In je, in je! Ja dàt is het!

Dáárheen wijst het. Dat 's de richting,

't Eigen hart,... dàt is de wereld,

Die, herboren, rijp voor God is;

Waar des willens gier moet sterven,

Nieuwe Adam 't licht aanschouwt.

Laat de wereld dan haar gang gaan,

Onder zwoegen of gezang;...

Maar als wij in botsing komen...

Als mijn arbeid zij bedreigt,...

Dan, bij God, dan sla ik toe!

Plaats op heel de wijde aarde

Om geheel zich zelf te zijn,...

Dat mag ieder mensch toch eischen,

En ik vraag geen ander recht!

(denkt een oogenblik na en zegt dan:)

Om geheel zich zelf te zijn!...

Maar zijn erflijke belasting? (staat op en kijkt uit).

Wie is zij die ginder aankomt

Stromplend over ruige hoogten,

Krom en stram, het hoofd gebogen?

Even blijft zij hijgend staan,

Steunt zich om niet òm te vallen,

Grijpt er met de schrale vingers

Haastig in haar diepe zakken,

Of een schat zij bij zich draagt.

Om haar mager, dor gebeente

Slingert slap, als veeren, 't kleed;

Krom als klauwen zijn haar handen;

Lijkt een arend, vastgespijkerd,

Hangend aan een voorraadschuur.

(plotseling angstig).

Welk een ijskoû van herinring,

Welk een sfeer van 't droef verleden

Trilt verkillend om die vrouw daar,...

Trilt verkillender nog in mij...?

Groote God! Het is mijn moeder!

BRANDS MOEDER (komt naar boven, blijft op den berg staan, half

zichtbaar, houdt de handen beschuttend voor de oogen en kijkt rond).

Hier moet hij wezen. (komt nader). Hè, dat zonlicht!

De duivel haal 't... 't maakt mij half blind.

Zoon, ben jij daar?

BRAND.

Ja.

DE MOEDER (knipt met de oogen).

Huuh, die zon,

Die brandt en steekt de oogen uit;

Je kunt geen mensch meer onderscheiden.

BRAND.

Toen 'k thuis was zag ik nooit de zon,

Van 't najaar tot de koekoek riep.

DE MOEDER (lacht stil).

Neen, daar is 't goed. Daar vriest het lekker,

Een ijsklomp wordt je er zelf bijkans;

Dat maakt je sterk, en wàt je ook durft

Dat doe je en vindt dat 't ook wel mag.

BRAND.

Gegroet. Vaarwel. Mijn tijd is kort.

DE MOEDER.

Ja, jij bent altijd kort geweest.

Als jongen liep je hier van daan...

BRAND.

Dat 'k weg ging dunkte u ook het best.

DE MOEDER.

Ja, 't was wat anders toen of nu;

't Was noodig dat je priester werdt.

(bekijkt hem nauwkeuriger).

Nu, hij 's groot en sterk opgegroeid.

Maar 'k bid je, let nu op mijn woord,...

Pas op je leven!

BRAND.

Anders niet?

DE MOEDER.

Je leven, ja? Wat dan nog meer?

BRAND.

Ik meen: is u voor dezen raad

Alleen gekomen?

DE MOEDER.

Weet je er meer,

Zoo volg ze. Maar bewaar je leven

Voor mij; ik heb 't je toch gegeven. (boos).

't Is wijd bekend wat je gedaan hebt;

En 't heeft dood-angstig mij gemaakt.

Op zee van daag! Roekloos te wagen

Wat jij voor mij bewaren moest.

Jij bent van ons geslacht de laatste.

Jij bent mijn zoon, mijn vleesch en bloed.

Jij bent de sluitsteen van 't gebouw,

Dat 'k stuk voor stuk heb opgetrokken.

Sta vast, wees sterk; hoû vast aan 't leven

Bewaar het goed! Vergeet je niet!

't Is voor een erve plicht te leven,...

En jij zult eens de mijne zijn...

BRAND.

Zoo? Moest u daarvoor hierheen komen,

En mij met volle zakken lokken?

DE MOEDER.

Zoon, ben je dol! (wijkt terug).

Blijf waar je bent!

Kom niet hierheen! 'k Sla met mijn stok! (kalmer).

