Je zondt mij een boodschap door kleine Helga;

Vele bracht nog later heimlijk de wind mij.

'n Boodschap was al wat je moeder vertelde,

'n Boodschap mijn droom als 'k te slapen mij legde.

Nachten zoo droef, en zoo leeg al de dagen,

Zeiden het mij, dat ik nu moest komen.

Als uitgebluscht was het leven daarginder;

Ik kon niet van harte meer lachen of schreien.

Ik wist niet heel zeker wat in jou omging;

Ik wist alleen maar, dat het mij naar je toe drong.

PEER GYNT.

Maar je vader?

SOLVEJG.

Op Gods wijde wereld

Heb 'k niemand, die vader of moeder mij is.

Ik ben los nu van allen.

PEER GYNT.

Solvejg, jij lieve,

Om de mijne te zijn?

SOLVEJG.

Ja, alleen de jouwe;

Jij moet alles mij zijn; mijn thuis en familie.

(schreiend).

't Ergst was het mijn zusje achter te laten;...

Maar erger toch nog van vader te gaan;

Maar 't allerergst te scheiden van moeders borst;...

Neen, God vergeef mij, 't ergst nog van alles

Was de smart van 't heengaan van allen... allen!

PEER GYNT.

En ken je mijn vonnis in 't voorjaar geveld?

Dat scheidt mij voor goed van huis en hof.

SOLVEJG.

Denk je soms dat ik voor wereldsche have

Voor altijd van die mij lief waren scheidde?

PEER GYNT.

En weet je ook, dat ik, eens buiten het bosch,

Mag opgepakt worden als iemand mij ziet?

SOLVEJG.

Op sneeuwschoenen liep ik, en vroeg naar den weg;

Zij vorschten waar 'k heen moest; ik antwoordde: naar huis.

PEER GYNT.

Weg dan met al die spijkers en planken.

Geen grendels nu meer tegen nijdige dwergen.

Durf jij voortaan bij den jager te blijven,

Dan zal mijn hut ook gewijd zijn, dat weet ik.

Solvejg! 'k Moet je aanzien! Niet al te dicht bij!

Aanzien alleen maar! Wat ben je toch stralend blank!

Je óplichten even! Wat ben je toch licht en teer!

Als ik je dragen moet, Solvejg, word ik nooit moe!

'k Zal je niet vuil maken. Met gestrekte armen

Hou ik je voor mij uit, jij lieve, barmhartige!

Wie had ooit gedacht dat ik je zou dragen...!

O maar, naar je verlangd heb ik nachten en dagen.

Hier, zie je, heb ik getimmerd en gebouwd;

Maar dat moet nu weer weg; 't is hier arm en kaal...

SOLVEJG.

Of arm of rijk,... het is hier naar mijn zin.

Je ademt zoo vrij in den bergkoelen wind...

Beneden was 't bedompt; daar had ik het benauwd;

Dát was het óok wel wat uit 't dorp mij heeft gejaagd.

Maar hier, waar je hoort der dennen geruisch....

Hier is rust en gezang!... hier voel ik mij thuis.

PEER GYNT.

En weet je 't ook goed? Je heele leven lang?

SOLVEJG.

De weg, dien ik ging, voert nooit meer terug.

PEER GYNT.

Ik heb je dus! Kom! Laat 'k je zien in mijn huisje!

Ga binnen! 'k Zal even wat brandhout gaan halen;

Warm en gezellig en licht zal het worden,

Zacht zal je zitten en geen koû zal je lijden!

(doet de deur open; Solvejg gaat binnen. Hij staat een oogenblik stil;

dan lacht hij luid van blijdschap en maakt een luchtsprong).

PEER GYNT.

Mijn koningskind! Nu is 't gevonden en gewonnen!

Neen, nu wordt de slotbouw van nieuw af weer begonnen!

(hij grijpt de bijl en wil teruggaan; op hetzelfde oogenblik

komt een oudachtige vrouw in een gescheurden groenen rok uit het

kreupelhout. Een leelijke jongen met een bierflesch in de hand hinkt

haar achterna, zich aan haar rok vasthoudend).

