rollenden donder, weerklinkt van boven af langs de helling).
BRAND (komt overeind).
Ha! Wat doe je?
GERD.
Goed geraakt!
Kijk, hij wankelt,... hij gaat vallen;
Hoor, hij schreeuwt, dat 't gillend doorklinkt!
Kijk eens, kijk, hoe al zijn veeren
Stuiven langs den berg als vlokken,
Kijk, hoe groot en wit hij wordt!...
Hei, nu rolt hij nog hierheen!
BRAND (zakt in elkaar).
Ja, tot boete voor 't geslacht
Zijn veroordeeld àlle telgen!
GERD.
Tienmaal wijder werd 't gewelf
Van den hemel, toen hij viel!
Kijk hem tuimlen! Kijk hem rollen!...
O, nu ben 'k niet langer bang;
Hij is wit nu, als een duif...!
(gilt in angst).
Huuh! wat een verwoed gebulder!
(werpt zich neer in de sneeuw).
BRAND (kromt zich onder de neerstortende lawine, naar boven roepend:)
Antwoord God, in 't uur des doods:
Heeft geen greintje waarde dan
Van den wil het quantum satis...?
(De lawine begraaft hem en vult het heele dal).
EEN STEM (klinkt door den rommelenden donder heen:)
Hij is Deus caritatis!
EINDE VAN HET VIJFDE EN LAATSTE BEDRIJF.
PEER GYNT
DRAMATISCH GEDICHT IN VIJF BEDRIJVEN
PERSONEN:
Aase, de weduwe van een boer.
Peer Gynt, haar zoon.
Twee oude vrouwen, met korenzakken.
Aslak, een smid.
Bruiloftsgasten.
De Keukenmeester.
De Speelman enz.
Een nieuw aangekomen boerenechtpaar.
Solvejg en de kleine Helga, hun dochters.
De Boer van Haegstad.
Ingrid, zijne dochter.
De Bruidegom en zijn ouders.
Drie berghut-meiden.
Een in 't groen gekleede vrouw.
De Koning van Dovre.
Een Hofkabouter. Verschillende andere Kabouters.
Jeugdige Kabouters van beiderlei kunne. Een paar Heksen,
Aardgeesten, Dwergen, Aardmannetjes, enz.
Een leelijke Jongen.
Een Stem in het duister.
Vogelgeschreeuw.
Kari, een boerenvrouw.
Mister Cotton, Monsieur Ballon, die Herren von Eberkopf en
Trumpeterstraale, reizigers.
Een dief en een heler.
Anitra, de dochter van een Bedoeïnen-stamhoofd.
Arabieren, Slavinnen, dansende Meisjes, enz.
De Memnonzuil (zingende) en de Sfinx van Gizeh (zwijgende figuur).
Begriffenfeldt Professor, dr. Phil., directeur van het
Krankzinnigengesticht te Kaïro.
Hoehoe, een taalhervormer van de kust van Malabar.
Hoessein, een Oostersch Minister.
Een Fellah met een koningsmummie. Verscheidene krankzinnigen met
hun oppassers.
Een Noorsch Scheepskapitein en de bemanning van zijn schip.
Een vreemde Passagier.
Een Geestelijke.
Een Begrafenisstoet.
Een Ambtenaar.
Een Knoopengieter.
Een magere persoon.
De handeling, die plaats heeft in 't begin der 19de eeuw, en eindigt
omstreeks het jaar 1860, wordt gedeeltelijk afgespeeld in het
Gudbransdal en zijn bergen, gedeeltelijk aan de kust van Marokko,
in de Saharawoestijn, in het gekkenhuis te Kaïro, op zee, enz.
EERSTE BEDRIJF.
Een helling met loofboomen bij Aase's hoeve. Een beek stroomt schuimend
naar beneden. Aan den anderen kant een oude molen. Warme zomerdag.
Peer Gynt, een forsch gebouwde jonge man van twintig jaar komt het
voetpad af. Aase, zijn moeder, klein en tenger, komt achter hem
aan. Zij is boos en kijft.
AASE.
Peer, je liegt!
PEER GYNT (zonder stil te staan).
Dat doe ik niet!
