Wie anders? Vooruit! vooruit!

Draait rond de wereld, dan draaien wij mee.

(dwingt ze in een kooi).

Van daag is hij gekomen, de groote Peer;...

De rest kan je wel begrijpen,... ik zeg verder niets meer.

(sluit de kooi af en gooit den sleutel in een put).

PEER GYNT.

Maar, waarde heer dokter en directeur...?

BEGRIFFENFELDT.

Niets van dat alles! Dat ben ik niet meer...

Mijnheer Peer, kan u zwijgen? Ik moet mij uiten...

PEER GYNT (in toenemende onrust).

Wat is er?

BEGRIFFENFELDT.

Beloof dat u niet zal beven.

PEER GYNT.

'k Zal mijn best doen...

BEGRIFFENFELDT (trekt hem in een hoek en fluistert).

De volstrekte rede

Is gistren gestorven precies om elf uur.

PEER GYNT.

God bewaar me...!

BEGRIFFENFELDT.

Ja, dat is uiterst bedroevend,

En dubbel onaangenaam in mijn positie,

Want dit huis werd tot op dit uur nog beschouwd

Als een gekkenhuis.

PEER GYNT.

Wat! Als een gekkenhuis!

BEGRIFFENFELDT.

Nu niet meer, begrijpt u!

PEER GYNT (bleek en zachtjes).

Nú herken ik de plaats wel!

En gek is die man;... en niemand weet het!

(tracht weg te komen).

BEGRIFFENFELDT (volgt hem).

Ik hoop ovrigens dat u mij heeft begrepen?

Als ik zeg: zij is dood, dan is dat schijn.

Zij ging van haar zelve... is uit haar vel gesprongen,...

Net precies als deed wijlen Münchhausens vos.

PEER GYNT.

Een oogenblik maar...

BEGRIFFENFELDT (houdt hem vast).

Neen, het was als een aal;...

Niet als een vos. Door het oog stak een naald;

Zij spartelde hevig...

PEER GYNT.

Waar vind ik een uitweg!

BEGRIFFENFELDT.

Om haar hals heen een snee en, rits! naar beneden!

PEER GYNT.

Hij 's gek! Volslagen krankzinnig nu!

BEGRIFFENFELDT.

Eén ding is klaar, en laat zich niet verbloemen...

Dit van-zich-zelf-gaan zal ten gevolge hebben,

Een heelen omkeer te land en te zee.

De personen, die vroeger krankzinnig heetten,

Zijn gistren avond normaal geworden,

Overeenkomstig 't verstand in zijn nieuwe phase.

En kijkt men dan verder de zaak goed aan,

Dan volgt dus, dat juist op datzelfde uur

De zoogenaamd wijzen begonnen te razen.

PEER GYNT.

U noemde 't woord uur; mijn tijd is kort...

BEGRIFFENFELDT.

Uw tijd? 't Is goed dat u daarvan spreekt!

(opent een deur en roept).

Er uit! Nu breekt aan de nieuwe tijd!

De rede is dood. Leve Peer Gynt!

PEER GYNT.

Maar, mijn goede man...!

(De krankzinnigen komen allengs naar buiten de binnenplaats op).

BEGRIFFENFELDT.

Goêmorgen! Komt hier!

Begroet der bevrijding morgenrood!

Uw keizer staat vóór u!

PEER GYNT.

Keizer?

BEGRIFFENFELDT.

Gewis.

PEER GYNT.

Maar de eer is zoo groot, zoo gansch buitensporig...

BEGRIFFENFELDT.

Ach, laat alle valsche bescheidenheid varen

In 'n uur als dit...

PEER GYNT.

Ja, maar gun mij toch tijd...!

Neen, ik deug er niet voor; ik ben glad versuft al!

BEGRIFFENFELDT.

Een man, die gehoord heeft der sfinx opinie?

Die zichzelf is?

PEER GYNT.

Daar zit juist de knoop, ja.

Ik ben mijzelf in allen deele;

Maar hier, zoover 'k begrijp, hier moet

Men buiten zichzelf zijn, om zoo te zeggen.

BEGRIFFENFELDT.

Wat? Buiten zichzelf? Neen, daar tast u mis!

