Hoe lang er duren zal de strijd?

Die duurt tot aan uw levenseinde,

Tot gij alle offers hebt gebracht,

Los zijt van al uw transigeeren,...

Tot gij uw wil hebt in uw macht,

Tot alle zwakke twijfel wijkt

Voor het gebod: alles of niets!

En de verliezen? Al uw goden,

De geest der halfheid, gouden ketens

Die u aan de aarde slaafs nog binden,

Al wat uw slapheid loom bevordert!

En wat de buit is? Rein van wil zijn,

Een sterk geloof, der ziele éénheid,...

Een offervaardigheid, die geeft

Met jubel zelfs, tot in den dood,...

Een doornenkroon op ieders voorhoofd,...

Ziet! dat zal ieders krijgsloon worden!

DE MENIGTE (onder razend getier).

Verraad! Verraad! Wij zijn bedrogen!

BRAND.

'k Ben van mijn woord niet afgeweken.

ENKELEN.

Hij heeft ons eer en overwinning

Beloofd... nu zullen 't offers worden!

BRAND.

'k Beloofde zege,... en ik zweer

Die wordt ook eens door u behaald.

Maar wie vooraan staat in de rijen

Moet kunnen vallen voor zijn zaak.

Durft hij dat niet, laat hem dan wegdoen

Zijn wapen, vóór de strijd begint.

In 's vijands macht toch valt de vlag

Als haar een zwakkeling verweert.

Wie er door offerangst verlamd wordt,

Is met het doodsmerk al geteekend!

DE MENIGTE.

Hij eischt ons eigen levensrecht

Voor een nog ongeboren volk!

BRAND.

Door offer-woestenijen leiden

De wegen naar ons Kanaän.

Ter overwinning door den dood,

Roep ik u op, als 's Heeren ridder!

DE KOSTER.

Hier zitten wij nu mooi geschoren!

In 't dorp zijn we in den ban gedaan...

DE SCHOOLMEESTER.

Daarheen terug... dat gaat niet aan!

DE KOSTER.

En vóóruit, vóóruit wil er geen meer!

EENIGEN.

Slaat hem maar dood!

DE SCHOOLMEESTER.

Wie moet ons dan

Aanvoeren als ons opperhoofd?

DE VROUWEN (wijzen verschrikt naar den weg beneden).

De Proost!

DE SCHOOLMEESTER.

Laat je maar niet verschrikken!

DE PROOST (komt op, gevolgd door enkelen der achtergeblevenen).

O mijne kindren! O mijn lamren!

Hoort naar de stem uws ouden herders!

DE SCHOOLMEESTER (tegen het volk).

Wij hebben ginder nu geen thuis meer;

Laat ons den berg maar overgaan!

DE PROOST.

O, hoe kunt gij mij zoo bedroeven,

Mijn hart zoo diepe wonden slaan!

BRAND.

Gij wondde zielen jaar op jaar!

DE PROOST.

Hoort niet naar hem! Hij wil u lokken

Met holle woorden.

VERSCHEIDENEN.

Dat is waar!

DE PROOST.

Maar wij zijn liefdrijk; wij vergeven,

Waar wij oprecht berouw maar zien.

O, keert toch tot u zelven in,

En ziet met welke hellelist

Hij alle menschen tot zich lokt!

VELEN.

Ja, dat is zoo,... hij lokte ons!

DE PROOST.

Och, denkt toch na, wat kunt gij doen,

Een troepje in dezen hoek geboren?

Zijt gij tot iets groots uitverkoren?

Komt één gevang'ne door u vrij?

Gij hebt uw kleine daagsche taak,

En wat daarbuiten gaat is zonde.

Wat kunt als kiezers gij voor nut doen?

Beschermt gij maar uw nedrig hutje.

Wat moet gij doen bij valk en arend?

Wat moet gij doen bij wolf en beer?

Gij wordt maar buit van de overmacht,...

O, mijne lamren,... o mijn kindren!

DE MENIGTE.

Ja, wee ons... dat zijn ware woorden!

DE KOSTER.

Toch sloten wij, het dorp verlatend,

Voor goed de huisdeur achter ons;...