DE VROUW.

Goên avond, Peer Luchthart!

PEER GYNT.

Hè? Wie 's dat?

DE VROUW.

Oude vrienden, Peer Gynt! Mijn woning staat dicht bij.

Wij zijn buren.

PEER GYNT.

Zoo? Dat is meer dan ik weet.

DE VROUW.

Al naar je hut oprees, ontstond ook de mijne.

PEER GYNT (wil weg).

Ik heb haast...

DE VROUW.

Ja, dat heb je altijd, man;

Maar ik loop je achterna en je raakt mij zoo niet kwijt.

PEER GYNT.

Je vergist je!

DE VROUW.

Dat heb ik ééns gedaan;

Dat deed ik dien keer toen met beloften jij kwam.

PEER GYNT.

Beloften...? Wat duivel is dat voor praat?

DE VROUW.

Vergeet je den avond bij vader thuis?

Vergeet je...?

PEER GYNT.

'k Vergat wat ik nooit geweten heb.

Waar zagen we elkaar dan den laatsten keer?

DE VROUW.

Waar wij elkaar zagen den eersten keer.

(tegen den jongen).

Laat vader eens drinken; 'k geloof dat hij dorst heeft.

PEER GYNT.

Vader? Je bent dronken! Noem je hem...?

DE VROUW.

Je moest toch het dier aan zijn huid herkennen!...

Heb je geen oogen? Je kunt 't toch wel zien

Zijn poot is even lam als jouw heele aard is.

PEER GYNT.

Wou je mij wijs maken...?

DE VROUW.

Wou je uitvluchten zoeken?

PEER GYNT.

Die langbeenige jongen...!

DE VROUW.

Hij is hard gegroeid.

PEER GYNT.

Durf jij mij opdringen, leelijke heks...

DE VROUW.

Hoor eens, Peer Gynt, je bent grof als een os...!

(huilend).

Kan ik het helpen dat 'k niet meer zoo mooi ben,

Als toen je mij lokte over glooiende heuvels?

De duivel, toen 'k baarde in den herfst, trok krom

Mijn rug, en daar wordt je niet beter van.

Maar als je mij mooi weer als vroeger wilt zien,

Wijs dan maar die meid, die daar ginds zit, de deur.

Jaag haar uit je oogen en zinnen maar weg;...

Doe dat, lieve vriend, dan verander 'k van tronie!

PEER GYNT.

Wijk van mij, booze heks!

DE VROUW.

Maar ik ga niet, hoor!

PEER GYNT.

Ik sla je de hersens in...!

DE VROUW.

Ja, zie eens of je durft!

Hoho, Peer Gynt, geen slag die mij deert!...

Ik kom hier toch iedren dag weer terug.

Ik kijk door de deur, en begluur je te zamen.

Zit met de deern je dan in 't schemeruur,...

Wordt je teeder... Peer Gynt... wil je een deuntje vrijen,...

Kom ik bij je zitten en eisch ook mijn deel.

Zij en ik, wij hebben je dan beurt om beurt.

Vaarwel, jongenlief; hoû jij nu morgen maar bruiloft, hoor!

PEER GYNT.

Jij helsche nachtmerrie!

DE VROUW.

Maar dat 's waar ook!

Den jongen, jouw mankepoot, dien voedt jij op!

Duivelskind, wil jij naar je vader toe?

DE JONGEN (spuwt naar hem).

Daar!

'k Zal je hakken met een bijl, hoor; wacht maar, mettertijd!

DE VROUW (kust den jongen).

Och, wat een hoofd op dat lichaam toch zit!

Jij maakt je vader nog eenmaal beschaamd!

PEER GYNT (stampvoetend).

O, was je zoo ver...!

DE VROUW.

Als wij dichtbij zijn nu?

PEER GYNT (balt de vuisten).

En dat alles...!

DE VROUW.

Voor zinnenbegeerte alleen!

't Is zonde van je, Peer!

PEER GYNT.

't Meest voor een andre!...

