DE SMID (tegen de meisjes).
Als hij tegen je spreekt, hoor dan niet naar hem!
EEN MEISJE (tegen de anderen:)
Neen; wij doen net of wij hem niet kennen.
PEER GYNT (komt verhit en opgewonden aan, blijft midden voor den
zwerm staan en klapt in de handen).
Wie van jullie kan het flinkste draaien?
EEN ENKELE (op wie hij toetreedt).
Ik niet.
EEN ANDERE (evenzoo).
En ik niet.
EEN DERDE.
Nou, ik zeker ook niet.
PEER GYNT (tegen een vierde:)
Kom jij dan maar, tot een beetre zich aanmeldt.
HET MEISJE (keert zich om).
Ik heb geen tijd.
PEER GYNT (tegen een vijfde:)
Jij dan!
HET MEISJE (terwijl zij wegloopt:)
Ik moet naar huis.
PEER GYNT.
Van avond? Ben je nou heelemaal mal.
DE SMID (even later, halfluid:)
Peer, daar gaat zij dansen met een ouwe.
PEER GYNT (wendt zich snel tot een ouderen man).
Waar zijn zij die nog vrij zijn?
DE MAN.
Zoek zelf maar. (gaat heen).
(Peer Gynt is opeens stil geworden. Hij gluurt schuw onderuit naar
de groep. Allen kijken naar hem, maar niemand zegt iets. Hij gaat
naar andere groepjes toe. Waar hij komt wordt het stil; als hij zich
verwijdert, glimlachen zij en kijken hem na).
PEER GYNT (zachtjes).
Blikken, gedachten en lachjes als pijlen,
Dat krast en knarst als zaaghout onder vijlen!
(Hij sluipt langs het hek. Solvejg, met de kleine Helga aan de hand,
komt het voorplein op, vergezeld van haar ouders).
EEN MAN (tegen een anderen, dicht bij Peer Gynt).
Dat zijn de nieuwe menschen.
DE ANDERE.
Die luî daar?
DE EERSTE.
Komen uit het Westen.
DE ANDERE.
Juist! Jawel.
PEER GYNT (treedt de komenden in den weg, wijst op Solvejg en vraagt
aan den man:)
Mag 'k met je dochter dansen, zeg?
DE MAN (zacht:)
Zeker; maar eerst
Moeten wij de menschen binnen begroeten.
(zij gaan binnen).
DE KEUKENMEESTER (tegen Peer Gynt, terwijl hij hem te drinken
aanbiedt:)
Als je hier bent moet je de kruik eens aanspreken!
PEER GYNT (kijkt onafgewend naar de binnengaanden).
Dank je; 'k wil dansen. Ik heb nu geen dorst.
(De keukenmeester gaat weg; Peer Gynt kijkt naar het huis en lacht).
Hoe blank! Neen, zoo iets zag ik nog nooit!
Keek neer op haar schoenen en haar witte schortje...!
En terwijl hield zij moeders schortpunt vast,
En droeg een kerkboek in een doek gewikkeld...!
Ik moet dat meisje zien. (wil de kamer in).
EEN JONGEN (komt met verscheidenen er uit).
Wel, Peer, ga je al weg
Van 't dansen?
PEER GYNT.
Neen.
DE JONGEN.
Maar dan loop je verkeerd.
(pakt hem bij den schouder om hem om te draaien).
PEER GYNT.
Laat mij toch voorbij!
DE JONGEN.
Ben je bang voor den smid soms?
PEER GYNT.
Ik bang?
DE JONGEN.
Ja, je weet wel hoe 't laatst ging te Lunde?
(het troepje gaat lachend weg naar de dansenden).
SOLVEJG (in de deur).
Jij bent vast de jongen, die wilde dansen?
PEER GYNT.
Ja, dat ben ik; was je dat al vergeten? (neemt haar bij de hand).
Kom dan!
SOLVEJG.
Maar niet te lang, zegt moeder!
PEER GYNT.
Zegt moeder? Ben jij dan van gistren, zeg?
SOLVEJG.
Je lacht me uit...!
PEER GYNT.
Je bent toch al volwassen;
Hoe oud ben je?
SOLVEJG.
'k Ben aangenomen in 't voorjaar.
PEER GYNT.
Zeg hoe je heet, dan praten wij gezelliger.