AASE.
Zoo; nou zweer dan dat 't zoo is!
PEER GYNT.
Waarom zweren?
AASE.
Och, je durft niet!
't Is weer alles leugenpraat!
PEER GYNT (blijft staan).
't Is de waarheid... woord voor woord!
AASE (vlak voor hem).
En je schaamt je niet voor mij?
Loopt van huis maar weken lang
Juist in de'allerdrukste tijden,
Om te jagen in de bergen,...
Komt thuis met gescheurden pels,
Half gekleed en zonder wild;...
En ten slot zou je wel denken
Mij je jagers-leugenpraat
Zoo maar op de mouw te spelden!...
Wel, waar was 't dat je den bok zag?
PEER GYNT.
Op den Gendin.
AASE (lacht spottend).
Juist, jawel!
PEER GYNT.
Scherp blies daar de wind van daan;
Achter kreupelhout verborgen
Groef hij in de harde sneeuw
Naar wat mos...
AASE (als voren).
Ja, juist, jawel!
PEER GYNT.
'k Hield mijn adem in, stil luistrend,
Hoorde 't knarsen van zijn hoef,
Zag van één gewei de takken.
Toen, voorzichtig, tusschen steenen,
Sloop ik op mijn buik vooruit.
Daar verborgen gluurde ik opwaarts;...
Zulk een bok, zoo mooi en vet,
Zag je van je leven niet!
AASE.
Neen, dat zal wel niet!
PEER GYNT.
Eén knal!
En, bons! lag de bok ter aarde.
Maar zoodra hij nederviel
Zat ik op zijn rug al schrijlings,
Greep hem bij zijn linkeroor,
Haalde juist mijn mes al uit
Om 't hem in den nek te steken;...
Hei! daar gaat hij aan het schreeuwen,
Staat pardoes weer op zijn pooten,
Werpt naar achteren zijn gewei
Dat 'k verlies mijn mes en schede;
Pakt als in een schroef mijn lenden,
Slaat zijn horens om mijn beenen
Dat 'k als in een tang geklemd zit,...
En zoo rent hij met een vaart
Rechtstreeks over Gendinskam!
AASE (onwillekeurig).
Goede hemel...!
PEER GYNT.
Heb je wel eens
Ooit den Gendinskam gezien?
'n Halve mijl is die wel lang,
Smal... niet breeder dan een zeis,
Over gletschers, losse steenen,
Scherpe kanten, grauw en steil,
Kan je zien aan beide kanten
't Zwarte water in de diepte
Slapend, meer dan dertienhonderd
El omlaag, den berg insluitend...
Daarlangs stoven hij en ik
Pijlsnel voort door weer en wind.
Nooit bereed ik nog zoo'n beestje!
Midden door die wilde vaart
'n Knett'ren als van zonnevonken.
Arendsruggen zwommen bruin
In het duizeldiepe ruim,
Halfweg tusschen ons en 't water,...
Dreven dan weer weg, als schuim.
Drijfijs brak er aan de kanten,
Doch 't geluid was niet te hooren;
Draaikolks-feeën dansten maar
Zingend, zwierend in het rond,
Voor mijn oogen, en mijn ooren!
AASE (duizelig).
O God, sta mij bij!
PEER GYNT.
Op eens,
Op een vreeslijk steile plek,
Vliegt daar plotseling een sneeuwhoen
Uit de spleet waarin het zat,
Fladdert kakelend, verschrikt,
Op, vlak voor den bok zijn pooten.
Die maakt snel half-rechtsomkeert,
Jaagt dan met een reuzensprong
Naar beneden in de diepte!
(Aase wankelt en grijpt naar een boomstam. Peer Gynt gaat voort).
Achter ons de zwarte steilte,
Onder ons een grondloos diep!
Eerst ging 't door een laag van nevels,
Toen door 'n heelen zwerm van meeuwen,
Die naar alle kanten vluchtend,
Krijschend uit elkander stoven.
Voort maar weer! Voort naar beneden!
Maar van uit de diepte schemert
Wit iets, als een rendiersborst...
