De Profeet is goed; de Profeet is bedroefd

Over 't kwaad bedreven door de zonen van 't stof!

De Profeet is mild; zijn mildheid zij geloofd;

Hij opent voor zondaars zijn Paradijs!

PEER GYNT (terwijl hij Anitra onder het dansen met de oogen volgt).

Als trommelstokken zoo vlug gaan haar beenen.

Jongens! 't Is een lekker klein ding waarachtig.

Zij heeft wel wat extravagante vormen,...

Niet gansch overeenkomstig de eischen der schoonheid;

Maar wat is schoonheid? Traditie alleen,...

Een munt, enkel gangbaar naar plaats of tijd.

En juist dat extravagante is aantreklijk

Als je het normale door-en-door kent.

Het gemiddelde wekt niet gauw meer een roes.

Of overdreven gevuld, òf overdreven mager,

Of beangstigend jong, òf afschrikkend oud;...

Van 't gemiddelde walg ik...

Haar voeten... nou ja, munten niet uit door reinheid;

Ook haar armen niet, dat 's waar, vooral de ééne.

Maar daar is ze in den grond toch niet minder om;

Ik zou eerder zeggen, dat hoort er zoo bij...

Anitra, hoor eens!

ANITRA (komt naderbij).

Uw slavin heeft gehoord!

PEER GYNT.

Je bent bekoorlijk, kind! De Profeet is ontroerd.

Als je mij niet gelooven wilt, hoor dan 't bewijs:

Ik maak je tot Houri in het Paradijs!

ANITRA.

Dat kan niet, heer!

PEER GYNT.

Wat? Denk je dat 't scherts is?

Het is hooge ernst, zoo waar als ik leef, hoor.

ANITRA.

Maar ik heb toch geen ziel.

PEER GYNT.

Die krijg je wel!

ANITRA.

Hoe dan, o heer?

PEER GYNT.

Laat dat aan mij maar over;...

Ik zal je opvoeding in handen nemen.

Geen ziel! Ja, zeker, je bent wel erg dom,

Zooals men 't noemt. Dat heb ik met smart ondervonden.

Maar toch, voor een ziel heb je nog wel plaats.

Kom hier! Laat mij je hersenpan eens meten...

Er is plaats; er is plaats; ja, dat dacht ik ook wel.

't Is waar,... heel diep zal je wel nooit leeren denken;

En een heel groote ziel zal je ook niet krijgen;...

Maar och, dat doet er ook eigenlijk niets toe;...

Je zult zooveel krijgen, dat je niet beschaamd hoeft te staan...

ANITRA.

De Profeet is goed...

PEER GYNT.

Je aarzelt? Spreek!

ANITRA.

Maar ik had nog liever...

PEER GYNT.

Zeg op zonder dralen!

ANITRA.

Ik geef niet zooveel om een ziel;... geef mij liever...

Als ik 't zeggen mag...

PEER GYNT.

Wat?

ANITRA (wijst op zijn tulband).

Die mooie opaal!

PEER GYNT (verrukt, terwijl hij haar het kleinood toereikt).

Anitra! Eva's ongekunstelde dochter!

Magnetisch trek je me aan; 'k ben een man,

En, zoo als staat bij een hoogberoemd schrijver:

"Das ewig weibliche zieht uns an!"

Maanlichte nacht. Palmenboschje vóór Anitra's tent. Peer Gynt met een

Arabische luit in de hand zit onder een boom. Zijn haar en baard zijn

geknipt; hij ziet er aanmerkelijk jonger uit.

PEER GYNT (speelt en zingt).

Gesloten heb 'k mijn Paradijs

En nam den sleutel mee;

De Noorderbries mijn schip voortdreef,

En schoone vrouwen aan het strand

Beweenden hun verlies.

Naar 't Zuiden joeg door 't zilte nat

Der baren, 't vluchtend schip.

Waar palmen wuiven mooi en fier,

Omkransend luwe, blauwe baai,

Stak ik mijn schip in brand.

Toen steeg ik op een zandzee-schip...

Vier beenen had dat schip;

Het schuimde onder spoor en zweep...

