'k Zag in dat 't geen geschikt bedrijf
Meer was voor iemand op mijn leeftijd.
Men weet toch niet wanneer het afloopt.
En dan de strikken ons gespannen
Door 't heele filantropen-heir,
Om van de kapers niet te spreken,
En risico van wind en weer.
Dat alles samen gaf den doorslag.
Ik dacht: Kom Peter, reef de zeilen;
En zie wat je nog goed kunt maken.
Zoo kocht ik dan wat land in 't Zuiden,
Behield den laatsten vleeschimport,
Die prima kwaliteit ook was.
Zij tierden, werden rond en vet,
Dat het voor hen en mij een lust was.
Ja, ik durf zeggen, zonder grootspraak,
Dat ik voor hen was als een vader,...
Wat dan ook goede renten opbracht.
Ik bouwde scholen, dat behoorlijk
De deugd bestendig blijven zou
Op 'n zeker algemeen niveau,
En zag streng toe dat onder 't peil nooit
Haar thermometer even zakte.
Nu trouwens heb ik dan ook dáárvan
Teruggetrokken mij geheel;...
'k Heb de plantage met het heele
Gedoe verkocht met huid en haar.
Ten afscheid gaf ik allen nog,
Zoo groot als klein, ook gratis grog.
Toen kreeg al 't volk een flinken roes,
De weduwen daarbij nog snuif.
Kijk, daarom hoop ik, in zoover
Dat woord geen holle frase is:
Hij, die geen kwaad doet, die doet goed,...
Zoo is mijn vroeg're schuld gedelgd;
En meer dan velen kan ik steunen
Mijn zonden, met veel goede werken.
V. EBERKOPF (klinkt met hem).
Wat is 't opbouwend hier te hooren
Een theorie tot daad gemaakt,
Ontdaan van nevelen en nacht,
Trots al het uiterlijk gebeuren!
PEER GYNT (die onder het voorgaande de verschillende flesschen vlijtig
heeft aangesproken).
Wij, volk van 't Noorden, wij verstaan het
Ons door te slaan! 't Geheim daarvan,
Door 't leven heen, is doodgewoon:
Hoû je ooren altijd stevig dicht,
Dat er geen adder binnen sluipe.
MR. COTTON.
Wat voor een adder, waarde vriend?
PEER GYNT.
Een kleintje, maar een sterk verleidende
Tot 't eens-en-voor-altijd beslissende. (drinkt weer.)
De heele kunst om wat te wagen,
Den moed te hebben van zijn daad,...
Is die: te staan voor vrije keus
Op 's levens duizend slingerpaden...
Te weten vast, dat alle dagen
Niet uit zijn met één dag van strijd,...
Te weten dat er open staat
Een brug, die u terug kan voeren.
Die theorie hield mij steeds óp;
Die heeft gekleurd mijn levenswandel.
En dat beginsel is een erfstuk
Van mijn voorvaderlijk geslacht.
MR. BALLON.
U is een Noor?
PEER GYNT.
'n Geboren Noor;
Maar wereldburger van gemoed.
Wat van 't geluk mijn aandeel werd,
Dank ik meest aan Amerika.
Mijn welvoorziene boekenplanken
Aan Duitschlands jongere geleerden.
Uit Frankrijk kreeg 'k, behalve vesten,
Manieren en mijn beetje geest,...
Van England leerde ik zaken doen
Met scherpen blik op eigen voordeel.
De Joden leerden mij te wachten.
Wat zin voor dolce far niente
Kreeg 'k van Italië meegegeven...
En één keer, in het nauw gedreven,
Verweerde ik mij, redde ik mijn leven,
Door middel van het Zweedsche staal.
TRUMPETERSTRAALE (heft zijn glas op).
Ja, 't Zweedsche staal...!
V. EBERKOPF.
Hem, die 't gebruikte
Laat allereerst ons hulde brengen!
(Zij klinken en drinken met hem. Zijn hoofd begint warm te worden).
MR. COTTON.
Dit alles is heel mooi en goed;...
Maar Sir, nu zou 'k zoo gaarne weten
Wat u met al uw geld wil doen?
