'k Moet om u lachen! Wees toch wijs!

Waarover maakt u nu zoo'n drukte?

Wat u belooft, daar steekt geen kwaad in!

Geen enkle ziel die schade lijdt

Als tevens u den Staat wil dienen;

Twee vliegen kan u in één klap slaan,

Als u het maar verstandig aanlegt.

't Is niet uw werk om Jan en Piet

Te redden van het vuur der hel,

Maar de gemeenteleden àllen

Aan de genadebron te laven.

Wordt 't heele kerspel dan verlost,

Heeft dus ook ieder deel daaraan.

De Staat is, u zal 't vast niet weten,

Precies republikeinsch ten halve;

Hij haat de vrijheid als den dood,

Maar ziet gelijkheid graag genoeg;

Gelijkheid vindt men echter nooit

Vóór, wat oneven is, geslecht wordt,...

En dàt is 't juist wat u niet doet!

Integendeel u heeft bevorderd

Wat ongelijk en ongewoon is.

Eertijds kwam dat nooit zoo aan 't licht.

Een ieder was lid van de Kerk.

Nu heeft elk een persoonlijkheid;

En dat komt niet den Staat ten goede.

En daarom gaat 't dan ook zoo moeilijk

Gelijkheidsbijdragen te innen,

En andere gemeente-goedren,

Omdat de Kerk niet meer de hoed is

Die passen moet op alle hoofden.

BRAND.

Welk een vooruitzicht opent zich!

DE PROOST.

Niet moedloos zijn; dat baat u niets;

Hoewel onloochenbaar hier heerscht

Een warboel, die een gruwel is.

Maar waar nog leven is, is hoop.

En door de schenking komt te meer

Uw plicht uit, naamlijk om te werken

Voor 't heil van Kerk en Staat nu beide.

Bij alles hoort toch regelmaat,

Zal niet verspreider krachten spel

Dol, als een ongetemd wild veulen,

Vernielen griend en haag en grenspaal

Van overleev'ring en gewoonte.

In iedre orde heerscht één wet,

Al draagt die ook een andren naam.

Men noemt haar "school" voor schoone kunsten;

Bij de soldaten, als ik mij

Nog goed herinner is 't "de pas".

Ja, dat is 't woord, mijn waarde vriend!

Daar moet het heen, zoo meent de Staat.

Hij acht den "looppas" veel te snel;

"Markeert den pas", niet snel genoeg;

Maar ieder in denzelfden pas,

En ieder even groote passen,...

Kijk, dat is 't doel waarheen wij streven!

BRAND.

De goot voor d'adelaar;... hoog boven

De wolken zweven, voor de ganzen!

DE PROOST.

Nu, dieren zijn wij, Goddank niet;...

Maar wil u poëzie en fabels,

Die vindt men in den bijbel wel.

Die is er vol van; wemelt zelfs

Van Genesis tot de Openbaring

Van vele leerrijke parabels.

Ik wijs bijvoorbeeld enkel op

Het bouwen van den Babeltoren!

Hoe ver kwam 't arme menschdom daar?

En dat waardoor? Licht te verklaren,

Zij bleven niet in de geleed'ren,

Zij spraken elk hun eigen taal,

Niet samen trokken ze onder 't juk...

Zij werden tot persoonlijkheden.

Dit is de ééne helft der kernen

Verborgen in der fabel schaal:

Wie zich van andren houdt gescheiden,

Blijft eenzaam en komt licht ten val.

Wien God in 's levens strijd wil neerslaan

Dien maakt hij tot individu.

En eertijds zeiden de Romeinen:

De goden roofden hem 't verstand.

Maar gek en eenzaam dat is 't zelfde,

En daarom moet wie eenzaam staat

Ten slotte 't zelfde lot verwachten

Als hem,... dien David zond ten strijde

In 't heetst gevecht,... Uria, trof.

BRAND.

Wel mooglijk, ja; maar wat dan nog?

'k Zie in den dood geen ondergang.

En is u er zoo zeker van

Dat waren zij die bouwden één

Van taal geweest, en één van zin,

Het hun gelukt zou zijn den toren

Tot in den hemel op te trekken?

DE PROOST.