Ik ben een vogel, vang mij toch,...

Zit tjilpend op een tak.

Anitra, palmwijn ben je, zoet,

Dat kan 'k getuigen nu!

Ja zelfs Angorageiten-kaas

Is nog maar half zoo lekker als

Anitra, schatje, jij!

(hangt de luit over zijn schouder en komt nader).

Stilte! Zou mijn liefje luistren?

Hoorde zij mijn liedje wel?

Gluurt zij achter de gordijnen,

Niet in sluiers gedrapeerd?...

Stil! Het klonk of met geweld daar

Van een flesch de kurk afsprong

Nu alweer! En nog eenmaal!

Liefdezuchten? Neen, gezang;...

Neen, het is een hoorbaar snurken.

Zoet geluid! Anitra sluimert!

Nachtegaal, houd op met slaan!

Of het zal je er naar vergaan,

Als je 't nog waagt met je fluiten...

Doch, het zij zoo, zegt het boek.

Nachtegaal is toch een zanger,

Ach, ik ben het eveneens.

Hij, als ik, vangt met zijn tonen

Teedre harten, week en jong.

Zwoele nacht en zoet gezang

Zijn ons beiden lief en gunstig;

Als wij zingen, zijn wij beiden

Wij, Peer Gynt en nachtegaal.

En juist dat zij slaapt, mijn liefje,

Voert mijn liefderoes ten top;...

Met de lippen aan den beker

Zonder dat ik er van proef...!

Maar daar is zij net, zoo waar!

Beter toch maar dat zij kwam.

ANITRA (uit de tent).

Riep mijn heer mij in den nacht?

PEER GYNT.

De Profeet, ja, heeft geroepen.

Ik werd wakker straks door katten

Die een woeste drijfjacht hielden...

ANITRA.

Ach, dat was geen drijfjacht, heer,

't Was iets van heel andren aard.

PEER GYNT.

Wat dan?

ANITRA.

O, verschoon mij!

PEER GYNT.

Spreek!

ANITRA.

O, 'k moet blozen...

PEER GYNT (dichterbij).

Was 't misschien ook

Wat mij zoo geheel vervulde,

Toen ik jou gaf mijn opaal?

ANITRA (verschrikt).

Noemen u, o werelds schat,

In één adem met een kat!

PEER GYNT.

Kind, op 't punt van liefde staan

Soms een kater en 'n Profeet

Vrijwel op eenzelfde lijn.

ANITRA.

Heer, uw schertsen vloeit als honing

Van uw lippen.

PEER GYNT.

Lieve kind,

Jij, als andre meisjes, ziet nooit

Groote mannen als zij zijn.

'k Hoû van schertsen, moet je weten,

Met je beidjes zoo vooral.

'k Ben verplicht door mijn positie

Tot een valschen schijn van ernst;

Plichten maken mij gedwongen,

Al die zorgen, dat gedoe,

Dat ik heb met iedereen,

Maakt mij vaak het leven zwaar:

Doch dat ligt maar bovenop...

Weg daarmee! In 't tête-à-tête

Ben ik Peer,... ja dat ben ik.

Hop, wij jagen den profeet weg,

En hier ben ik zelf nu, Peer!

(gaat onder een boom zitten en trekt haar naar zich toe).

Kom, Anitra, laat ons rusten

Onder groene palmenwaaiers!

Ik zal fluistren, jij moet lachen;

Later wislen wij de rollen;

En terwijl ik lachend luister

Fluister jij dan liefdewoordjes!

ANITRA (gaat voor zijn voeten liggen).

Zoet als zang uw woorden klinken,

Al begrijp ik lang niet alles.

Zeg mij, heer, kan uwe dochter

'n Ziel verkrijgen door te luistren?

PEER GYNT.

'n Ziel en weten, 't licht des geestes,

Zal je later wel geworden.

Als het oosten rood-goud-glanzend

Meldt: nu breekt er weer een dag aan,

Geef ik jou, mijn liefje, lessen;

O, je zult van alles leeren,

Maar in nachtlijk stille uren

Ware 't dwaasheid zoo ik wilde

Met geleerdheid, duf, versleten,

Als magister mij gedragen.