PEER GYNT.
Hm; hoe zoo, doen?
ALLE VIER (schuiven naderbij).
Ja, laat eens hooren.
PEER GYNT.
Nu, 'k wil vooreerst nog wat gaan reizen.
Kijk, daarom nam 'k u mee aan boord,
Tot reisgezelschap, in Gibraltar.
'k Verlangde naar een vriendenkring
Om rond mijn gouden kalf te dansen.
V. EBERKOPF.
Heel geestig dat!
MR. COTTON.
Maar niemand hijscht er
Zijn zeil uitsluitend om te zeilen.
U heeft een doel, dat kan niet missen,
En 't doel is...?
PEER GYNT.
Ik wil keizer worden.
ALLE VIER.
Wat?!
PEER GYNT (knikt).
Keizer!
DE HEEREN.
Waar?
PEER GYNT.
In heel de wereld!
MR. BALLON.
Hoe dat, mijn vriend...?
PEER GYNT.
Wel, door mijn geld!
Het plan is heelemaal niet nieuw;
Het was de ziel van al mijn tochten.
Als jongen reed ik in mijn droomen
Ver op de wolken over zee,
Steeg op met zwaard en langen mantel...
En kwam pardoes omlaag getuimeld.
Maar 't doel bleef vast bij mij bestaan.
Er is geschreven of gezegd
Hier of daar, ik weet niet meer waar,
Dat als heel de aarde hij gewint
En toch zich zelf verliest, een man
Niets meer wint dan een doornenkroon.
Zoo staat er... of iets dergelijks;
En in dat woord ligt heel veel waars.
V. EBERKOPF.
Maar wat is dan dat Gyntsche Ik?
PEER GYNT.
De wereld hier, achter mijn voorhoofd,
Die maakt dat 'k niemand ben dan ik,
Als God, God, niet de duivel is.
TRUMPETERSTRAALE.
Ja, nu begrijp ik de bedoeling!
MR. BALLON.
Subliem als denker!
V. EBERKOPF.
Hoog als dichter!
PEER GYNT (in stijgende opwinding).
Het Gyntsche Ik,... dat is het heir
Van wenschen, lusten en begeerten,...
Het Gyntsche Ik, dat is de zee
Van eischen, invallen, verlangens,
Van alles wat mijn borst doet zwellen,
En maakt dat ik als Gynt moet leven.
Maar zooals God behoeft de aarde
Zal hij bestaan als 's werelds God,
Zoo heb ook ik aan geld behoefte
Zal ik een echte keizer zijn.
MR. BALLON.
Maar geld, dat heeft u!
PEER GYNT.
Niet genoeg.
Ja, mooglijk voor een dag of vier, vijf,
Als keizer à la Lippe-Detmold.
Maar ik wil zijn mijzelf en bloc,
Wil Gynt zijn waar ik ga of sta,
Sir Gynt zijn, zeg 'k, van top tot teen!
MR. BALLON (meegesleept).
Bezitten 's werelds grootste schoonheid!
V. EBERKOPF.
Het oudste merk Johannisberger!
TRUMPETERSTRAALE.
Van Koning Karel al de zwaarden!
MR. COTTON.
Maar eerst een gunstige belegging
Die goed rendeert...
PEER GYNT.
Die 's al gevonden;
En daarom liet 'k hier 't anker vallen.
Van avond gaan wij noordwaarts op.
Couranten die ik kreeg aan boord
Berichten me een gewichtig nieuwtje...!
(staat op met opgeheven glas).
't Is of 't geluk niet uit kan scheiden
Om hem te helpen, die zelf "pluck" heeft...
DE HEEREN.
Nu? Zeg eens...
PEER GYNT.
Hellas is in oproer.
ALLE VIER (opspringend).
Wat! De Grieken...?
PEER GYNT.
Zijn opgestaan.
DE VIER.
Hoera!
PEER GYNT.
De Turk zit in de klem! (drinkt zijn glas uit).
MR. BALLON.
Naar Hellas! Op! Tot roem en eer!
Ik help mee met mijn Fransche zwaard!