SOLVEJG.
Mijn naam is Solvejg. En jij, hoe heet jij?
PEER GYNT.
Peer Gynt.
SOLVEJG (trekt haar hand terug).
O hemel!
PEER GYNT.
Wat moet dàt nu?
SOLVEJG.
Mijn kouseband is los; dien moet ik vaster gaan binden.
(loopt weg).
DE BRUIDEGOM (trekt zijn moeder aan haar rok).
Moeder, zij wil niet!
DE MOEDER.
Wil zij niet? Wat?
DE BRUIDEGOM.
Zij wil niet!
DE MOEDER.
Wat dan?
DE BRUIDEGOM.
Den sleutel omdraaien.
DE VADER (zachtjes en nijdig).
Zij moesten jou aan de ruif vastbinden!
DE MOEDER.
Och, brom maar niet. Sukkel! 't Komt wel terecht.
(zij gaan weg).
EEN JONGKEREL (die met een heelen troep van de dansplaats komt).
'n Slok brandewijn, Peer?
PEER GYNT.
Neen.
DE JONGKEREL.
'n Slokje maar?
PEER GYNT (kijkt hem donker aan).
Heb je dan wat?
DE JONGKEREL.
Dat kon wel gebeuren.
(haalt een zakflesch te voorschijn en drinkt).
Wat dat 'n mensch òpknapt!... Nou?
PEER GYNT.
Laat 'ns proeven. (drinkt)
EEN TWEEDE.
Nu moet je ook eens drinken met mij.
PEER GYNT.
Neen!
DEZELFDE.
Och kom, wees nou niet zoo flauw, zeg!
Kom Peer, drink!
PEER GYNT.
Geef mij dan een dropje. (drinkt weer).
EEN MEISJE (halfluid:)
Kom, laat ons gaan.
PEER GYNT.
Ben je bang voor mij, deern?
EEN DERDE JONGKEREL.
Wie is nou niet bang voor jou?
EEN VIERDE.
Je toonde
Laatst nog te Lunde ons wat van je kunsten.
PEER GYNT.
'k Kan meer nog dan dat, als ik eerst maar eens los kom!
EERSTE JONGKEREL (fluisterend:)
Nu komt hij op dreef!
VERSCHEIDENEN (vormen een kring om hem heen).
Vertel; vertel!
Wat kan je?
PEER GYNT.
Ja, morgen...!
ANDEREN.
Neen, van avond nog, Peer!
EEN MEISJE.
Kan je toov'ren Peer?
PEER GYNT.
'k Kan den duivel bezweren!
EEN MAN.
Dat kon grootmoeder ook al, vóór ik bestond!
PEER GYNT.
Leugens! Wat ik kan dat kan niemand anders.
Ik heb hem één keer toch gejaagd in een noot.
Die was wormstekig, zie je!
VERSCHEIDENEN (lachend).
Dat laat zich begrijpen!
PEER GYNT.
Hij vloekte en jankte en wilde mij geven
Alles en nòg wat...
EéN UIT DEN HOOP.
Maar hij moest er in?
PEER GYNT.
Dat spreekt. Ik stopte 't gat dicht met een pen.
O! Dat was me een gebrom en gerommel!
EEN MEISJE.
Verbeeld je!
PEER GYNT.
't Was net het gegons van een hommel.
HET MEISJE.
Zit hij nu nog in die noot, zeg?
PEER GYNT.
Neen.
Nu is hij lang al weer er van door.
Het is zijn schuld dat Aslak zoo 't land aan mij heeft.
EEN JONGKEREL.
Hoe zoo?
PEER GYNT.
'k Ging naar de smidse en vroeg
Of hij de noot voor mij wilde kraken?
"Welzeker!" Hij legde ze neer op het aambeeld;
Maar Aslak pakt erg hardhandig aan;...
En slaat er terstond op met zijn hamer...
EEN STEM UIT DE MENIGTE.
Sloeg hij hem morsdood toen?
PEER GYNT.
Hij sloeg als een man.
Maar slim was de ander, en stoof als een brand
Dwars door het dak heen en scheurde den wand.
VERSCHEIDENEN.
En Aslak...?
PEER GYNT.
Stond met gebrande handen.
Sedert dien dag mag hij mij niet lijden.
(algemeen gelach).
ENKELEN.