Eigenlijk is ook de ziel niet

Welbeschouwd, zoozeer de hoofdzaak.

't Is het hart, waar 't meest op aan komt.

ANITRA.

Spreek, o heer! Als 'k u hoor spreken

Zie 'k een glans als van opalen!

PEER GYNT.

Al te scherpe geest is domheid;

Lafheids knop ontbloeid, is boosheid;

Overdreven waarheid is

Averechtsche wijsheidstaal;

Ja, mijn kind,... 't is ongelogen,

Er zijn menschen op de wereld

Met een overvoerde ziel,

Die tot klaarheid moeilijk komen.

Ik heb er zoo een gekend,

'n Parel uit den heelen hoop;

En zelfs hij heeft 't doel gemist toch

In 't gedrang van 't drukke leven.

Zie je 't zand rondom de oase?

Wenk ik even met mijn tulband,

Dwing 'k de wereldzee te vullen

Met haar waatren heel de vlakte.

Maar ik zou een domkop wezen

Als ik nu schiep zee en landen.

Weet je wat het is te leven?

ANITRA.

Leer het mij!

PEER GYNT.

Het is te zweven

Droogvoets met den tijdstroom mee,

Gansch en eenig als zichzelf.

Slechts als man van kracht kan 'k wezen

Hij, die 'k ben, mijn lieve kleintje!

'n Oude valk verliest zijn veeren,

'n Oude ram krijgt zwakke pooten.

'n Oude vrouw verliest haar tanden

'n Oude vent krijgt dorre handen,...

Iedereen een dorre ziel.

Jong zijn! Jong zijn! Ik wil heerschen

Als een sultan, vurig, echt,...

Niet aan Gyntiana's kusten,

Onder loofomrankte palmen,...

Maar gegrondvest op de frischheid

Van jonkvrouwlijke gedachten...

Zie je nu, mijn lieve kindje,

Waarom ik je uitverkoren

En je hartje zoo ontroerd heb?

Waarom ik, om zoo te zeggen,

Daar mijn kalifaat gesticht heb?

Naar mij moet gaan je verlangen.

Almacht wil ik in mijn staat!

Jij moet heel alleen van mij zijn.

Ik wil 't zijn die je gevangen

Houdt, als goud en edelsteenen.

Scheiden wij, is 't leven niets meer,...

Althans, dat wil zeggen: 't jouwe!

Heel je wezen, alle leegten,

Zonder willen ja of neen,

Wil ik weten vol van mij.

't Nachtlijk donker van je lokken,

En al je bekoorlijkheden

Moeten... Babylonsche tuinen...

Wenken mij tot sultansfeesten.

Daarom is 't ook nog zoo kwaad niet

Dat je hoofdje leeg maar blijft.

Met een ziel wordt zelfbeschouwing

Tot een allereersten plicht.

Wacht eens,... 'k krijg daar juist een inval:

'k Zal je geven, als je 't wilt,

'n Mooien ring voor om je enkel;...

Dat is 't best voor allebei;

Jij krijgt mij als ziel, en verder

Blijft het alles... status quo.

(Anitra snurkt).

Wat? Zij slaapt! Zoo gleed dus alles

Langs haar heen, wat 'k heb gezegd?...

Neen; dat kenmerkt juist mijn macht,

Want gewiegd door liefdewoorden

Zweeft zij weg in zoete droomen.

(staat op en legt sieraden in haar schoot).

Hier zijn ringen! Hier nog meer!

Slaap, Anitra! Droom van Peer!

Slaap! En op je keizers voorhoofd

Drukte slapend jij de kroon!

Peer won, enkel door zijn wezen,

'n Keizerrijk in dezen nacht!

Karavaanweg. De oase ver weg op den achtergrond. Peer Gynt op zijn

witte paard, jaagt door de woestijn. Hij heeft Anitra vóór zich op

het zadel.

ANITRA.

Hoû op! Ik ga bijten...!

PEER GYNT.

Jij kleine schelm!

ANITRA.

Wat wil u?

PEER GYNT.