V. EBERKOPF.
Ik met oproepen... uit de verte!
MR. COTTON.
Ik eveneens... met leverantie!
TRUMPETERSTRAALE.
Uit Bender haal 'k terug de sporen
Door Koning Karel daar verloren!
MR. BALLON (valt Peer Gynt om den hals).
Vergeef mij, dat 'k, een oogenblik
U heb miskend!
V. EBERKOPF (drukt hem de handen).
Ik domme eend
Ik hield u haast voor een schavuit.
MR. COTTON.
Dat is te sterk; wel voor een dwaas...
TRUMPETERSTRAALE (wil hem kussen).
Ik, oome Gynt, voor 'n exemplaar
Van 't ergste Yankee-volk-gespuis...!
Vergeef mij...!
V. EBERKOPF.
Allen dwaalden wij...
PEER GYNT.
Wat moet dat toch?
V. EBERKOPF.
Vereenigd zien wij
Nu schitterend 't heele Gyntsche heir
Van wenschen, lusten en begeerten...!
MR. BALLON (bewonderend).
Zoo doet dus Monsieur Gynt zich kennen!
V. EBERKOPF (evenzoo).
Dat noem ik eerst Gynt zijn met eere!
PEER GYNT.
Maar zegt mij toch...?
MR. BALLON.
Begrijpt u 't niet?
PEER GYNT.
Ik laat mij hangen als ik 't doe!
MR. BALLON.
Comment donc? Zet u dan niet koers
Naar Griekenland met schip en geld?
PEER GYNT (fluit spottend).
Neen, dank je wel! Ik steun den sterksten
En leen den Turk mijn zilverlingen.
MR. BALLON.
Niet mooglijk!
V. EBERKOPF.
Wel geestige ironie!
PEER GYNT (zwijgt even, leunt op een stoel en neemt een voornaam
air aan).
Hoort nu eens, heeren, 't lijkt mij best
Te scheiden, vóór de laatste rest
Van vriendschap gansch opgaat in rook.
Wie niets bezit kan licht wat wagen.
Wie van de wereld niets beheert
Dan 't streepje grond dat hij beschaduwt,
Is voor kanonvleesch als gemaakt.
Maar heeft zijn schaapjes men op 't droge
Als ik, dan is de inzet grooter.
Gaat u naar Hellas! Ik zend, gratis
Gewapend, u er allen heen.
Hoe meer u aanmoedigt den strijd,
Hoe beter ik den boog kan spannen.
Dus òp voor vrijheid en voor recht!
Loopt storm! Maakt het den Turken heet!
En sluit met eere dan uw loopbaan
Op spitse Janitscharen-lansen...
Maar excuseert mij. (klopt op zijn zak).
Ik heb geld
En ben mijzelf, Sir Peter Gynt.
(Hij steekt zijn zonnescherm op en gaat naar het boschje waar de
hangmatten hangen).
TRUMPETERSTRAALE.
Wat een zwijnjak!
MR. BALLON.
Voelt niets voor eer!
MR. COTTON.
Och eer, nou ja, dat zegt niet veel;
Maar denkt eens wat een kans voor ons
Als de opstand lukt en 't land wordt vrij...
MR. BALLON.
Ik zag mij al als overwinnaar!
Omringd van mooie Grieksche vrouwtjes!
TRUMPETERSTRAALE.
Ik zag al in mijn Zweedsche handen
De eens verloren heldensporen!
V. EBERKOPF.
'k Zag de beschaving van heel 't land
Uitgaande van mijn vaderland...
MR. COTTON.
Het ergst is 't materieel verlies.
Goddam! 'k Zou tranen kunnen storten!
'k Zag mij al als Olymp-bezitter.
Als 't waar is wat er wordt gezegd,
Moet men er kopermijnen vinden,
Die te exploiteeren zouden zijn.
En daarbij die rivier Kastale,
Waarvan zooveel al is verteld,
Met vallen, die men laag gesteld,
Op meer dan duizend paardenkracht schat...!
TRUMPETERSTRAALE.
Toch wil ik gaan. Mijn Zweedsche zwaard
Is meer dan Yankee-dollars waard!