Daar is geen thuis meer voor ons nu.

DE SCHOOLMEESTER.

Neen, hij ontstak licht voor onze oogen,

Hij wees op valschheid, schijn en leugens;

Niet langer slaapt nu de gemeente;

En wat daarginder leven heet

Geen leven is 't voor wie ontwaakte.

DE PROOST.

Ach, dat gaat gauw genoeg weer over,

En alles komt in 't oude spoor;

Houdt u maar eerst een poosje stil!

Ik sta u borg dat de gemeente

Weldra weer leven zal in vrede.

BRAND.

Kiest menschen!

EENIGEN.

Naar huis willen wij!

ANDEREN.

Te laat! De gletschers over, komt!

DE BALJUW (komt haastig aangeloopen).

Wat een geluk dat 'k jullie aantref!

DE VROUWEN.

O, beste baljuw, wees niet boos!

DE BALJUW.

Welneen, welneen; komt maar weer mee!

Een beetre tijd breekt aan voor 't dorp;

Als je nu maar verstandig zijn wilt

Kan je allen rijk zijn vóór den avond!

VERSCHEIDENEN.

Hoe zoo?

DE BALJUW.

Een vischschool in de fjord...

Miljoenen en miljoenen zijn er!

DE MENIGTE.

Wat zegt hij daar!

DE BALJUW.

Weest op je hoede!

Een hagelbui verdrijft ze licht.

Zij trokken vroeger nooit hierheen;...

Nu, vrienden, komt er hier in 't Noorden

Voor ons ook eens een beetre tijd!

BRAND.

Kiest tusschen Gods stem en de zijne!

DE BALJUW.

Laat je gezond verstand je raden!

DE PROOST.

O, is een wonder hier geschied?

Een vingerwijzing van den Heer!

Ach, 'k heb zoo vaak er van gedroomd,

Doch hield het voor verbeeldingsspel;...

Nu zien wij duidlijk de bedoeling...

BRAND.

Als gij verzaakt, verliest ge u zelven!

VELEN.

Een vischschool!

DE BALJUW.

Van miljoenen visschen!

DE PROOST.

Brood voor uw vrouwen en uw kindren!

DE BALJUW.

Je ziet wel, nu is het geen tijd

Om in een ijdlen strijd je kracht

Te meten met een overmacht,

Die zelfs den proost benauwen zou.

Nù heb je een ander doel voor oogen

Dan dom te smachten naar het hooge.

De Lieve Heer kan 't wel alleen af,

En ook de hemel staat nog stevig.

Bemoei je niet met andre kwesties,

Maar haast je om de visch te vangen,

Dat is een nuttig, praktisch werk,

Dat zonder bloed of staal geschiedt;

Het brengt je voordeel aan en welstand,

En eischt ook geen persoonlijk offer!

BRAND.

Juist 't offer is des Heeren eisch,

Zóó vlamt aan 's hemels trans het woord!

DE PROOST.

Ach, voelt gij zulk een offerdrang,

Komt dan gerust maar naar mij toe,...

Bijvoorbeeld, komt aanstaanden Zondag;...

Ik zal u waarlijk...

DE BALJUW (afbrekend).

Ja, ja, ja!

DE KOSTER (zachtjes tegen den proost).

Kan ik mijn ambt van koster houden?

DE SCHOOLMEESTER (evenzoo).

Kan ik nog blijven aan de school?

DE PROOST (gedempt).

Als gij de menschen òm kunt praten,

Zal men met u zoo streng niet zijn...

DE BALJUW.

Naar huis; naar huis; geen tijd verspild!

DE KOSTER.

Naar zee, naar zee, wie wijs wil zijn!

EENIGEN.

Maar Brand dan?...

DE KOSTER.

Laat dien gek toch loopen!

DE SCHOOLMEESTER.

Gij ziet hier toch het woord des Heeren

Als in een open boek gedrukt staan.

DE BALJUW.

Laat hem alleen; hij heeft 't verdiend;

Hij hield je allen voor den gek...

VERSCHEIDENEN.

Hij loog ons voor.

DE PROOST.

Zijn leer is valsch!