't Was ons eigen beeld, o moeder,
Dat, opstijgend uit het bergmeer,
Naar de oppervlakte stormde
In een even wilde vaart
Als die ons joeg naar beneden.
AASE (snakt naar adem).
Peer! God help' mij...! Zeg het gauw!
PEER GYNT.
Bok van boven, bok van ondren,
Stooten gelijktijdig samen,
Dat het schuim ons wit bespatte.
Ja, daar lagen wij te spartlen...
Na een poosje toch bereikten
Wij een plekje waar wij landden,
't Rendier zwom, ik aan hem hangend;...
Ik ging huiswaarts...
AASE.
En de bok dan?
PEER GYNT.
Die loopt zeker nog wel rond;...
(knipt met de vingers, draait op zijn hielen en voegt er bij:)
Pak hem, als je 'm nog kunt krijgen.
AASE.
En je nek is niet gebroken?
Beide beenen brak je niet?
En je ruggegraat is heel?
O, mijn God,... ik loof en dank u
Dat mijn zoon gij hebt beschermd...
Wel is toch je broek aan flarden;
Maar dat is niet van beteeknis
Als men denkt wat er veel ergers
Kòn gebeuren op zoo'n tocht...!
(houdt plotseling stil, kijkt hem aan met open mond en groote oogen,
kan een heelen tijd geen woorden vinden, en barst eindelijk uit:)
O jij duivels-leugenaar!
Goede God, wat kan jij liegen!
Ik herinner 't mij nu weer,
Heb het al gehoord als meisje.
Gudbrand Glesne is 't gebeurd...
Maar niet jou...
PEER GYNT.
Jawel, mij ook.
't Kan wel meer dan ééns gebeuren.
AASE (nijdig).
Ja, een leugen kan je draaien
Om-en-om, versierd, vermooid,
In een gloednieuw pak gestoken
Dat geen mensen haar meer herkent.
En dàt heb jij nu gedaan;
Alles groot en wild gemaakt,
Opgesierd met arendsruggen...
En met al die andre fratsen --
Hier wat bij en daar wat af --
Maak je iemand zoo van streek,
Dat een mensch niet meer herkent
Wat hij jaren lang al wist!
PEER GYNT.
Als een ander zoo iets zei
'k Zou hem ongenadig rans'len!
AASE (huilend).
Och God, was ik toch maar dood;
Lag ik toch maar onder de aarde!
Tranen noch gebeden helpen,...
Peer, je bent en blijft verloren!
PEER GYNT.
Lieve moedertje, och toe,...
Ja, je hebt volmaakt gelijk,...
Wees nu maar weer goed...
AASE.
Och, zwijg toch!
Kan ik zoo maar daadlijk goed zijn,
Met een beest als jij tot zoon?
Is 't voor mij, een arme weduw'
Zonder steun, geen bitter leed dan?
Altijd schande maar tot loon! (schreit weer)
Wat bleef er voor ons nog over
Van grootvaders rijke dagen?
Waar zijn al de zakken geld
Van den ouden Rasmus Gynt?
Vader bracht het geld aan 't rollen,...
Strooide 't rond als ware 't zand,
Kocht maar grond in 't heele land,
Reed er met vergulde karren...
Waar is alles wat verdaan werd
Bij het groote winterfeest,
Toen de gasten flesschen, glazen
Neer maar kwakten op de planken!
PEER GYNT.
Sneeuw van 't vorig jaar, waar is die?
AASE.
Hoû toch je brutalen mond!
Kijk eens rond! Om 't andre raam is
Er geen heele glasruit meer.
Hek en schutting zijn bezweken,
't Vee staat maar in weer en wind,
Veld en akker liggen braak,
Iedre maand moet ik beleenen...
PEER GYNT.
Hou toch op met dat gezeur!
Dikwijls als 't geluk eens uitbleef
Kwam het in galop terug weer!
AASE.
Waar dàt groeide is zout gestrooid nu!
Maar jij bent een kerel, jij,...
Altijd kranig en brutaal,
Welbespraakt als toen de priester --
Die van Kopenhagen kwam
En je naar je doopnaam vroeg --
Zwoer dat menig volbloed prinsje
Zulk een naam zou willen dragen.
