Ja, er is één ding, onthoud dat vooral;

Dat is bij het Rondevolk zoo gebruik:

Al ons eigendom heeft twee kanten.

Als je meegaat naar mijn vaders slot

Kon 't gebeuren, dat je op den schijn afgaande,

Meenen zoudt in een kale steenwoestijn te staan.

PEER GYNT.

Ja, dat 's nu eigenlijk precies zoo bij ons!

't Verguldsel zou lijken vol roest en roet,

En misschien zou je wel de glinstrende ruiten

Voor opgestopt houden met lappen en lompen.

DE IN-'T-GROEN-GEKLEEDE.

Zwart lijkt er wit en leelijk mooi.

PEER GYNT.

Groot lijkt er klein, en smerig lijkt rein.

DE IN-'T-GROEN-GEKLEEDE.

Ja, Peer, ik zie wel dat wij bij elkaar passen!

PEER GYNT.

Als 't been bij de broek, als de kam bij de haren.

DE IN-'T-GROEN-GEKLEEDE (roept achterom naar den berg).

Bruidspaardje! Bruidspaardje! Kom dan toch, mijn paardje!

(Een reusachtig groot varken komt aangeloopen met een touw als tuig

en een ouden zak als zadel. Peer Gynt springt er met een zwaai op en

neemt de vrouw vóór zich).

PEER GYNT.

Heisa! Wij rijden door de Rondepoort binnen,

Spoed je, spoed je, mijn vurig ros!

DE IN-'T-GROEN-GEKLEEDE (teeder).

Ach, gistren nog liep ik zoo moe en mat;...

Je weet toch maar nooit wat gebeuren kan!

PEER GYNT (zweept het varken dat weg draaft).

De koningshal van den Kabouterkoning. Groote bijeenkomst van

Hofkabouters, Berggeesten en Aardmannetjes. De Koning op een troon,

met kroon en scepter. Zijn kinderen en naaste bloedverwanten aan zijn

beide zijden. Peer Gynt staat vóor hem. Groote beweging in de zaal.

DE HOFKABOUTERS.

Slacht hem! De christenzoon heeft verdwaasd

Des Kabouterkonings lieflijkste maagd!

EEN JONGE KABOUTER.

Mag 'k hem in zijn vinger snijden?

EEN TWEEDE.

Mag 'k hem trekken aan zijn haar?

EEN KABOUTERMEISJE.

Huuh! Laat mij hem bijten in zijn dijen!

EEN HEKS (met een schuimspaan).

Wordt er pekelvleesch van hem gemaakt?

EEN TWEEDE (met een slachtmes).

Moet ik hem aan 't spit braden of in de pan smoren?

DE KABOUTERKONING.

Doet wat ijs in je bloed!

(wenkt zijn getrouwen naderbij).

Laat ons niet zoo brallen.

't Is met ons achteruit gegaan de laatste jaren;

Wij hebben den rechten houvast verloren,

En hulp van 't volk moeten wij niet versmaden.

Daarbij schijnt het jongmensch zonder gebreken;

En sterk gebouwd ook, zoover ik kan zien.

Waar is 't dat hij maar één enkel hoofd heeft;

Maar och, mijn dochter heeft er ook al niet meer;

Driehoofds-kabouters gaan uit de mode,

Zelfs tweehoofd'ge krijgt men haast niet meer te zien;

En dan zijn die hoofden toch nog maar zoo-zoo.

(tegen Peer Gynt).

Het is dus mijn dochter die je begeert?

PEER GYNT.

Uw dochter en 't rijk als bruidsschat er bij.

DE KABOUTERKONING.

Het halve krijg je nu bij mijn leven,

En de andre helft als 't met mij eens gedaan raakt.

PEER GYNT.

Daar ben 'k mee tevreê.

DE KONING.

Ja, stop, mijn zoon!...

Jij moet ook nog een paar beloften geven;

Alles is verbroken, als je er een verbreekt,

En je komt niet levend meer hier van daan dan...

Allereerst moet je beloven, dat je nooit meer omkijkt

Naar wat er ligt buiten de grenzen van Ronde;

Dag en daad moet je schuwen,... elk plekje licht.

PEER GYNT.