Tot in den hemel? Neen, volstrekt niet;

Tot in den hemel reikt er niemand.

Dàt is de andre helft der kernen

Verborgen in der fabel schaal:

Dat ieder bouwwerk komt ten val

Dat streven wil naar 's hemels sterren.

BRAND.

De Jacobsladder rees zoo hoog toch,

En 't ziele-smachten reikt ten hemel!

DE PROOST.

Bedoelt u 't zóó! Ja, lieve hemel!

Daarover valt niets meer te zeggen.

Natuurlijk is de hemel 't loon

Voor 'n leven welbesteed en vroom.

Maar g'loof en leven te vermengen

Schaadt beiden; 't één is niet het ander;...

Zes dagen zijn er om te werken,

De zevende is voor zielezorgen;

Stond heel de week het Godshuis open,

Wie zou er dan nog Zondags komen?

't Verzwakt de loutringskracht van 't woord,

Zoo u niet met verstand het spaart;

Want godsdienst, evenals de kunst

Moet niet zich oplossen in damp.

U mag uw idealen zien

Van 's kansels heilig toevluchtsoord...

Maar leg ze weg met 't ambtsgewaad,

Zoodra u weer in 't leven staat.

Zoo 'k zei, er is een wet in alles,

Die strenge zelfbeperking eischt,

En 't is om dit in 't licht te stellen...

Wat noodig was... dat 'k tot u sprak.

BRAND.

Eén ding begrijp ik: voor mij passen

De staatsbegrippen van mijn ambt niet.

DE PROOST.

Jawel, vriend, u kan juist veel goed doen,...

Maar niet hier... u moet hooger op;...

In andre sfeer...

BRAND.

Is 't daarvoor noodig

Dat 'k eerst gesleurd word door het slijk?

DE PROOST.

Wie zich vernedert wordt verhoogd.

Zal 't haakje pakken, moet men 't buigen.

BRAND.

U moet, wien u gebruikt eerst dooden!

DE PROOST.

God sta mij bij! Wat denkt u nu,

Dat ik zoo iets...?

BRAND.

Jawel! Zoo is 't!

Eerst iemand langzaam doen verbloeden!

Als een geraamte past men eerst

In jullie bloedloos bleek bestaan!

DE PROOST.

Ik zou geen kat nog ader laten,

Veel minder u, begrijp mij toch!

Ik dacht alleen dat het geen kwaad kon

Als ik u even wees den weg,

Waar langs ik ben vooruit gekomen.

BRAND.

Beseft u ook wàt u verlangd heeft?

Dat ik bij 't eerste haangekraai

Van 't Rijk, verloochnen zal ál wat

Mijn ideaal was waar 'k voor leefde!

DE PROOST.

Verloochnen, vriend? Wie eischt er dat?

Ik wees alleen maar op uw plicht;

Ik wil dat u op zij zal zetten

Wat uw gemeente niet tot nut is.

Bewaar het alles, als u wil,...

Maar hoû 't hermetisch achter slot.

Dweep in uw binnenste als 't dan moet,

Niet voor het volk, in 't openbaar.

G'loof mij: het wreekt zich op den duur,

Als men stijfhoofdig blijft en tuchtloos.

BRAND.

Ja, angst voor straf, hoop op belooning,

Als 't Kaïnsmerk staat 't op jouw voorhoofd;

En schreeuwt het uit, hoe wereldwijs jij

Den Abel in je ziel gedood hebt!

DE PROOST (in zichzelf).

Hij zegt waarachtig "jij" en "jou";

Dat gaat te ver! (luid) Ik wil nu niet

Den strijd doen duren, maar ik moet

U nogmaals vragen in te zien,...

Gesteld dat u vooruit wil komen...

In wat voor land, in welk een tijd

U leeft; want niemand wint den strijd

Als hij niet meegaat met de strooming.

Kijk naar de artisten, naar de dichters:

Verachten die der tijden plichten?

Zie de soldaten, dragen zij nog

Een scherpe sabel in de schede?

Welneen! Omdat een wet gebiedt:

Voeg u naar wat uw land behoeft.

Zijn eigen ik moet ieder temmen,

Niet uitsteken en niet vooròp gaan,

Zich in de massa stil verbergen.