Wat? Spelen duifje en valk!

'k Voer je weg! Ik bega dolle streken!

ANITRA.

Schaam u! Een oude Profeet...!

PEER GYNT.

Malligheid!

De Profeet is nog niet oud, kleine gans!

Vind je dat dit dan op ouderdom wijst, zeg?

ANITRA.

Laat los! 'k Wil naar huis!

PEER GYNT.

Nu ben je koket!

Naar huis! Naar schoonpapa! Die is goed!

Wij dolle vogels, de kooi ontvlogen,

Wij komen hem nooit meer onder de oogen.

En daarbij, mijn kind, op dezelfde plek

Moet men nooit vertoeven te langen tijd;

Men verliest dan in achting, hoe meer men bekend wordt;...

Vooral als men komt als Profeet of zoo iets.

Vluchtig moet men voorbij gaan, als een "bon mot".

't Werd waarlijk al tijd dat 't bezoek op zijn eind liep.

Die woestijnzonen zijn onstandvastige zielen,

Op 't laatst al ontbraken gebeden en wierook.

ANITRA.

Maar u is toch Profeet?

PEER GYNT.

Ik ben je keizer!

(wil haar kussen).

Kijk 'ns aan, hoe die kleine feeks van zich afbijt!

ANITRA.

Geef mij den ring, dien u draagt aan uw vinger.

PEER GYNT.

Neem, lieve Anitra, den heelen boel!

ANITRA.

Zoete zang zijn uw woorden! Liefelijk klinkend!

PEER GYNT.

Zalig, wie zoozeer bemind wordt als ik!

Ik stijg af! Ik zal leiden het paard als je slaaf.

(reikt haar de karwats en stijgt af).

Ziezoo, mijn roosje, mijn heerlijke bloem;

Hier wil ik loopen in zand en wind,

Tot een zonnesteek mij treft en ik niet verder kan.

Ik ben jong, Anitra, hoû dat in 't oog!

Neem het met mijn fratsen maar niet zoo nauw.

Grappen uithalen is een teeken van jeugd!

Als dus je hoofdje wat helderder was,

Dan zou je begrijpen, mijn lieflijk juweel,

Je liefste maakt grappen... ergo is hij jong!

ANITRA.

Ja, u is jong. Heeft u nog meer ringen?

PEER GYNT.

Ja, niet waar? Daar; neem! Als een bok kan ik springen!

Was hier wijnloof in de buurt, dan zou 'k mij bekransen.

Ja, waarachtig ben 'k jong! Hopsa! 'k Ga dansen!

(danst en zingt).

Ik ben een gelukkig haantje!

Pik mij, mijn lief kippetje!

Hei! Hop! Laat mij trippelen;...

Ik ben een gelukkig haantje!

ANITRA.

U zweet er van, Profeet; 'k ben bang dat u zal smelten;...

Geef mij dat zware, dat aan uw gordel bengelt.

PEER GYNT.

Teedre bezorgdheid! Hoû de beurs maar voor goed;...

Zonder goud zijn minnende harten content!

(danst en zingt weer).

Jonge Peer Gynt is een dolleman;

Hij weet niet op welken voet hij zal staan.

Pah, zei Peer;... laat maar begaan!

Jonge Peer Gynt is een dolleman!

ANITRA.

Verruklijk is 't den Profeet te zien dansen!

PEER GYNT.

Profeet? Malligheid!... Laat ons van kleeren wislen!

Komaan! Trek uit!

ANITRA.

Uw kaftan is te lang,

Uw gordel te wijd en uw kousen te nauw...

PEER GYNT.

Eh bien! (knielt neer).

Maar doe mij een groot verdriet,

Het is zoet te lijden, voor minnende harten!

Hoor, als wij aankomen in mijn slot,...

ANITRA.

In uw Paradijs;... is dat héél ver weg nog?

PEER GYNT.

O, zoo wat duizend mijlen...!

ANITRA.

Te ver!

PEER GYNT.

Je krijgt daar de ziel, die ik je eerst heb beloofd.

ANITRA.

Veel dank, maar ik red mij wel zonder ziel.