Die mop is wel goed!
ANDEREN.
Dat is wel zijn beste!
PEER GYNT.
Denk jullie dat ik wat verzin?
EEN MAN.
O neen,
Dat is niet noodig; ik ken al het meeste
Van vroeger...
PEER GYNT.
Leugens! 't Is mij gebeurd!
DE MAN.
Net zoo als alles.
PEER GYNT (met een handzwaai).
Wat! Ik kan rijden
Dwars door de lucht heen op wilde paarden!
Och, ik kan allerlei dingen doen, weet je.
(weer schaterend gelach).
EEN UIT DE BENDE.
Rijd eens door de lucht, Peer!
VELEN.
Toe ja, Peer Gynt...
PEER GYNT.
Je hoeft er niet zoo om te bedelen, zeg.
Ik zal rijden als een stormwind over jullie allen!
't Heele kersspel zal nog te voet mij vallen!
EEN OUDERE MAN.
Nu is hij stapelgek al.
EEN TWEEDE.
Stuk vee!
EEN DERDE.
Opsnijder!
EEN VIERDE.
Leugenbrok!
PEER GYNT (dreigt hen).
Wacht maar, jawel!
EEN MAN (halfdronken).
Ja wacht; jou krijgen wij wel eens te pakken!
VERSCHEIDENEN.
Dan slaan wij je murw! En 'n paar blauwe oogen!
(De troep verspreidt zich, de ouderen kwaad, de jongeren spottend
en lachend).
DE BRUIDEGOM (vlak bij hem).
Zeg Peer, is het waar, kan je door de lucht rijden?
PEER GYNT (kort).
Zeker, Mads! Geloof maar dat ik wat mans ben.
DE BRUIDEGOM.
Heb je dan ook den mantel, die maakt onzichtbaar?
PEER GYNT.
Den hoed, bedoel je? Ja, dien heb ik ook.
(keert zich van hem af. Solvejg gaat over de dansplaats met Helga
aan de hand).
(Peer Gynt naar hen toe, met stralende oogen).
Solvejg! O, 't is goed dat je komt, hoor! (grijpt haar pols).
Nu zal ik je draaien lustig in 't rond!
SOLVEJG.
Laat mij los!
PEER GYNT.
Waarom?
SOLVEJG.
Je bent zoo wild.
PEER GYNT.
Ook het rendier is wild, als de zomer nadert.
Kom toch, deern, en wees niet zoo dwars!
SOLVEJG (trekt haar arm terug).
'k Durf niet.
PEER GYNT.
Waarom niet?
SOLVEJG.
Je hebt gedronken.
(gaat met Helga weg).
PEER GYNT.
Je mes moest je hun kunnen steken
Dwars door hun korpus... allemaal!
DE BRUIDEGOM (stoot hem aan met zijn elleboog).
Kan jij mij niet bij mijn bruid binnen laten?
PEER GYNT (verstrooid).
Je bruid? Waar is die?
DE BRUIDEGOM.
In 't blokhuis.
PEER GYNT.
Zoo, zoo.
DE BRUIDEGOM.
Och toe, Peer Gynt, doe jij eens je best!
PEER GYNT.
Neen, jij moet 't zonder mijn hulp klaar spelen.
(een gedachte gaat hem door het hoofd; hij zegt zachtjes en heftig:)
Ingrid in 't blokhuis! (nadert Solvejg).
Heb jij je bedacht, zeg?
(Solvejg wil doorgaan, hij treedt haar in den weg).
Je schaamt je omdat ik wel een schooier lijk.
SOLVEJG (haastig).
Dat doe ik niet, neen, en dat 's ook niet waar!
PEER GYNT.
Jawel, en 'n beetje heb ik 'm òm;
Maar dat was uit nijd, omdat jij mij afwees.
Kom nou!
SOLVEJG.
'k Mag niet, al zou ik wel willen!
PEER GYNT.
Voor wie ben je bang?
SOLVEJG.
Voor vader 't meest.
PEER GYNT.
Vader? O, dat is zeker zoo'n stille!
Die 't hoofd laat hangen? Of niet soms, zeg?
SOLVEJG.
Wat moet ik zeggen?
PEER GYNT.
Hoor je tot de vromen?
Je vader, je moeder, en ook jij?
Nou, kan je niet spreken?
