks! Het gaat vroolijk toe hier van daag.
Is hier een doopfeest, of wordt bruiloft gevierd?
DE MAN-IN-DE-ROUW.
Ik zou 't liever noemen een inwijdingsfeest.
De bruid, die ligt in een wormenkast.
PEER GYNT.
En de wormen vechten om 't lekkere beetje.
DE MAN-IN-DE-ROUW.
Dat is 't einde van 't lied; daarmee is het uit.
PEER GYNT.
Alle liedjes eindigen eender;
En allemaal zijn ze oud; ik kende ze al als knaap.
EEN TWINTIGJARIGE (met een gietlepel).
Kijk nu eens hier, wat ik heb gekocht!
Hierin goot zijn zilvren knoopen Peer Gynt!
EEN TWEEDE.
En ik dan! Een geldschepper voor een schelling!
EEN DERDE.
Is dat al? Vijfd'half voor 'n marskramers-randsel!
PEER GYNT.
Peer Gynt? Wie was dat?
DE MAN-IN-DE-ROUW.
Ik weet alleen
Dat hij zwager van Aslak was en van den dood.
EEN-MAN-IN-'T-GRIJS.
Vergeet je nu mij? Ben je dronken, zeg?
DE MAN-IN-DE-ROUW.
Vergeet jij dat 'r op Haegstad 'n blokhuisdeur was?
DIE-IN-'T-GRIJS.
Ja, ja; maar jij was nooit erg kieschkeurig.
DE MAN-IN-DE-ROUW.
Als zij nu den dood maar niet bij den neus neemt...
DIE-IN-'T-GRIJS.
Een borrel, zwager! Op ons zwagerschap!
DE MAN-IN-DE-ROUW.
De duivel je zwager! Dat 's dronkenmanstaal...
DIE-IN-'T-GRIJS.
Och, gekheid; ons bloed is nog niet zoo verdund,
Je voelt je toch altijd verwant aan Peer Gynt.
(gaat met hem weg).
PEER GYNT (zachtjes).
Ik ontmoet nog kennissen.
EEN JONGEN (roept den man-in-de-rouw na).
Als je weer drinkt,
Dan komt moeder uit haar graf je nog halen, Aslak!
PEER GYNT (staat op).
Hier is niet van pas 't woord van den agronoom:
Hoe meer men omgraaft, hoe beter het riekt.
EEN JONGEN (met een berenvel).
De kat van Dovre! Alleen maar het vel, kijk!
Dat was 't wat kabouters weg joeg, met Kerstmis!
EEN TWEEDE (met een rendierschedel).
Hier is het wilde rendier, dat eens
Peer Gynt droeg over den Gendinskam.
EEN DERDE (met een hamer, roept tegen den man-in-de-rouw).
Heidaar, Aslak! Ken je dien hamer?
Heb je dien niet gebruikt om die noot te kraken?
EEN VIERDE (met leege handen).
Mads Moën, dit 's de mantel die onzichtbaar maakt!
Daarmee vloog Peer Gynt met Ingrid de lucht in!
PEER GYNT.
Brandewijn, jongens! Iets dat mij wat opwekt...!
Nu ga ik eens wat ouden rommel veilen!
EEN JONGEN.
Wat heb je te koop dan?
PEER GYNT.
Ik heb een slot,...
Dat ligt in den Ronden; 't is stevig ommuurd.
DE JONGEN.
Een knoop geboden!
PEER GYNT.
Er mag 'n borrel op staan.
Minder te bieden zou schande zijn.
EEN TWEEDE.
Hij is moppig, de oude!
(De menschen komen om hen heen staan).
PEER GYNT.
Grane, mijn klepper,
Wie biedt er?
EEN-UIT-DEN-HOOP.
Waar loopt hij?
PEER GYNT.
In 't Westen,
Ver van hier, jongens! Die draver kan rennen,
Zoo gauw, zoo gauw, als Peer Gynt maar kon liegen.
STEMMEN.
Wat heb je nog meer?
PEER GYNT.
Zoowel lorren als goud!
't Is gekocht met verlies! 'k Verkoop het met schâ.
EEN JONGEN.
Roep op!
PEER GYNT.
Van een kerkboek een droom!
Die 's voor een kromme vischhaak te koop.
DE JONGEN.
Naar den duivel met droomen!
PEER GYNT.
Mijn keizerrijk!
Dat gooi ik te grabb'len; je moogt vechten er om!
DE JONGEN.
Is de kroon er bij?
PEER GYNT.
Van het prachtigste stroo.
Die past d'eersten den besten, die ze zet op zijn hoofd.