Noemt men mij maar koning, dan valt mij dat licht.

DE KONING.

En dan,... nu zal 'k op den tand je voelen...

(staat op van zijn troon).

DE OUDSTE HOFKABOUTER (tegen Peer Gynt).

Laat zien of je hebt genoeg verstand

En 's konings raadselnoot weet te kraken!

DE KONING.

Waarin verschilt 'n kabouter van een man?

PEER GYNT.

Er is heel geen verschil, zoo ver ik zie.

Grooten willen knijpen en kleinen wringen;...

Net zooals bij ons, als zij maar durfden.

DE KONING.

Zeer waar; daarin zijn we 't eens, en in meer.

Maar ochtend is ochtend, en avond, avond,

Dus verschil blijft er alevel toch.

Nu zal ik je zeggen waarin dat dan zit:

Daarbuiten, onder het lichtend gewelf,

Onder menschen heet 't: Man, wees je zelf!

Hier binnen bij ons, bij 't kaboutervolk

Daar heet 't: "Wees je zelf... genoeg!"

DE HOFKABOUTER.

Vat je den zin wel?

PEER GYNT.

't Lijkt mij wat duister.

DE KONING.

"Genoeg" mijn zoon, dat afsnijdend, sterke

Woord, moet voortaan je lijfspreuk worden.

PEER GYNT (krabt zich achter het oor).

Ja, maar...

DE KONING.

Dat moet, als je hier zult regeeren!

PEER GYNT.

Nou goed; vooruit maar; dat is niet het ergste....

DE KONING.

Daarbij moet je leeren en stellen op prijs

Onze eenvoudige, huis'lijke levenswijs.

(Hij wenkt; twee kabouters met varkenskoppen, witte slaapmutsen

enz. brengen spijs en drank).

De koe geeft koeken en de os geeft meed';

Vraag niet of ze smaken zuur of zoet;

Hoofdzaak is, en dat 's niet te vergeten,

Dat het thuis toebereid is.

PEER GYNT (duwt de dingen weg).

De duivel haal' jullie huismanskost!

'k Wen zeker nooit aan dat landsgebruik.

DE KONING.

De nap hoort er bij en die is van goud.

En wie dien bezit heeft mijn dochters gunst.

PEER GYNT (huilend).

Er staat geschreven: gij zult uzelven dwingen;

Op den duur lijkt misschien die drank minder zuur.

Komaan! (geeft toe).

DE KONING.

Kijk, dat 's een verstandig woord.

Spuw je?

PEER GYNT.

Ik moet maar hopen dat 't wennen zal.

DE KONING.

Dan ook moet je afleggen al je christlijke kleeren;

Want dit moet je weten ons Dovre ter eere,

Hier is alles bergarbeid, niets komt uit het dal,

Behalve de zijden strik aan 't eind van den staart.

PEER GYNT (nijdig).

Ik heb geen staart!

DE KONING.

Dien kan je krijgen.

Kamerheer, bind hem mijn zondagschen staart aan.

PEER GYNT.

Probeer 't niet! Wat denk je wel... dat gaat te ver!

DE KONING.

Vrij nooit naar mijn dochter met naakt achterstel.

PEER GYNT.

Menschen maken tot een dier!

DE KONING.

Mijn zoon, je dwaalt!

Ik maak je gewoon tot een hoofschen vrijer.

Je krijgt een hèl-gelen strik te dragen,

En dat geldt nu hier voor de grootste eer.

PEER GYNT (nadenkend).

Men zegt toch, een mensch is maar een zucht.

En men moet zich wat schikken naar 't gebruik.

Bind maar aan!

DE KONING.

Je bent 'n geschikte knaap.

DE HOFKABOUTER.

Probeer nu ook eens hoe mooi je kunt kwisp'len!

PEER GYNT (nijdig).

Zeg, wil je mij tot nog meer dingen dwingen?

Eisch je soms ook nog mijn christengeloof?

DE KONING.

Neen, dat mag je houden, wees maar gerust.

Geloof is hier vrij, daar legt niemand beslag op;

Aan handel en wandel herkent men den kabouter.

Als wij 't maar eens zijn over doen en laten,

Mag je wel geloof noemen, wat bij ons vrees heet.

PEER GYNT.