Wat wou je daarmee zeggen?... Hoor!

'k Word oud, en ouder ieder jaar;

Dat is per slot de weg naar 't graf;

Dan krijg jij al wat ik bezit;

Het ligt geteld en afgewogen...

Ik heb niets bij mij!... Thuis ligt alles

Wat 'k heb. En heel veel is het niet;

Maar wie het krijgt is toch geen beedlaar...

Blijf waar je bent! Kom niet hierheen!...

'k Beloof je dat 'k niets zal verstoppen

In spleten, of begraven zal

Op plekken die er niemand kent,...

Of tusschen steenen, onder vloeren,

In muren, iets verbergen zal...

Jij erft, mijn zoon, geheel alleen,

Het heele erfgoed, zonder deelen

BRAND.

Op welke voorwaarde?

DE MOEDER.

Op ééne,

Verspil niet roekeloos je leven,

Dat 't goed kan gaan van zoon op zoon;

Ik eisch er voor geen ander loon.

En zorg er voor dat niets verkwist wordt;...

En niets verdeeld of losgemaakt wordt;...

Vermeerder je bezit of niet;

Maar waak er over, jaar op jaar!

BRAND (na een korte pauze).

Eén ding wou 'k opgehelderd zien;

Van jongs af was 'k met u in strijd;...

Gij waart geen moeder, ik geen zoon,

Tot dat u oud was en ik man.

DE MOEDER.

Ik vraag van jou geen liefgedoe.

Wees wat je wilt; het deert mij niet,

Wees hard, wees ruw, zoo koud als ijs;...

Het raakt mijn koude kleeren niet;

Hoû maar alleen je erfdeel vast...

Als dat maar blijft in ons geslacht!

BRAND (komt een stap naderbij).

En als 'k integendeel van plan was

't In alle winden uit te strooien?

DE MOEDER (tuimelt achteruit).

Dat wat mij menig zwoegend jaar

Den rug kromde en vergrijsde 't haar!

BRAND (knikt langzaam).

Uitstrooien, ja.

DE MOEDER.

Dan strooi je ook

Mijn ziel in alle winden uit!

BRAND.

En als ik het nu toch eens doe?

Als 'k bij uw bed eens 's avonds sta,

En kaarsen om uw doodsbed branden,

Als u, met 't psalmboek in de handen,

Den eersten nacht uw doodsslaap slaapt,...

Als 'k dan ga grabb'len, snuflen, zoeken,

En voor den dag haal heel den schat,...

Als 'k dan den brand er eens in steek...?

DE MOEDER (komt in spanning naderbij).

Hoe kom je aan die gedachte, zeg?

BRAND.

Hoe? Zal ik 't zeggen?

DE MOEDER.

Ja! Zeg op!

BRAND.

Door wat me als kind eens overkwam,

En 'k nooit daarna vergeten kon;

Dat in mijn ziel drong en er bleef

Als de ijzeren pijlpunt in een wond.

't Was herfst en avond. Vader dood.

U ziek. Ik sloop naar binnen stil,

Waar hij lag, bleek, bij kaarsenschijn.

Ik stond en staarde uit een hoek

Naar hem, met 't psalmboek in de hand;

Het vreemdste vond ik 't diepe slapen,

En zijn zoo dun geworden polsen;

En 'k rook den geur der kille lijkwâ;...

Toen hoorde ik loopen op 't portaal,...

Een vrouw kwam binnen, zag mij niet,...

Liep rechtstreeks op het doodsbed toe.

En grabb'lend ging zij toen aan 't zoeken;...

Eerst opgelicht 't hoofd van den doode,

Daar kwamen pakken onderuit,...

Zij telde, fluistrend: meer toch, meer!

Toen groef zij uit de beddekussens

Een pak, met touwen dichtgebonden.

Zij scheurde, trok, met woeste rukken,

Beet met haar tanden 't touw aan stukken.

Toen groef zij weer. Zij vond nog meer,...

Doch telde fluistrend: meer toch, meer!

Zij schreide, klaagde, vloekte, bad,

Steeds zoekend naar een spoor van meer...!

En vond ze iets,... met een jubelkreet

Schoot ze als een valk los op haar prooi.