Humaan is 't wachtwoord, zegt de baljuw.

Als u 't nu maar humaan aanlegde

Kon u nog mooi carrière maken.

Maar eerst de kantjes afgeslepen,

En afgeschaafd wat hobb'lig is;

Glad moet u wezen als de andren,

En niet op eigen wegen wandlen

Zal, wat u doet, ook duurzaam zijn.

BRAND.

Weg, weg van hier!

DE PROOST.

Ja, dat is waar;

Een man als u, 'k begrijp het goed,

Verlangt een beetren arbeidskring;

Maar, zal u ooit tevreden zijn

In ruimen of in kleinen kring,

Moet u de tijdslivrei aantrekken.

De korporaal moet met den stok

De maat er in slaan bij het volk.

Want 't ideaal van een die vóórgaat

Is thans bij ons, een korporaal.

Zooals de korporaal zijn menschen

Ter kerke leidt, in het gelid,

Zoo moet u de gemeente leiden

Als herder naar het Paradijs,

't Gaat zoo gemaklijk; voor 't geloof

Heeft u, als leeraar, het gezag;

En daar dat weer op studie steunt

Neemt men 't ook blindelings wel aan.

En hoe de leer u moet verkond'gen

Dat toont u wet en ritueel wel.

Dus, broeder... niet ontmoedigd zijn,

Om na te denken is 't nog tijd;

Begrijp den toestand, wees niet angstig!...

'k Wil in de kerk nog eens beproeven

Of ik met luider stem kan spreken;

'k Ben niet gewend aan zooveel klank,...

Die komt hier maar zoo zelden voor.

Tot weerziens; straks zal 'k preeken over

De tweespalt in der menschen ziel,

En hoe Gods beeltnis uitgewischt is,...

Maar nu wordt 't, dunkt mij, wel haast tijd

Om 'n kleine hartsterking te nemen (af).

BRAND (staat een oogenblik als versteend in zijn gedachten).

'k Bracht 't al ten offer voor mijn werk,

Voor Gods werk, meende ik in verblindheid;

Daar klonk ééndaags-trompetgeschal

En wees mij welken geest ik diende.

Neen, neen! Zij hebben mij nog niet!

Die kerk daarginds heeft bloed gedronken;

Mijn licht, mijn leven gaf 'k er voor;

Maar toch, mijn ziel zal ik behouden!

Ontzettend is 't alleen te staan,...

Waarheen ik zie den dood te ontwaren;

Ontzettend, zóó naar brood te hongren,

Als men u niets dan steenen reikt.

Wat sprak hij angstverwekkend waar,...

Doch welk een afgrond werd onthuld!

Gods heil'ge duive zit verborgen,

Bracht nooit nog klaarheid over mij!...

O, stond in 't g'loof maar één mij na...

Die mij weer kalmte gaf en rust!

(Ejnar bleek, uitgeteerd, in 't zwart gekleed, komt op den weg voorbij

en blijft staan als hij Brand ziet).

BRAND (uitroepend:)

Jij, Ejnar!

EJNAR.

Ja, zoo is mijn naam.

BRAND.

Juist nu 'k naar iemand zoo verlang

Wiens hart niet is van hout of steen!

O, Ejnar, kom hier in mijn armen!

EJNAR.

Dat hoeft niet; ik ben al geborgen.

BRAND.

Je koestert wrok na zooveel jaren,

Om wat er eens gebeurd is?

EJNAR.

Neen;

Jij hebt geen schuld. Ik zie in jou

Het blinde werktuig, dat Gods liefde

Mij toezond, toen ik was verdwaald.

BRAND (wijkt terug).

Wat 's dat voor taal?

EJNAR.

De taal der ruste,...

Die iemand leert, als hij der zonde

Gewaad aflegt, en wordt herboren.

BRAND.

Verwonderlijk! Ik had gehoord

Dat jij toenmaals heel andre wegen

Had ingeslagen...

EJNAR.

'k Was verleid

Door hoogmoed, trotsch op eigen krachten.

De gaven, die de wereld aankweekt,

't Talent, dat men zoo vaak geroemd heeft,

Mijn zangkunst, 't waren enkel strikken,

Die mij in Satans netten trokken.