MR. COTTON.
Misschien; maar eenmaal in 't gedrang
Verdrinken wij gauw in de massa;
En waar blijft dan de kans op voordeel?
MR. BALLON.
Verdomd! Zoo dicht bij zijn geluk zijn...!
En plotsling het te zien verzinken!
MR. COTTON (met gebalde vuisten tegen het jacht).
Daarginder in die zwarte kast ligt
't In goud verkeerde negerbloed!...
V. EBERKOPF.
Een koninklijke inval! Komt!
Zijn keizerrijk is naar de maan!
Vooruit!
MR. BALLON.
Wat wil u?
V. EBERKOPF.
'k Wil de macht!
Het scheepsvolk is wel om te koopen.
Aan boord! Ik annexeer het jacht!
MR. COTTON.
U... wát...?
V. EBERKOPF.
Ik pak wat 'k krijgen kan
(loopt naar de sloep toe).
MR. COTTON.
Mijn eigen welzijn eischt volstrekt
Dat 'k ook wat pak. (volgt hem).
TRUMPETERSTRAALE.
Wat een schavuit!
MR. BALLON.
Een boevenstuk is 't!... Maar... enfin!
(volgt de anderen).
TRUMPETERSTRAALE.
Dan moet ik ook wel mee in 't schuitje;...
Doch onder hevig protesteeren...!
(volgt hem).
Een andere plek aan de kust. Maneschijn en drijvende wolken. Het
jacht ver weg in zee onder vollen stoom.
Peer Gynt loopt langs het strand. Dan knijpt hij zich in zijn arm,
dan weer staat hij in zee te turen.
PEER GYNT.
Nachtmerrie!... Droom!... Aanstonds ontwaak ik!
't Jacht steekt in zee! En in razende vaart!
't Is verbeelding! Ik slaap! Ik ben dronken en gek!
(wringt de handen).
Het gaat toch niet aan dat ik sterven ga!
(trekt zich aan de haren).
Een droom! Ik wil het... 't Moet zijn een droom!
Ontzettend! Och neen, het is waarheid, helaas!
Zulke schurken van vrienden...! Verhoor mij, o Heer!
Gij zijt immers wijs en rechtvaardig...! O, straf...!
(met opgeheven armen).
Ik ben het, Peer Gynt! Lieve Heer, o zie toe!
Ontferm u mijner, anders moet ik vergaan!
Laat hen achteruit stoomen! Laat hen de boot neerlaten!
Houd de dieven! Maak iets onklaar aan het tuig!
Hoor mij! Laat andere zaken liggen!
De wereld redt wel zich zelf, in dien tijd...
Och hemel, hij hoort niet! Hij is doof als gewoonlijk!
Dat 's wat moois! Een God die geen uitkomst weet!
(wenkt naar boven).
Psst! 'k Heb gedaan met die negerplantage!
Ik heb zendelingen overgezonden naar Azië!
De eene dienst is toch den anderen waard!
Och, help mij aan boord...!
(Een vuurstraal schiet òp uit het jacht en een dikke rookwolk stijgt
op; men hoort een doffen knal; Peer Gynt geeft een gil en zinkt neer
in het zand; langzamerhand trekt de rook op; het schip is verdwenen).
PEER GYNT (bleek en zachtjes).
Dat was 't straffend zwaard!
Verzonken op slag met man en muis!
O, gezegend zij 't toeval en mijn geluk... (aangedaan).
't Toeval? O, neen, het was meer dan dat.
Mij moest hij redden; zij moesten vergaan.
O lof en dank, dat gij mij bewaard hebt,
Een oog op mij hieldt, trots al mijn gebreken...
(haalt diep adem).
Wat een heerlijke gerustheid en troost
Is 't zich zoo apart beschermd te weten.
Maar hier in de woestijn! Waar vind 'k wat te eten?
Och, ik vind toch wel iets. Dat is zijn zaak nu.
Het is niet zoo gevaarlijk;... (luid en vleiend).
hij zal niet willen
Dat ik, kleine armzalige musch, zal vergaan?
Maar nederig van zin zijn. En hem gunnen den tijd.