Je bent toch, je vele fratsen ten spijt,

Een verstandiger kerel dan men zou denken.

DE KONING.

Mijn zoon, wij zijn beter dan onze reputatie;

Dat is ook al een verschil tusschen jullie en ons...

Maar laat het nu met den ernst gedaan zijn;

Nu gaan wij ooren en oogen vergasten.

Speelmeisje, voor! Laat de Dovre-harp klinken!

Kom, dansmeisje! Toon hoe in Dovre men danst!

(Spel en dans).

HOFKABOUTER.

Wat dunkt je er van?

PEER GYNT.

Wat? Ja... hm!...

DE KONING.

Spreek zonder vrees.

Wat zie je, zeg?

PEER GYNT.

Een afschuwelijk spel.

Met 'r hoeven slaat een bellenkoe op darmsnaren los;

In 'n kniebroekje trippelt een bigge daarbij.

HOFKABOUTERS.

Verslindt hem!

DE KONING.

Bedenkt, hij heeft menschenzinnen!

VROUWELIJKE KABOUTERS.

Ooren af, oogen uit moet je hem rukken!

DE DOCHTER (huilend).

Huhu! Dat moeten tot loon wij hooren,

Als ik en mijn zusje spelen en dansen!

PEER GYNT.

Och kom, was jij het? Nou, een grapje,

Dat weet je wel, is niet zoo kwaad gemeend.

DE DOCHTER.

Kan 'k daarop vertrouwen?

PEER GYNT.

Zoowel dansen als spelen

Was, haal mij de koekoek, allerliefst.

DE KONING.

't Is wat wonderlijks met der menschen aard;

Die blijft zoo merkwaardig lang soms hangen;

Krijgt die een knauw bij ons in d' omgang

Wordt 't wel een litteeken, maar geneest heel gauw.

Mijn schoonzoon is nu zoo schappelijk als mooglijk;

Goedschiks trok hij zijn christenpak uit;

Goedschiks heeft hij van de mede gedronken,

Goedschiks laten aanbinden zelfs zijn staart...

Zoo gewillig in 't kort, voor al wat ik hem vroeg,

Dat 'k stellig al dacht, de oude Adam

Was eens en voor altijd de poort uitgejaagd;

Maar kijk, daar op-eens is hij weer terug.

Ja, ja, dan is er noodig een kuur

Voor die hardnekkige menschennatuur.

PEER GYNT.

Wat wil je dan doen?

DE KONING.

In 't linker oog

Geef 'k even 'n sneetje; dan kijk je scheel;

Maar al wat je ziet lijkt dan gaaf en mooi.

Dan snijd ik je rechter kijkglas uit...

PEER GYNT.

Ben je dronken?

DE KONING (legt eenige scherpe instrumenten op tafel).

Hier zie je mijn instrumenten;

Oogkleppen krijg je als een ouwe knol;

Dan zal je haar prachtig vinden, je bruid,...

En nooit maken je oogen je dan meer wat wijs

Van tripp'lende biggen en 'n bellenkoe...

PEER GYNT.

Dat is gekkenpraat!

DE OUDSTE HOFKABOUTER.

Dat is echte koningstaal.

Hij is de wijze, jij bent de gek!

DE KONING.

Bedenk voor hoevele verdrietelijkheden

Je daardoor bewaard blijft je heele leven.

Zie het toch in dat je oogen de bron zijn

Van 't bijtende, kwellende tranenloog.

PEER GYNT.

Heel waar. En ik ken ook den bijbeltekst:

Ergert uw oog u, ruk het dan uit.

Maar zeg eens! Wanneer geneest dat dan weer,

Wordt 'n menschenoog weer?

DE KONING.

Dat wordt het nooit meer.

PEER GYNT.

Zoo! Ja, dan zal ik maar dankje zeggen.

DE KONING.

Wat wil je gaan doen?

PEER GYNT.

'k Ga er van door.

DE KONING.

Neen, halt! 't Is gemaklijk hier binnen te komen!

Maar Dovre-konings poort laat niemand meer uitgaan.

PEER GYNT.

Je zult mij toch niet met geweld willen dwingen?

DE KONING.

Hoor eens, wees nu verstandig, prins Peer!