Doch u vroeg om verdriet...

PEER GYNT (staat op).

Ja, bij mijn ziel!

Hevig, maar kort,... voor een dag of twee, drie!

ANITRA.

Anitra volgt uw gebod!... Wees gegroet!

(Zij geeft hem een duchtigen slag met de karwats over zijn vingers

en holt in vliegenden galop terug door de woestijn).

PEER GYNT (staat een tijdlang als door den bliksem getroffen).

Neen maar,... heb je nu toch ooit...!

Zelfde plaats. Een uur later.

Peer Gynt bedachtzaam en nadenkend, trekt zijn Turksche kleeren uit,

stuk voor stuk. Het laatst haalt hij zijn reispetje uit zijn jaszak,

zet het op, en staat weer in zijn Europeesche kleeding.

PEER GYNT (terwijl hij den tulband ver van zich afgooit).

Daar ligt de Turk dan, en hier sta ik!...

Die heidensche boel deugt ook al niet.

't Was gelukkig, dat 't mij alleen zat in de kleeren,

En niet diep tot in 't merg was doorgedrongen...

Wat wou ik toch eigenlijk, vraag ik mij af?

Een mensch doet toch 't best als een christen te leven,

Te versmaden het kleurige pauwenkleed,

Zijn doen te steunen op wet en moraal,

Zich zelf te zijn, en ten slotte te krijgen

Een toespraak aan 't graf en een krans op de kist.

(doet eenige stappen).

Dat deerntje,... het scheelde zoo waar maar een haar,

Of door haar had 'k haast mijn verstand verloren.

'k Ben een kabouter als ik nòg recht begrijp

Wat het was, dat zóó me in de war gebracht heeft.

Nou goed: het is uit! Was één stap verder

De grap gegaan, was 'k belachlijk geworden.

'k Heb gefaald. Och ja;... maar het is toch een troost

Dat ik faalde als gevolg van mijn valsche positie.

Het was niet dezelfde persoon die nu viel.

Het is eigenlijk dat: als-profeet-moeten-leven,

Zoo gansch ontbloot van der werkzaamheid zout,

Dat nu zich met weeë smaakloosheid wreekte.

Een slechte betrekking profeet te zijn!

In dat beroep moet je zweven in wolken;...

Profetisch beschouwd heb je afgedaan

Zoodra als je optreedt nuchter en wakker.

In zoover heb ik de rol volgehouden,

Juist door dat gansje aldus te huldigen.

Maar, dat laat niet na...

(barst in lachen uit).

O, als ik 't bedenk!

Met trip'len en dansen mijn dagen vertreuz'len,

Zwemmen tégen den stroom al draaiend en kwisp'lend,

Kozen bij snarenspel, spelen en zuchten,

En eindigen als haan... met mij te laten plukken!

Voorwaar, mijn doen was profeetachtig dol...

Ja, plukken!... Jongens, wat bén ik geplukt;

Nou; iets hield ik gelukkig nog achter de hand;

Ik heb nog wat in Amerika, en wat in mijn zak;

Ben dus nog niet tot den bedelstaf gebracht.

En dit gemiddelde is in den grond het beste,

Nu ben ik niet afhanklijk van koetsier of paarden;

Ik heb niets te maken met koffers en karren;

Kortom, zooals 't heet, ik beheersch de positie...

Welken weg moet ik kiezen? Vele staan mij nu open;

En de keus doet een dwaas van een wijze onderscheiden.

Mijn zakenmans-leven is 'n afgedaan hoofdstuk,

Mijn minnarij is een afgelegd jasje.

Tot den kreeftengang voel ik volstrekt geen lust:

"Heen en terug, het is even lang;

Er uit of er in, 't is een zelfde gang,"...

Zoo staat er, meen 'k, in een geestig geschrift...

Dus weer iets nieuws; een verheffend werk,

Een doel, dat het geld en de moeite loont.

Mijn leven beschrijven, zonder iets te verbloemen...?

'n Boek, dienend tot wegwijzer, desnoods als voorbeeld...?

Of wacht...! 'k Heb den tijd gansch tot mijn beschikking...