En tot dank gaf toen je vader
Paard en slede hem present nog,
Voor zijn allervriendlijkst woord...
Ja; toen was hier pret genoeg!
Proost, kaptein en al hun aanhang
Hingen dagelijks hier om,
Etend, drinkend om het hardst.
Maar in nood kent men zijn vrienden,
't Werd hier alles leeg en stil
Van den dag, dat "Jon de geldzak"
Met zijn mars de wereld introk.
(droogt haar oogen af met haar schort).
Och, jij bent nu groot en sterk toch
Jij moest staf en steun en hulp zijn
Voor je arme oude moeder,...
Jij moest hoeve en huis besturen,
Zorgen dat er niets verviel;...
(huilt weer).
Lieve God, wat ik aan jou had
Al die jaren lang, schavuit!
Bij den haard blijf je thuis liggen,
Wentelt rond in asch en kolen;
In het dorp jaag je al de meisjes
Uit de danszaal als je komt,...
Maakt mij overal te schande,
Vecht met d'ergste vechtersbazen...
PEER GYNT (loopt weg).
Schei toch uit.
AASE (loopt hem na).
Kan jij 't ontkennen
Dat je nommer één geweest bent
Toen er zoo gevochten is laatst,
Ginds te Lunde... waar je elkander
Gingt te lijf als dolle honden?
Of was jij 't niet die smid Aslak's
Arm ontwricht heb op dien dag...
Of was 't soms één vinger maar?
PEER GYNT.
Wie bracht je die praatjes thuis?
AASE (nijdig).
Buurvrouw hoorde het gejammer!
PEER GYNT (wrijft zijn elleboog).
Ja, maar schreeuwen deed ik zelf.
AASE.
Jij?
PEER GYNT.
Jawel... ik kreeg de klappen.
AASE.
Wat?
PEER GYNT.
Die kan je raken, hoor!
AASE.
Wie dat?
PEER GYNT.
Wel, dien Aslak, meen ik.
AASE.
Foei toch, foei! 'k Moest op je spuwen!
Zoo'n opsnijder, zoo'n slampamper,
'n Zuiplap, een aartsleugenaar,
Liet jij je door zoo'n vent slaan?
(huilt weer).
Schande heb 'k al veel geleden;
Maar dat dit gebeuren moest
Is wel de ergste spotternij.
Al is hij dan nog zoo'n baas;...
Moet jij dan de minste zijn?
PEER GYNT.
Of ik klop krijg, of d'r op sla...
Jamren moet je toch altijd.
(lacht).
Troost je moeder...
AASE.
Was 't een leugen
Nou alweer?
PEER GYNT.
Ja, dezen keer.
Droog dus maar je tranen af;...
(balt zijn linkerhand).
Kijk,... met deze knijptang hier
Hield 'k den heelen smid gebogen;
(balt de rechterhand).
En dit vuistje was mijn hamer...
AASE.
O, jij rekel, brengt je moeder
Nog in 't graf met je gedrag!
PEER GYNT.
Neen, hoor, jij bent beter waard;
Twintig duizend maal wat beters;
Lieve, booze moeder mijn,
Kom, vertrouw maar op mijn woord,
Heel het dorp zal je nog eeren,
Wacht maar tot ik eens iets groots...
Waarlijk groots volbrengen zal.
AASE (spottend).
Jij!
PEER GYNT.
Wie weet wat kan gebeuren!
AASE.
Werd je nog maar eens zoo wijs
Dat je zelf weer dicht kon maken
Al de scheuren in je broek!
PEER GYNT (nijdig).
Koning zal ik worden, keizer!
AASE.
Lieve God, daar gaat zijn laatste
Restje van gezond verstand!
PEER GYNT.
Ja, 't gebeurt! Heb maar geduld!
AASE.
"Heb geduld, dan wordt je prins,"
Heet het, als 'k mij niet vergis!
PEER GYNT.
Wacht maar, moeder!
AASE.
Hoû je mond!
Stapelgek ben je gewoon...
Trouwens, eerlijk moet ik zeggen,
Als je niet zoo dag aan dag
Dolle streken deedt, en loog,
Was je goed terecht gekomen.