Hier is men zichzelf juist zonder genade,

Volstrekt zichzelf, zonder ook maar iets anders;

Men zeilt als zichzelf, vlak voor den wind.

In 't vat van zijn ik bergt een ieder zich op;

In eigen gisting duikt hij naar den grond,...

En sluit zich hermetisch met de prop van zijn ik;

En dicht het hout in de bron van zijn ik.

Niemand heeft tranen voor andermans smarten,

Niemand gedachten voor andermans denken.

Ons zelf, dat zijn wij in geest en geluiden,

Ons zelf, tot den uitersten rand van de springplank...

En dus, moet er keizer hier iemand worden,

Is u voor den troon onze ware man.

PEER GYNT.

Ik wou dat de duivel...!

BEGRIFFENFELDT.

Maar goeden moed!

Haast alles op aarde is nieuw in 't begin.

"Zichzelf";... kom, hier zal 'k een voorbeeld u toonen,

Ik kies maar het eerste het beste dat 'k zie...

(tegen een sombere gedaante).

Goêndag, Hoehoe! Wel, loop je, mijn zoon,

Nog altijd maar rond in droefheids gewaad?

HOEHOE.

Kan ik anders, als mijn volk steeds

Onvertolkt, vergeten sterft? (tegen Peer Gynt).

U is vreemdling; wil u hooren?

PEER GYNT (buigt).

't Zal me een eer zijn!

HOEHOE.

Goed dan, luister...

Als een bloemkrans, ver in 't Oosten,

Ligt de Malabaarsche kuststreek.

Hollanders en Portugeezen

Hebben daar gebracht beschaving.

Bovendien zijn daar nog massa's

Van de echte Malabaren.

Zij, die onze taal verknoeiden,

Zijn nu meester van het land daar;

Maar in lang vervlogen tijden

Heerschte daar de Orang-oetan.

Hij was heer van 't bosch en meester;

Vrij mocht hij daar dooden, brullen.

Ongetemd natuurvoortbrengsel

Groeide en gaapte hij als zoodanig.

Onbelemmerd mocht hij schreeuwen;

Hij was in zijn rijk de heerscher...

Maar toen kwam het juk der vreemden

Onze oerwoudstaal verwarren.

'n Nacht van viermaal honderd jaren

Sloopte Orang-oetan's krachten;

En men weet, zoo lange nachten

Houden alle ontwikling tegen.

't Oergeluid van 't woud verstomde

En men hoorde niet meer brommen;...

Zullen wij gedachten uiten

Moeten wij dat doen met woorden.

Welk een dwang voor alle standen!

Hollanders en Portugeezen,

Kleurlingen en Malabaren,

Alles was het even lastig...

'k Heb beproefd er voor te vechten,

Voor onze oerwoudstaal, de echte,...

't Arme lijk te doen herleven,...

't Recht van 't volk op schreeuwen steunend,...

Zelf geschreeuwd, en aangetoond ook

't Nut er van in volksgezangen...

Doch geen mensch waardeert mijn pogen...

Mijn verdriet zal u begrijpen.

Dank, dat u naar mij wou luistren;...

Weet u raad, laat mij dien hooren!

PEER GYNT (zachtjes).

Geschreven staat er: men moet huilen

Met de wolven, die in 't bosch zijn.

(luid).

Waarde vriend, ik meen te weten

Dat er in Marokko's bosschen

Nog zijn Orang-oetantroepen,

Levend zonder tolk of zangen;

Hun geluid klonk Malabarisch!

't Ware mooi en exemplarisch,

Als u nu, als andre grooten,

Daarheen trok, uw volk ten bate...

HOEHOE.

Dank, dat u naar mij wou luistren!

Ik zal doen wat u mij aanraadt.

(met een plechtig gebaar).

't Oosten heeft zijn tolk verstooten!

Orang-oetans heeft het Westen! (Af).

BEGRIFFENFELDT.

Nu wàs hij zichzelf? Dàt zou ik meenen.

Van zichzelf is hij vol, en alleen van dat ééne.

Hij 's zichzelf in alles wat hij van zich geeft,

Zichzelf juist krachtens zijn ván-zichzelf-zijn.