Je hebt aanleg voor kabouter. Niet waar, hij doet

Zich nu al zoo taamlijk kabouterachtig voor.

En dat wil je immers ook?

PEER GYNT.

Ja, zeker, dat wil 'k.

Voor een bruid en een koninkrijk op den koop toe,

Kan ik mij wel 't een en ander getroosten.

Maar maat moet er in alle dingen toch zijn.

Den staart nam ik aan, dat 's volkomen waar:

Maar ik kan losmaken wat een ander bond.

Mijn broek gooide ik uit; hij was oud en gelapt;

Maar dien krijg ik desnoods wel weer dicht geknoopt.

En mooglijk zie 'k ook nog wel kans vrij te komen

Van die kaboutersche levensmanier.

Ik wil graag ook zweren dat een koe een meisje is,...

Een eed kan je altijd wel stil weer opslikken;

Maar dat je nooit van je leven weer vrij komt,

Dat je niet kunt doodgaan als 'n fatsoenlijk mensch,

Kabouter moet blijven al je levensdagen...

En vooral dat je dus nooit meer terug kunt treden...

Zooals 't boekje zegt: mij daarop toe te leggen,

Dat 's iets waar ik voor pas, moet ik je zeggen.

DE KONING.

Nu word ik waarachtig toch nijdig, hoor;

En dan valt er voorwaar niet te spotten met mij.

Jij, bleeke melkmuil! Weet jij wel wie ik ben?

Eerst vergrijp jij je aan mijn dochter hier...

PEER GYNT.

Dat 's gelogen, zeg ik!

DE KONING.

Je moet haar toch trouwen.

PEER GYNT.

Durf je te beweren dat...?

DE KONING.

Wat? Kan je ontkennen

Dat je haar begeerde en achterna liep?

PEER GYNT (fluit).

Anders niet? Alsof dàt iemand zon binden!

DE KONING.

Die menschen blijven toch altijd zich gelijk.

De bedoeling erken je volmondig genoeg;

Maar van kracht is alleen wat tastbaar is te grijpen;

Dus jij denkt dat begeeren maar niets beteekent?

Wacht maar; jou zal gauw een licht opgaan...

PEER GYNT.

Mij vang je toch niet met je leugenaas!

DE DOCHTER.

Mijn Peer, vader wordt je vóór 't eind van 't jaar.

PEER GYNT.

Doe open; 'k wil er uit!

DE KONING.

In 'n bokkevel

Krijg jij 't jong thuisgestuurd.

PEER GYNT (wischt zich het zweet af).

Was 'k maar weer wakker!

DE KONING.

Moet 't naar 't koningspark?

PEER GYNT.

Stuur 't aan 't kerspel!

DE KONING.

Goed, prins Peer, dat is dan jouw zaak.

Maar zooveel is zeker: gedaan is gedaan,

En ook dat je telg opgroeien zal;

Zoo'n tweeslachtig ding groeit verbazend snel op...

PEER GYNT.

Toe, oude, wees nou niet zoo'n koppige os;

Meisje, wees wijs! En luister naar rede.

Je moet weten dat 'k geen prins ben en ook niet rijk;...

En of je mij nu wilt meten of wilt wegen,

Je zult er niets bij winnen, al hoû je mij vast.

(De dochter valt flauw en wordt door kaboutermeisjes weggedragen).

DE KONING.

Kwakt hem tot moes tegen den bergwand, kindren!

KLEINE KABOUTERS.

Toe, laat ons eerst met hem spelen? Kat en muis!

Wolf en schaap! 'm Bijten en jagen in 't nauw!

DE KONING.

Goed, vooruit! Ik ben nijdig en slaaprig. Goênacht! (af).

PEER GYNT (opgejaagd door de kleine kabouters).

Laat los, duivelstuig!

(wil door den schoorsteen naar boven).

KLEINE KABOUTERS.

Aardmannetjes! Dwergen!

Bijt hem van achtren!

PEER GYNT.

Au!

(wil door het keldergat naar beneden).

KLEINE KABOUTERS.

Sluit alle spleten!

HOFKABOUTER.

Wat hebben die kleintjes een pret!

PEER GYNT (vechtend met een kleinen kabouter die zich in zijn oor

heeft vastgebeten).