Die van Haegstad mocht je wel;
Die had jij best kunnen krijgen
Als je 't goed hadt aangelegd...
PEER GYNT.
Denk je?
AASE.
D'oude heeft geen kracht meer
Om zijn dochter te weerstaan;
Wel is hij een echte stijfkop,
Maar zij, Ingrid, geeft geen kamp ook;
En waar zij gaat, strompelt hij
Brommend haar wel achterna dan.
(begint weer te schreien).
Och, mijn Peer, een schatrijk meisje,...
'n Boerendochter! Denk eens aan,...
Als je 't wijzer aangelegd hadt
Was je al haar bruidegom,...
Jij, die nu hier loopt in lompen!
PEER GYNT (snel).
Kom, ik ga het jawoord halen!
AASE.
Waar?
PEER GYNT.
Op Haegstad!
AASE.
Arme jij;
Dat is uit, die vrijerij!
PEER GYNT.
En waarom?
AASE.
't Is om te huilen!
Nu is het te laat... verspeeld al...
PEER GYNT.
Zoo?
AASE (snikkend).
Toen jij ginds in de bergen
Door de lucht reedt op je rendier,
Heeft Mads Moën haar gekregen!
PEER GYNT.
Wat? Dat vrouwenschrikbeeld! Hij!...
AASE.
Ja, zij neemt hem nu tot man.
PEER GYNT.
Wacht mij hier tot ik een paard span
Voor de kar... (wil weggaan).
AASE.
Maak maar geen drukte.
Morgen vieren zij al bruiloft...
PEER GYNT.
Poeh!... maar ik kom nog van avond!
AASE.
Schaam je; wil je dat zij ook nog
Je belachen en bespotten?
PEER GYNT.
Stil maar. Alles gaat wel goed.
(jodelt en lacht tegelijkertijd).
Heisa, zeg! De kar blijft hier;
't Paard te halen duurt te lang...
(tilt haar op).
AASE.
Laat mij los!
PEER GYNT.
Neen, op mijn armen
Draag ik je naar 't bruiloftshuis!
(waadt door de beek).
AASE.
Help! Och Heer wees mij genadig!
Wij verdrinken...
PEER GYNT.
Neen, mij wacht
Een veel hoogre dood...
AASE.
Jawel;
Jij komt aan de galg terecht!
(trekt hem aan zijn haar).
O, jij monster!
PEER GYNT.
Zit nu stil,
't Is hier glad, de grond is glibb'rig.
AASE.
Ezel!
PEER GYNT.
Ja, je mag wel schelden,
Dat brengt niemand van de wijs.
Zoo; nu krabb'len wij weer op...
AASE.
Hoû mij vast toch!
PEER GYNT.
Heisa, hop!
Nu wordt 't Peer-en-rendier spelen;...
(galoppeert).
Ik ben 't rendier, jij bent Peer!
AASE.
O, ik voel mezelf niet meer!
PEER GYNT.
Zie je, nu zijn wij de beek door;...
(komt aan land).
Zoo, geef nu je bok een kus:
Dat is voor den voerman 't loon...
AASE (geeft hem een oorvijg).
Ziedaar voor den voerman!
PEER GYNT.
Au!
Dat 's een al te karig loon!
AASE.
Laat mij los!
PEER GYNT.
Eerst naar de hoeve.
Wees mijn voorspraak. Je bent handig;
Spreek met hem, den ouden gek;
Zeg hem dat Mads Moën niets waard is...
AASE.
Laat me los!
PEER GYNT.
En zeg hem ook
Wat Peer voor een kerel is.
AASE.
Ja, daar kan je vast op aan!
'k Zal een boekje opendoen,
'k Zal een mooi tafreel ophangen
Van je fratsen en je streken...
PEER GYNT.
Zoo?
AASE (spartelt van kwaadheid).
Ik zal niet eerder zwijgen
Vóór de boer den hond op je afjaagt,
Alsof jij een schooier was!
PEER GYNT.
Hm; dan zal ik maar alleen gaan.
AASE.
Goed, maar ik kom je achterna!
PEER GYNT.
Moederlief, dat kan je niet...