SOLVEJG.
Laat mij met rust.
PEER GYNT.
Neen! (gedempt maar heftig en bangmakend:)
Ik kom bij je als een booze geest!
Ik kom voor je bed staan, als de klok twaalf slaat van nacht.
Hoor je dan om je heen blazen en sissen,
Dan hoef je niet te denken dat het maar de kat is.
Dat ben ik dan! Ik tap je bloed af in een kop;
En je kleine zusje eet ik heelemaal op;
Ja, je moet 't maar weten dat ik 's nachts een weerwolf ben.
'k Zal je bijten in je lenden, je rug...
(slaat plotseling over en smeekt als in angst:)
Dans met mij, Solvejg!
SOLVEJG (kijkt hem donker aan).
Hè, dat was slecht!
(gaat de kamer binnen).
DE BRUIDEGOM (komt weer aangeslenterd).
Je krijgt van mij een koe, als je me helpt!
PEER GYNT.
Dat 's goed!
(Zij gaan achter het huis. Op 't zelfde oogenblik komt er een heele
troep van de dansplaats; de meesten zijn dronken. Drukte en lawaai,
Solvejg en Helga komen met hun ouders en een aantal oudere gasten
aan de deur).
DE KEUKENMEESTER (tegen den smid die vooraan staat in den troep:)
Bedaard!
DE SMID (trekt zijn buis uit).
Neen, nu moet 't maar uitgemaakt
Worden, Peer Gynt of ik moet 't veld maar ruimen.
EENIGEN.
Ja, laat ze eens vechten!
ANDEREN.
Neen, enkel razen!
DE SMID.
Woorden doen niets; de vuist moet het doen.
SOLVEJG'S VADER.
Kalm toch, man!
HELGA.
Moeder, gaan ze 'm slaan?
EEN JONGKEREL.
Laat ons liever pret maken over zijn leugens.
EEN TWEEDE.
'm Jagen van de dansvloer!
EEN DERDE.
'm Spuwen in zijn bakkes!
EEN VIERDE (tegen den smid:)
Blijf jij er bij, zeg?
DE SMID (gooit zijn buis uit).
't Beest wordt geslacht, hoor!
SOLVEJGS MOEDER (tegen Solvejg:)
Nou zie je eens hoe ze dien vent hier achten.
AASE (komt met een stok in de hand).
Is Peer mijn zoon hier? Want nou krijgt hij slaag;
'k Geef hem een rammeling die hem heugen zal!
DE SMID (stroopt zijn hemdsmouwen op).
Voor zoo'n schavuit is 'n stok veel te zacht.
SOMMIGEN.
Aslak zal 'm raken.
ANDEREN.
'm Beuken!
DE SMID (spuwt in zijn handen en knikt Aase toe).
'k Hang hem op!
AASE.
Wat! Ophangen, Peer! Probeer 't als je durft;...
Tanden en nagels heeft Aase nog wel!
Waar is hij? (roept over de dansvloer) Peer!
DE BRUIDEGOM (komt hard aangeloopen).
Wel,
godallemachtig!
Kom, vader, moeder,...!
DE VADER.
Wat is er te doen?
DE BRUIDEGOM.
Peer Gynt heeft...!
AASE (gilt).
Hebben ze 'm doodgeslagen?
DE BRUIDEGOM.
Neen, Peer Gynt...! Kijkt daar eens op den berg..
DE MENIGTE.
Met de bruid!
AASE (laat den stok vallen).
Zoo'n schoelje!
DE SMID (als uit de lucht gevallen).
Tegen de steilste kanten
Klautert de kerel op als een geit!
DE BRUIDEGOM (huilend).
Hij draagt haar, moeder, als een beer een zwijn!
AASE (maakt een dreigend gebaar tegen hem).
O, viel je er maar af, dat je... (gilt in angst:)
Wees toch voorzichtig!
DE BOER VAN HAEGSTAD (komt blootshoofds en bleek van woede:)
Ik draai hem den nek om voor deze streek!
AASE.
God neen! 'k Mag sterven als ik dat laat begaan!
EINDE VAN HET EERSTE BEDRIJF.
TWEEDE BEDRIJF.
Een smal voetpad hoog boven in 't gebergte. Vroege ochtend. Peer Gynt
loopt haastig en boos het pad af. Ingrid, half-gekleed, in bruidstoilet
tracht hem terug te houden.