Hier is nog meer! Een windei, kijk!
Een grijs haar van 'n gek! Een profetenbaard!
Alles krijgt hij, die mij toont op den berg
Den wijzer met opschrift: hier loopt de weg!
DE AMBTENAAR (die er bijgekomen is).
Mijn goede man, als dat lang nog zoo duurt,
Kan het zijn dat je weg regelrecht in arrest voert.
PEER GYNT (met zijn hoed in de hand).
Best mooglijk. Maar zeg mij, wie was Peer Gynt?
DE AMBTENAAR.
Geen gekheid...
PEER GYNT.
Pardon! Ik meen het in ernst!...
DE AMBTENAAR.
Och, ze zeggen hij was een afschuwelijk dichter...
PEER GYNT.
Een dichter...?
DE AMBTENAAR.
Ja, al wat sterk was en groot,
Dat stelde hij voor alsof hij 't had gedaan.
Maar permitteer,... ik heb andre plichten... (af).
PEER GYNT.
En waar is hij nu, die merkwaardige man?
EEN OUDERE MAN.
Hij trok over zee naar een ver, vreemd land,
Daar ging het hem slecht, als men wel had verwacht...
En jaren geleden hing men hem op.
PEER GYNT.
Gehangen? Ja, juist, dat dacht ik wel;
Wijlen Peer Gynt bleef tot 't laatst zich gelijk. (groet).
Gegroet,... en vriendelijk dank voor van daag!
(gaat enkele schreden verder maar blijft weer staan).
Zeg, vroolijke jongens en mooie meisjes,...
Zal ik, op mijn beurt, je nu een verhaal doen?
VERSCHEIDENEN.
Ja, weet je er een?
PEER GYNT.
Dan is het in orde...
(Komt nader; er glijdt als een vreemde uitdrukking over zijn gezicht).
In San-Francisco groef ik naar goud.
Heel de stad was van kermisvolk vol.
Eén kon viool spelen met zijn teenen;
Eén danste een Spaanschen dans op zijn knieën.
Een derde, hoorde ik, maakte verzen
Terwijl men zijn hersenkas doorboorde.
Daar kwam ook de duivel met zijn kunsten;...
Wou zien, als zoovelen, wat te verdienen.
Zijn kunst was dit: op bedrieglijke wijs
Te kunnen knorren als een werklijke big.
Zijn persoonlijkheid trok, hoewel onbekend.
't Huis was propvol, de verwachting was groot.
Hij kwam òp in een mantel met zwierende slippen;
Men moet zich "drapiren", als zeggen de Duitschers.
Maar onder dien mantel, wat niemand wist...
Was 't hem gelukt te verstoppen een big.
En nu kon de voorstelling dan beginnen.
De duivel kneep en de big gaf geluid dan.
't Geheel werd gegeven als een fantazie
Over 't bestaan van de big, gevangen en vrij;
Tot slot een schreeuw, als onder 't slagersmes;...
Waarna dan de artist buigend groette en ging...
't Geval werd door vaklui besproken heel druk;
De toonaard gelaakt, zoowel als geroemd;
Het stemgeluid klonk toch te dun, vond de één;
Een ander den doodsschreeuw te veel bestudeerd;...
Maar allen waren het daarover eens: als geknor
Was de prestatie bepaald overdreven...
Kijk, zoo ging 't den duivel, omdat hij dom was,
En met zijn publiek geen rekening hield.
(Hij groet en gaat heen. Een weifelend zwijgen overvalt de menigte).
Pinksteravond. In het groote bosch. Verder weg, op een stuk ontgonnen
land, een hut met een rendiergewei boven den gevel.
Peer Gynt kruipt door het hout en zoekt wilde uien.
PEER GYNT.
Dit hier is een standpunt. Waar is 't volgende?
Onderzoek alles, en kies dan het beste.
Zoo deed ik ook;... van af keizer Caesar
Tot in de diepte naar Nebukadnezar,
Zoo moest ik nu toch heel den bijbel doorwerken.
De oude kwam weer bij zijn moeder terecht.
Er staat immers ook: uit stof zijt gij geboren...
Waar 't op aankomt in 't leven, is je pens te vullen.
Met uien te vullen? Dat lijkt mij niet bijster;...
Ik zal liever sluw zijn en strikken zetten.
Hier is weer water, dorst zal ik niet lijden;
Onder wilde dieren geld ik als nommer één nog.
Als ik eens dood ga,... wat ook wel gebeurt...
Dan kruip ik onder 'n omgewaaiden boom;
En dek,... als een beer... mij toe met dorre blaren,
En snijd in den bast met heel groote letters:
Hier rust Peer Gynt, die brave kerel,
Keizer van alle andere dieren,...