Kom hier! Nu zal 'k u een ander wijzen,

Sedert gistren niet minder behoorlijk verstandig.

(tegen een Fellah die een mummie op zijn rug draagt).

Koning Apis, verheven heer, hoe gaat het?

DE FELLAH (woest tegen Peer Gynt).

Ben 'k koning Apis?

PEER GYNT (schuift achter den dokter).

Ik moet helaas bekennen

Dat 'k niet ben op de hoogte der omstandigheden.

Maar 'k geloof toch, als 'k mag afgaan op den toon, dat...

DE FELLAH.

Nu lieg jij ook!

BEGRIFFENFELDT.

Laat uwe Hoogheid vertellen,

Hoe dan de zaken staan.

DE FELLAH.

Dat zal ik u zeggen.

(wendt zich tot Peer Gynt).

Zie je hem, dien ik hier op mijn rug draag?

Koning Apis was eens zijn naam.

Nu draagt hij den naam van mummie,

En is dan ook heelemaal dood.

Hij bouwde de Pyramiden,

Beeldhouwde de groote sfinx,

En streed, zooals zegt de dokter,

Met de Turken, rechts en links.

En daarom heeft heel Egypte

Als 'n God hem geprezen hier,

En vereerd hem in al zijn tempels

In de afbeelding van een stier...

Maar ik ben die koning Apis,

Dat 's zoo zeker als 'k hier sta;

En als je dat niet begrijpt nog,

Dan zal je 't zien weldra.

Koning Apis, die was op de jacht eens,

En steeg even af, de held,

En ging een oogenblik zitten

Terzijde, op mijn voorvaders veld.

Maar 't veld dat de koning bemestte,

Dat voedde mij met zijn graan;

En eischt iemand meer bewijzen,

'k Toon onzichtbare horens hem aan.

En is 't dan voor mij niet wanhopig

Dat niemand erkent mijn macht!

'k Ben Apis naar recht van geboorte,

Maar word als Fellah veracht.

Kan een goeden raad je mij geven

O, doe het dan, zonder bedrog;...

Wat moet ik doen om te worden

Als Apis, de Groote, nu nog?

PEER GYNT.

Uw Hoogheid bouw' Pyramiden,

Beeldhouwe een groote sfinx,

En strijde, als zegt de dokter,

Met de Turken, rechts en links.

DE FELLAH.

Ja, dat is een prachtig praatje!

Een Fellah! Zoo'n kale luis!

'k Heb mijn handen vol om mijn hut vrij

Te houden van 't rattengespuis.

Ga, man,... ga, zoek naar wat beters,

Wat groot maakt, geeft rust mij terug!

En daarbij geheel mij gelijk maakt

Aan Apis, den held, op mijn rug!

PEER GYNT.

Als dan Uw Hoogheid zich ophing,

En daarnà in der aarde schoot,

Zich binnen de grenzen der doodkist

Ook hield als volslagen dood?

DE FELLAH.

Dat zal ik! Een strop voor mijn leven!

Aan de galg dan met mijn huid...

Aanvanklijk maakt 't eenig verschil wel;

Maar dat slijt mettertijd wel uit.

(gaat heen en maakt toebereidselen om zich op te hangen).

BEGRIFFENFELDT.

Dat was een persoonlijkheid, mijnheer,...

Een man met methode...

PEER GYNT.

Jawel, dat zie 'k...;

Maar hij doet het waarachtig! God zij ons genadig!

Ik word duiz'lig;... 'k voel in mijn hoofd al verwarring!

BEGRIFFENFELDT.

Een overgangstoestand; dat duurt maar kort.

PEER GYNT.

Een overgang? Wat? Excuseer... ik moet weg...

BEGRIFFENFELDT (houdt hem vast).

Is u krankzinnig?

PEER GYNT.

Nog niet... God bewaar me!

(Alarm. De minister Hoessein dringt vooruit door de menigte).

HOESSEIN.

Men zegt dat hier een keizer is gekomen van daag?

(tegen Peer Gynt)

Is u dat?

PEER GYNT (wanhopend).

Ja, dat 's een uitgemaakte zaak!