PEER GYNT.
Ga weg!
INGRID (schreiend).
Na al wat gebeurd is!
Waarheen dan?
PEER GYNT.
Waarheen je wilt.
INGRID (wringt de handen).
Zoo'n bedrieger!
PEER GYNT.
Schelden helpt niet.
Elk gaat nu zijn eigen weg.
INGRID.
Schuld... ons beider schuld, die bindt ons!
PEER GYNT.
Naar den duivel met dat alles!
Naar den duivel alle vrouwen...
Uitgezonderd één...!
INGRID.
Wie is dat?
PEER GYNT.
Jij bent 't niet.
INGRID.
Wie is het dan?
PEER GYNT.
Weg! Ga nu maar weer terug
Naar je vader!
INGRID.
Peer, mijn liefste!
PEER GYNT.
Zwijg!
INGRID.
Je kunt onmooglijk meenen
Wat je zegt.
PEER GYNT.
Ja, óf ik 't meen!
INGRID.
Lokken eerst, en dan verstooten!
PEER GYNT.
En waarmee wou jij mij binden?
INGRID.
Haegstad-hoeve en nog veel meer.
PEER GYNT.
Heb jij een gezangboek bij je?
Heb jij lange gouden haren?
Kijk jij blozend langs je schortje?
Hoû jij vast je moeders rokken?
Zeg?
INGRID.
Neen; maar...?
PEER GYNT.
Ben jij van 't voorjaar
Aangenomen?
INGRID.
Och maar, Peer...?
PEER GYNT.
Kan jij zedig voor je kijken?
Kan jij afslaan als 'k wat vraag?
INGRID.
Lieve Heer, hij is krankzinnig!
PEER GYNT.
Wordt hij rein, die naar je kijkt?
Zeg!
INGRID.
Neen, maar...
PEER GYNT.
Wat blijft dan over! (wil weggaan).
INGRID (treedt hem in den weg).
Weet je dat 't je dood kan zijn
Als je weggaat?
PEER GYNT.
't Is best mooglijk!
INGRID.
Geld en goed en eer verkrijg je
Als je mij neemt...
PEER GYNT.
Dank je wel.
INGRID (barst in tranen uit).
O, jij lokte...!
PEER GYNT.
En jij woû wel.
INGRID.
'k Was wanhopend!
PEER GYNT.
Ik was dol.
INGRID (dreigend).
Goed; ik zet het je betaald!
PEER GYNT.
't Duurste is dan nog goedkoop.
INGRID.
Blijf je er bij dus?
PEER GYNT.
Muurvast, ja.
INGRID.
Best; wij zullen zien wie 't wint dan! (gaat het pad af).
PEER GYNT (is een poos stil, dan roept hij luid).
Naar den duivel met dat alles!
Naar den duivel alle vrouwen!
INGRID (draait haar hoofd om en roept smalend naar boven:)
Uitgezonderd één!
PEER GYNT.
Ja, één.
(Zij gaan ieder huns weegs).
Langs een bergmeer; de grond rondom is week en moerassig. Een onweer
komt op.
Aase, wanhopig, roept en kijkt naar alle kanten in 't rond. Solvejg
heeft moeite haar bij te houden. Hare ouders en Helga komen een eind
achter hen aan.
AASE (slaat om zich heen en trekt zich de haren uit het hoofd).
Alles werkt mij tegen met boos geweld,
Water en bergen en onweerslucht!
Nevels balt de hemel om hem te doen dwalen!
Het valsche meer wil hem 't leven benemen!
Rolsteenen en sneeuwval willen hem neerslaan;
En dan de menschen! Als die hem eens krijgen...!
Maar 't zal hun niet lukken! 'k Kan hem niet missen nog
Dat de duivel hem dat nu ook inblazen moest!
(keert zich tot Solvejg).
Ja, wie kon zoo iets nu ooit denken, niet waar...?
Hij, die enkel zwetsen en liegen kon,
En alleen dapper was met zijn mond;
Hij, die nog nooit iets flinks heeft gedaan;...
Hij...! Je zoudt wel kunnen huilen en lachen...!
Och, zooveel hebben wij al doorstaan!
Ja! Want mijn man, weet je, was aan den drank,
Haalde overal dolle streken uit;
't Geld werd verkwist, er kwam armoe en gebrek.