Solvejg! mijn parel, zoo zuiver, zoo rein!

DE VROUW.

Ja, ja, zei de duivel, de onschuld moet lijden,

Toen z'n vader zat was en z'n moeder 'm sloeg!

(Zij gaat het kreupelhout weer in met den jongen die hem de bierflesch

achterna gooit).

PEER GYNT (na lang zwijgen).

Er omheen, zei Böjg. Ja, nu moet ik 't doen...

Daar viel mijn koninklijk slot in duigen!

't Trok een muur op om haar... en 'k was zoo nabij;

Op-eens was hier 't mooi weg; verlept was mijn blijdschap...

Geef het op, kerel! Er is geen weg

Dwars door dat alles van jou naar haar toe.

Dwars er doorheen? Die moet toch zijn te vinden.

Er staat iets van berouw, als ik mij goed herinner.

Maar wat? Wat staat er? Ik heb 't boek niet meer,

Heb 't meeste vergeten, en hier is ook niemand

In 't wilde bosch, die mij terecht kan helpen...

Berouw? Daar konden wel jaren mee heengaan

Eer ik er doorheen was. Zoo'n leven zou triest zijn.

Kapot slaan wat glanzend en licht en mooi is,

En dan van de scherven weer maken wat nieuws.

Dat gaat met 'n viool maar gaat niet met een klok.

Je moet niet vertrappen wat nog groeien moet.

Maar dat was toch 'n leugen van die heksentronie!

Nu is al dat afschuwlijke weer uit mijn oogen...

Ja; wel uit mijn oogen, maar niet uit mijn hoofd.

Nasluipen zal dat mij toch overal.

Ingrid! En die drie daar boven op den berg!

Moeten die ook meedoen? Met gieren en mal doen

Eischen als zij te worden omarmd,

Voorzichtig en teer te worden gedragen?

Buiten om, Peer; al was je arm zoo lang

Als de slankste den of een pijnboomstam,...

'k Geloof dat ik haar toch nog te dicht bij mij hield

Om haar smetloos en ongedeerd neer te zetten...

Ik moet daar omheen komen, hoe 't dan ook ga,

Dat 't mij geen gewin wordt en ook geen verlies.

Je moet zoo iets afschudden tot je 't vergeet...

(doet eenige stappen naar de hut toe, maar blijft weer staan).

Binnen gaan na dit alles? Zoo vuil en gemeen?

Binnen gaan met al die spoken achter me aan?

(werpt de bijl weg).

't Is de avond vóór 't feest. Haar nu aan te vatten

Zoo, als ik nù ben, zou heiligschennis zijn.

SOLVEJG (in de deur).

Kom je haast?

PEER GYNT (halfluid).

Buiten om!

SOLVEJG.

Wat?

PEER GYNT.

Wacht nog even.

't Is hier donker, en 'k heb nog iets zwaars te halen.

SOLVEJG.

Wacht; 'k zal je helpen; dan dragen wij 't samen.

PEER GYNT.

Neen, blijf liever daar! Ik zal 't alleen wel dragen.

SOLVEJG.

Maar blijf niet te lang, zeg!

PEER GYNT.

Geduld maar, meisje!

Of lang of kort,... blijf maar wachten.

SOLVEJG (knikt hem toe).

'k Zal wachten!

(Peer Gynt gaat het bosch in. Solvejg blijft in de halfopen deur

staan).

Aase's kamer. Avond. Een rijshoutvuur brandt in den haard en verlicht

de kamer. De kat op een stoel aan den voet van het bed. Aase ligt te

bed en tast onrustig met de handen over de dekens.

AASE.

Och, lieve Heer, zou hij niet komen?

Het duurt al zoo schrikkelijk lang.

'k Kan niet meer om hem zenden

En zeggen moet ik hem zooveel.

Ik heb niet veel tijd te verliezen!

Zoo plotseling! Wie had dat gedacht!

O, als ik toch maar kon weten

Of 'k niet te streng voor hem was!

PEER GYNT (komt binnen).

Goeien avond!

AASE.