En zelfs cum laude heeft hij niet!

ENKELEN.

Wàt heeft hij?

DE BALJUW.

Een gemeen karakter!

DE KOSTER.

Ja, dat is waar; dat zien wij duidlijk!

DE PROOST.

Zijn moeder liet vergeefs hij wachten

Op 't sacrament, toen zij ging sterven!

DE BALJUW.

Zijn kind heeft hij haast zelf gedood!

DE KOSTER.

En ook zijn vrouw!

DE VROUWEN.

Wat een schandaal!

DE PROOST.

Een slechte vader, man en zoon;...

Een slechter Christen is er niet!

VELE STEMMEN.

Hij haalde onze oude kerk omver!

ANDERE.

De nieuwe sloot hij voor ons af!

WEER ANDERE.

Hij smeet ons op een plank in zee!

DE BALJUW.

Hij stal mijn plan van 't gekkenhuis!

BRAND.

Ik zie het merk op ieders voorhoofd.

Ik weet waar gij thans allen heengaat.

DE HEELE TROEP (brullend:)

Hoort niet naar hem, maar drijft hem uit!

En steenigt hem, den hellegeest!

(Brand wordt met steenworpen de rotsige vlakte opgedreven. Daarna

keeren de vervolgers terug).

DE PROOST.

O, mijne kindren! O, mijn lamren!

Nu keert gij weer naar huis en haard;

Dat uw berouw uw oog verheldre,

Dan zult gij zien, wordt alles goed.

Wij weten 't immers, God is goed;

Hij vordert geen onschuldig bloed;

En de Regeering eveneens

Is mild, als bijna nergens anders;

En uw bestuur hier, onze baljuw,

Zal het u ook niet lastig maken;

En ik ben liefdrijk en humaan

Als 't hedendaagsche Christendom;

Uw supérieuren willen allen

In vrede en eendracht met u leven!

DE BALJUW.

Maar blijft er scheuring nog bestaan,

Die moet dan worden bijgelegd.

Zoodra het weer wat rustig is

Benoemen wij dan een commissie,

Die onderzoeken zal in hoever

De godsdienst aan den eisch voldoet.

Die mag uit geestlijken bestaan,

Die wij, de proost en ik, beroepen...

Daarbij ook, als men het verlangt,

De koster en de dorpsschoolmeester,

Met andre mannen uit het volk

Aan wie men graag vertrouwen schenkt.

DE PROOST.

Wij zullen u den last verlichten,

Zooals den ouden zieleherder

Gij hebt verlicht zijn grooten angst.

Dàt denkbeeld geev' een ieder kracht,

Dat God een wonder voor u deed.

Vaartwel! Veel zegen op uw vangst!

DE KOSTER.

Ach, dat zijn nog eens Christenmenschen!

DE SCHOOLMEESTER.

Die doen de dingen kalm en waardig.

DE VROUWEN.

Zij zijn zoo netjes en zoo vriendlijk!

ANDERE.

Zoo echt toeschietlijk en eenvoudig!

DE KOSTER.

Die vorderen geen levensoffers.

DE SCHOOLMEESTER.

En kunnen nog wat meer dan bidden.

(De menigte daalt den berg af).

DE PROOST (tegen den baljuw).

Komaan, dat zal den toestand zuiv'ren.

Nu komt in alles hier verandring;

Want, God zij dank, bestaat er iets

Dat men den naam "reactie" geeft.

DE BALJUW.

Het was mijn werk dat het spektakel

In zijn geboorte werd gesmoord.

DE PROOST.

Maar 't meeste deed toch wel 't mirakel.

DE BALJUW.

Wat voor mirakel?

DE PROOST.

Van de vischschool.

DE BALJUW (fluit).

Dat was natuurlijk maar een leugen!

DE PROOST.

Och kom? Een leugen?

DE BALJUW.

'k Zei maar wat

Mij 't eerste inviel op 't moment.

Is dat te laken, waar het gold

Zoo'n groot belang?

DE PROOST.

Voorzeker niet!

Best te verantwoorden desnoods.

DE BALJUW.