HOESSEIN.

Goed... Hier zijn stukken die antwoord eischen.

PEER GYNT (grijpt zich in 't haar).

Heisa! Goed zoo; hoe doller hoe beter!

HOESSEIN.

Wil u mij de eer doen mij in te doopen? (buigt diep).

Ik ben een pen.

PEER GYNT (buigt nog dieper).

En ik, als u ziet,

Een verfrommeld keizerlijk perkament.

HOESSEIN.

Mijn geschiedenis, heer, is kortweg dit:

Mij houdt men voor 'n zandkoker en 'k ben een pen.

PEER GYNT.

En de mijne, heer pen, kan 'k ook u vertellen...

'k Ben een vel wit papier en werd nooit nog beschreven.

HOESSEIN.

Waar ik voor dien, kunnen de menschen niet begrijpen;

Allen willen mij gebruiken om zand uit te strooien!

PEER GYNT.

Ik behoorde aan een vrouw, als boek met zilver slot;...

Wees wijs of wees gek, dat 's alleen maar een drukfout!

HOESSEIN.

Denk eens: welk een leven van lijden,

Pen te zijn en nooit 't genot van een mes te smaken!

PEER GYNT (maakt een sprong).

Denk eens: een rendier zijn; springen van boven;...

Aldoor vallen,... nooit grond voelen onder zijn hoeven!

HOESSEIN.

Een mes! Ik ben stomp;... laat snijden en splijten mij!

De wereld vergaat, als men 't mes er niet in zet!

PEER GYNT.

't Waar' zonde van de wereld, die, als meest eigen werk,

Door onzen-lieven-Heer zoo goed gelukt werd gevonden.

BEGRIFFENFELDT.

Ziehier een mes!

HOESSEIN (grijpt het).

O, wat zal 'k de inkt opslurpen!

Wat een wellust zich te snijden.

(snijdt over zijn keel).

BEGRIFFENFELDT (wijkt op zij).

Niet zoo spatten!

PEER GYNT (in stijgenden angst).

Houdt hem vast!

HOESSEIN.

Houd mij vast! Dat is het woord!

Houd! Houd de pen vast! Papier op de tafel...! (valt neer).

Nu ben 'k verbruikt. Onthoud dat: dit is 't naschrift:

Hij leefde en hij stierf als een vastgehouden pen!

PEER GYNT (wankelend).

Wat moet ik...! Wat ben ik? Gij groote, houd mij vast!

'k Ben al wat gij wilt... een Turk, een zondaar,...

'n Kabouter...; maar help!... er was iets dat brak...!

(schreeuwt).

Ik weet niet meer hoe gij heet, zoo gauw!...

Help mij... gij toevlucht voor alle dwazen!

(valt flauw).

BEGRIFFENFELDT (met een krans van stroo in de hand, gaat met een

sprong schrijlings boven op hem zitten).

Ha, kijk hoe hij in 't stof zich hoog houdt!...

En van zichzelf is...! Hij zij gekroond!...

(drukt hem den krans op het hoofd en roept uit:)

Lang leve de keizer van het zelf!

SCHAFMANN (in de kooi).

Es lebe hoch der grosse Peer

EINDE VAN HET VIERDE BEDRIJF.

VIJFDE BEDRIJF.

Aan boord van een schip in de Noordzee, bij de kust van

Noorwegen. Zonsondergang. Stormachtig weer.

Peer Gynt, een krachtig oud man, haar en baard zilvergrijs, staat

achter op het dek. Hij is half-en-half als zeeman gekleed, met

een jekker en hooge laarzen. Zijn kleeren zien er wat versleten en

afgedragen uit; hij zelf verweerd en met een hardere uitdrukking

in zijn gezicht. De kapitein van het schip aan het roer bij den

stuurman. Het scheepsvolk verder vooruit.

PEER GYNT (leunt met de armen op de reeling en tuurt naar de kust).

Kijk daar de Halling in winterkleed,...

Hij tooit zich, de oude, met 't avondrood.

Schuins achter hem staat de Jökel, zijn broer;

Die heeft nog zijn groenen ijsmantel om.

De Folgefaan is al bizonder fijn,...