Als 'k eens de begeerigheid van vroeger tijden,

Als een reizend geleerde ging bestudeeren...?

Ja waarlijk; dàt is nu net iets voor mij!

Kronieken las ik, toen 'k nog klein was,

En wetenschap heb ik ook later beoefend...

'k Zal volgen der menschheid oeroude baan!

'k Zal drijven op den stroom der historie als 'n veer,

Die weer doorleven, als in een droom,...

Der helden strijd zien, voor wat groot is en goed,...

Doch als toeschouwer maar, op een veilige plek,...

Zien denkers vallen, martelaars sneven,

Zien rijken stichten en rijken vergaan,...

Zien wereldmomenten uit het kleine ontstaan...

Kortom, 'k wil de heele historie afroomen...

Ik moet zien mij een Becker aan te schaffen,

En chronologisch te reizen zoo ver ik kan komen.

't Is waar... in geschiedenis ben ik niet sterk,

En hoe 't in elkaar zit begrijp ik nooit recht.

Maar och! waar 't uitgangspunt soms het gekst is,

Wordt dikwijls de oorspronklijkste uitkomst verkregen...

Hoe verheffend toch is 't zich een doel te kiezen,

En alles te willen om dat te bereiken!

(stil aangedaan).

Losmaken, scheuren familiebanden,

Alles wat bindt aan magen en vrienden,...

In de lucht laten vliegen je geld en goed,

Zeggen zijn liefdegeluk goeden nacht,...

Alles om te vinden der waarheid mysterie..

(droogt een traan af).

Dat is het kenmerk van 'n waar onderzoeker!

'k Gevoel mij toch zoo bovenmatig gelukkig

Nú weet ik dan 't raadsel van mijn bestemming.

Nu maar mij er doorslaan, door dik en dun!

't Is wel te vergeven dat ik 't hoofd hoog draag

En voel wat ik waard ben als man, Peer Gynt,

Ook wel genaamd de keizer van 't leven...

De som van 't verleden wil ik bezitten;

Nooit meer loopen der levenden wegen;...

Het heden is nog geen schoenzool waard;

Zonder merg of pit is der mannen gedoe:

Hun geest heeft geen vlucht, hun daden geen kracht;...

(haalt de schouders op).

En vrouwen,... dat 's maar een poover geslacht!...

Zomerdag. Hoog boven in 't Noorden. Een hut in 't bosch in de

bergen. Open deur met een groot houten slot. Een rendiergewei boven

de deur. Een troep geiten bij den muur van de hut staande.

Een vrouw van middelbare jaren, blond en mooi, zit te spinnen buiten

in den zonneschijn.

DE VROUW (werpt een blik op den weg beneden en zingt).

Misschien zullen winter en lente vergaan,

En zomer en herfst met stervende blaân...

Maar ééns zal je komen... mijn liefde gelooft!

En wachten zal ik... dat heb ik beloofd.

(lokt de geiten, spint en zingt weer).

God helpe je, waar je op aarde ook gaat,

God zegen je, als aan zijn voeten je staat!

Hier zal ik wachten van jaar tot jaar...

En wacht jij hier boven, dan vind ik je daar!

In Egypte. Morgenschemering. De Memnonszuil in het zand. Peer Gynt

komt aanloopen en kijkt een oogenblik rond.

PEER GYNT.

Hier kon ik, gevoeglijk mijn tocht beginnen...

Dus nu ben 'k Egyptenaar voor de verandring;

Maar Egyptenaar, steunend op 't Gyntsche ik;

Later denk ik dan naar Assyrië te gaan.

Te beginnen heelemaal met de schepping,

Zou enkel tijdverlies na zich slepen;...

'k Laat de bijbelsche historie er dus maar buiten,

Het spoor dáárvan vind 'k toch altijd terug;

En om, zooals 't heet, 't naadje van de kous te zoeken,

Ligt buiten mijn plan en buiten mijn kunnen.

(gaat op een steen zitten).

Nu ga ik wat rusten en wachten, geduldig,

Tot Memnon zijn morgenzang heeft voorgezongen.