Laat je los, smeerlap!

HOFKABOUTER (slaat hem op zijn vingers).

Pas op wat, vlegel, 't is een koningskind!

PEER GYNT.

Een rattenhol! (loopt er heen).

KLEINE KABOUTERS.

Dwergbroertje! Dat moet je stoppen!

PEER GYNT.

De oude was een fielt, maar de jongen zijn erger!

KLEINE KABOUTERS.

Verscheurt hem!

PEER GYNT.

Ach, was 'k maar zoo klein als een muis!

(loopt rond).

KLEINE KABOUTERS (draaien om hem heen).

Sluit den kring! Sluit den kring!

PEER GYNT (huilend).

Ach, was 'k maar een luis!

(valt neer).

KLEINE KABOUTERS.

Nou op zijn oogen aan!

PEER GYNT (begraven onder den hoop kabouters).

Help moeder! Ik sterf!

(Klokgelui in de verte).

KLEINE KABOUTERS.

Klokken in 't gebergte! De zwartrok trekt uit!

(De kabouters vluchten onder gehuil en gebrul. De hal stort in;

alles verzinkt).

Stikdonker. Peer Gynt slaat om zich heen en houwt in 't rond met een

grooten tak.

PEER GYNT.

Antwoord! Wie ben je?

EEN STEM-IN-DE-DUISTERNIS.

Ik zelf.

PEER GYNT.

Uit den weg!

DE STEM.

Ga buitenom, Peer! Er is ruimte genoeg.

PEER GYNT (wil er door op een andere plek, maar wordt gestuit).

Wie ben je?

DE STEM.

Ik zelf. Kan jij 't zelfde zeggen?

PEER GYNT.

Ik kan zeggen wat ik wil; en mijn zwaard kan raken!

Pas op! Hola hei! Daar valt het al suizend!

Saul versloeg honderd; Peer Gynt slaat er duizend.

(slaat en houwt).

Wie ben je?

DE STEM.

Ik zelf.

PEER GYNT.

Die domme praat

Hoû maar vóór je; dat heldert de zaak niet op!

Wát ben je?

DE STEM.

De groote Böjgen [2].

PEER GYNT.

Och kom!

Eerst was 't raadsel zwart; nu lijkt het al grijs.

Uit den weg, Böjgen!

DE STEM.

Ga buitenom, Peer!

PEER GYNT.

Er door heen! (slaat en hakt) Hij valt!

(wil vooruit maar stoot weer op tegenstand).

Hoho! Zijn er meer?

DE STEM.

Böjgen, Peer Gynt! Eén enkele maar.

Böjgen, die 'n slag kreeg, en toch niet gewond is.

Böjgen, die dood is, en Böjgen die toch leeft.

PEER GYNT (gooit den tak weg).

't Wapen is behekst; maar 'k heb nog knuisten!

(slaat zich door).

DE STEM.

Ja, steun op je knuisten maar, op je lichaam.

Hihi, Peer Gynt, dan bereik je den top wel.

PEER GYNT (komt terug).

Heen of terug, het is even lang...

Er uit of er in, 't is een zelfde gang!

Dáár is hij! En dáár! Overal rondom!

Zóó als ik er uit ben, sta 'k weer in den kring...

Noem je! Laat mij je zien! Wát ben je dan toch?

DE STEM.

Böjgen.

PEER GYNT (tast in 't rond).

Niet dood; niet levend. Een nevel. Een damp.

Geen gestalte. Ontastbaar! Het is als grijpen

In een hoop brommende halfwakk're beren! (schreeuwt).

Sla van je af!

DE STEM.

Böjgen is niet gek.

PEER GYNT.

Sla!

DE STEM.

Böjgen slaat niet.

PEER GYNT.

Vecht! Je moet!

DE STEM.

De groote Böjgen wint 't wel zonder vechten.

PEER GYNT.

Was hier maar een dwerg die mij eens kon prikken!

Was hier maar 'n kabouter niet ouder dan één jaar!

Maar iets om mee te vechten. Maar dat is hier niet...

Nou snurkt hij! Böjg!

DE STEM.

Wat?

PEER GYNT.

Gebruik geweld!

DE STEM.