God zal je zeegnen!

Daar is hij! Mijn jongen! Mijn Peer!

Maar hoe durf je hier je te wagen?

Hier loopt je leven gevaar!

PEER GYNT.

Och, wat kan het leven mij schelen.

Ik moest nu eens naar je toe.

AASE.

Wat zal Kari staan te kijken!

Nu ga ik in vrede heen!

PEER GYNT.

Ga heen? Wat zijn dat voor praatjes?

Waar denk je dan heen te gaan?

AASE.

Och Peer, het loopt op zijn einde;

Het duurt met mij niet meer lang!

PEER GYNT (wringt de handen en loopt op en neer).

En ik die het leed dacht te ontloopen,

En meende hier vrij te zijn...!

Heb je 't koud aan handen en voeten?

AASE.

Ja, Peer, 't is nu gauw voorbij...

Als je ziet dat mijn oogen breken,

O, druk ze dan zachtjes dicht.

En dan moet voor een kist je zorgen;

Maar, jongen, laat mooi die zijn.

Och, neen, 't is waar...

PEER GYNT.

Wees maar stil, hoor!

Daarvoor is 't nog tijds genoeg.

AASE.

Ja, ja. (kijkt onrustig rond in de kamer).

Hier zie je het beetje

Dat overbleef. Zoo zijn de luî.

PEER GYNT (balt de handen).

Nu alweer! (hard).

Ik weet dat 't mijn schuld is.

Wat helpt 't of ik het weer hoor?

AASE.

Jij! Neen, dat vervloekte drinken,

Daar komt al het onheil van daan!

Mijn jongen, jij was immers dronken:

Dan weet iemand niet wat hij doet;

En dan hadt je op dat rendier gereden;

Dat je dol was is duidlijk genoeg!

PEER GYNT.

Praat daar nu maar niet meer over.

Laat rusten die heele zaak.

Wat droef is zullen wij sparen

Tot later... een andren dag.

(gaat op den rand van het bed zitten).

Nu, moedertje, gaan wij babb'len,

Over koetjes en kalfjes maar,

En 't nare en bitt're vergeten,

En alles wat pijn doet en kwelt...

Och kijk eens, daar zit de oude kat nog;

Dus die hield het ook zoo lang uit?

AASE.

Die doet 's nachts ook al zoo aaklig;

Je weet wel wat dat beduidt!

PEER GYNT.

Wat is er voor nieuws in 't dorp, zeg?

AASE (glimlachend).

Ze zeggen dat ergens hier is

Een meisje, dat naar de bergen...

PEER GYNT (snel).

Mads-Moën, slaat die er zich door?

AASE.

Ze zeggen, zij heeft geen ooren

Voor beî haar ouders verdriet.

Jij moest er toch eens naar hooren

Jij, Peer, weet misschien wel raad...

PEER GYNT.

En hoe staat het met smid Aslak?

AASE.

Och zwijg van dien vuilen smid.

Liever wil ik den naam je zeggen

Van 't meisje, je weet wel... van haar...

PEER GYNT.

Neen, nu gaan wij samen praten,...

Over koetjes en kalfjes alleen,

En al 't nare en bitt're vergeten

En alles wat pijn doet en kwelt.

Heb je dorst? Zal ik halen wat drinken?

Lig je goed, zeg? Het bed is maar kort.

Laat eens zien;... ja dat is zoo waar nog

Het bed, waar 'k als jongen in sliep?

Weet je 't nog, hoe dikwijls je 's avonds

Daar zat aan het voeteneind,

Mij toedekte warm en lekker,

En allerlei liedjes zong?

AASE.

Jawel! En dan speelden wij "sleden",

Als vader aan 't boemelen was.

't Dek was de vacht van de slede

De grond een bevroren fjord.

PEER GYNT.

Ja, maar het allermooiste,

Zeg, moeder weet je 't nog?...

Dat waren de wilde paarden...

AASE.

Ja, denk je dat ik 't niet meer weet...?

Wij leenden de kat van Kari;

Die zat op een houten kruk...

PEER GYNT.