Ligt als een jonkvrouw in lichtenden schijn.

Weest toch geen dwazen, oude jongens!

Blijft waar je staat maar, granieten kerels!

DE KAPITEIN (roept naar voren).

Twee man aan 't roer,... en lantarens uit.

PEER GYNT.

Een stijve bries!

DE KAPITEIN.

Er komt storm van nacht.

PEER GYNT.

Kan je van zee uit den Ronden zien?

DE KAPITEIN.

Neen, dat kan niet;... hij ligt achter den gletscher.

PEER GYNT.

Of Blaahö?

DE KAPITEIN.

Ook niet; maar boven in de ra's

Zie je bij mooi weer den Galdhöpig.

PEER GYNT.

Waar ligt nu Haartejgen?

DE KAPITEIN (wijst).

Daar, zoo wat.

PEER GYNT.

Juist, ja.

DE KAPITEIN.

U is hier naar 't schijnt bekend.

PEER GYNT.

Toen ik wegtrok uit 't land, voer ik hier voorbij;

En 't aanzetsel, zegt men, hangt 't langst in den pot.

(spuwt en tuurt naar de kust).

Daarginder, waar 't waast, blauw, in scheer en kloof,...

Waar de bergspleet donkert, nauw als een groef,

En onderlangs, aan de open fjord,...

Dáár wonen óók nog menschen, zegt men.

(kijkt den kapitein aan).

Zij bouwen ver uit elkaar hier.

DE KAPITEIN.

Ja.

Er is ruimte en afstand van huis tot huis.

PEER GYNT.

Zijn wij binnen voor daglicht?

DE KAPITEIN.

Zoo ongeveer,

Als de nacht niet àl te bar wordt, althans.

PEER GYNT.

In 't westen broeit wat.

DE KAPITEIN.

Dat doet 't, ja.

PEER GYNT.

Stop!

Herinner 'r mij aan, als wij afreeknen straks...

Ik ben van plan 't met het scheepsvolk... zooals men zegt...

"Goed te maken"...

DE KAPITEIN.

Ik dank u!

PEER GYNT.

O, 't is maar weinig;

Goud heb ik gegraven en verloren wat ik vond;...

't Fatum en ik zijn geen vrienden meer;

U weet wat 'k u hier te bewaren gaf.

Dat is 't overschot;... de rest nam de duivel mij af.

DE KAPITEIN.

Het is meer dan genoeg om vertoon te maken

Bij de menschen daarginds.

PEER GYNT.

Ik heb geen familie.

Geen mensch verwacht er den rijken booswicht...

Nou,... dan ben ik ook vrij van herrie bij mijn aankomst.

DE KAPITEIN.

Daar is de bui al.

PEER GYNT.

Daar heb je 't, ja...

Heeft één van de mannen 't bizonder noodig,

Dan zie ik zoo nauw niet op 'n paar centen.

DE KAPITEIN.

Dat 's royaal. De meesten hebben 't maar arm;

Allen hebben een vrouw en kindren thuis.

Alleen met hun loon, is 't armoe troef;

Maar brengen ze soms nog wat extra's mee,

Wordt het weerzien een nooit te vergeten feest.

PEER GYNT.

Wat zegt u? Hebben zij vrouw en kindren?

Zijn ze getrouwd?

DE KAPITEIN.

Wis en drie! Allemaal...

Wie 't slechtst er aan toe is, dat 's wel de kok;

Bij hem thuis heerscht bittre honger en armoe.

PEER GYNT.

Getrouwd? Hebben thuis iemand die wacht?

Die blij is als zij komen? Wat?

DE KAPITEIN.

Jawel,...

Op armelui's manier.

PEER GYNT.

En als zij er dan zijn,

Wat dan?

DE KAPITEIN.

Ik denk dat de vrouw dan eens opschept

Wat lekkers, zoo'n enklen keer...

PEER GYNT.

En licht op tafel?

DE KAPITEIN.

Misschien wel twee; en een slokje bij 't eten.

PEER GYNT.

En dan zitten zij daar bij de kachel, gezellig?

Met kindren om zich heen? En in huis een leven

Dat niemand verstaat wat de andren vertellen,...