De groote Böjgen wint alles met zachtheid.

PEER GYNT (bijt zich in armen en handen).

Klauwen in 't vleesch, verscheurende tanden!

Ik moet zien een druppel van mijn eigen bloed!

(Men hoort als den vleugelslag van groote vogels).

VOGELGESCHREEUW.

Böjg, komt hij?

DE STEM.

Ja! voet voor voet.

DE VOGELS.

Zusters allen, in de verte! Vliegt hier naar toe!

PEER GYNT.

Wil je mij redden, deern, doe het dan gauw.

Kijk niet zoo schuw en bedroefd voor je uit

Je kerkboek! Smijt het hem vlak in zijn oogen!

DE VOGELS.

Hij wankelt!

DE STEM.

Wij hebben 'm.

DE VOGELS.

Zusters! Gezwind!

PEER GYNT.

Te duur gekocht is het leven zoo,

Met zulk een uur van moordend spel.

(zakt in elkaar).

DE VOGELS.

Böjg, daar valt hij! Grijp hem! Grijp hem!

(in de verte klinkt klokgelui en psalmgezang).

BöJGEN (lost zich op in niets en roept in een doodssnik).

Hij was te sterk. Er stonden vrouwen naast hem.

Zonsopgang. In het gebergte vóór Aase's berghut. De deur is gesloten;

alles stil en leeg.

Peer Gynt ligt te slapen tegen den buitenmuur van de hut.

PEER GYNT (ontwaakt, kijkt rond met tragen slaperigen blik. Hij spuwt).

Hè, 'k wou dat 'k een gezouten haring had!

(spuwt weer, ziet meteen Helga, die met een mand vol etenswaren

aankomt).

Ha, kleintje, ben jij daar? Wat wou je hier, zeg?

HELGA.

't Is Solvejg...

PEER GYNT (springt op).

Waar is zij?

HELGA.

Hier achter de hut.

SOLVEJG (verscholen).

Als je hierheen komt, zet ik 't op een loopen.

PEER GYNT.

Ben je misschien bang dat ik je eens zal pakken?

SOLVEJG.

Schaam je!

PEER GYNT.

Weet je waar ik was van nacht?...

De kabouterprinses hing aan mijn lijf als een klit.

SOLVEJG.

Dan was 't maar goed dat in 't dorp klokken luidden.

PEER GYNT.

Peer Gynt is de kerel niet dien zij lokken,...

Wat zeg je, hè?

HELGA (huilend).

O, daar loopt ze al hard weg! (loopt haar na).

Wacht even!

PEER GYNT (houdt haar bij een arm vast).

Kijk eens, wat 'k heb in mijn zak!

Een zilv'ren knoop, zeg! Die is voor jou...

Doe een goed woord voor mij!

HELGA.

Toe, laat mij gaan!

PEER GYNT.

Daar heb je 'm.

HELGA.

Laat los! Daar staat de mand met eten!

PEER GYNT.

God help' je, als je niet...!

HELGA.

Laat mij los! Ik ben bang!

PEER GYNT (zacht; laat haar los).

Ik wou zeggen; vraag haar mij niet te vergeten!

(Helga loopt hard weg).

EINDE VAN HET TWEEDE BEDRIJF.

DERDE BEDRIJF.

Diep in het pijnbosch. Grauw herfstweer. Sneeuwval. Peer Gynt staat

in zijn hemdsmouwen hout te kloven.

PEER GYNT (hakt een groote den met kromme takken om).

Ja, ja, je bent taai, jij ouwe vriend;

Maar dat helpt je niets, je moet er toch aan.

(hakt weer).

Ik zie wel, je draagt een pantserhemd;...

Maar dat sla 'k wel kapot, al was 't ook nog zoo sterk...

Ja, ja, je schudt je knoestigen arm;

't Is begrijplijk genoeg, je bent kwaad, hebt 't land;

Maar hoe 't ook zij, je moet bukken voor mij...!

(breekt plotseling af).

Zinsbedrog! 't Is maar een oude boom.

Zinsbedrog! 't Is geen pantserhemd;

Het is maar een pijnboom met ruigen bast...

Het is inspannend werk, dat boomen hakken,

Maar waanzin te hakken en daarbij nog te droomen.