Op 't laatst was iedre schuilhoek leeg.

Als een verdoemde sloop zij heen,

Haar schat geborgen in haar schort.

En steunend zacht: dàt 's alles dus!

DE MOEDER.

Groot was mijn vordring, schraal mijn vondst,

En die had 'k meer dan duur betaald.

BRAND.

Toch kwam 't u duurder nog te staan,

Mijn kinderhart ontstal het u.

DE MOEDER.

Nu ja. Zoo is van ouds 't gebruik.

Men koopt zijn goed met ziel en bloed.

'k Betaalde een hoogen prijs terstond;

Mijn jonge leven zette ik in.

Ik gaf iets dat nu is verwelkt...

Iets vluchtigs, dunkt me, als zonneschijn,...

Onnoozel ook, maar toch zoo mooi;...

Ik gaf wat 'k nauwlijks nu meer weet,...

'k Geloof dat het liefde werd genoemd...

Ik weet 't nog goed. Mijn strijd was zwaar;

En 'k weet ook goed nog vaders raad:

Vergeet dien jongen; neem den andren,

Wat deert 't al is de vent wat oud;

De kerel heeft een goed stel hersens,

Verdubb'len kan hij zijn bezit!...

Ik nam hem, maar kreeg stank voor dank.

Zoo ver heeft hij het nooit gebracht.

Maar ik heb jaren lang gezwoegd,

Zoodat 't er nu wel bijna is.

BRAND.

Bedenkt gij ook, zoo dicht bij 't graf

Dat gij uw ziel daarbij verkocht?

DE MOEDER.

Dat 'k dàt bedacht blijkt uit het feit

Dat ik jou priester worden liet.

Als de ure komt, zorg voor mijn heil,

In dank voor wat ik achterlaat.

Mijn is het zuur verdiende goed,

En jij hebt macht en 't troostend woord.

BRAND.

Hoe wijs ook, hebt ge u toch vergist,

Gij zaagt mij nog als eertijds thuis.

Met ouderliefde van die soort

Gaan velen met hun kindren om.

Zij zien in 't kind maar een beheerder

Van al hun nagelaten rommel.

Een bleeke straal van de eeuwigheid

Gaat langs hun denken nu en dan.

Daar grijpen zij dan naar en denken

Dat zij hem al te pakken hebben;

Dat dood en leven dan vereend zijn

Als 't erfgoed in 't geslacht bewaard blijft,

En de eeuwigheid, als som, hun deel wordt

Van de opgelegde reeksen jaren.

DE MOEDER.

Vorsch niet naar wat je moeder denkt,

Maar neem op tijd je erfgoed aan.

BRAND.

En dan de schuld?

DE MOEDER.

Schuld? Welke schuld?

Er is geen schuld.

BRAND.

Nu goed; maar als

Er schuld was,... moest 'k die overnemen

En alles afdoen, en vereff'nen.

Een zoon moet op zijn moeders graf

Aan alle vordringen voldoen;

Waar' 't huis ook leeg als ik 't betrok,...

Toch erfde ik uw schuldenboek.

DE MOEDER.

Dat eischt geen enkle wet.

BRAND.

Niet een

Geschreven wet met pen en inkt;

Maar in elk eerlijk kinderhart

Staan andre wetten ingegrift,...

En aan die wetten zal 'k voldoen.

Verblinde vrouw, o leer toch zien!

Gods tempel hebt ge in u vernederd,

Uw zieleleen hebt gij verdaan.

Het aardsche beeld, dat hij u schonk,

Met slijk en schimmel oversmeurd;

De geest, die eenmaal was gevleugeld,

Hebt gij gekortwiekt in 't gedrang.

Dàt is uw schuld. Waar wilt gij heen,

Als God de Heer het zijne opeischt?

DE MOEDER (schuw).

Waarheen ik wil? Waarheen?

BRAND.

Vrees niet;

Uw zoon neemt al uw schuld op zich.

Gods beeltenis, die gij vertrapt hebt,

Zal in mij, klaar, verreind, verrijzen!

Ga kalm maar rusten bij de dooden,

Mijn moeder zal met schuld niet slapen;...

Ik delg de schuld.

DE MOEDER.

Mijn schuld en zonden?