Is dat hun feestvieren, zeg...?

DE KAPITEIN.

Dat kon wel gebeuren;

En daarom zou 't royaal zijn, wat u daar straks

Beloofde, te doen.

PEER GYNT (slaat op de reeling).

Waarachtig niet!

Houdt u mij voor den gek? Denkt u dat ik afschuif

Om andermans kindren te plezieren?

'k Heb zuur genoeg zwoegend mijn geld verdiend.

Niemand verwacht er den ouden Peer Gynt.

DE KAPITEIN.

Nu, zooals u wil; uw geld behoort u.

PEER GYNT.

Juist! 't Is van mij, en het is niet heel veel.

Uw nota, zoodra u het anker laat vallen!

Passage van Panama als kajuitspassagier,

En 'n borrel voor het scheepsvolk. Verder niets meer;

Als ik meer geef, mag u mij doodslaan, kapitein!

DE KAPITEIN.

'k Heb u kwitantie te geven, geen slaag;...

Maar pardon; nu wordt de bries een storm.

(Hij loopt naar het voordek. Het is donker geworden; in de kajuit

wordt licht opgestoken. De zee wordt woelig. Mist en zware wolken).

PEER GYNT.

Thuis een troep wilde bengels hebben;...

In 't aandenken van andren als 'n vreugde leven;...

Door hun gedachten gevolgd op hun weg...

Er is geen mensch die ooit denkt eens aan mij...

Licht op tafel? Dat zal 'k beletten!

Ik zal wat bedenken...! Ik maak hen stomdronken;...

Geen een van de kerels komt nuchter aan land.

Zat zullen ze komen bij vrouw en kinderen!

Vloeken zullen ze! Beukend slaan op de tafel,

Bang maken die wachten, dat ze beven van angst!

De vrouw zal schreeuwen en 't huis uit vluchten;

De kindren mee! Alle vreugd zal ik dooden!

(Het schip slingert hevig; hij wankelt en heeft moeite zich staande

te houden).

Nou, dat heet je slingren naar behooren.

De zee werkt of ze er voor betaald wordt;...

Het is nog hetzelfde langs de kust hier in 't Noorden;...

Dwarsdrijvend de zee, altijd woest nog en nijdig... (luistert).

Wat is dat voor een kreet?

DE WACHT (vooruit).

Een wrak aan lei!

DE KAPITEIN (midscheeps, kommandeerend).

't Roer hard stuurboords! Dicht voor den wind!

DE STUURMAN.

Is er volk op 't wrak?

DE WACHT.

'k Onderschei er drie!

PEER GYNT.

Zet toch een boot uit!...

DE KAPITEIN.

Die was gauw gezonken.

(gaat naar voren).

PEER GYNT.

Wie denkt aan zoo iets?

(tegen sommigen van het volk).

Als je kerels bent

Helpt dan! Wat hindert het of je een nat pak haalt...

DE BOOTSMAN.

't Is niet te doen bij zoo'n hooge zee.

PEER GYNT.

Zij roepen weer! De wind gaat ruimen...

Kok, durf je 't wagen? Kom, ik betaal je...

DE KOK.

Neen, al gaf u mij twintig pond sterling...

PEER GYNT.

Ouwe wijven! Lafbekken! Kan je vergeten

Dat het menschen met vrouw en kindren thuis zijn?

Die zitten te wachten...

DE BOOTSMAN.

Geduld houdt vroolijk.

DE KAPITEIN.

Zandbank... afhouden!

DE STUURMAN.

't Wrak is gezonken.

PEER GYNT.

Het werd plotseling stil...?

DE BOOTSMAN.

Als 't getrouwde lui waren

Dan zijn er drie nieuwbakken weeuwen meer nu.

(Het stormweer wordt heviger. Peer Gynt gaat naar het achterdek).

PEER GYNT.

Er is geen geloof onder de menschen meer,...

Geen christendom, zoo, als 't geleerd en geschreven is,...

Goed doen ze weinig, en bidden nog minder,

En letten niet op de geweldige machten...

In een weer als van nacht, is God soms gevaarlijk.

De kerels moesten oppassen, denken, wat waar is,

Dat 't gevaarlijk is te spelen met olifanten;...