Na 't ontbijt ga ik dan de Pyramide beklimmen;

Heb ik tijd, ga ik later er ook nog eens binnen.

Dan over land naar de Roode Zee;

Misschien vind ik daar Koning Potifars graf...

Dan ben ik Aziaat weer. In Babylon ga 'k zoeken

De wereldberoemde hangende tuinen,

Te weten, 't voornaamste spoor van cultuur.

En dan met een sprong naar Troja's muur.

Van Troja is er directe verbinding

Over zee, naar 't heerlijke, oude Athene;...

Daar wil 'k op de plaats zelf, goed bezien

En berijden, den pas dien Leonidas dekte;...

Dan maak 'k mij vertrouwd met de beste filosofen,

Zoek het huis op, waar Socrates stierf als offer...;

Neen, 't is waar ook,... daar wordt nu gevochten...!

Nou, dan moet 't Hellenisme maar blijven liggen.

(kijkt op zijn horloge).

't Is toch al te gek dat 'k zoo lang moet wachten

Vóór de zon opgaat. Mijn tijd is kort.

Dus 't oude Troja;... daar kwam ik van daan...

(staat op en luistert).

Wat is dat voor een wonderlijk ruischen en suizen?

(Zonsopgang).

DE MEMNONZUIL (zingt).

Uit Goddelijke asch verrijzen verjongende

Vogels, zingende.

Zeus, de Alwetende,

Schiep hen als strijdenden.

Wijsheidsuilen,

Waar slapen mijn vogels?

Gij moet sterven of raden

't Gezongen raadsel!

PEER GYNT.

Waarachtig,... klonk het niet of daar kwam

Geluid uit de zuil! Dat was oudheidsmuziek.

Ik hoorde het stijgen der stem en het dalen...

Dit zal ik noteeren. Iets voor de geleerden.

(noteert in zijn zakboekje):

"De zuil zong. Ik hoorde duidlijk het geluid,

Doch verstond van het lied de woorden niet heel goed.

Het geheel was natuurlijk zinsbedrog.

Anders niets belangrijks opgemerkt van daag."

(gaat verder).

Bij het dorp Gizeh. De groote, in de rotsen uitgehouwen sfinx. In de

verte de torens en minarets van Kaïro.

Peer Gynt komt op; hij bekijkt de sfinx aandachtig, dan door zijn

lorgnet, dan door de holle hand.

PEER GYNT.

Waar ter wereld heb ik toch vroeger gezien

Iets, dat mij herinnert aan dit model?

Want 'k héb 't gezien ergens, in Noord of Zuid.

Was het een persoon? En zoo ja dan, wie?

Hij, Memnon, dat viel mij achterna in,

Leek op den ouden Kabouterkoning,

Zoo als hij zat daar, stijf en strak,

Zijn zitvlak rustend op stompe zuilen...

Maar hier, dit tweeslachtige wonderdier,

Deze kruising, zoo vreemd, van leeuw en vrouw,...

Zit mij dit ook uit een sprookje in 't hoofd?

Of herinner ik 't mij uit de werkelijkheid?

Uit een sprookje? Wacht, nu weet ik het weer!

't Is Böjgen, zoo waar, dien ik sloeg op zijn kop,...

Dat 's te zeggen, ik droomde... want ik lag te ijlen...

(komt nader).

Net dezelfde oogen; en dezelfde lippen;...

Niet zoo dof, de oogen, wat meer geslepen;

Maar verder in hoofdzaak vrijwel dezelfde...

Zoo, zoo, jij Böjg; je lijkt op een leeuw,

Als men je ziet van achtren en ontmoet over dag!

Kan je nog wel raden? Dat zal 'k eens probeeren.

Nu zal 'k eens zien of je weer antwoordt als laatst!

(roept tegen de sfinx).

Zeg, Böjg, wie ben je?

EEN STEM (achter de sfinx).

Ach, Sfinx, wer bist du!

PEER GYNT.

Wat! De echo antwoordt in 't Duitsch! Merkwaardig!

DE STEM.

Wer bist du?

PEER GYNT.

En spreekt het daarbij uitstekend!