BRAND.

Uw schuld alléén. Let op mijn woord.

Uw zieleschuld zal 'k op mij nemen;

Maar voor uw zonden komt gij op.

't Bedrag van 't menschelijke Wezen,

Dat onderging in 't aardsche sloven,

Kan door eens andren goeden wil

Volledig worden afbetaald;

Maar dàt het onderging is zonde;

Alleen berouw helpt daar... of sterven!

DE MOEDER (onrustig).

Het beste ben ik toch maar thuis

In schaduw van mijn gletscherdak;

Hier in dien zwoelen zonneschijn

Ontkiemen giftige gedachten,

Wier geur een mensch al duiz'lig maakt.

BRAND.

Zoek maar de schaduw; ga naar huis.

En voelt ge uw laatste ure komen,

En wilt ge dat 'k u licht zal brengen,

Zend dan om mij, en ik zal komen.

DE MOEDER.

Ja, jij, met je verdoemingswoorden!

BRAND.

Neen, warm als zoon, als priester zacht,

Weer 'k schrik en angsten van u af.

En aan uw sponde, met gezang,

Doof ik den koortsgloed in uw bloed!

DE MOEDER.

Beloof je mij dat op je woord?

BRAND.

Ik kom in de ure van berouw.

(dichter bij haar).

Maar ook één voorwaarde heb ik.

Van wat u nog aan de aarde bindt,

Moet gij vrijwillig afstand doen,

En zonder iets ten grave gaan.

DE MOEDER (slaat wild naar hem).

Gebied den gloed van 't vuur te scheiden,

De sneeuw van vorst, van water vocht!

BRAND.

Gooi in de fjord al uw bezitting,

En bid dat God die daad moog' zeegnen.

DE MOEDER.

Eisch wat je wilt; eisch honger, dorst,...

Maar niet wat 't allerzwaarste weegt!

BRAND.

Wordt 't zwaarste offer niet gebracht

Dan baat ook 't mindre iemand niet.

DE MOEDER.

'k Geef zilver in het offerblok!

BRAND.

Alles?

DE MOEDER.

Is veel dan niet genoeg.

BRAND.

Voor u geen andre boete dan

Als Job te sterven, arm en naakt.

DE MOEDER (handenwringend).

Mijn tijd verspild, mijn ziel verdoemd,

Mijn geld en goed weldra verstrooid!

Naar huis dan, en aan 't hart gedrukt

Al wat nù nog mijn eigen is!

Mijn goed, mijn smartekind, mijn goed,...

Voor jou reet ik mijn borst aan bloed;...

Naar huis nu, waar 'k met moederklacht

Bij 't zieke kindje houd de wacht.

Waarom werd ik in 't vleesch geboren

Als gaat, door 't vleesch mijn ziel verloren?...

Blijf in mijn buurt, zoon! 'k weet nog niet

Wat 'k doen zal als mijn ure komt.

Moet 'k bij mijn leven 't àl verliezen,...

Dan wil 'k toch tot het laatste wachten, (af).

BRAND (kijkt haar na).

Ja, je zoon zal bij je blijven,

Wachten op het boete uur,

Zal verwarmen je oude, koude

Hand, als zij wordt uitgestrekt.

(gaat naar Agnes toe).

De avond lijkt niet op den morgen,

Toen was heel mijn ziel vol strijdlust,

Verweg hoorde ik krijgsgezangen,

't Zwaard des toorns wilde ik zwaaien,

Leugens dooden, 't kwaad verstikken,

Ja, verpletteren heel de wereld!

AGNES (heeft zich omgekeerd en kijkt hem aan met helderen blik).

't Ochtenduur was bleek voor mij

Toen ik leugen wilde en spel;

Wilde winnen, wilde scheppen,

Wat gewin was te verliezen!

BRAND.

Hooge droomen, mooie droomen,

Vlogen aan als wilde zwanen,

Hieven mij op breede wieken.

Verweg zag 'k mijn levensbanen,

Als der menschen schuldbedwinger

In het drukke wereldwoelen.

Zag processies' vrome pracht,

Hymnen, wierook, zijden vanen,

Gouden schalen, zegezangen,

't Juublend roepen van zoo velen,

Schittrend om mijn levenstaak.