Dat moet uit zijn nu,... in den mist te staren

En zich klaar wakker te laten wegdrijven...

Verbannen ben je! Een 't bosch in gejaagde.

(hakt een tijdlang hard door).

Verbannen. Je hebt geen moeder meer

Om je eten te brengen, je tafel te dekken;

Wil je eten, kerel, help dan je zelf maar,

Haal je wat rauws uit bosch of beek.

Zoek je wat rijshout en steek het in brand,

Pruts wat en kook wat en maak maar wat klaar.

Wil je warme kleeren, vang dan een rendier;

Wil je een huis bouwen, houw dan blokken steen;

Wil je 't opbouwen, moet je balken zagen

En zelf ze op je rug naar de plaats toe dragen....

(zijn bijl zinkt neer, hij staart voor zich uit).

Mooi zal het worden. 'n Toren met vaan

Zal er op het dak staan en uitsteken hoog;

En op den gevel, van hout gesneden,

Een zeemeermin, met 'n vischstaart in plaats van beenen.

Koper moet er zijn aan het slot en het vaantje.

Glas moet ik ook zien te krijgen nog;

Vreemden zullen dan vragen, verbaasd,

Wat daar zoo schittert verweg in de bergen.

(lacht grimmig).

O helsche leugens! Daar zijn ze weer.

Je bent 'n banneling, kerel!

(hakt weer met woede).

Een dak van schors

Beschut ook voldoend tegen wind en vorst.

(kijkt op naar den boom).

Nu staat hij te wank'len. Kom, nog maar één houw!

Dan valt hij, zoo lang als hij is, van zelf al;

Het trilt al in 't jonge hout, ruischend en klagend!

(wil beginnen den stam van zijn takken te ontdoen; op-eens luistert

hij en blijft stilstaan met opgeheven bijl).

Daar komt iemand achter mij!... Doe je het zóó,

Jij Haegstad-boer;... dat is een valsche streek.

(schuilt weg achter den boom en gluurt).

Een kerel! Maar één. Hij lijkt wel bang.

Schuw kijkt hij in 't rond. Wat verbergt hij

Onder zijn buis? Een sikkel! Hij staat stil en gluurt,

Legt zijn vuist op zijn stok neer... en nu? Wat is dat?

Waarom staat hij nu stil en grijpt zijn sikkel?

O jé! Daar hieuw hij zijn vinger af!

Zijn heelen vinger! Hij bloedt als een varken!

Daar gaat hij er van door met zijn vuist in een doek.

(staat op).

Die lijkt wel bezeten! Een onmisbare vinger!

Er af! En zonder dat iemand hem dwingt...

Wacht! Nu begrijp ik 't...! Dat is het eenige

Middel om van den dienst vrij te komen.

Dat is 't. Zij wilden hem in d'oorlog sturen,

En de kerel natuurlijk, wou niet graag weg...

Maar afhakken...? Hem verliezen voor goed...?

't Te bedenken, te wenschen, te willen zelfs;

En 't te doen! Neen, dat begrijp ik toch niet!

(Schudt even het hoofd, dan gaat hij weer aan het werk).

Een kamer in Aase's huis. Alles is in wanorde; kisten staan open;

daagsche kleeren liggen uitgespreid in het rond; een kat in het

bed. Aase en de buurvrouw druk bezig met bij elkaar te pakken en op

te ruimen.

AASE (loopt naar den éénen kant).

Kari, hoor eens!

KARI.

Wat is 't?

AASE (aan den anderen kant).

Hoor eens...!

Waar ligt...? Waar kan 'k vinden...? Zeg eens, waar is...?

Waar zoek ik toch naar? Ik ben als versuft!

Waar is de sleutel van de kist?

KARI.

Die steekt er op.

AASE.

Wat rammelt zoo buiten?

KARI.

De laatste vracht.

Wordt naar Haegstad gebracht.

AASE (schreiend).

O, ik zou blij zijn

Als 'k zèlf in de zwarte kist werd uitgedragen!

Och, hoevéél moet een mensch toch lijden en uitstaan!

God zij mij genadig! 't Heele huis is leeg!

Wat de Haegstad-boer liet staan, nam de deurwaarder mee.