En dan maken ze ruzie met hem, waarachtig!

Ik heb geen schuld; de offerschaal heeft,

Ik kan 't bewijzen, mijn geld ontvangen.

Maar wat geeft mij dat nu?... Men zegt zoo wel eens:

Op een goed geweten is 't heerlijk rusten;

Och ja, dat houdt wel steek op den drogen grond,

Maar beteekent waarachtig geen lor aan boord,

Waar 'n fatsoenlijk man onder schurken vertoeft.

Op zee kan je nooit je zelf goed wezen;

Je moet mee met de andren van 't dek naar den kelder;

Slaat de ure der wrake voor bootsman of kok,

Dan word ik met de bende ook meegesleept;...

Je eigen verdienste wordt in 't geheel niet geteld,

Je bent niet meer waard dan een worst in den slachttijd...

De fout is dat ik te vroom ben geweest.

En ondank is nu mijn loon voor alles.

Was ik jonger, dan keerde ik misschien nog om,

En probeerde eens een tijd den baas te spelen.

Wel, ik heb nog den tijd! In 't dorp zal men zeggen:

Peer kwam terug als een groote meneer!

De hoeve wil 'k weer hebben, het ga hoe het ga;...

Het huis verbouw ik, het zal schittren als een slot.

Maar niemand krijgt toegang of komt er binnen!

Ze zullen staan voor de deur en bakzeil halen;...

Beedlen en smeeken,... dat mogen ze vrij;

Maar niemand krijgt een enkle shilling van mij;...

Moest het lot mij onder zijn zweepslag doen huilen,

Dan vind ik er wel, die 'k op mijn beurt slaan kan...

DE VREEMDE PASSAGIER (staat in 't donker naast Peer Gynt en groet

vriendelijk).

Goên avond!

PEER GYNT.

Goên avond! Wat...? Wie is u?

DE VREEMDE PASSAGIER.

Ik ben uw medepassagier, om te dienen.

PEER GYNT.

Zoo, ja? Ik dacht dat ik de eenige was.

DE VREEMDE PASSAGIER.

Dat was een dwaling, die is nu voorbij.

PEER GYNT.

Maar zonderling toch dat 'k van avond eerst

U hier zie...

DE VREEMDE PASSAGIER.

Ik kom overdag niet buiten.

PEER GYNT.

Is u misschien ziek? U ziet wit als een laken...

DE VREEMDE PASSAGIER.

Neen, dank u,... ik voel mij volkomen wel.

PEER GYNT.

Het stormt hard.

DE VREEMDE PASSAGIER.

Ja, gezegend, man!

PEER GYNT.

Gezegend?

DE VREEMDE PASSAGIER.

De golven zijn huizenhoog.

Het is om er van te watertanden!

Bedenk wat een wrakken de nacht zal maken;...

En hoeveel lijken zullen drijven aan land!

PEER GYNT.

Lieve God!

DE VREEMDE PASSAGIER.

Zag u nooit iemand hangen,

Gestikt,... of verdronken?

PEER GYNT.

Nu wordt het te erg...

DE VREEMDE PASSAGIER.

Lijken lachen. Maar hun lach is gedwongen;

En de meesten hadden liever hun tong afgebeten.

PEER GYNT.

Schei nu toch uit!...

DE VREEMDE PASSAGIER.

Nog een enkle vraag!

Als wij bijvoorbeeld stootten op grond...

En zonken...

PEER GYNT.

Denkt u dat er gevaar is?

DE VREEMDE PASSAGIER.

Ik weet waarlijk niet welk antwoord te geven.

Doch, gesteld dat ik drijf en u zinkt naar den grond...

PEER GYNT.

Och, onzin...

DE VREEMDE PASSAGIER.

Ik stel het als mooglijkheid maar.

Maar staat men met éénen voet in het graf,

Wordt men zacht, en geeft graag nog milde gaven...

PEER GYNT (tast in den zak).

O, geld dus!

DE VREEMDE PASSAGIER.

Neen; maar och, wees u zoo goed

Mij uw hoog vereerd kadaver te schenken?

PEER GYNT.

Dat gaat toch te ver!