Naar 't slot van de maan in 't westen,

Naar 't oosterslot van de zon,

Naar 't Soria-Moria slot dan

Ging 't hoepla-hei! over den vloer.

Een stok, in de kast gevonden

Gebruikten wij voor een zweep.

AASE.

Vooróp op den bok zat ik dan...

PEER GYNT.

En dan liet je de teugels los!

Je keek om, zoodra als wij reden,

En vroeg mij: heb je 't niet koud?

God zegen je, oude stumperd,...

Je was toch een goede ziel...!

Hoe kreun je zoo?

AASE.

'k Heb zoo'n pijn in

Mijn rug, van die harde plank.

PEER GYNT.

Strek je uit; ik zal je steunen.

Zie zoo; lig je nu niet zacht?

AASE (onrustig).

Neen, Peer, ik wil weggaan!

PEER GYNT.

Weggaan?

AASE.

Ja, weggaan; 'k verlang er zoo naar.

PEER GYNT.

Kom praatjes! Blijf onder de dekens.

Laat mij zitten aan 't voeteneind.

Zie zoo; nu korten wij d' avond

Met sprookjes en allerlei spel.

AASE.

Haal liever den bijbel uit 't kastje:

Ik ben zoo onrustig te moê.

PEER GYNT.

In 't slot van Soria-Moria

Geven koning en prins een groot feest.

Rust maar uit in de warme slede

Ik rijd door het veld je er heen...

AASE.

Maar, Peer-lief, ben ik genoodigd?

PEER GYNT.

Ja, dat zijn wij allebei.

(gooit een touw om den stoel waarop de kat ligt, neemt een stok in

de hand en gaat op het voeteneinde van het bed zitten).

Hop! Rijd wat aan, jij Zwartje!

Zeg, moeder, heb je 't niet koud?

Ja, ja; want je voelt het snijden

Als Grane aan 't draven gaat!

AASE.

Lieve Peer, wat hoor ik toch luiden...?

PEER GYNT.

De bellen van 't blanke tuig!

AASE.

Huuh! Wat klinkt dat hol, mijn beste!

PEER GYNT.

Wij rijden ook over een fjord.

AASE.

Ik ben bang! Wat is toch dat bruisen

En steunen, zoo wonderlijk wild?

PEER GYNT.

't Zijn de kruinen, moeder, die ruischen

Van 't pijnbosch. Zit nu maar stil.

AASE.

Wat schittert en blinkt er daar ginder?

Waar komt toch dat schijnsel van daan?

PEER GYNT.

Van 't slot. Alle ruiten glinstren.

Hoor je wel hoe zij dansen?

AASE.

Ja.

PEER GYNT.

Sint Petrus staat buiten de deur al

En noodigt tot binnengaan.

AASE.

Groet hij ons?

PEER GYNT.

Hij staat te buigen,

Inschenkend den lekkersten wijn.

AASE.

O, wijn! Heeft hij soms ook koekjes?

PEER GYNT.

Ja, òf hij! Een heelen berg.

De vrouw van den proost komt ook aan

Met koffie en suikerwerk.

AASE.

En spreken wij daar dan elkander?

PEER GYNT.

Zoo vaak en zoo lang als je wilt.

AASE.

O Peer, wat al heerlijkheden,

Waar je mij, arme ziel, heen brengt!

PEER GYNT (klapt met de zweep).

Hop! Rep, je dan toch, mijn Zwartje!

AASE.

Zeg, Peer-lief, je rijdt toch wel goed?

PEER GYNT (klapt weer).

Hier kan je niet dwalen.

AASE.

Dat slingren.

Dat maakt mij zoo raar en moe.

PEER GYNT.

Daar zie ik het slot al verrijzen;

Nog even, dan zij wij er al.

AASE.

Ik zal stil maar mijn oogen toe doen,

Vertrouwen op jou, mijn Peer!

PEER GYNT.

Vooruit dan, Grane, mijn draver!

In 't slot is er groot gedrang;

Zij stuwen en dringen de poort in.