Zelfs de kleeren aan 't lijf bleven niet gespaard.

't Is schande een mensch zoo te behand'len!

(gaat op den rand van het bed zitten).

Nu is alles, huis, hof en land verloren;

Hard was de oude, maar harder het gerecht;

Er was geen hulp meer en ook geen genade;

Peer was er niet, en niemand kon mij bijstaan.

KARI.

Hier in huis mag je nu toch blijven tot je dood.

AASE.

Ja, de kat en ik, wij krijgen genadebrood!

KARI.

Ja, moeder, 't was Peer die je duur kwam te staan!

AASE.

Peer? Zeg, ben je nu heelemaal mal!

Ingrid kwam immers heelhuids weer thuis.

Zij hadden zich bij den duivel moeten houden;...

Hij is de schuldige, hij, en niemand anders;

De booze dreef mijn armen jongen er toe!

KARI.

Zou je niet liever eens om den priester sturen?

't Gaat hem slechter dan je misschien wel denkt.

AASE.

Om den priester? Och ja, dat was zoo kwaad niet.

(richt zich op).

Maar neen! dat kan ik niet! Ik ben z'n moeder toch;

Ik zal helpen; dat 's niet meer dan mijn moederplicht;

Doen zooveel ik kan, als geen ander iets doet.

Dat buis hier, mag hij hebben. Dat zal ik lappen.

'k Wou dat ik hun ook dat vel durfde afsnappen!

Waar zijn de kousen?

KARI.

Dáár, bij den anderen rommel.

AASE (rommelt er in).

Wat vind ik daar? Och neen maar, een ouden

Gietlepel, Kari! Daarmee heeft hij gespeeld

Knoopen-gieten, smelten en stemplen.

Eens, toen hier feest was, kwam de jongen thuis

En vroeg zijn vader om een klomp tin;

Geen tin, zei Jon, maar koning Christiaans munt,

Zilver; men moet zien dat je een zoon bent van Jon Gynt

God vergeve het Jon; maar dronken was hij,

En dan lette hij op geen goud of geen tin.

Hier zijn de kousen. O, wat een gaten!

Dat geeft stopwerk, Kari!

KARI.

Dat 's noodig, dunkt mij.

AASE.

Als dat gedaan is, ga 'k maar naar bed;

Ik voel mij zoo zwak en ziek en benauwd...

Twee wollen hemden; die hebben zij vergeten!

KARI.

Ja, dat hebben zij nèt.

AASE.

Dat treft juist goed.

Het eene kan je op zijde leggen.

Of wacht, wij moesten ze maar beide houden;

Dat wat hij aan heeft is al zoo dun.

KARI.

Maar, moeder Aase, dat mag toch niet!

AASE.

Nou ja, maar je weet, de priester verkondigt

Vergeving voor dit en meer andere zonden.

Buiten een nieuwgebouwde hut in het bosch. Een rendiergewei boven de

deur. De sneeuw ligt hoog. Het schemert al. Peer Gynt staat voor de

deur en spijkert een groot houten slot vast.

PEER GYNT (lacht nu en dan hardop).

Een slot moet er zijn; een slot dat houdt buiten

Al de kabouters, mannen en vrouwen.

Een slot moet er zijn, om de hut af te sluiten

Voor al die kwaadaardige, looze dwergen...

Zij komen met 't donker; zij kloppen en tikken:

Maak open, Peer Gynt, wij zijn vlug als gedachten!

Wij schudden het bed, wij blazen het vuur aan,

Stijgen op door den schoorsteen als vurige draken.

Hihi! Peer, denk je met spijkers en planken

Den toegang voor 't nijdige dwergvolk te stuiten?

(Solvejg komt op sneeuwschoenen over de heide; zij heeft een doek

over het hoofd en een bundel in de hand).

SOLVEJG.

God zegen je arbeid. Je moet mij niet verstooten.

Ik kom omdat je riep, dus moet je mij nemen.

PEER GYNT.

Solvejg! 't Is toch niet...! Jawel, 't is waar!...

En je bent niet meer bang om dicht bij mij te komen!

SOLVEJG.

Dramatische Werken: De comedie der liefde; Brand; Peer Gynt · 第 17 / 24 段