Alles lag zoo lokkend, rijk;...

Doch het was maar een visioen,

Maar een lichtend vergezicht,

Half in zon- en weerlichtschijn...

En nu sta 'k waar de avond neerdaalt

Lang vóór nog de dag ten eind is,...

Tusschen hoogen berg en fjord,

Afgesloten van de wereld,

Met een enkel streepje hemel,...

Maar 'k sta op geboortegrond.

't Zondagslied is uitgezongen;

Afgezadeld wordt mijn strijdros;

Doch ik zie een hooger doel,

Dan een kamp met 't ridderzwaard,...

Slovend dagwerk, daagsche plicht

Word' tot Zondagswerk geadeld

AGNES.

En die God die vallen moest?

BRAND.

Vallen zal hij even goed,...

Maar nu heimlijk, stil verborgen,

Niet in 't openbaar voor allen.

Duidlijk zie 'k nu dat ik dwaalde,

Toen 'k langs dien weg heil verwachtte.

Geen luidruchtig, machtig handlen

Brengt het menschdom tot bekeering.

Eigenschappen, rijk, te ontwikk'len

Baat niet voor zijn zielekwalen.

't Is de wil hier die het doen moet!

Willen doodt of kan bevrijden,

Willen, gansch, in alle dingen,

In het zware, als in het lichte...

(keert zich om naar den kant van het dorp, waarover de avondschaduwen

al beginnen te vallen).

Komt dan mannen, moeizaam schrijdend

Door de donkre enge dalen;...

Nauw vereend in samenwerking

Laat ons 't loutringswerk beproeven,

Halfheid neerslaan, leugen smoren,

Jongen, sterken wil opwekken!

Slaat de hand aan hak of zwaard,

Beide is eervol, mannen waard;

Eén is 't doel,... wij moeten worden

Taaf'len, waarop God kan schrijven.

(Wil weggaan. Ejnar komt hem tegen).

EJNAR.

Wacht, en geef wéér wat je nam!

BRAND.

Meen je haar? Daarginder zit zij.

EJNAR (tegen Agnes).

Kies nu tusschen lichte ruimten

Of dit somber droefheidsoord!

AGNES.

'k Heb geen keuze meer te doen.

EJNAR.

Agnes, Agnes, luister toch!

Denk wat 't oude spreekwoord zegt:

Licht te heffen, zwaar te dragen.

AGNES.

Al je lokken kan niet baten;

Dragen moet ik tot het einde.

EJNAR.

Denk aan allen die je liefhebt!

AGNES.

Groet mijn moeder, allen thuis;

'k Schrijf zoodra ik woorden vind.

EJNAR.

Buiten op de blanke waat'ren

Zeilen vlugge schepen uit;...

Als verlangens, droomgedachten,

Jagen, vlieden hooge stevens,

Schuimbesprenkeld, om te landen,

Verweg, in een sprookjesland!

AGNES.

Zeil naar 't Westen of naar 't Oosten;...

Denk aan mij als waar 'k begraven.

EJNAR.

Agnes, ga mee als mijn zuster!

AGNES (schudt het hoofd).

Tusschen ons zijn wereldzeeën.

EJNAR.

Naar je moeder dan... naar huis!

AGNES (stil).

Weg van leeraar, broer en vriend...?

BRAND (komt een stap nader).

Jonge vrouw, bedenk je wel.

Tusschen bergen ingeklemd,

Onder schaduwdak van rotsen,

In der spleten halfnacht-duister,

Zal mijn leven voortaan wezen

Als een sombre winterdag.

AGNES.

't Duister angstigt mij niet langer,

Sterren breken door de wolken.

BRAND.

Weet dat 'k streng ben in mijn eischen,

Alles vorder ik of niets.

Als je afwijkt van den weg,

Is je leven als verong'lukt.

Hoop niet mij iets af te dwingen,

Geen toegeeflijkheid voor zonde;...

Kan het leven niet volstaan,

Moet je ook dàt vrijwillig off'ren!

EJNAR.

O, ontvlucht dat wilde spel!

Vlied den man dier sombre leer,

Leef zooals je leven kunt!

BRAND.

Kies;... je staat nu op het kruispunt. (af).