Dáár komt Peer Gynt met oud' Aase!

Wat zegt u dáárvan Heer Petrus?

Mag moeder niet binnengaan?

'k Geloof dat u lang kan zoeken

Eer u vindt een zoo eerlijke ziel;

Van mij wil ik maar niet spreken;

Ik kan òmkeeren als het moet.

Wil u inschenken, neem ik 't in dank aan

Zoo niet, ga ik óók tevree weg.

'k Heb verzonnen evenveel leugens

Als de duivel die preêken ging,

En moeder voor 'n kip uitgescholden

Omdat zij kakelde soms.

Maar haar moet u achten en eeren

En maken dat goed zij het heeft;

Er komt hier stellig geen beetre

Van waar ook, in dezen tijd...

Aha! daar is God de Vader!

Sint Petrus, nu krijg je er langs!

(met diep stemgeluid).

"Hou op toch met dat gezeur daar;

Moeder Aase heeft vrij entree!"

(lacht luid en keert zich naar zijn moeder om).

Alsof ik dat niet had geweten!

Nu komt er wat anders weer!

(angstig).

Waarom kijk je of je oogen gaan breken?

Zeg, moeder! Wat scheelt er nu aan...?

(gaat naar het hoofdeinde).

Je moet niet zoo liggen te staren...!

Spreek, moeder, ik ben het, Peer!

(betast voorzichtig haar voorhoofd en handen; dan gooit hij het touw

van den stoel af en zegt gedempt):

Zoo, ja!... Je kunt uitrusten, Grane;

Want nu is de reis volbracht.

(drukt haar de oogen dicht en buigt zich over haar heen).

Heb dank voor je heele leven,

Voor klappen en teedere zorg...

Maar nu moet jij mij ook bedanken...

(drukt zijn wang tegen haar mond).

Zoo; dat was jouw dank voor den rit.

(De buurvrouw komt binnen).

KARI.

Wat? Peer! Nou, dan zijn we ook over

Haar bitterste leed al heen!

Lieve Heer, wat slaapt zij vast nu!...

Of is zij al...?

PEER GYNT.

Stil; ze is dood.

(Kari schreit bij het lijk. Peer Gynt loopt lang rond door de kamer;

eindelijk blijft hij bij het bed staan).

Laat haar met alle eer begraven.

Ik moet zien hoe 'k hier van daan kom.

KARI.

Moet je ver weg gaan?

PEER GYNT.

Naar zee toe.

KARI.

Zoo ver!

PEER GYNT.

En nog verder weg.

(af).

EINDE VAN HET DERDE BEDRIJF.

VIERDE BEDRIJF.

Aan de zuidwestkust van Marokko. Een palmbosch. Gedekte tafel,

zonnetent en biezenmatten. Dieper onder de boomen hangmatten. Buiten

op zee ligt een stoomjacht met Noorsche en Amerikaansche vlaggen. Aan

het strand een sloep. Het gaat tegen zonsondergang.

Peer Gynt een knap heer van middelbaren leeftijd in elegant reistoilet,

een gouden lorgnet op de borst hangend, presideert de tafel als

gastheer. Mister Cotton, Monsieur Ballon en de heeren von Eberkopf

en Trumpeterstraale zijn juist gereed met hun maaltijd.

PEER GYNT.

Drinkt heeren! Is de mensch gemaakt

Om te genieten, dat hij 't doe dan.

En dood is dood... Wat mag 'k aanbieden?

TRUMPETERSTRAALE.

Je bent een prachtgastheer, broer Gynt!

PEER GYNT.

Ik deel die eer dan met mijn geld,

Mijn kok en steward...

MR. COTTON.

Very well!

Ik drink op 't heil van alle vier!

MR. BALLON.

Monsieur, u heeft een goût, een ton,

Als zelden nu meer wordt gevonden

Bij iemand, levend en garçon,...

Een zeker... 'k weet niet wat...