En bovendien, als morgen weer

Het volk bedaard is en verstandig,

Wat deert het dan of we overwonnen

Door waarheid of door leugentaal?

DE PROOST.

Mijn vriend, ik ben geen rigorist. (kijkt naar de vlakte boven).

Maar is dat Brand niet die daarginds

Zich voortsleept?

DE BALJUW.

Zeker, dat is hij!

Een eenzaam strijder op zijn tocht!

DE PROOST.

Neen, kijk, er is nog iemand bij...

Ver achter hem!

DE BALJUW.

Wat?... Dat is Gerd!

De kerel is 't gezelschap waard.

DE PROOST (vroolijk).

Als eens zijn offerdorst gestild is,

Zou dit als grafschrift kunnen dienen:

"Hier rust Brand, van strijdlust vol;

Hij won één ziel... en die was dol!"

DE BALJUW (met den wijsvinger tegen den neus).

Maar als ik 't zaakje wel beschouw,

Lijkt mij toch 't oordeel van het volk

Nogal een beetje inhumaan.

DE PROOST (haalt de schouders op).

Vox populi vox dei. Kom! (af).

(Boven op de kale bergvlakte. Het weer wordt hoe langer hoe slechter;

zwarte wolken jagen laag en dicht over de sneeuwvelden heen. Zwarte

toppen en kammen komen nu en dan te voorschijn en worden weer door

nevels omhuld).

(Brand komt bloedig gewond en verslagen den berg op).

BRAND (staat stil en kijkt achterom).

Duizend menschen togen mee uit

En niet een kwam tot de toppen.

Wel doorklinkt er aller harten

Drang naar grootscher, beter tijd;

Wel daalt neer in alle zielen

De oproep tot den heil'gen strijd.

Maar het offer, dat beangst hen;

Zwak en bang verbergt de wil zich...

Eén stierf immers voor hen allen,...

Lafheid geldt niet meer als misdaad!

(zinkt neer op een steen en kijkt schuw rond).

O, hoe vaak heb ik gehuiverd.

Ging ik bibberend van angst...

Onder 't huilen van de honden...

In het donker... 'k was een kind!...

In de kamer waar het spookte.

Maar 'k bedwong mijn hartekloppen,

Troostte mij met de gedachte:

Buiten schijnt het volle licht,

't Duister komt niet van den nacht,...

Er zijn luiken voor de ramen.

En ik dacht hoe straks het daglicht,

Heldre zomerzonneschijn,

Zou de deur- en vensterbogen

Vol en heerlijk binnenstroomen,

In de kamer waar het spookte.

O, hoe bitter ben 'k bedrogen,

Pikzwart sloeg de nacht mij tegen...

En daarbuiten zaten mannen

Somber, stil, langs fjord en veld,

Houdend vast aan doode droomen,

Ze bewakend, als de koning,

Jarenlang bij Snefrids lijk,

Woelend los een punt der lijkwâ,

Voedend zich met ijdle hoop,

Meenend telkens dat de rozen

Weer herbloeiden op zijn wangen.

En, als hij, was er geen enkle

Die het graf gaf wat het eischte.

Onder hen niet één die weet:

Lijken droomt men niet ten leven,

Lijken moeten in den grond;

Hunne taak is het te geven

Voedsel aan een nieuwen oogst...

Donkre nacht,... nacht, overal,

Over mannen, vrouwen, kindren!

Kon ik hen met bliksemflitsen

Van des stroodoods-nood verlossen!

(springt op).

Nachtvisioenen zie ik jagen

Als een hellevaart in 't donker.

'k Zie den tijd in wapenrusting

Manend, levensoffers vragen,

Eischend klinkend staal, geen stokken,

Eischend zwaarden uit de scheede;...

Neven zie 'k ten strijd zich gorden,

Broeders zie 'k gedoken zitten,

Met hun hoed diep in de oogen.

En nog meer zie ik voorbij gaan,...

Alle gruwlen en ellende!

Vrouwen jamren, mannen schreeuwen,

't Oor gesloten voor wie smeekt,...

'k Zie hen op hun voorhoofd krassen

't Merk van arme strandbewoners,

't Minste volk door God geschapen.