AASE.
Denk je niet? Ik ben zoo woest
Dat 'k wel steenen kon vermorz'len!
Grind zou 'k kunnen eten, bah!
Laat mij los!
PEER GYNT.
Als je belooft nu...
AASE.
Niets! ik wil mee naar den boer toe,
Weten zal hij wie je bent!
PEER GYNT.
Neen, dan moet je wachten hier.
AASE.
'k Wil niet! Ik wil mee naar boven!
PEER GYNT.
Dat gebeurt niet.
AASE.
Wat is dat nu?
PEER GYNT.
'k Zet je op 't dak hier van den molen
(Zet er haar op. Aase gilt).
AASE.
Haal me er af!
PEER GYNT.
Als je wilt luistren...?
AASE.
Klets niet!
PEER GYNT.
Moeder wees toch wijs...
AASE (gooit naar hem met een graszode).
Haal me er af, Peer, gauw... terstond!
PEER GYNT.
Als ik durfde deed ik 't zeker.
(dichterbij).
Blijf nu stil en rustig zitten.
Ga niet spart'len met je beenen,
Ruk en pluk niet aan de steenen,...
Anders, denk er aan, zou 't mis gaan...
Zou je vallen.
AASE.
O, jij beest!
PEER GYNT.
Niet zoo spart'len!
AASE.
O, ik wou
Dat de grond je op kon slokken!
PEER GYNT.
Schaam je toch!
AASE.
Och wat!
PEER GYNT.
Geef liever
Mij je zegen op mijn tocht mee.
Wil je? Zeg?
AASE.
Ik zal je rans'len,
Al ben jij ook nog zoo'n baas!
PEER GYNT.
Nou, tot ziens dan, moederlief!
Zit maar stil, ik blijf niet lang weg.
(gaat heen, maar keert zich om, steekt zijn vinger vermanend op
en zegt):
Denk er aan dat je niet spartelt!
(af).
AASE.
Peer!... Och God, nu loopt hij weg!
Bokkerijder! Leugenbrok!
Zal je komen!... Neen, daar gaat hij
Er van door...!
(schreeuwend:)
Help! ik word duiz'lig!
(Twee oude vrouwen met zakken op den rug komen het pad af naar
den molen).
EERSTE OUDE VROUW.
Hèh? Wie schreeuwt daar?
AASE.
Ik! hier, ik!
TWEEDE OUDE VROUW.
Aase! Wel,... wat zit je hoog...?
AASE.
Dit beteekent nog niet veel...
Als 't nog lang duurt vaar 'k ten hemel!
EERSTE OUDE VROUW.
Goede reis dan!
AASE.
Haal een ladder;
'k Wil er af! Dat duivelsjong...
TWEEDE OUDE VROUW.
Wie, je zoon?
AASE.
Ja, wat hij uithaalt
Heb je dan nu eens gezien.
EERSTE OUDE VROUW.
Wij getuigen.
AASE.
Help mij maar eens;
Want naar Haegstad moet ik gauw nu...
EERSTE OUDE VROUW.
Is hij dáár?
TWEEDE OUDE VROUW.
Dan kan je lachen;
Want de smid zou ook daar komen.
AASE (wringt de handen).
Lieve God, mijn arme jongen!
Wie weet of ze hem niet doodslaan!
EERSTE OUDE VROUW.
Ja, zoo iets kan licht gebeuren;
Troost je dan maar dat 't zijn lot was!
TWEEDE OUDE VROUW.
Zij is dol van woede en angst.
(roept naar boven).
Ejvind, Anders! Komt eens hier!
EEN MANNENSTEM.
Wat is 't dan?
TWEEDE OUDE VROUW.
Kijk, moeder Aase
Heeft Peer Gynt op 't dak gezet daar!...
Een kleine hoogte met struiken en hei. Daar achter, door een hekje
afgescheiden, loopt de weg.
Peer Gynt komt een voetpad op, loopt snel naar het hekje toe, blijft
staan en kijkt uit waar het uitzicht zich opent.
PEER GYNT.
Daar ligt Haegstad. Nu zal 'k gauw klaar zijn.