V. EBERKOPF.

Een waas

Een glans van vrije geestontwikling,

Een wereldburgerschapbezitting,

Een blik door 't dichte wolkenfloers,

Door geen vooroordeelen gebonden,

Begaafd met hoogere verlichting,

Een oer-natuur die kent het leven

Vereend op 't hoogst der trilogie.

Niet waar, monsieur, dat meende u?

MR. BALLON.

Jawel, dat kan wel; ook al klinken

Die dingen, op zijn Fransch, zoo mooi niet.

V. EBERKOPF.

Ach was! Die taal is ook zoo stijf...

Maar zullen wij den grond nu zoeken

Van 't fenomeen...

PEER GYNT.

Die is gevonden.

Dat komt doordat 'k niet ben getrouwd.

Ja, mijne heeren, dat 's zoo klaar

Als water. Wat moet 'n man toch wezen?

Zich zelf: antwoord ik in 't kort.

Voor zich en 't zijne moet hij zorgen.

Maar kan hij dat, als pakkameel

Voor 't wel en wee van andren, soms?

V. EBERKOPF.

Maar dat voor-zich en in-zich leven,

Vermoed ik, heeft u strijd gekost...

PEER GYNT.

O, zeker, ja; in vroeger tijd;

Maar altijd kwam 'k met eer er af.

Een keer toch was 'k er na aan toe

Te vallen in 'n gespannen strik.

Ik was een flinke, knappe kerel,

En zij, de dame was mijn keus,...

Die was van vorstelijken bloede...

MR. BALLON.

Och, vorstelijk?

PEER GYNT (minachtend).

Van die families,

U weet wel...

TRUMPETERSTRAALE (slaat op de tafel).

Adellijk gespuis!

PEER GYNT (haalt de schouders op).

Vervallen grootheden, steeds zoekend

Hun trots, in 't hun geslacht vrijhouden

Van vlekken door plebeïsch bloed.

MR. COTTON.

En liep daardoor de zaak toen mis?

MR. BALLON.

De ouders wilden de partij niet?

PEER GYNT.

Integendeel!

MR. BALLON.

Ah!

PEER GYNT (vergoelijkend).

U begrijpt!

Er was iets, dat vereischte 't huwlijk

Zoo snel als mooglijk te doen doorgaan.

Maar, 'k zeg 't ronduit, die heele zaak

Stond van 't begin af mij al tegen.

In enkele dingen ben 'k wat vreemd,

En liefst blijf ik mijn eigen baas.

En toen mijn schoonvader nu kwam

Met d'eisch, ofschoon verbloemd gesteld,

Dat 'k zou van stand en naam verandren,

In d'adelstand mij doen verheffen,

Met nog veel meer dat onaanneemlijk,

Om niet te zeggen hoogst onkiesch, was...

Toen trok 'k fatsoenlijk mij terug.

Ik weigerde zijn ultimatum,...

Deed afstand van mijn jonge bruid.

(trommelt op de tafel, schijnbaar met aandacht).

Ja, ja; er heerscht toch wel een Fatum,

Waarop een mensch vertrouwen kan;

En dat te weten is een troost.

MR. BALLON.

En daarmee was de zaak dus uit?

PEER GYNT.

Neen, 'k kreeg te doen met nog wat anders;

Want onbevoegden mengden zich

Met luid gekrijsch ook in 't geval;

't Ergst der familie jong're leden.

Met zeven kreeg ik een duel.

Dat was een tijd, dien 'k nooit vergeet,

Ofschoon 'k er heel gelukkig afkwam.

Het kostte bloed; maar al dat bloed

Heeft mij in waarde veel doen winnen,

En wijst bekrachtigend op 't feit,

Zoo 'k zei, van een besturend Fatum.

V. EBERKOPF.

U heeft een blik op 's levens loop

Die tot een denker u verheft.

Terwijl een ander meent te aanschouwen

Afzonderlijk verspreide beelden,

En nooit een oplossing kan vinden,

Weet u het àl bijeen te voegen.

Met ééne maat meet u de dingen.

U scherpt een punt aan al uw woorden,

Die, alle dan als stralen uitgaan

Van 't licht van één levensbeschouwing...

En u is nooit student geweest?