EJNAR.

Kies nu tusschen storm of stilte!

Gaan of blijven is de keus.

Kies nu tusschen vrede en zorgen,

Kies nu tusschen nacht en morgen,

Dood of leven zij je keus!

AGNES (staat op en zegt langzaam).

In den nacht. En door den dood...

Ginds ver schemert morgenrood.

(Zij volgt den weg dien Brand ging).

(Ejnar kijkt haar een oogenblik als verloren na, buigt dan het hoofd

en gaat den weg die naar de fjord voert weer af).

EINDE VAN HET TWEEDE BEDRIJF.

DERDE BEDRIJF.

Drie jaar later. Een klein tuintje door steenen ommuurd bij de pastorie

gelegen aan den voet van een hoogen bergrug. De fjord ligt nauw en

ingesloten op den achtergrond. De huisdeur opent in den tuin. Namiddag.

Brand staat op de trap voor het huis. Agnes zit op een lagere tree.

AGNES.

Mijn lieve man, alweder dwaalt

Je oog zoo angstig naar de fjord...

BRAND.

Ik wacht bericht.

AGNES.

Je bent onrustig!

BRAND.

Van moeder wacht ik steeds bericht.

Drie jaar heb ik nu al vertrouwend

Bericht gewacht, dat nooit nog kwam.

En morgen zoo werd mij gezegd,

Is mooglijk wel haar uur geslagen.

AGNES (zacht en liefdevol).

Je moest maar op geen boodschap wachten.

BRAND (hoofdschuddend).

Berouwt zij hare zonden niet

Dan heb ik ook geen woord van troost.

AGNES.

Zij is je moeder.

BRAND.

En zou ik daarom

In haar afgoderij aankweeken?

AGNES.

Brand, je bent hard!

BRAND.

Voor jou?

AGNES.

O, neen!

BRAND.

'k Voorzei je een weg vol moeilijkheid.

AGNES (glimlacht).

Het sloeg niet in; je hieldt geen woord.

BRAND.

Jawel, het is hier scherp en koud;

Je wangen worden smal en bleek;

Je bent te teer voor dit klimaat.

Niets kan gedijen om ons huis,

Dan ijs en sneeuwval, rots en gruis.

AGNES.

Zooveel te veil'ger ligt het hier.

Zóó ver reikt al de gletscher nu

Dat hij in 't voorjaar, voortgestuwd

Naar 't dal, over ons dak heenschrijdt,

En ongedeerd ons huis blijft staan,

Als in een welvend waterhol.

BRAND.

En 't zonlicht dat nooit reikt tot hier.

AGNES.

Dat danst daar toch zoo warm en blij

En tintlend op den bergrug ginds.

BRAND.

Drie weken, ja... als 't zomer is,...

Maar zelfs zijn voet bereikt het nooit.

AGNES (kijkt hem strak aan, staat op en zegt:)

Er is iets dat je angstig maakt!

BRAND.

Neen, jou!

AGNES.

Neen jou!

BRAND.

Je hebt een angst,

'n Geheimen angst.

AGNES.

En jij ook, Brand!

BRAND.

Je duizelt, als voor 'n diep ravijn!

Spreek toch! Wat is 't?

AGNES.

Ik beef somtijds... (houdt op).

BRAND.

Je beeft! Voor wie dan wel?

AGNES.

Voor Alf.

BRAND.

Voor Alf?

AGNES.

Brand, jij ook!

BRAND.

Somtijds, ja!

Maar neen, dat doet God ons niet aan!

God is toch goed! Mijn kleine vent

Groeit sterk en flink er wel doorheen.

Waar is hij nu?

AGNES.

Hij slaapt.

BRAND (kijkt naar binnen).

Och, kijk,

Hij droomt niet van ellende en smart;

Zijn handje is mollig, dik en rond.

AGNES.

Maar bleek.

BRAND.

Ja, bleek; maar dat gaat over.

AGNES.

Wat ligt hij rustig nu te slapen.

BRAND.

God zegen je! Slaap je gezond!

(sluit de deur).

Met jou en hem, kwam vrede en licht,

Verlichtend al mijn daaglijksch werk.

Wat moeilijk was, elk droevig uur,

Werd met je beiden licht en blij.