Laat den Heer zorgen. Niet het hoofd laten hangen...
(schrikt plotseling op).
Was dat een leeuw, die daar knorde in 't riet...?
(klappertandend).
Neen, het was toch geen leeuw. (vermant zich).
Een leeuw, wel waarom niet!
Die beesten, die blijven wel op een afstand,
't Is geen zaak te beginnen met wie de baas is.
Zij hebben instinkt;... zij voelen, dat 's zeker,
Dat 't gevaarlijk is te spelen met olifanten...
Maar alével... ik ga zoeken naar een boom.
Daarginder wuiven acacia's en palmen.
Als 'k daarin kan klimmen, zit ik veilig en kalm;...
Vooral als ik daarbij kende een paar psalmen...
(klautert naar boven).
De ochtend is niet aan den avond gelijk;
Dat woord is al dikwijls gewikt en gewogen.
(gaat op zijn gemak zitten).
Hoe heerlijk zijn geest zoo verlicht te voelen.
Edel te denken is meer dan zich rijk te weten.
Maar vertrouwen op hem. Hij weet wel hoeveel
Als lijdenskelk, ik voor mij, kan verdragen.
Hij voelt vaderlijk ook jegens mijn persoon...
(werpt een blik op de zee en fluistert met een zucht):
Maar econoom,... neen, dat is hij niet!
Nacht. Een Marokkaansch kamp op de grens der woestijn. Wachtvuren en
rustende soldaten.
EEN SLAAF (komt op, zich de haren uittrekkend).
's Keizers witte paard is verdwenen!
EEN TWEEDE SLAAF (komt op, zijn kleeren verscheurend).
's Keizers heilig gewaad is gestolen!
OPZICHTER (komt op).
Honderd slagen op de voetzool
Krijgt wie niet den dief kan vangen!
(De soldaten stijgen te paard en galoppeeren in alle richtingen weg).
Dageraad. Een boschje van palmen en acacia's.
PEER GYNT (op een boom met een afgebroken tak in de hand, houdt zich
een troep apen van het lijf).
Fataal! Een allerellendigste nacht! (slaat om zich heen).
Nu gooien zij met vruchten. Neen, dat 's wat anders.
Akelige dieren zijn apen toch!
Er staat wel geschreven: gij zult waken en vechten;
Maar ik kan waarachtig niet; ik ben stijf en moe.
(wordt weer geplaagd; ongeduldig).
'k Moet zien dat 'k een eind aan die kwelling maak!
'k Moet zien een van die kerels te vangen,
Hem hangen en villen, en met zijn vel
Bedek ik mijzelf, zoo goed als 't gaat;
Dan houden de andren mij voor een echten...
Wat zijn wij menschen? Niet meer dan een zucht.
En men moet zich wat voegen naar landsgebruik...
Alweer een troep! Dat kruipt en krioelt...
Ga je! Kischt! Zij doen of ze gek zijn.
Had ik nu maar een verdwaalden staart!...
Iets dat mij zoowat op 'n dier deed gelijken...
Wat 's dat? Nu hokken ze boven mijn hoofd...!
(kijkt naar boven).
Die oude,... zijn vuisten vol vuil of drek...!
(kruipt angstig in elkaar en houdt zich een poosje stil. De aap maakt
een beweging; Peer Gynt begint te lokken en liefjes te praten als
tegen een hond).
Zoo,... ben je daar, jij oude Sim!
Hij is braaf, ja, niet waar! Hij wil aangehaald worden!
Hij zal niet gooien;... hij denkt er niet aan...
Kent mij wel! Piep-piep! Wij zijn goede vrienden!
Ai-ai! Hoor je wel dat ik je taal kan spreken?
Sim en ik, wij zijn nog familie, niet waar?
Morgen krijgt Sim wat lekkers, hoor...! Jij beest!
Heel de lading over mij heen! Bah! Wat een smerigheid!..!
Of was 't eten misschien? Aan den smaak was 't niet te kennen;
Maar wat smaak betreft doet gewoonte het meest;
Wie was ook weer de denker, die eens heeft gezegd:
Men spuwt maar en moet hopen dat 't wennen zal...?