Bleek en klein zich makend, staan zij,

Denkend zóó zich te beschermen...!

Vlaggen, meidags-regenboog,

Waar is dat nu alles heen?

Waar is nu de blijde driekleur,...

Zij, die wapp'rend, klapp'rend uitwoei

Onder juichend volksgejubel,

Tot een koninklijke dweper

Tong en split knipte in de vlag?

Met de tong werd toen gepraald;

Tanden mag de draak niet toonen,

Waartoe dan dat split als muil?...

Hadde 't volk toch niet gejubeld,

Niet geknipt des konings schaar!

Zoo'n vlag met vier vredeshoeken

Is net goed voor noodsignaal,

Als een schuit is lek gestooten!

Erger tijden en visioenen

Lichten door den toekomstnacht!

Als een walmend zwarte wolk

Spreidt zich Eng'lands kolendamp uit.

Al het frissche groen besmeurend,

Iedre spruit in roet verstikkend,

Komt zij, zwaar van gif, geslopen,

't Zonlicht stelend van de velden,

Zijgend neer, met asch bezwangerd,

Als een strafgericht der Oudheid...

Leelijk worden nu de menschen;...

Door der mijnen kromme gangen

Klinkt 't geluid van dropp'lend water.

't Dwergenvolk, vol ijver bezig,

Werkt, den geest van 't erts bevrijdend,

Gaat gekromd van rug en ziel,

Lonkt er met begeer'ge oogen

Naar de blanke gouden leugens,

Zonder smartkreet, zonder glimlach,

Valt een broeder, dat deert niemand,

Eigen val wekt ook den leeuw niet;...

Allen haamren, vijlen, munten;

Niemand denkt meer aan het licht;

't Heele menschdom weet niet meer

Dat, al mogen krachten zwichten,

Dit nog niet ontslaat van plichten!

Erger tijden en visioenen

Lichten in den toekomstnacht!

Koud verstand met luid geblaf

Dreigt de zon der leer op aarde.

'n Noodkreet stijgt er op uit 't Noorden,

Helpt ons! klinkt het langs de fjorden;

Dwars en mokkend sist de dwerg,

Dat is toch voor mij geen werk.

Laat de sterken daarvoor gloeien,

Andren òpkomen daarvoor;

Dat ligt niet op ònzen weg...

Wij zijn klein, zijn niet berekend

Voor een waarheidsstrijd-tournooi;

Kunnen voor ons heilsverlies

Niet het volkswelzijn opoffren.

Niet voor òns heeft hij geleden,

Niet voor òns drong in zijn slapen

Van zijn kroon der doornen punten...

Niet voor òns drong er de lanspunt

In de zijde van den doode.

Niet voor òns brandden de nagels,

Hem geboord door handen, voeten...

Wij zijn klein, haast onbekend hem,

Zijn tot helpen niet geschikt!

Niet voor òns werd 't kruis gedragen!

Ahasverus' riemslag, bloedig

Zweepend, purperkleurend rug en

Schouders van den lijder... dat is

Ons deel van het passiewerk!

(werpt zich, zijn gezicht bedekkend, neer in de sneeuw; na een poosje

kijkt hij op).

Heb 'k gedroomd? Ben ik nu wakker?

Alles grauw in mist verborgen.

Waren 't kranke droomgezichten,

Die er langs mijn oogen trokken?

Is het beeld, waarnaar de ziel

Werd geschapen, gansch verloren?

In onze oergeest overwonnen?... (luisterend).

Als gezang klinkt 't in den stormwind!

HET ONZICHTBARE KOOR (ruischt in den stormwind).

Nooit, nooit wordt gij hem gelijk,...

Want uit stof zijt gij geboren:

Of zijn werk gij doet, of zwicht,

Toch zijt gij voor goed verloren!

BRAND (herhaalt de woorden en zegt zacht:)

Wee mij! 'k Moet het haast gelooven!

Stond hij niet op 't koor der kerk,

Toornig mijn gebed afwijzend?

Nam hij niet al wat 'k bezat,

Sloot mij af den weg des lichts,

Liet mij strijden tot het eind toe

En het onderspit mij delven!