Bij jou ontviel mij nooit de moed,

En kracht gaf mij zijn kinderspel.

Als martlaar nam 'k mijn roeping op,

Maar zie, hoe 't al zich heeft gekeerd,

Hoe nu 't geluk schijnt op mijn pad...

AGNES.

Ja, Brand, jij bent 't geluk ook waard,

Je hebt gestreden en ontbeerd,

Geduld, geleden, je afgetobd;

'k Weet dat je, stil, vaak hebt geschreid...

BRAND.

't Is zoo... maar alles leek mij licht;

Met jou trok hier de liefde binnen,

Als warme voorjaars-zonneschijn.

Die had ik nooit nog leeren kennen,

Noch vader gaf mij die, noch moeder.

Liefst doofden zij het enkle sprankje

Dat nu en dan uit de asch opglom.

Het was of al de schat van warmte,

Die 'k stil verborgen in mij droeg,

Was opgespaard tot glorieschijn,

Om hem en jou, mijn lieve vrouw!

AGNES.

Niet om ons beide alleen... om allen

Die nu tot de onzen hier behooren;

Wie droevig is, in nood verkeert,

Wie lijdt of schreit, 't zij vrouw of kind,

Een ieder wordt gelaafd, gesterkt,

Door wat hun biedt je rijke ziel.

BRAND.

Maar toch door jou en hem. Den geest

Van goedheid, zachtheid, bracht je mij.

Geen ziel kan allen liefde geven,

Die niet één enkle liefhad eerst;

'k Moest zóó lang smachten en ontberen,

Dat heel mijn hart werd als een steen...

AGNES.

En nòg... je liefde is nog niet zacht;

Je liefkoozing wordt vaak een slag.

BRAND.

Voor jou ook, Agnes?

AGNES.

Neen, mijn liefste;

Licht was wat jij mij gaf te dragen;...

Maar menigeen, verliet je al,

Om 't: niets of alles, dat je eischt!

BRAND.

Wat er zoo liefde wordt genoemd,

Dat wil ik niet en ken ik niet.

Gods liefde ken ik maar alleen,

En die is zoomin week als zacht;

Die is als doodsverschrikking hard,

En als die liefkoost wordt 't een slag.

Welk antwoord gaf God in den hof,

Toen hem zijn zoon in doodsangst bad:

Neem weg dien drinkbeker, mijn God!

Ontnam hij hem dien smartkelk toen?

Neen, kind, hij heeft dien gansch geledigd.

AGNES.

Ach, met zulk een maat gemeten

Kan geen enkle ziel bestaan.

BRAND.

Geen mensch weet wien verdoemnis treft.

Toch staat in vlammend schrift geschreven:

Wees trouw tot de allerlaatste proef,

Geen halfheid wint de levenskroon!

't Is niet genoeg 't angstzweet te voelen,

De vuurproef zelf moet gij doorstaan.

Dat gij 't niet kunt wordt u vergeven,

Maar nimmermeer dat gij niet wilt.

AGNES.

Ja, zeker, ja, zoo moet het wezen.

O, hef mij op, dat 'k mét je opstijg;

O, leid mij naar je hooge sferen;

Sterk is mijn wensch, maar slap mijn moed.

Vaak grijpt mij de angst, ik voel mij duiz'len,

En moe en aardtraag sleept mijn voet.

BRAND.

Kijk, Agnes, voor een ieder geldt

De eisch: geen halfheid laf en slap!

Veroordeeld is àl wat je doet

Als 't half maar is, of voor den schijn.

Tot wet moet deze leer je worden:

Met woorden niet, maar met het leven.

AGNES (valt hem om den hals).

Waar jij gaat, volg ik op den voet!

Voor twee is er geen rots te steil.

(De dokter is den berg afgekomen en blijft voor de tuinomheining

staan).

DE DOKTER.

Zoo duifjes, hier aan 't trekkebekken

Op deze woeste, grauwe rotsen?

AGNES.

Mijn oude dokter, is u hier?

O, kom toch binnen!

(loopt naar beneden en opent het hek).

DE DOKTER.

Neen, dàt niet!

Je weet wel, 'k ben nog altijd boos!