Die opmerking is van mij en nieuw.

(noteert in zijn zakboekje:)

"Echo in 't Duitsch. Dialect van Berlijn."

BEGRIFFENFELDT (komt van achter de sfinx te voorschijn).

Een mensch!

PEER GYNT.

Ah zoo! 't Was hij die sprak.

(noteert weer:)

"Kwam tot een ander besluit naderhand."

BEGRIFFENFELDT (onder allerlei zenuwachtige gebaren).

Mijnheer, excuseer...! Een levensvraag...!

Wat voert u op heden juist hierheen?

PEER GYNT.

Een bezoek. Ik begroet een vriend uit mijn jeugd.

BEGRIFFENFELDT.

Wat? De sfinx...?

PEER GYNT.

Is een kennis uit vroeger tijd.

BEGRIFFENFELDT.

Verbazend... En dat na dezen nacht!

Mijn voorhoofd hamert! Ik vrees dat 't zal barsten!

Kent u de sfinx? Antwoord! Spreek! Kan u zeggen

Wat zij is?

PEER GYNT.

Wat zij is? Ja, dat kan ik glad;

Zij is zich zelf.

BEGRIFFENFELDT (opspringend).

Ha, de oplossing flitste

Als 'n bliksemschicht daar!... Inderdaad? Weet u 't vast?

Zich zelf?

PEER GYNT.

Ja, dat zei zij mij ten minste.

BEGRIFFENFELDT.

Zich zelf! 't Uur der omwenteling naakt!

(neemt zijn hoed af).

O, uw naam, bitte sehr?

PEER GYNT.

Peer Gynt, met verlof.

BEGRIFFENFELDT (met stille bewondering).

Peer Gynt! Allegorisch! Dat was te verwachten...

Peer Gynt! Dat wil zeggen: de onbekende,...

De komende, wiens komst mij verkondigd was...

PEER GYNT.

Och, waarlijk? En komt u mij hier nu afhalen...?

BEGRIFFENFELDT.

Peer Gynt! Diepzinnig! Raadselvol! Scherp!

Ieder woord is een bron van diepe wijsheid!

Wat is u?

PEER GYNT (bescheiden).

'k Heb altijd getracht te wezen

Mij zelf. En ovrigens, hier is mijn pas.

BEGRIFFENFELDT.

Alweer dat raadselvolle woord op den bodem!

(grijpt hem bij den pols).

Naar Kaïro! Der navorschers keizer is gevonden!

PEER GYNT.

Keizer?

BEGRIFFENFELDT.

Kom!

PEER GYNT.

Ben ik waarlijk bekend...?

BEGRIFFENFELDT (terwijl hij hem meetrekt).

Der navorschers keizer... op grondslag van het zelf!

In Kaïro. Een groote binnenplaats met hooge muren, omgeven door

gebouwen. Getraliede vensters; ijzeren kooien.

Drie oppassers op de binnenplaats. Een vierde komt op.

DE KOMENDE.

Schafmann, zeg eens, waar is de directeur?

EEN OPPASSER.

Van morgen heel vroeg al uitgereden.

DE EERSTE.

'k Geloof dat hem iets aakligs is overkomen;

Want van nacht...

DE TWEEDE.

Sst, wees stil; hij is daar aan de deur!

(Begriffenfeldt leidt Peer Gynt binnen, sluit de deur en steekt den

sleutel in zijn zak).

PEER GYNT (in zich zelf).

In waarheid, een uiterst begaafde man;

Bijna al wat hij zegt gaat boven mijn begrip.

(kijkt rond).

Dus dit hier is de geleerden-club?

BEGRIFFENFELDT.

Hier zijn ze allen, de heele troep;...

Een zeventig navorschers en geleerden,

Sedert kort nog tot honderd en drie vermeerderd...

(roept tegen de oppassers).

Michel, Schlingelberg, Schafmann, Fuchs,...

Gauw in je kooien, een, twee, drie!

DE OPPASSERS.

Wij?

BEGRIFFENFELDT.

Dramatische Werken: De comedie der liefde; Brand; Peer Gynt · 第 20 / 24 段