Maar God zij dank; hij had mij lief,

Hij liet zijn zwakke lam niet los;

Hij hielp mij, toen het noodig was.

BRAND.

Op welke wijze?

EJNAR.

Ik verviel...

BRAND.

Verviel? Waartoe?

EJNAR.

Tot drank en spel;

Hij deed naar 't dobbelspel mij grijpen...

BRAND.

En noem je dàt een daad des Heeren?

EJNAR.

't Was tot verlossing de eerste stap.

Daarna werd ik een tijdlang ziek.

'k Verloor mijn werklust, mijn talent,

En al mijn vroolijkheid verdween.

Toen zond men mij naar 't ziekenhuis;

Lang lag ik ziek, in heete koortsen...

Ik meende dat 'k in alle kamers

Zag duizenden heel groote vliegen,...

Kwam er weer uit en maakte kennis

Met zusters, die in 's hemels dienst staan,

Verloren zielen zoekend rondgaan;

En dezen, met een theoloog,

Verlosten mij van 's werelds juk,

Bevrijdden mij uit 't net der zonde

En maakten mij tot 'n kind des Heeren.

BRAND.

Zoo.

EJNAR.

Ja. Eén pad leidt door het dal;

Het andere langs een steile helling.

BRAND.

En later?

EJNAR.

Later? Ja, dat 's waar;

Toen ben 'k geweest onthoudingsleeraar.

Maar daarbij loopt men groot gevaar

Weer in verzoeking te geraken;

Ik zocht daarom iets anders weer,

Ik ga nu weg als zendeling...

BRAND.

Waarheen?

EJNAR.

Naar 't land der woeste negers

Maar 't best is dat wij nu maar scheiden!

Mijn tijd is kostbaar...

BRAND.

Blijf je niet?

't Is feest van daag hier.

EJNAR.

Dank je wel;

Mijn plaats is bij de zwarte zielen.

Vaarwel! (wil gaan).

BRAND.

Dringt geen herinnering

Je te verwijlen en te vragen...?

EJNAR.

Waarnaar?

BRAND.

Naar een, die zou betreuren

Den afgrond tusschen nu en toen...

EJNAR.

Ja, ik begrijp, je denkt wellicht

Nog aan die jonge vrouw van toen,

Die me in haar netten hield gevangen,

Vóór ik door 't g'loof nog was gereinigd.

Wel, hoe is het met haar gesteld?

BRAND.

Zij werd een jaar daarna mijn vrouw.

EJNAR.

Dàt heeft geen beteeknis; aan zóó iets

Schenk ik volstrekt geen aandacht meer?

Dat waar 't op aankomt zeg me alleen.

BRAND.

Ons leven was gezegend rijk

Met vreugd en leed; ons kindje stierf...

EJNAR.

Heeft geen beteeknis.

BRAND.

Dat óók niet?

EJNAR.

Naar zulke dingen vraag ik niet;

'k Wil weten hoe zij is gestorven.

BRAND.

Met blijde hoop op 't morgenrood,

Met heel den rijkdom van haar hart,

Met vasten wil tot 't laatste toe;...

Met dank voor al wat 't leven gaf

En nam, zoo ging zij in haar graf.

EJNAR.

Dat alles is maar woordenpraal;

Zeg hoe het stond met haar geloof?

BRAND.

Onwrikbaar.

EJNAR.

In wien?

BRAND.

In haar God!

EJNAR.

Alleen in hem? Dat is haar oordeel!

BRAND.

Wat zeg je daar?

EJNAR.

Verdoemd, helaas.

BRAND (kalm).

Loop heen, lummel!

EJNAR.

De Heer der helle

Heeft in zijn greep ook jou te pakken;...

Zoo goed als zij zal je eeuwig branden.

BRAND.

Ellendeling, durf jij verdoemen!

Die zelf lag in een poel van zonden...

EJNAR.

Op mij kleeft nu geen enkle smet;

Ik ben gereinigd door het g'loof;

En alles wat er onrein was

Wies ware heiligheid mij af;

Gereinigd is mijn Adamskleed

Door der ontwaking klophout-slag;

En als een koorhemd ben ik blank,

Gebleekt door 't loogbad des gebeds.