Keizer?
(lacht in zichzelf).
Jij waarzegger, oude dwaas!
Je bent geen keizer; je bent een ui.
Nu zal 'k je eens schillen, mijn waarde Peer!
Het helpt niets of je al huilt of smeekt.
(neemt een ui en schilt laag voor laag af).
Daar ligt de gehavende buitenste huid,
De schipbreukeling op de kiel van de jol.
De passagiershuid hier, schraal en dun;...
Heeft in haar smaak toch iets weg van Peer Gynt.
Daar onder weer zit de goudgravers-ikheid;
Het sap is er uit... als 't er ooit in geweest is.
Die dikke huid hier, met die harde slip,
Is de pelsjager aan de Hudsons-baai.
Dat daaronder lijkt op een kroon... dank je wel!
Dat gooien wij zonder praatjes maar weg.
Hier d'oudheidsnavorscher, kort, maar krachtig.
En hier de profeet, kersversch en sappig.
Hij stinkt, als geschreven staat, naar leugens,
Dat een eerlijk man tranen krijgt in de oogen.
Dit huidje, dat week en slap zich laat rollen,
Is 't heertje, dat lui en lekker geleefd heeft.
Dat nu komt lijkt wel ziek. Het heeft zwarte strepen;...
Zwart kan beteeknen priesters en negers.
(plukt er verscheidene tegelijk af).
Wat een verbazende massa lagen!
Komt nu de kern niet voor den dag haast?
(plukt de heele ui kapot).
Neen, nog altijd niet! Tot 't allerbinnenste
Zijn 't allemaal huidjes,... al kleiner en kleiner...
De natuur is geestig!
(gooit de overblijfselen weg).
Vervloekt dat gezanik!
Ga je aan het denken, kom je slecht te pas soms.
Nou, ik heb althans van gevaar niets te vreezen,
Want ik lig hier stevig op handen en voeten.
(krabt zich in den nek).
'n Wonderlijk stel, de heele boel toch!
't Leven als men zegt, heeft een vos achter de ooren;
Maar grijpt men er naar, gaat heer vos aan den haal,
En men vangt dan wat anders,... of ook niemendal.
(hij is de hut genaderd, krijgt ze in het oog en schrikt).
Die hut daar? In 't pijnbosch...! O!
(wrijft zich de oogen).
't Is mij net
Of ik eens aan dat bouwwerk kennis had...
'n Rendierschedel, die prijkt aan den gevel...?
Een zeemeermin, half visch, half vrouwmensch...!
Leugens! Geen zeemeermin!... Spijkers,... planken,...
'n Slot dat afsluit kaboutergedachten...!
SOLVEJG (zingt in de hut).
Nu is hier voor 't Pinksterfeest alles bereid.
Mijn lieve jongen, zoo ver, ver weg...
Je komt toch, zeg?
Heb je een zware vracht,
Gun je dan tijd;...
Je weet dat ik wacht...
Dat heb ik gezeid.
PEER GYNT (staat op, stil en doodsbleek).
Een, die getrouw bleef,... en een, die vergat...
Een, die bewaard heeft,... en een, die verloor...
O, ernst!... En nooit is 't over te doen!
O, angst!... Hier lag mijn keizerrijk!
(loopt het bosch in).
Nacht. Pijnbosch. Een boschbrand heeft gewoed. Verkoolde boomstammen
mijlen ver. Witte nevels hier en daar over den boschgrond hangend.
Peer Gynt loopt haastig door het bosch.
PEER GYNT.
Asch en stof en witte dampen,...
Al genoeg bouwstoffen hier!
Stank en rottend loof van binnen,
Saâm te mets'len tot een graf.
Schijn, droom, doodgeboren weten,
Daarmee wordt het geplaveid dan;
Overwelfd, door 't werk, als koepel,
Waarvoor leugens treden vormen.
Vlucht voor ernst, afkeer van boete,
Als een wapenschild er boven...
Prijkt er met de oordeelswoorden:
Petrus Gyntus Caesar fecit!
(luistert).
Wat een schreien!--kinderstemmen?
Schreien, dat op zingen lijkt...
Voor mijn voeten rollen kluwen...!
(schopt er naar).
Weg! Je hindert mij in 't gaan!
DE KLUWEN (op den grond).
Wij zijn gedachten;
Ons moest je denken;...
Trippelvoetjes
Moest je ons schenken!
PEER GYNT (loopt er om heen).
't Leven schonk ik er aan één;...
't Werd een leelijk, kreupel wicht!