Intusschen bleven wij samen thuis zitten
En deden ons best de ellende te vergeten;
Want er tegen vechten dat kon ik niet goed.
Het is zoo hard zijn lot te zien onder de oogen;
En een mensch wil toch ook zijn verdriet wel eens verzetten,
En zien hoe hij zijn gedachten 't best kan afleiden.
De een doet 't met brandewijn, de ander met verdichtsels;
Och ja! Zoo namen wij sprookjes dan
Van prinsen en geesten en allerlei meer.
Ook bruidenroof soms. Maar wie had gedacht
Dat zoo iets nu nog spoken zou in hem? (weer angstig).
Huuh, wat een schreeuw! Dat 's een watergeest of dwerg...
Peer! Peer!... Daar boven op den berg...!
(Loopt hard een kleine hoogte op en kijkt over het water, de anderen
komen bij haar).
AASE.
Volstrekt niets te zien!
DE MAN (stil).
't Is het ergst voor hem.
AASE.
Och mijn Peer! Mijn verloren lam!
DE MAN (zucht zachtjes).
Ja, juist. Verloren.
AASE.
Neen, zeg dat toch niet!
Hij is zoo'n kerel. Geen een is als hij.
DE MAN.
Wat ben je toch dwaas, vrouw!
AASE.
Och ja, och ja;
Ik ben dwaas; maar mijn jongen is goed!
DE MAN (altijd gedempt en met zachte oogen).
Zijn ziel is verloren en zijn hart verhard.
AASE (angstig).
Neen toch! Zoo hard zal de Heer niet zijn!
DE MAN.
Kan hij misschien nog zijn zondenschuld boeten?
AASE (ijverig).
Neen, maar hij kan op een bok door de lucht rijden!
DE VROUW.
Mensch, ben je dol?
DE MAN.
Wat praat je daar toch?
AASE.
Niets ter wereld dat hij niet kan.
Je zult zien, als hij maar in 't leven mag blijven.
DE MAN.
't Beste was dat je 'm aan de galg zal hangen.
AASE (gilt).
Heere Jezus toch!
DE MAN.
Heeft de beul hem in handen,
Wie weet of hij dan nog niet komt tot inkeer.
AASE (duizelig).
O, ik word gek nog van je praatjes!
Komt mee! 't Geldt...
DE MAN.
Zijn zieleheil.
AASE.
En ook zijn lijf!
Zit hij in 't moeras, dan trekken wij hem op;
Is hij behekst, dan laten we 'm overluiden.
DE MAN.
Hm!... Hier is 'n veeweg...
AASE.
God mag 't je loonen
Dat je helpt hem te zoeken!
DE MAN.
Dat is christenplicht.
AASE.
Zoo? Nou, dan zijn 't heidenen, al die anderen!
Er was er geen een die mee wilde zoeken...
DE MAN.
Zij kennen hem te goed.
AASE.
Hij was hun te knap! (wringt de handen).
Bedenkt toch,... zijn leven staat op 't spel!
DE MAN.
Hier is 't spoor van 'n mannevoet!
AASE.
Nu hier gaan zoeken.
DE MAN.
Bij onze berghut zullen we ons verdeelen.
(Hij en zijn vrouw gaan vooruit).
SOLVEJG (tegen Aase).
Vertel mij nog wat meer.
AASE (droogt haar oogen af).
Meer van mijn zoon?
SOLVEJG.
Ja;...
Alles!
AASE (glimlacht en heft trotsch haar hoofd op).
Alles? Moe werd je er van!
SOLVEJG.
Eer zou je moe worden van 't vertellen,
Dan ik van te luisteren.
Lage, boomlooze heuvels onder het hooggebergte; verder achter
bergtoppen. De schaduwen zijn al lang; 't is al laat op den dag.
PEER GYNT (komt met groote sprongen aan en blijft staan aan de
helling).
't Heele dorp zit mij achterna!
Met geweren en knuppels gewapend zijn zij.
D'ouden Haegstad kan je vóórop hooren brullen...
Alom is 't bekend: Peer Gynt is er van door!
Dat 's toch wat anders dan te vechten met een smid!
Dat 's leven! 'k Voel me als een beer in elk lid.
(slaat in 't rond en maakt een luchtsprong).