BRAND.

Schaam je!

EJNAR.

Insgelijks. 'k Ruik zwavelstank,

En 'k zie den duivel om den hoek staan.

Ik ben een korrel hemelsch koren,...

Jij in de zeef van 't oordeel... kaf. (af).

BRAND (kijkt hem een oogenblik na; plotseling schitteren zijn oogen

en hij barst uit:)

Naar dien man moest ik verlangen!

Nu zijn alle banden los;

Eigen vlag zal ik ontplooien,

Al ging niemand met mij mee!

DE BALJUW (komt haastig op).

Waarde Brand, 't is haasten, haasten!

Heel de schare voor den optocht

Staat gereed om uit te trekken...

BRAND.

Laat hen komen.

DE BALJUW.

Zonder u!

Denk eens na, spoed u naar huis!

't Volk wil al niet langer wachten;

Al die goede menschen dringen

Als een bergrivier in 't voorjaar,

Naar de pastorie opstuwend,

Roepen dat ze u willen zien.

Hoor maar, daar klinkt weer hun roepen!

Haast u, want ik vrees zij mochten

Niet humaan te werk eens gaan.

BRAND.

Nooit meer zal 'k mijn voorhoofd buigen

In hun midden, met u gaan;

Ik blijf hier.

DE BALJUW.

Is u krankzinnig?

BRAND.

Uw weg is voor mij te smal.

DE BALJUW.

Die wordt smaller nog hoe langer

Meer en meer het volk gaat dringen;

Kijk, daar heb je 't al, waarachtig!

Proost en priesters, ambtenaars

Allemaal op zij gedrongen...;

Kom toch, kom toch, sla d'r op los!

Laat uw invloed zich doen gelden!

Al te laat! de rijen breken;

Heel de optocht loopt in 't honderd!

(De menigte stroomt naar binnen en breekt in woeste wanorde door den

feeststoet heen naar de kerk toe).

ENKELE STEMMEN.

Brand!

ANDERE (wijzen naar de trappen van de kerk, waar Brand staat en

roepen:)

Kijk daar!

WEER ANDERE.

Geef nu het teeken!

DE PROOST (in het gedrang).

Baljuw, hoû het volk toch tegen!

DE BALJUW.

Ik heb heden niets te zeggen!

DE SCHOOLMEESTER.

Spreek een enkel woord tot hen,

Dat hen tot bedaren brengt!

Is 't iets slechts of is 't iets goeds

Wat er hier gebeuren moet?

BRAND.

O, er gaat dus nog een strooming

Door hun drukkend loome kalmte!

Menschen, gij staat aan den kruisweg,

't Nieuwe moet geheel gij willen,...

Puin en vuil van 't oude wegdoen,...

Vóór de tempel, hoog en groot

Oprijst tot een bedehuis!

DE AMBTENAREN.

Hoor, hij raaskalt!

DE GEESTELIJKEN.

Hij is gek!

BRAND.

Ja, dat wàs ik, toen ik meende

Dat gij, hoe dan ook, toch diende

Hem, die geest en waarheid wil!

En ik was het, toen ik dacht,

Dat ik hem u nader bracht

Lonkend, dingend, met den Heer;

Klein was maar het oude kerkje,

En ik redeneerde zoo:

Eéns zoo groot,... dat slaat wel in;

Vijfmaal grooter... dàt moet goed doen!

En ik zag niet hoe 't weer gold

't Oude alles of wel niets.

Transigeerend dwaalde ik af.

Maar op heden sprak de Heer.

De bazuin des Oordeels heeft er

Over 't huis zoo juist geklonken,...

En ik, luistrend, angstig, bevend,

Klein, als David stond voor Nathan,

Was verslagen, stom van schrik;...

Nu is alle twijfel weg.

Schipp'ren blijft een werk des Duivels!

DE MENIGTE (in stijgende opwinding).

Weg met hen die ons verblindden!

Doodt, wie stalen onze krachten!

BRAND.

Gij liet door den Booze u

'n Blinddoek voor de oogen binden,

Klein verdeeld hebt gij uw krachten,

U verbrokkeld en gekloofd;

Daardoor zijt gij zwak en hol nu,

Niemand krachtig, sterk en heel.