HET KOOR (klinkt sterker boven hem).

Nooit zult, worm, gij hem gelijken,...

Tot den dood zijt gij gedoemd;

Gij moogt volgen hem of wijken,

Altijd blijft uw doen verdoemd!

BRAND (in zichzelf).

Agnes, Alf, de lichte dagen,

'n Leven in geluk en rust,

Ruilde ik voor strijd en jammer,

Wondde bloedig mij de borst,...

Heb toch niet den draak verslagen!

HET KOOR (zacht en lokkend).

Droomer, nooit wordt gij als hij,

Have en goed hebt gij verloren;

Offers maken hèm niet rijk;...

Want als mensch zijt gij geboren!

BRAND (barst in zacht schreien uit).

Alf en Agnes, komt weer bij mij:

Eenzaam zit 'k hier op den top,

Huivrend in den wind, met spoken

Wild en somber, om mij heen!...

(Hij kijkt op; een lichtschemerende plek opent en verwijdt zich in

den nevel; eene vrouwelijke gedaante staat voor hem in een licht

gewaad en een mantel om de schouders. Het is Agnes).

DE GEDAANTE (glimlacht en breidt de armen naar hem uit).

Brand, hier heb je mij terug!

BRAND (springt verward op).

Agnes! Agnes! ben je 't waarlijk!

DE GEDAANTE.

Alles was een booze droom!

Nù verdwijnen alle neev'len!

BRAND.

Agnes! Agnes! (wil naar haar toe).

DE GEDAANTE (gilt).

Niet hier over!

Zie je niet die diepe kloof,

Waardoor 't woeste water stroomt? (zacht).

Neen, je droomt niet, neen je slaapt niet,

Ziet nu geen visioenen meer.

Ziek ben je geweest, mijn liefste,

Dronk des waanzins bittren drank,

Droomde dat wij je verlieten...

BRAND.

O, je leeft dus! God zij lof en...!

DE GEDAANTE (snel).

Stil, spreek daarvan liever later!

Volg mij, kom, de tijd is kort maar.

BRAND.

O, maar Alf?

DE GEDAANTE.

Is ook niet dood.

BRAND.

Leeft hij?!

DE GEDAANTE.

Ja, gezond en frisch!

Al dat leed heb je gedroomd;

Al je strijd... bedrog en waan.

Alf zit op grootmoeders schoot;

Zij is flink en hij wordt groot.

Ook de kerk staat nog in 't dorp;

Bouw een grootre, als je 't wilt;...

En het volk slooft daar beneden

Als in de oude, goede dagen.

BRAND.

Goede?

DE GEDAANTE.

Ja... toen vrede heerschte.

BRAND.

Vrede!

DE GEDAANTE.

Haast je, Brand, kom meê!

BRAND.

Ach, ik droom!

DE GEDAANTE.

Neen, nu niet meer.

Maar aan rust heb je behoefte...

BRAND.

Ik ben sterk.

DE GEDAANTE.

Och, nu nog niet;

't Droomgevaar ligt op de loer.

Weer zal je als een schim verglijden,

Weg van 't kind en mijne zijde,

Weer versombert dan je geest,

Wil je 't middel niet gebruiken.

BRAND.

O, geef hier dan!

DE GEDAANTE.

Jij bezit het,

Jij alleen, en niemand anders.

BRAND.

Noem het dan!

DE GEDAANTE.

De oude dokter

Die er las zoo menig boek,...

Die zoo knap is door en door,

Heeft de ziektekiem gevonden.

Alle droeve droomgezichten

Komen uit drie woorden voort.

Die drie moet je dapper schrappen,

Moet ze uit je geheugen wisschen,

Ze niet meer als wet doen gelden.

Die zijn schuld van de visioenen,

Die als waanzin je overvielen;...

Doe ze weg, zal rein je ziel zijn

En bevrijd van pijn en ziekte!

BRAND.

Zeg ze!

DE GEDAANTE.

"Niets of alles."

BRAND (wijkt terug).

Dàt?

Is het dat?

DE GEDAANTE.

Zoo waar ik leef ja,

En zoo waar jij eenmaal sterft.