Neerslaan! Smijten! Den waterval stuiten!
Dennen uitrukken met wortel en al!
Dat is leven! Dat sterkt en hardt en maakt vroolijk!
Naar de hel met al die flauwe leugens!
DRIE BERGHUTMEIDEN (loopen over de heuvels schreeuwend en zingend).
Trond in de Valbergen! Baard en Kaare!
Kabouters! Wil je bij ons komen slapen?
PEER GYNT.
Wie roep je daar zoo?
DE MEIDEN.
Kabouters! Kabouters!
EERSTE MEID.
Trond! Kom, wees smachtend!
DE TWEEDE.
Baard! Kom, wees woest!
DE DERDE.
Verlaten staan alle bedsteden ginder!
DE EERSTE.
Woest is smachtend!
DE TWEEDE.
En smachtend is woest!
DE DERDE.
Zijn er geen jongens, dan neem je een berggeest!
PEER GYNT.
Waar zijn dan de jongens?
ALLE DRIE (stiklachend).
Die kunnen niet komen!
DE EERSTE.
De mijne, die noemde mij z'n liefje, zijn schat;
Nu is hij getrouwd met een halfsleet weeuwtje.
DE TWEEDE.
De mijne ontmoette 'n Zigeunerin in 't Noorden.
Nu zwerven zij samen als landloopers rond.
DE DERDE.
De mijne, die maakte ons kleintje dood.
Nu staat zijn kop op een paal te grijnzen.
ALLE DRIE.
Trond in de Valbergen! Baard en Kaare!
Kabouters, wil je bij ons komen slapen?
PEER GYNT (staat met een sprong ineens tusschen hen in).
Ik ben een kabouter en sta je alle drie!
DE MEIDEN.
Ben jij zoo'n kerel, zeg?
PEER GYNT.
Dat zal je eens zien!
DE EERSTE.
Kom mee dan! Kom mee dan!
DE TWEEDE.
Er is meed'!
PEER GYNT.
Schenk ze in stroomen!
DE DERDE.
Dezen nacht zal geen enkele bedstee hier leeg staan!
DE TWEEDE (kust hem).
Hij knettert en sputtert als 't gloeiende ijzer.
DE DERDE (evenzoo).
Als 'n kinderoog uit den donkersten vijver.
PEER GYNT (danst in hun midden).
Droef het hart en dol de kop;
Met lachend oog; de keel gesnoerd!
DE MEIDEN (trekken lange neuzen tegen de bergtoppen, schreeuwen
en zingen).
Trond in de Valbergen! Baard en Kaare!
Kabouters!... Zou je bij ons willen slapen?
(Zij dansen de heuvels over met Peer Gynt in hun midden).
In het Rondgebergte. Zonsondergang. Lichtende sneeuwtoppen rondom.
PEER GYNT (komt verward en verwilderd op).
Kasteelen verrijzen al hooger!
O, wat een schittrende poort!
Sta toch! Blijf staan! Het wijkt al
Verder en verder terug!
Hoog op den toren slaat er
't Haantje zijn vleugels al uit;....
Verblauwend in verre kloven
Vliedt alles... de berg 's weer dicht.
Wat zijn dat voor stammen en wortels.
Opschietend uit spleten daar?
Dat zijn reuzen met reigerpooten!
Nu zinken die ook weer weg.
Als regenboog-strepen daast het
Vlijmend in oog en brein.
Wat is dat voor klokkengelui nu?
Wat drukt 't op mijn oogen zwaar!
O, hoe het woelt in mijn voorhoofd...
Die ring, die mij brandt als vuur...!
Ik kan mij maar niet meer bezinnen
Wie duivel mij dien óm bond!
(zinkt neer).
't Rijden over den Gendin
Leugens en zinsbedrog?
Op tegen muursteile wanden
Met de bruid... en 'n dag lang in roes
Jagende valken en gieren,
Dreigend kaboutervolk,
Scharrelen met dolle meiden;...
Leugens en zinsbedrog!
(staart lang in de hoogte).
Daar zie ik twee arenden drijven.
Naar 't Zuiden de ganzen gaan.
En ik moet hier zwoegen en ploetren
In modder en vuil, kniehoog! (springt op).
Ik wil mee! Ik wil wasschen mij rein in
Der scherpste winden bad!