DE VREEMDE PASSAGIER.

Alleen 't lijk maar, begrijpt u;

't Is voor de wetenschap...

PEER GYNT.

Nu is 't genoeg!

DE VREEMDE PASSAGIER.

Ik bid u, bedenk,... de zaak is voordeelig!

Ik open uw lichaam en toon het der wereld.

Voornaamlijk wil 'k zoeken den zetel der droomen...

En overigens kritisch 't geheel onderzoeken...

PEER GYNT.

Pak u weg!

DE VREEMDE PASSAGIER.

Och kom,... een verdronken mensch...

PEER GYNT.

Ga weg, heiligschenner! U roept 't onweer op!

Het is toch te erg, met storm en regen

Een woeste zee en allerlei teekens

Van iets, dat ons een kop kleiner kan maken,

Doet u alles als 't ware om 't uit te lokken!

DE VREEMDE PASSAGIER.

U is niet gestemd voor verdre onderhandling;...

Maar och, de tijd brengt dikwijls verandring...

(groet vriendelijk).

'k Zie u weer bij 't zinken, zoo al niet eer!

Misschien is u dan in een beter humeur.

(gaat de kajuit binnen).

PEER GYNT.

Griezelige kerels, die wetenschap'lijke lui!

Zulke vrijdenkers toch...

(tegen den bootsman die langs hem komt).

Zeg eens, die man...

Die andre passagier? Wat is dat voor een snuiter?

DE BOOTSMAN.

Ik weet niet dat er een andre is dan u.

PEER GYNT.

Geen andre? Nu wordt het hoe langer hoe gekker.

(tegen het jongmaatje dat uit de kajuit komt).

Wie ging daar de kajuit in?

HET JONGMAATJE.

De scheepshond, meneer!

(gaat verder).

DE WACHT (roept).

Land vlak vooruit!

PEER GYNT.

Mijn koffer! Mijn geld!

Mijn bagage aan dek!

DE BOOTSMAN.

'r Is wel wat anders te doen.

PEER GYNT.

't Was maar gekheid, kaptein! 'k Zei 't maar voor de grap;...

Ik beloof 't u vast, 'k geef wat aan den kok...

DE KAPITEIN.

Kluiffok gebroken!

DE STUURMAN.

En de fokkemast ook.

DE BOOTSMAN (roept vooruit).

Land voor den boeg!

DE KAPITEIN.

Wij zijn er bij!

(Het schip stoot. Leven en verwarring).

Aan de kust, tusschen klippen en branding. Het schip vergaat. In den

mist ziet men onduidlijk de sloep met twee man. Een stortzee doet die

omkantelen; men hoort een kreet; daarna een poos alles stil. Dan komt

de omgekeerde boot aandrijven.

Peer Gynt duikt op, dicht bij de boot.

PEER GYNT.

Help! Boot van land! Help! Ik verga!

Help mij, o God,... als zegt uw woord!

(klampt zich vast aan de kiel).

DE KOK (duikt op aan den anderen kant).

Och, lieve Heer,... och sta mij bij!

Mijn arme kindren! Stuur me aan land!

(houdt zich aan de kiel vast).

PEER GYNT.

Los!

DE KOK.

Los!

PEER GYNT.

Ik sla!

DE KOK.

Ik sla terug!

PEER GYNT.

'k Verpletter je! Ik trap je dood!

Laat los! De kiel draagt geen twee man!

DE KOK.

Dat weet ik! Weg!

PEER GYNT.

Weg jij!

DE KOK.

Jawèl!

(Zij vechten; de kok bezeert zijn eene hand; hij klampt zich vast

met de andere).

PEER GYNT.

Doe weg die knuist!

DE KOK.

Om Godswil toch!

Denk aan mijn vrouw en kindren thuis!

PEER GYNT.

Dan komt mij eerder 't leven toe,

Want ik laat nog geen kindren na.

DE KOK.

U heeft geleefd al; ik ben jong!

PEER GYNT.

Weg; gauw wat! Zink;... je wordt te zwaar.

DE KOK.

Dramatische Werken: De comedie der liefde; Brand; Peer Gynt · 第 21 / 24 段