BRAND.

Wee ons beiden! 't Dreigend zwaard hangt

Nog als vroeger boven ons!

DE GEDAANTE.

Brand, wees goed... ik heb je lief;

Klem mij in je sterke armen...

Laat ons zon en zomer zoeken...

BRAND.

Neen, mijn ziekte komt niet weer.

DE GEDAANTE.

Ja, helaas, die komt terug.

BRAND (het hoofd schuddend).

Neen, die ligt nu achter mij.

Nu geen wilde droomen meer,...

Nu komt 't rijke, volle leven!

DE GEDAANTE.

't Leven?

BRAND.

Volg mij, Agnes!

DE GEDAANTE.

Wacht!

Brand, wat wil je?

BRAND.

Wat ik moet:

Leven wat 'k tot nog toe droomde,...

Doen in waarheid, wat maar waan was.

DE GEDAANTE.

O, onmooglijk! Denk waarheen

Dat je voerde!

BRAND.

Tòch nog eens!

DE GEDAANTE.

Al die vreeslijke visioenen

Wil je uit vrijen wil doorleven?

BRAND.

Vrij en wakker.

DE GEDAANTE.

't Kind verliezen?

BRAND.

't Kind verliezen.

DE GEDAANTE.

Brand!

BRAND.

Ik moet!

DE GEDAANTE.

Weer het bloed mij doen verstijven?

Mij met offergeesels slaan

Tot 'k bezwijk?

BRAND.

Ik moest het doen.

DE GEDAANTE.

Alle licht in nacht uitdooven,

't Zonnig daglicht buiten sluiten,

Nooit van 's levens vruchten plukken,

Nooit je ziel door zang verblijden?

O, 'k herinner mij zoo veel!

BRAND.

'k Moet! Verspil je smeeken niet.

DE GEDAANTE.

En vergeet je dan je loon?

Hoe je hoop je heeft bedrogen?

Eenzaam bleef je... werd geslagen!

BRAND.

Niet voor mij heb ik geleden,

Niet voor eigen zege streed ik.

DE GEDAANTE.

Voor een volk dat leeft in 't duister.

BRAND.

Eén kan licht aan velen geven.

DE GEDAANTE.

Aan veroordeelde geslachten!

BRAND.

Veel kan soms de wil van één doen.

DE GEDAANTE.

Denk hoe één met vlammenroede

Dreef den mensch uit 't Paradijs!

En de poort heeft hij gesloten;...

Dáár komt niemand over heen!

BRAND.

Open bleef 't pad van verlangen!

DE GEDAANTE (verdwijnt in een donderslag; de mist vult de plaats waar

zij stond, en een scherpe, snijdende kreet weerklinkt, als van iemand

die wegvlucht:)

Sterf! Wat doe je hier op aarde!

BRAND (staat een oogenblik als bedwelmd).

Weg... verdwenen in de mist,...

Vlood op groote zwarte wieken

Als een gier over de vlakte.

't Was het vragen van een pink

Om de heele hand te krijgen!...

Ja, dat was de geest der halfheid!

GERD (komt op met een buks).

Zag je nu den havik vluchten?

BRAND.

Ja, nu heb ik hem gezien.

GERD.

Zeg mij, gauw, waarheen hij vloog;

'k Wil hem na, ik wil hem raken!

BRAND.

Op hèm heeft geen wapen vat;

Telkens meent men hem te raken

In het hart, met 't moordend lood,...

Maar als men hem af wil maken,

Zit hij spottend en brutaal

Achter je, en vliegt weer weg.

GERD.

'k Stal hier deze jagersbuks,

Laadde haar met lood en zilver;

G'loof maar dat 'k zoo gek niet ben

Als ze zeggen!

BRAND.

Tref je doel dan! (wil gaan).

GERD.

Je loopt mank... hoe 's dat gekomen?

Wat gebeurde er?

BRAND.

't Volk verjoeg mij.

GERD (dichterbij).

Roode bloeddroppels bedekken

Ook je voorhoofd!

BRAND.

't Volk wierp steenen.

GERD.

Vroeger klonk je stem als zingen....