Ik wil óp! 'k Wil mij vermooien
In stralenden zonneglans!
Ik wil weg, ver over de bergen,
'k Wil rijden tot 'k alles vergeet;
Ik wil voort over zilte zeeën,
En hoog over Engelands prins;
Ja, kijkt maar naar boven, meisjes;
Wat ik doe gaat niemand aan;
Wat sta je beneden te wachten...?
Ja, misschien val ik toch wel omlaag.
Waar zijn nu die arenden heen weer?...
De duivel heeft ze gehaald!...
Daar rijst nu een hooge gevel;
Al grooter wordt 't puntige dak;
Uit steengruis groeit 't heele huis op;...
Kijk, wijd open staat de deur
Ha, nu herken ik het huis wel,
Dat is grootvaders nieuwe plaats!
Weg is het oude kavalje,
Weg 't hek, dat op vallen stond.
En blinken doen alle ruiten;
Er is feest in de groote zaal.
Daar hoorde ik tegen zijn glas juist
Den proost tikken met zijn mes;...
Daar smijt de kaptein zijn flesch weg...
Dat de spiegel in scherven springt;
Laat gaan maar! Laat alles gaan maar!
Stil moeder; het doet er niet toe!
De rijke Jon Gynt viert er feest nu;
Hoera voor 't geslacht der Gynts!
Wat 's dat voor een joelen en schreeuwen?
Wat voor een rumoer en lawaai?
De kapitein roept om Peer-zoon,...
De proost wil drinken op mij.
Vooruit, Peer Gynt, naar binnen,
Daar klinkt de uitspraak dan:
Peer, jij bent van groote afkomst,
En wat groots zal je worden eenmaal!
(Hij rent vooruit, maar loopt met zijn neus tegen een rotsblok,
valt en blijft liggen).
Een berghelling met groote ruischende loofboomen. Sterren blinken
door het loof heen; vogels zingen in de toppen. Een in 't groen
gekleede vrouw loopt over de helling. Peer Gynt loopt haar achterna
met allerlei verliefde gebaren.
DE IN-'T-GROEN-GEKLEEDE (blijft staan en keert zich om).
Is het waar?
PEER GYNT (strijkt als snijdend langs zijn keel).
Zoo waar als ik Peer heet;...
Zoo waar als jij een prachtige vrouw bent!
Wil je mij, zeg? Je zult zien hoe netjes ik ben;
Je zult niet hoeven te weven of te spinnen.
Eten zal je hebben, zooveel als je maar òp kunt.
Nooit zal ik je bij je haren trekken...
DE IN-'T-GROEN-GEKLEEDE.
En mij niet slaan ook?
PEER GYNT.
Neen; dacht je dat?
Een koningszoon zal toch geen vrouwvolk slaan.
DE IN-'T-GROEN-GEKLEEDE.
Ben je een koningszoon?
PEER GYNT.
Ja.
DE IN-'T-GROEN-GEKLEEDE.
Ik ben 't kind van Dovre's koning.
PEER GYNT.
Ben je? Wel, kijk eens, hoe prachtig dat treft.
DE IN-'T-GROEN-GEKLEEDE.
Binnen in Rondeberg is vaders slot.
PEER GYNT.
Dat van moeder is grooter, zoover ik zien kan.
DE IN-'T-GROEN-GEKLEEDE.
Ken je mijn vader? Hij heet koning Brose.
PEER GYNT.
Ken je mijn moeder? Zij heet Koningin Aase.
DE IN-'T-GROEN-GEKLEEDE.
Als vader raast, dan splijten de bergen.
PEER GYNT.
Zij gaan duik'len als moeder maar aan 't kijven gaat.
DE IN-'T-GROEN-GEKLEEDE.
Vader kan 't hoogste gewelf wel omspannen.
PEER GYNT.
Moeder kan den snelsten stroom wel doorrijden.
DE IN-'T-GROEN-GEKLEEDE.
Heb je anders geen kleeren dan die lompen daar?
PEER GYNT.
O, je moest mijn zondagsche pak maar eens zien!
DE IN-'T-GROEN-GEKLEEDE.
Ik loop door de week ook in goud en zijde.
PEER GYNT.
Maar dit lijkt toch meer op bladen en stengels.
DE IN-'T-GROEN-GEKLEEDE.