Wat zoekt gij hier in de kerk?

't Is de praal maar die u lokt,

Orgelspel en klokgelui...

Het genot van heerlijk huivren

Bij een preek vol vuur en gloed,

Die daar lispelt, die daar fluistert,

Wast en overvloeit en dondert,

Naar de regels van de kunst!

DE PROOST (in zichzelf).

Daarmee doelt hij op den baljuw!

DE BALJUW (evenzoo).

Dat is op den proost gemunt!

BRAND.

't Is de glans der nieuwe kaarsen,

't Uiterlijke dat gij wilt.

En dan weer naar huis in stompheid,

Weer terug in sleur en dufheid,

Lijf en ziel in werkdags-kleeren;

En diep in de kist verborgen,

Goed bezorgd, het boek des levens,

Tot er weer een Zondag komt!

O, dat was 't niet wat ik droomde,

Toen ik al die offers bracht!

Hoog en groot wilde ik de kerk,

Dat zij overwelven zou

Niet alleen geloof en leer,

Maar àl wat God in het leven

Recht van leven heeft gegeven...

Zweet en stof van 't zware dagwerk,

Avondrust en bange nachten,

Levenslust van jonge menschen,

Alles wat van vreugd en leed

'n Menschenziel maar kan bevatten.

't Bruisend neerstorten van beek en

Waterval in donkren afgrond,

Tonen gierend uit den storm,

Klanken uit de zee òpklinkend,

Moesten met het orgelspel

En met 't lied van menschenstemmen

Als bezworen, samen smelten!

Weg met 't werk dat hier gedaan is!

't Is alleen in leugens groot;

Rijp alweder om te vallen,

Is het uw klein-willen waardig.

Gij wilt allen wasdom dooden

Door uw werk van God te scheiden...

Zes der dagen van de week

Haalt gij Gods banier naar binnen.

En den zevenden alleen,

Ziet men haar ten hemel wapp'ren!

STEMMEN UIT DE MENIGTE.

Leid ons! Laat de vlag uitwaaien!

Met u zullen we overwinnen!

DE PROOST.

Luistert niet! Hij is geen Christen,

Hij bezit niet 't ware g'loof.

BRAND.

Ha! Daar noemt gij juist het punt...

Voor ons beiden het geschilpunt,

En voor de verbroken éénheid!

Zonder ziel kan niemand g'looven!

Wijs mij hier één ènkle ziel!

Wijs mij iemand die niet wegwierp

't Beste wat er in hem is.

Tastend, grijpend, voorwaarts haastend,

Onder 't jagen naar genoegens,...

Lokkend fluitend goochelspel...

Wordt gij stomp voor levensvreugd.

Uitgebrand pas en gebroken

Komen zij voor de arke dansen!

Hebben kreup'len dan en dooven

Eerst den beker leeg gedronken,...

Ja, dàn is het tijd voor boete,

Tijd voor hopen en voor bidden,

Eerst als gij uw merk verspeeld hebt,

Wordt als 't redelooze dier,

Kruipt gij naar de hemelpoort,

Zoekend God... als invaliden!

Daarom moet zijn rijk vervallen.

Waarom zou hij aan zijn voeten

Die verlepte zielen dulden?

Heeft hij zelf het niet verkondigd...

Enkel zij, die rein van zin zijn

Als een kind, en onbedorven,

Zullen 't hemelrijk eens erven!

Kinderzin alléén bereikt dat!

Transigeert niet met u zelven.

Komt dan allen, mannen, vrouwen,...

Komt met frissche kinderwangen,

In de groote kerk des levens!

DE BALJUW.

Maak dan open!

DE MENIGTE (gilt angstig).

Neen! Niet deze!

BRAND.

Onze kerk heeft paal noch perken,

't Groene aardrijk is haar vloer,

Weide of akker, zee of fjord;

's Hemels blauw is het gewelf

Dat haar ruimte overspant.

Daar zal al uw werk gebeuren,

Dat een ieder 't moge hooren;

Vreest niet, wat ge ook moogt volbrengen,

Haar daarmede te ontwijden.