Knarsend nu, als krakend herfstloof.

BRAND.

Allen... alles...

GERD.

Wat?

BRAND.

Ontviel mij.

GERD (kijkt hem met groote oogen aan).

O, nu weet ik wie je bent!

'k Dacht dat je de priester was;

... Bah, die heele priesterrommel!...

Maar jij bent de allergrootste!

BRAND.

Bijna viel 'k dien waan ten offer.

GERD.

Laat mij toch je handen zien!

BRAND.

Waartoe dàt?

GERD.

De nagelmerken!

'k Zie je bloed langs 't voorhoofd drupp'len.

Door der scherpe doornen tanden,

Diep en woest in 't vleesch gedrukt.

Ja, aan 't kruis heb je gehangen!

Vader zei, toen ik nog klein was,

Hoe dat eertijds was gebeurd,

Ver van hier en met een ander;...

Maar nu zie 'k, dat was een sprookje;...

Ja, want jij bent de Verlosser!

BRAND.

Wijk van mij!

GERD.

O, moet ik dan

Biddend knielen aan je voeten?

BRAND.

Weg!

GERD.

Jij gàf immers je bloed

Ter verlossing van ons allen!

BRAND.

O, ik weet geen reddingsplank

Voor mijn eigen arme ziel!

GERD.

Hier de buks! Schiet neer 't gebroedsel!...

BRAND (schudt het hoofd).

Neen, ik moet mijn lot volbrengen.

GERD.

Zeg dat niet; jij bent de grootste!

In je hand is 't nagelmerk;...

Uitverkoren, de Verlosser!

BRAND.

De allerminste is 't nog eer!

GERD (kijkt naar boven; de wolken scheuren).

Weet je waar je staat?

BRAND (staart voor zich uit).

Ik sta

Aan de laagste sport der ladder,

Ziel en lichaam zwaar gewond.

GERD (wilder).

Antwoord! Weet je waar staat?

BRAND.

Ja, nu valt de nevelsluier.

GERD.

Ja, die valt: de Zwarte Top

Boort zijn spits diep in den hemel!

BRAND.

Zwarte Top? De ijskerk!

GERD.

Ja!

Eindelijk ben je er toch gekomen!

BRAND.

Duizend mijlen weg van hier!...

O, hoe zielsverlangend smacht ik

Naar de zon, naar licht en zachtheid,

Naar een vromen, stillen vrede,

Naar des levens zomerwarmte! (barst in tranen uit).

Jezus, 'k riep zoo vaak uw naam,

Nooit zijt gij tot mij gekomen;

Zijt dicht langs mij heen gegleden,

Als een half vergeten woord;

Laat mij nu van 't heilsgewaad,

Nat van wijn der ware boete,

Grijpen 'n enkel tipje maar!

GERD (bleek).

Wat? Jij, Ziener, schreit, dat warm

Tranen langs je wangen stroomen,...

Warm, dat droppels van hun lijkwâ

Zachtjes glijden van de toppen,...

Warm, dat van mijn ziel de ijskorst

Smelt, en zich in tranen oplost,...

Warm, dat 't sneeuw-miskleed in flarden

Van den ijskerk-priester afglijdt... (bevend).

Waarom schreide je niet eerder!

BRAND (met helder oog, stralend en als verjongd).

IJskoû gaat er van de wet uit...

Zonder zomerzon van boven

Ben 'k, tot heden, slechts gebleven

Drager van Gods strenge wetten;...

Nu, van dit uur, zal mijn leven

Warm en rijk het zonlicht zoeken.

De ijskorst smelt. Nu kan ik schreien,

Kan ik knielen,... kan ik bidden.

(Valt op de knieën).

GERD (kijkt schuin naar boven en zegt zacht en schuw).

Kijk, daar zit hij weer, de booze!

Zie je niet zijn schaduw vallen?

Zie, hoe hij langs hooge toppen

Met zijn breede wieken schuurt.

Nù is 't reddingsuur nabij...

Als nu 't zilver maar wil bijten!

Dramatische Werken: De comedie der liefde; Brand; Peer Gynt · 第 14 / 24 段