Daar heb je ook de jongen! (vecht en slaat).
't Is toch al te gek,
Dat de mensch, die toch heet heer der schepping,
Zich genoodzaakt ziet tot...! Politie! politie!
Gemeen was de oude, maar de jongen zijn erger!
Vroege morgenstond. Een rotsachtige streek met uitzicht op de
woestijn. Aan den eenen kant een bergkloof en een hol. Een dief en
een heler in de kloof met het paard en het gewaad van den keizer. Het
paard, rijk opgetuigd, staat aan een steen vastgebonden. Ruiters in
de verte.
DE DIEF.
Blinkende, flikkerende
Punten van lansen,...
Kijk! Kijk!
DE HELER.
Ik voel al mijn kop
In 't zand wegrollen.
Wee! Wee!
DE DIEF (kruist zijn armen over de borst).
Mijn vader was 'n dief;
Zijn zoon moet stelen.
DE HELER.
Mijn vader was 'n heler;
Zijn zoon moet helen.
DE DIEF.
Je lot moet je dragen;
Je zelf moet je wezen.
DE HELER (luisterend).
Voetstappen in 't hout!
Gauw weg! Maar waar?
DE DIEF.
Diep is het hol,
En groot de Profeet!
(Zij vluchten en laten hun buit in den steek. De ruiters verliezen
zich in de verte).
PEER GYNT (komt op, een fluitje van riet snijdend).
Wat een verrukkelijke morgenstond!...
De mestkever rolt zijn ballen van mest,
De slak kruipt uit haar slakkenhuis.
D'ochtendstond ja, heeft goud in den mond.
Het is in den grond toch 'n merkwaardige macht,
Die in 't daglicht aldus de natuur heeft gelegd.
Men voelt zich zoo kalm, voelt zijn moed weer groeien.
Zou wel durven 't desnoods met een os op te nemen...
Wat een stilte in 't rond! Ja, de landlijke vreugden...
Onbegrijplijk toch dat ik ze vroeger versmaadde;
Dat men zich opsluit in groote gebouwen,
Om allerlei volk in huis te halen...
Och, kijk, wat heeft 't hagedisje het druk,
Hapt maar en denkt verder aan niemendal!
Wat een onschuld toch in 't leven van zoo'n dier.
Elk volgt zijns Scheppers gebod in gehoorzaamheid,
Bewaart onvervreemdbaar zijn eigenaardigheid,
Is zich zelf, zich zelf in spel en strijd,
Zich zelf, zoo als het werd, toen voor 't eerst het werd.
(zet zijn lorgnet op).
Een padde. Midden in een zandsteenblok.
Versteening rondom. Alleen de kop er uit.
Daar zit ze nu te kijken als door een ruit,
Naar de wereld en is zich zelf... genoeg... (denkt na).
Genoeg? Zich zelf...? Waar staat dat ook weer?
Ik las het als jongen in 'n godsdienstig boek.
Was 't in den bijbel? Of in Salomons spreuken?
Treurig; ik merk dat jaar op jaar
Mijn geheugen afneemt voor tijd en plaats.
(gaat in de schaduw zitten).
Hier is 't lekker koel rusten... nu even uitblazen.
Kijk, hier groeien varens. Eetbare wortels. (proeft er van).
't Is wel meer eten voor 't redelooze vee;...
Maar er staat geschreven: dwing je natuur!
En verder staat er: hoogmoed moet men buigen.
En wie zich vernedert zal worden verhoogd. (onrustig).
Verhoogd? Ja, zeker, dat gebeurt met mij;...
Iets anders laat zich onmogelijk denken.
't Fatum helpt mij wel dat 'k hier van daan kom,
Zal 't aanleggen zóó dat ik hooger stijg.
Dit is een beproeving; later komt er verlossing,...
Als de Heere mij maar gezond blijven laat.
(schudt die gedachten van zich af, steekt een sigaret op, strekt zich
uit en staart over de vlakte van de woestijn).
Wat een onmetelijk, grenzenloos vlak.
Heel in de verte wandelt een struis...