DE KLUWEN.
Wij moesten stijgen
Als trillende stemmen,...
Nu moeten wij rollen
Als grauw-garen kluwen.
PEER GYNT (struikelt).
Kluwen! Jij vervloekte deugniet!
Wou jij vader beentje lichten?
(vlucht).
VERWELKTE BLâREN (vliegen in het rond).
Wij zijn een leuze,
Die moest je voeren.
Zie hoe de asch ons
Jammerlijk scheurde.
'n Worm doorknaagde ons
Iedere vezel;
Nooit mochten wij vormen
Een krans om vruchten.
PEER GYNT.
Niet voor niet was je ontstaan toch;...
Ligt maar stil en dient voor mest nog.
EEN SUIZEN-IN-DE-LUCHT.
Wij zijn gezangen;
Ons moest je zingen!...
Duizende malen
Heb je gesmoord ons.
Diep in je ziel eens
Lagen en wachtten wij;...
Nooit riep je óp ons.
Gif in je keel nu!
PEER GYNT.
Gif in jou, jij dwaas gezang!
Had ik tijd voor lied en zang?
(slaat zich door het kreupelhout heen).
DAUWDROPPELS (druppelen van de takken).
Wij zijn tranen,
Die je niet stortte.
IJskorst, die open rijt,
Konden wij smelten.
Nu zit het ijs vast
Om 't hart gevroren;
Dicht is de wond nu;
En wij zijn machtloos.
PEER GYNT.
'k Heb gehuild in 't slot van Ronden,...
En toch kreeg ik daar een staart aan!
GEBROKEN HALMEN.
Wij zijn daden,
Die moest je volbrengen;
Twijfel, de moordende,
Knakte en kloofde ons.
Aan 't einde der dagen
Komen wij allen
Om je aan te klagen,...
Dan krijg je 't loon!
PEER GYNT.
Schurkenstreken! Durf je schrijven
Op mijn schuldboek 't negatieve?
(ijlt weg).
AASE'S STEM (ver weg).
Foei, wat een voerman!
Ach, je hebt me omgegooid!
Sneeuw viel den heelen dag;...
Kwaad heeft die mij gedaan...
Mis ging de heele rit.
Peer, waar is 't slot nu?
Verlokt heeft de duivel je
Met den stalbezemsteel!
PEER GYNT.
't Best doe 'k mij maar weg te pakken.
Moet 'k bij al mijn zonden ook nog
Die des duivels voortaan dragen,
Dan zal ik wel gauw bezwijken.
(haastig af).
Een ander gedeelte van het bosch.
PEER GYNT.
Een doodgraver! Waar zit je, kerel?
Gezang uit balkende kostermonden;
Een rouwfloers, gebonden om mijn hoed.
Ik heb vele dooden; die begraaf ik nu!
DE KNOOPENGIETER (met een kist met gereedschappen en een grooten
gietlepel, komt van een zijweg).
Goên avond, oude!
PEER GYNT.
Van 't zelfde, man!
DE KNOOPENGIETER.
't Schijnt dat je haast hebt. Waar gaat het heen?
PEER GYNT.
Naar 't kerkhof.
DE KNOOPENGIETER.
Zoo? Ik zie niet heel goed,...
Vraag excuus,... heet jij bij geval ook Peer?
PEER GYNT.
Peer Gynt, is mijn naam.
DE KNOOPENGIETER.
Wel, dat noem ik geluk!
Peer Gynt is het juist, dien 'k moet halen van daag.
PEER GYNT.
Moet je? Wat wil je dan?
DE KNOOPENGIETER (wijst op zijn gietlepel).
Kijk maar eens hier;
'k Ben knoopengieter. En jij moet hierin.
PEER GYNT.
Waarvoor?
DE KNOOPENGIETER.
Om opgesmolten te worden.
PEER GYNT.
Gesmolten?
DE KNOOPENGIETER.
Hier, hij is leeg en geschuurd.
Je graf is gegraven, je kist gereed.
Je lichaam is voor de wormen bestemd;...
Maar ik heb order, om, zonder dralen,
Op last van mijn Meester je ziel te halen.
PEER GYNT.
Onmooglijk! Zoo zonder vooraf iets te zeggen...!
DE KNOOPENGIETER.
't Is een oud gebruik bij geboorte en bij sterven
In stilte den dag voor het feest te kiezen,
En den held van het feest niets vooruit te zeggen.
PEER GYNT.
Zeer zeker. Mijn hoofd draait mij wel een beetje.
Je bent dus...?
DE KNOOPENGIETER.
Je hoorde 't toch:... knoopengieter.
PEER GYNT.