PEER GYNT.

Ik ben, zooals ik u al zei,

Gewoonweg een autodidact.

Methodisch heb ik niets geleerd;

Maar veel gedacht en overwogen,

En over alles veel gelezen.

'k Begon er mee op later leeftijd;

Dan valt het wel een beetje zwaar soms

Maar door te lezen, blad voor blad,

En op te nemen rijp en groen.

Geschiedenis nam ik bij stukjes,

Want voor méér had ik nooit den tijd.

En daar men toch in booze tijden

Iets hebben wil tot vasten steun,

Zoo nam 'k den godsdienst in met rukjes.

Zoo gaat 't gemaklijker naar binnen.

Men moet niet al te gulzig lezen,

Maar enkel zien wat nuttig zijn kan...

MR. COTTON.

Kijk, dat is praktisch!

PEER GYNT (steekt een sigaar op).

Lieve vrienden,

Bedenkt toch wat mijn levensloop was.

Hoe kwam ik daar toch aan in 't Westen!

Een arme vent, met leege handen!

Ik moest hard zwoegen voor mijn broodje;

Gelooft mij, 't viel mij dikwijls zwaar.

Maar 't leven, vrienden, is veel waard;

En, zoo men zegt, de dood is bitter.

Wel! Fortuna, ziet u, was mij gunstig;

En 't oude Fatum niet afgunstig.

Het ging. En daar ik zelf ook flink was,

Zoo ging 't gestadig beter, beter.

Tien jaren later werd 'k genoemd

Den Kroesos onder Charlestown's reeders.

Nu vloog mijn naam van stad tot stad;

't Geluk had ik nu binnen boord...

MR. COTTON.

Waarin deed u?

PEER GYNT.

Vooral in negers,

Naar onzen Bondsstaat Carolina;

En afgodsbeelden ook, naar China.

MR. BALLON.

Fi donc!

TRUMPETERSTRAALE.

Potztausend, oome Gynt.

PEER GYNT.

U vindt misschien 't bedrijf niet strookende

Met wat geoorloofd is... of niet?

Ik voelde dat soms zelf ook levendig,

En vond het menigmaal odieus.

Maar, eens begonnen... zooals 't gaat,...

Is 't moeilijk het weer los te laten.

En 't gaat althans zoo maklijk niet

In zulk een groote onderneming,

Waar duizend andren in gemoeid zijn,

Botweg te breken met zoo'n zaak.

Aan "botweg breken" heb 'k een hekel;

Maar geef toe aan den andren kant dat

Ik altijd acht geslagen heb

Op wat men noemt de konsekwenties;

En dat, de grenzen overschrijden

Onaangenaam mij altijd was.

Ook werd ik bovendien wat ouder;

'k Begon de vijftig al te naadren,...

Kreeg zachtjes aan al grijzend haar;

En schoon mijn voorspoed steeds nog toenam,

Werd de gedachte mij toch pijnlijk:

Wie weet hoe gauw het uurtje slaat,

Dat het gerecht ingrijpend optreedt,

De bokken scheidend van de lamm'ren.

Wat nu te doen? De vaart te staken

Op China ging onmooglijk aan.

'k Vond toch een uitweg. Ik begon met

Wat anders op hetzelfde land.

In 't voorjaar exporteerde ik goden,

In 't najaar klaarde ik priesters uit;

Voorzag hen goed van al het nood'ge

Als kousen, bijbels, rhum en rijst...

MR. COTTON.

En met profijt?

PEER GYNT.

Natuurlijk, ja.

Het ging. Zij werkten onvermoeid, en

Voor iedren god, dien ik verkocht,

Werd een Chinees bekeerd, gedoopt.

Zoo werkte 't dus neutraliseerend.

Het veld der missie lag nooit braak,

Want iedren god, dien 'k colporteerde,

Dien hield een priester in bedwang.

MR. COTTON.

Ja, maar de Afrikaansche waren?

PEER GYNT.

Dramatische Werken: De comedie der liefde; Brand; Peer Gynt · 第 18 / 24 段