Wat of toch Gods bedoeling kon zijn
Met het scheppen van al dat leege en doode,
Dat, wat ontbeert alle levensbronnen;
Dat verzengde, dat niemand ten goede komt;...
Dat stuk van de wereld, dat daar ligt braak;
Dat lijk, dat nooit sinds het uur der schepping,
Zijn Schepper zooveel als dank heeft gebracht!
Waar dient het voor?... De natuur is verkwistend...
Is dat de zee, daar in 't oosten, dat vlakke,
Daar schitt'rend? Neen, 't is maar zinsbedrog,
De zee is in 't westen; daarachter, en hooger,
Afgedamd door een glooiende heuvelrij.
(een gedachte gaat door zijn hoofd).
Afgedamd? Dus dan kon ik...! De heuvels zijn smal;
Afgedamd? Een doorbraak maar, een kanaal,...
Als een levensstroom zou het water zich storten
Door de geul en vullen de gansche woestijn!
Gauw zou dat heele gloeiende graf
Worden een frissche, golvende zee.
Tot eilanden werden dan de oasen,
Groen rees de Atlas als noordlijke grens;
Zeilschepen zouden, als vogels, doorklieven
't Pad, voor karavanen tot heden bestemd.
Frissche lucht zou er verdrijven de heete
Dampen,... uit wolken druppelen dauw;
Stad aan stad zou er bouwen het volk,
En gras zou er groeien om wuivende palmen.
In 't zuiden werd 't land, achter Sahara's muur,
Een kustland met nieuwe, verjongde cultuur.
Stoom zou er drijven Tomboektoe's fabrieken;
Bornoe werd ras gekoloniseerd;
Veilig door Habes reed dan de explorator
In zijn waggon naar den Boven-Nijl.
Midden in zee, op een vette oase,
Wil 'k overplanten het Noorsche ras;
't Bloed van mijn dalvolk is bijna vorstlijk;
Kruising met 't Arabische doet dan de rest.
Rondom een bocht, op een rijzende kust,
Zal ik de hoofdstad, Peeropolis, stichten.
De wereld is afgeleefd! Nu komt de beurt
Aan Gyntiana, mijn jonge land!
(springt op)
Alleen maar kapitaal, dan is 't gebeurd...
Een gouden sleutel voor de poort der zee!
'n Kruistocht tegen 't doode! Kom! Open de zakken
O, schraper, door u angstvallig bewaakt.
Men gloeit voor vrijheid in alle landen;...
Als de ezel van Noach wil 'k over de wereld
Uitzenden een kreet, den bevrijdingsdoop brengen
Aan de heerlijke, zwoele, wordende stranden.
Ik moet voort! Kapitaal uit het Oosten of 't Westen!
Mijn rijk,... de helft in 't Oosten of 't Westen!
Mijn rijk,... mijn halve rijk voor een paard!
(het paard hinnikt in de rotskloof).
Een paard! En kleeren...! Juweelen,... en wapens!
(komt naderbij).
Onmooglijk! Ja, waarlijk...! Ik las wel eens
Ergens, dat willen kan bergen verzetten;...
Maar dat het óók kan verzetten een paard...!
Onzin! 't Is mijn Fatum, dat hier een paard staat...
"Ab esse ad posse" en wat verder mag volgen...
(trekt de kleeren aan over de zijne en bekijkt zich).
Sir Peter,... een Turk van top tot teen!
Een mensch weet toch nooit wat er kan gebeuren...
Spoed je, Grane, mijn klepper fier!
(bestijgt het paard).
Gouden pantoffels tot steun voor mijn voeten!
Aan 't paardentuig kent men de groote heeren!
(hij galoppeert de woestijn in).
Tent van Arabieren-opperhoofd, alleen-staand in een oase. Peer Gynt
in zijn Turksche kleeding rustend op kussens. Hij drinkt koffie en
rookt uit een lange pijp. Anitra en een troepje meisjes dansen en
zingen voor hem.
KOOR VAN MEISJES.
De Profeet is gekomen!
De Profeet, de heer, de alles wetende!