Zij zal alles dekken, even

Als de bast den heelen stam:

Dáár wordt g'loof en leven één.

Daar zal 't daaglijksch werken worden

Eén geheel met wet en g'loofsleer.

Daar zal 't dagwerk voor u één zijn

Met verlangen naar het hoog're,

't Spel der kinderen om den kerstboom,

En den feestdans vóór de arke!

(Er gaat als een storm door de menigte; enkelen wijken terug; de

meesten scharen zich om Brand).

DUIZEND STEMMEN.

Nu is 't licht, waar 't eerst was duister;...

Eén is 't: leven... en God dienen!

DE PROOST.

Wee ons! hij lokt ze allen tot zich!

Helpt politie, baljuw, koster!

DE BALJUW (gedempt).

Schreeuw toch niet zoo! Wie zal nu gaan

Vechten met een dollen stier?

Wacht tot hij is uitgeraasd.

BRAND (tegen de menigte).

Weg van hier! Hier is God niet!

Kàn hij zijn hier bij dezulken?

Vrij en heerlijk is zijn rijk.

(Sluit de kerkdeur af en neemt de sleutels in de hand).

Hier ben ik geen priester meer.

Ik herroep wat 'k heb geschonken;...

Uit mijn hand zal niemand krijgen

Deze sleutels voor uw feest!

(gooit de sleutels in de rivier).

Wilt ge er in, gij slaaf van 't stof,...

Kruip dan door het keldergat;

Krom uw slappen rug, en buk;

Laat in 't donker uw verpeste

Zuchten sluipen langs den grond,

Krachtloos als uw rotte longen!

DE BALJUW (zachtjes en verlicht).

Ha, daar gaat de ridderorde!

DE PROOST (evenzoo).

Zoo, die wordt geen bisschop meer!

BRAND.

Kom, wie jong is,... kom wie frisch is,

Laat van u, door 's levens adem,

Wisschen 't stof uit 't enge dal.

Volg mij op mijn zegetocht!

Eénmaal moet gij toch ontwaken,

Eénmaal moet gij toch, geadeld,

Breken met wat schipp'ren heet;...

Uit de ellende van uw lafheid,

Uit al wat er zwak en laag is.

Sla in 't aangezicht uw vijand!

Strijd met hem op dood en leven!

DE BALJUW.

Halt! Ik lees de oproersakte!

BRAND.

Lees maar! Ik breek nu met alles!

DE MENIGTE.

Wijs den weg, wij zullen volgen!

BRAND.

Over 't ijs der steile gletschers!

Heel het land door, gaan wij trekken,

Iedren zieleband ontknoopend

Die het volk gevangen houdt,...

Dan gelouterd, hoog en vrij,

Al wat traag en stomp is wegdoen,

Mannen wordend, priesters wordend,

Nieuw opdrukkend d' ouden stempel,

Welvend 't Godsrijk als een tempel!

(De menigte, waaronder de koster en de schoolmeester, schaart zich

om hem heen. Brand wordt opgeheven en op hun schouders gedragen).

VELE STEMMEN.

Groot zijn deze dagen! groote

Dingen zal men zien gebeuren!

(De menschenmassa stroomt door het dal de hoogte op. Weinigen blijven

achter).

DE PROOST (tegen de weggaanden).

O, verblinden toch! Wat wilt gij?

Ziet gij niet dat Satans geest uit

Al wat hij verkondigt, spreekt?

DE BALJUW.

Hei! Keert om, je past veel beter

In het dorp hier, kalm en stil.

Menschen hoort!... Je gaat te gronde!...

Hm, geen antwoord zelfs, die honden!

DE PROOST.

Denkt toch aan je huis en haard!

STEMMEN UIT DE MENIGTE.

'n Grooter huis rijst voor ons op!

DE BALJUW.

Denkt aan jullie veld en akker,

Denkt aan 't onverzorgde vee!

STEMMEN.

Van den hemel daalde manna

Toen zijn volk eens honger leed!

DE PROOST.

Hoort je vrouwen om je jamren!

STEMMEN (ver weg).

Wie niet meegaat moet ons vreemd zijn!

DE PROOST.

Kindren klagen: weg is vader!