(klimt half over het hekje heen; dan bedenkt hij zich).
Wie weet of Ingrid wel alleen zit thuis?
(beschut zijn oogen en kijkt uit).
Neen. 't Wemelt er van luî met geschenken.
't Is misschien 't verstandigst als ik maar omkeer.
(trekt zijn been weer terug).
Altijd fluisteren ze achter je rug,
En spotten dat 't brandt dwars door je ziel heen.
(gaat eenige stappen terug en plukt zonder nadenken blaren af).
Als je nu maar iets sterks had te drinken,
Of als je 'm kon poetsen onbemerkt...
Of als niemand je kende... Vooral iets sterks
Zou goed zijn, dan schrijnt het lachen zoo fel niet.
(Kijkt opeens als verschrikt rond; dan verbergt hij zich tusschen
de struiken. Eenige menschen met eetwaren-geschenken gaan voorbij en
dalen dan af naar het bruiloftshuis).
EEN MAN.
Zijn vader was een zuiplap en zijn moeder is niet wijs.
EEN VROUW.
Nou, dan is 't ook geen wonder dat de jongen is 'n dwaas.
(De menschen gaan verder. Even daarna komt Peer Gynt te voorschijn
en kijkt hen rood van schaamte na).
PEER GYNT (zachtjes).
Hadden die het over mij? (met een woedend gebaar).
Och, laat ze praten!
Zij kunnen mij daarmee geen kop kleiner maken.
(Laat zich neervallen in de hei, ligt langen tijd op zijn rug met de
handen onder zijn hoofd in de lucht te staren).
Wat een zonderlinge wolk! 't Lijkt wel een paard.
En een man zit er op,... en zadel en teugels...
Daar achter rijdt een heks op een bezemsteel.
(Lacht stil in zich zelf).
Dat 's moeder. Zij zit te schreeuwen en scheldt: beest
Van een Peer!...
(Even later sluit hij de oogen).
Ja, nu is zij bang...
Peer Gynt rijdt voorop, en een heele troep volgt hem...
't Tuig is verzilverd, goudglanzend de hoeven.
Zelf draagt hij handschoenen, sabel en schede,
'n Mantel heel lang en met voering van zijde.
Dapper zijn zij die vertrouwend hem volgen.
Geen één toch zit er als hij in het zadel,
Geen één toch straalt er als hij in het zonlicht.
Menschen staan ginds aan het hek bij elkander,
Nemen hun hoed af en staren naar boven;
Nijgende vrouwen ook. Allen erkennen
Keizer Peer Gynt en zijn duizenden mannen.
Onder hem schittren als kiezelsteenen
Zilveren munten, die strooide op den weg hij.
Allen in 't dorp zijn rijk nu als graven.
Peer Gynt rijdt er dwars door de lucht over zee heen!
Engelands prins staat aan 't strand hem te wachten;
Evenzoo doen alle Engelsche meisjes.
Engelands grooten en Engelands keizer,
Waar Peer voorbij rijdt, staan op van hun zetels.
De kroon van zijn hoofd neemt de keizer af, zeggend....
SMID ASLAK (tegen eenige anderen terwijl zij aan de andere zijde van
het hekje voorbij gaan).
Kijk dáár eens, Peer Gynt, dat dronken zwijn!
PEER GYNT (komt half overeind).
Wat, Keizer!
DE SMID (leunt over het hek, sarrend:)
Sta toch op, jongenlief!
PEER GYNT.
Wat duivel! De smid! Zeg? Wat mot jij nou?
DE SMID (tegen de anderen:)
Z'n roes van Lunde zit hem nog in den kop.
PEER GYNT (springt op).
Ga nou maar dóór, hè!
DE SMID.
Ik ga al, ja!
Maar zeg, waar kom jij nu 't laatst van daan?
Zes weken weg... behekst in de bergen?
PEER GYNT.
Ja, smid, 'k heb wonderlijke dingen gedaan!
DE SMID (knipoogt tegen de anderen).
Laat eens hooren, Peer!
PEER GYNT.
Dat gaat niemand aan.
DE SMID (na een oogenblikje).
Ga je nu naar Haegstad?
PEER GYNT.