Tot ons, tot ons is hij gekomen,
Over de zandwoestijn rijdende!
De Profeet, de heer, de nooit mistastende.
Tot ons, tot ons is hij gekomen,
Door de zandwoestijn zeilende!
Roert fluiten en trommels,
De Profeet, de Profeet is gekomen!
ANITRA.
Zijn klepper is blank als de melkstroom,
Die golvend door 't Paradijs vloeit.
Zinkt op de knieën! Buigt 't hoofd in ootmoed!
Zijn oogen zijn sterren, blinkend en blijde.
Maar geen schepsel verdraagt
Den schitt'renden glans van dier sterren stralen!
Door de zandzee kwam hij.
Goud en paarlen ontsprongen aan zijn borst.
Waar hij reed werd het licht.
Achter hem werd het donker.
Achter hem woedde Samoem,... werd dorheid.
Hij, de heerlijke, kwam!
Door de zandzee kwam hij,
Versierd als een zoon der aarde,
Kaba, Kaba, staat leeg;...
Hij heeft 't zelf verkondigd!
KOOR VAN MEISJES.
Roert fluiten en trommels,
De Profeet, de Profeet is gekomen;
(De meisjes dansen op gedempte muziek).
PEER GYNT.
Ik las eens gedrukt... en het woord is waar...
"Niemand wordt profeet in zijn eigen land."...
Dit leven hier bevalt mij veel beter
Dan dat daarginds, onder Charlestowns reeders.
Er was iets hols in die heele zaak,
Iets vreemds, onzuivers, dat altijd bleef;...
Ik voelde mij nooit recht op mijn gemak,
En nooit zoo heelemaal man van 't vak.
Wat deed ik daar eigenlijk, vraag ik mij af?
Als een molenpaard altijd maar in de zaken;
Als ik het bedenk, kan ik 't niet begrijpen;...
Het kwam zoo; dat is het heele geval...
Zich zelf te zijn, gebaseerd op goud,
Dat is als zijn huis te bouwen op zand.
Voor ringen en kettingen en de rest,
Kwisp'len de menschen en kruipen in 't slijk;
Zij nemen hun hoed af voor 'n dasspeld met kroon,
Maar een ring of speld is toch niet de persoon...
Profeet;... kijk, dat 's een zuivre positie.
Dan weet men op welken voet men staat.
Gaat het òp, dan is men 't toch zelf, die ontvangt
De hulde, en niet zijn pond sterling of shilling.
Men is, wat men is, eenvoudig-weg;
Geen toeval of kans is men dank verschuldigd,
Men steunt ook niet op patent of vergunning...
Profeet;... ja, dat is net iets voor mij.
En ik werd het zoo uiterst onverwacht,...
Uitsluitend doordat ik reed door de woestijn,
En deze natuurkindren trof op mijn weg.
De Profeet was gekomen; daarmee was 't klaar.
Het lag waarlijk niet in mijn plan te bedriegen;
Profetisch te antwoorden is ook geen liegen,
En terugtrekken kan ik mij altijd nog.
Ik ben niet gebonden; dat is buiten kwestie;...
't Geheel is meer een persoonlijk geval;
Ik kan gaan als ik kwam; mijn paard staat gereed
In 't kort, ik ben meester van de positie.
ANITRA (nadert den ingang van de tent).
Profeet en heerscher!
PEER GYNT.
Wat begeert mijn slavin?
ANITRA.
Wachtend voor uw tent staan der vlakte zonen;
Zij vragen uw aangezicht te mogen...
PEER GYNT.
Stop!
Zeg hun, dat zij er maar gauw van doorgaan:
Zeg hun, dat 'k van ver hun gebeden wel hoor.
Voeg er bij, dat ik hier geen manvolk wil hebben!
Mannen, mijn kind, zijn ellendig volk,...
Echte smeerlappen, zoo als men het noemt!
Anitra, je kunt niet begrijpen, mijn kind,
Hoe gemeen... ik bedoel, hoe zondig zij zijn!...
Nou ja; al genoeg. Danst voor mij, kindren!
De Profeet wil droevig herdenken vergeten.
DE MEISJES (dansend).