DE HEELE SCHARE.

Mèt of tegen ons, is 't wachtwoord!

DE PROOST (kijkt hen een oogenblik na met gevouwen handen en zegt

dan angstvallig:)

Zonder kudde, angstig vragend,

Staat nu de oude zieleherder,

Uitgekleed tot op het hemd!

DE BALJUW (maakt een dreigend gebaar).

Hèm zal het er naar vergaan!

Overwinnen zullen wij!

DE PROOST.

Overwinnen?... Zij zijn weg!

DE BALJUW.

Ja, maar wij zijn er toch nog...

En... ik ken mijn schaapjes wel! (loopt hen na).

DE PROOST.

Zou hij waarlijk...? ja, zoo waar,

Achterna loopt hij de bende!

Hè, ik voel mijn moed herleven...

Dan wil ik ook mee den berg op!...

Mooglijk vang ik er wel enklen!

Leg het zadel op mijn klepper!...

Haal me een paard, vertrouwd en mak!

(allen af).

(Bij de allerhoogste tot het dorp behoorende hut. Op den achtergrond

wordt het landschap hooger en gaat over in groote kale bergvlakten. Het

regent. Brand, door de menigte, mannen, vrouwen en kinderen, vergezeld,

komt den berg op).

BRAND.

Kijkt vóóruit; vóór ons ligt de zege!

Het dorp ligt achter ons, beneden.

Van berg tot berg spant dicht de mist

Er overheen haar neveltent.

Vergeet het duf bestaan daarginds,

Stijg vrij, stijg hoog, gij volk van God!

EEN MAN.

Mijn oude vader kan niet meer.

EEN ANDERE.

Ik at sinds gisteren niemendal...

VERSCHEIDENEN.

Wij hebben honger! hebben dorst!

BRAND.

Eerst over dezen berg; vooruit!

DE SCHOOLMEESTER..

Langs welken weg?

BRAND.

Dat is hetzelfde,

Als wij maar 't doel er mee bereiken.

Komt, volgt...

EEN MAN.

Neen, hier gaat het te steil,

Dat halen wij niet vóór den nacht!

DE KOSTER.

Daarginder moet de ijskerk liggen.

BRAND.

De steilste weg is ook de kortste.

EEN VROUW.

Mijn kind is ziek!

EEN ANDERE.

Mijn voet gewond.

EEN DERDE.

Waar vind 'k een droppel voor mijn dorst?

DE SCHOOLMEESTER.

Verzadig hen;... hun moed gaat wanklen.

VELE STEMMEN.

Brand, doe een wonder! Doe een wonder!

BRAND.

Een leelijk merk liet 't slaaf zijn achter,...

Gij wilt uw loon al vóór de werken.

Op, schudt die loomheid van u af,...

Zoo niet,... keer dan terug in 't graf!

DE SCHOOLMEESTER.

Ja, dat is waar: trekt eerst ten strijde,

Wij weten 't toch, ons loon komt later!

BRAND.

Dàt krijgt gij, zoo waar er een God

Nu uit den hemel op u neerziet!

VELE STEMMEN.

Hij profeteert! Hij profeteert!

VELEN TEGELIJK.

Zeg, hoor eens,... wordt 't een felle strijd?

ANDEREN.

En duurt hij lang? En wordt hij bloedig?

EEN MAN.

Zeg, wordt er op veel moed gerekend?

DE SCHOOLMEESTER (gedempt).

Er is toch geen gevaar voor 't leven?

EEN ANDERE MAN.

Wat krijg ik als mijn deel van 't loon?

EEN VROUW.

'k Verlies toch zeker niet mijn zoon?

DE KOSTER.

Komt de overwinning nog vóór Dinsdag?

BRAND (kijkt wanhopig rond in de massa).

Dat vraagt gij mij?

DE SCHOOLMEESTER.

Ja juist; wij kregen

Beneden daarop niet recht antwoord.

BRAND (verontwaardigd).

Dan zult gij 't hebben nù!

DE MENIGTE (sluit zich dichter aaneen).

Spreek! Spreek!

BRAND.

Dramatische Werken: De comedie der liefde; Brand; Peer Gynt · 第 13 / 24 段