Neen.
DE SMID.
Men zei
Dat vroeger jij die meid daarginder wel mocht.
PEER GYNT.
Jij zwarte raaf...!
DE SMID (wijkt een beetje terug).
Word nou niet kwaad, Peer;
Heeft Ingrid jou versmaad, er zijn 'r nog meer...;
Er komen daar jonkies en weeuwen allebei...
PEER GYNT.
Loop naar de hel!
DE SMID.
Kom, licht wil 'r een je nog hebben...
Goên avond! Ik zal vast de bruid van je groeten.
(af, lachend en fluisterend).
PEER GYNT (kijkt hem een poos na, maakt een minachtend gebaar en
keert zich half om).
Voor mijn part kan die Haegstad-meid trouwen
Met wien ze lust heeft, 't Raakt mij geen zier!
(kijkt langs zijn beenen).
M'n broek aan flarden. Smerig en kaal,...
Had ik maar iets nieuws om aan te trekken.
(stampt op den grond).
Kon ik maar met één rake greep
Hun eens die minachting uit 't hart rukken!
(kijkt plotseling in het rond).
Wat is dàt? Wie staat daar te grinniken ginds?
Hm, het leek mij toch net... Neen er was toch niemand...
'k Ga naar moeder thuis.
(gaat den weg op, maar blijft weer staan en luistert naar den kant
van het feesthuis).
Nu begint de dans!
(staart en luistert; gaat stap voor stap weer terug; zijn oogen
schitteren; hij wrijft langs zijn beenen).
Wat een gewemel van meiden! Zes... acht wel de man!
O, haal mij de duivel,... daar doe ik aan mee!...
Maar moeder, die nog zit op het molendak...
(weer dwalen zijn oogen naar beneden; hij springt en lacht).
Heisa, de halling [1] dolt over de wei heen!
Ja, die Guttorm speelt flink er op los!
Dat stampt en dat bruist als een vallende stroom.
En dan die troep heerlijke, frissche meiden!...
Ja, haal mij de duivel, daar doe ik aan mee!
(is met één sprong over het hek en holt naar beneden).
Het voorplein op Haegstad. Op den achtergrond het woonhuis. Vele
gasten. Op het grasveld wordt levendig doorgedanst. De speelman zit
op een tafel. De keukenmeester staat in de deur. Keukenmeisjes loopen
af en aan tusschen de verschillende gebouwen; oudere menschen zitten
hier en daar samen te praten.
EEN VROUW (gaat bij een troepje zitten dat op eenige balken is neer
gezegen).
O, de bruid? Ja, die huilt wel een beetje,
Maar wie neemt daar nu notitie van.
DE KEUKENMEESTER (in een ander groepje).
Hier is wat te drinken, lieve menschen.
EEN MAN.
Dank den gever; maar je schenkt wel wat veel.
EEN JONGKEREL (tegen den fiedelaar, terwijl hij voorbij stuift met
een meisje aan de hand).
Heisa, Guttorm, strijk wat je kunt maar!
HET MEISJE.
Strijk dat het klinkt ver over de weiden!
MEISJES (in een kring om een jongen die danst).
Mooi was die sprong!
EEN MEISJE.
Hij is los in de knieën!
DE JONGEN (dansend).
Hier is 't ver van den muur en hoog de zoldring!
DE BRUIDEGOM (komt grienend naar zijn vader toe, die met een paar
anderen staat te praten, en trekt hem aan zijn buis).
Zij wil niet, vader; zij is zoo stug!
DE VADER.
Wat wil ze niet?
DE BRUIDEGOM.
Zij heeft zich opgesloten.
DE VADER.
Nou, zie dan den sleutel te vinden.
DE BRUIDEGOM.
Ik weet hier den weg niet.
DE VADER.
Je bent een uil!
(keert zich weer tot de anderen. De bruidegom slentert weg over
het voorplein).
EEN JONGEN (van de achterzijde van het huis).
Meisjes! Nu zal het pas goed gaan worden!
Peer Gynt is gekomen!
DE SMID (die er zoo even bij gekomen is).
Wie bracht hem hier?
DE KEUKENMEESTER.
Niemand.