Gaan wonen hier, op zulk een plek,

Waar sneeuw en ijs en winterstorm

Een mensch door ziel en lichaam snijdt...

BRAND.

Niet door de ziel.

DE DOKTER.

Zoo, niet? Och kom!

't Is waar, het ziet er haast naar uit,

't Lijkt waarlijk of je snel verbond

Op hechten, vasten grondslag rust;

Hoewel, zooals het spreekwoord zegt,

Wat snel gebouwd wordt, snel vergaat.

AGNES.

Een zonnekus, een klokkenklank

Kan wekken soms een zomerdag.

DE DOKTER.

Vaartwel. 'k Moet naar een zieke toe.

BRAND.

Mijn moeder?

DE DOKTER.

Ja. Gaat u soms mee?

BRAND.

Nu niet.

DE DOKTER.

Was u er al?

BRAND.

Nog niet.

DE DOKTER.

U is wel hard. Door wind en sneeuw

Kwam ik over den berg gezwoegd,

Ofschoon ik weet dat er van haar

Geen hongerloontje overschiet.

BRAND.

God zeegne uw kennis en uw vlijt.

Maak, als u kan, haar 't sterven licht.

DE DOKTER.

Gods zegen op mijn wil; ik kwam

Zoodra 'k in nood geroepen werd.

BRAND.

Zij zond om u; maar niet om mij;...

Ik wacht, en wacht in zieleangst.

DE DOKTER.

Wacht langer niet!

BRAND.

Vóór ze om mij zendt

Heb ik daar ginder niets te doen.

DE DOKTER (tegen Agnes).

Jij arm klein vrouwtje, toevertrouwd

Aan zulker harde handen macht!

BRAND.

Ik bèn niet hard.

AGNES.

Hij gaf zijn bloed

Als 't voor haar ziel vergifnis bracht!

BRAND.

'k Nam als haar zoon en erfgenaam

Vrijwillig al haar schulden op mij.

DE DOKTER.

Delg uw eigen schuld!

BRAND.

Voor God kan

Wel één de schuld van velen delgen.

DE DOKTER.

Maar niet door één, die zelf een beedlaar,

Tot over de ooren steekt in schulden.

BRAND.

Of rijk, of beedlaar;... 'k wil geheel,...

En meer dan dàt behoeft er niet!

DE DOKTER (kijkt hem strak aan).

Ja, van uw wil het quantum satis

Staat mooi en duidlijk wel geboekt,...

Maar, Brand, uw conto caritatis

Dat is een onbeschreven blad. (af).

BRAND (volgt hem een oogenblik met de oogen).

Geen woord werd ooit zoo neergesleurd

In leugens, als men 't liefde doet;...

Dat leggen zij met Satanslist

Als sluier over slappen wil;

Bedrieglijk dekken zij daarmee

Hun wuft en ijdel levensspel;

Is smal het pad en glad en steil,

In liefde wordt u dat verkort;

Gaat men den breeden zonde-weg

Blijft hoop op liefde toch bestaan,...

Men ziet zijn doel, maar mijdt den strijd...

Door liefde wordt 't toch nog bereikt;

En dwaalt gij, beter wetend toch,...

In liefde vindt ge een toevluchtsoord!

AGNES.

Ja, dat 's verkeerd, en toch ik moet

Mij vaak afvragen: is het zoo?

BRAND.

Eén ding vergeet je; eerst de wil

Voldoet den dorst der wet naar recht.

Eerst willen moet je, niet alleen

Wat mooglijk is in 't groot en 't klein,

Niet enkel waar er aan de daad

Veel moeite vast is en bezwaar,...

Neen, willen moet men sterk en blij,

Door allen schrik en angsten heen.

Niet dàt is martlaarschap, in pijn

Aan 't kruishout stervend te vergaan,

Maar 't willen van dien dood aan 't kruis,

Te willen al dien angst en nood,

Te willen al die zielepijn,

Dat eerst brengt je verlossing aan.

AGNES (vlijt zich dicht tegen hem aan).

Komt eens voor ons de zware proef,...

O spreek dàn, jij, mijn sterke man!

BRAND.

Dramatische Werken: De comedie der liefde; Brand; Peer Gynt · 第 8 / 24 段