Ja, de plaats herken ik weer!

Ieder boothuis, iedre hut,

Hellingen en berkaanplanting,

En het oude bruine kerkje,

Elzenboschjes langs het water...

Alles kan ik mij herinren.

Maar veel grauwer lijkt mij alles,

Kleiner ook, dan toen 'k een kind was;

En het sneeuwdak op den berg ginds

Hangt nog lager over 't dorp,

Heeft van den benepen hemel

Nog een streepje weggenomen,

Neigt en dreigt, maakt duister, dringt,...

Steelt nog meer weg van de zon.

(gaat zitten en kijkt ver voor zich uit).

En de fjord. Was die toen ook

Al zoo leelijk en zoo nauw?

't Weer is buiig. Voor den wind.

Loopt een schip met volle zeilen.

Zuidwaarts, achter boot en steiger

Zie ik in de grauwe schaduw

Aan het strand, een roodbruin huis!...

't Is de hoeve van de weduw'!

Oude hoeve! Eens mijn thuis.

Heel 't verleden dringt zich op.

Daar aan 't zeestrand tusschen steenen

Leefde een kinderziel vereenzaamd...

Op mij drukt het als een last

Van beklemming, dat ook ik

Ben verwant nog met den geest die

D'aarde zoekt, niet 't innigst wezen.

Wat ik heerlijks heb gewild

Zweeft als in een nevel nu.

Moed en kracht zijn mij ontnomen,

Machtloos is mijn ziel, mijn greep;

Hier zoo dicht bij 't oude huis weer

Zie 'k mijzelf aan als een vreemdling,...

Zoo ontwaakt getemd, geketend,

Simson in Dalila's schoot.

(kijkt weer in de diepte).

Wat is daar toch voor een drukte?

Overal uit huis en hoeven

Stroomen vrouwen, mannen, kindren...

Achter hellingen en rotsen

Schuiven voort de lange rijen,

Komen weer te voorschijn plots...

Allen voort naar 't oude kerkje.

(staat op).

O, ik ken je zoo van buiten,

Lakse zielen, traag van geest!

Heel je Onze-Vader bidden

Houdt niet in zich zóóveel wilskracht,

Ja, niet zóóveel zieledrang,

Dat daarvan ten hemel stijgt

Klankrijk als een stem moet klinken,

Iets meer dan de vierde smeekbee!

Die toch is de leus van 't volk,

Die de strijdkreet thans geworden.

Diep gegrift in alle harten,

Uit 't verband gerukt, is die nu

Als een door den storm gehavend

Wrak van jullie heele geloof!...

Weg hier uit dien duffen boel!

Weeë lijklucht heerscht in 't rond hier...

Hier kan nooit een vlaggedoek

Vrijuit, frisch en vroolijk wapp'ren!

(wil weggaan, een steen wordt van boven af gegooid en rolt het pad

af tot vlak voor zijn voet).

BRAND (roept naar boven).

Hei-dáár! Wie gooit met steenen daar?

(Gerd, een vijftienjarig meisje, loopt boven op den bergrug, haar

schort vol steenen).

GERD.

Ik raakte 'm! Há! (gooit weer).

BRAND.

Kind, staak dat spel!

GERD.

Daar zit hij waarlijk ongedeerd

Te wieglen op een dorren tak! (gooit weer en schreeuwt).

Daar komt hij weer, ellendig dier!

Help! Huuh! Hij slaat zijn klauwen uit!

BRAND.

In 's hemelsnaam...!

GERD.

Stil! Wie ben jij?

Sta stil! Sta stil! Nu vliegt hij weg.

BRAND.

Wie vliegt?

GERD.

Zag je dien havik niet?

BRAND.

Hier? Neen.

GERD.

Dien woesten vogel niet?

Dien, met zijn kuif als uitgestreken,

En oogen rood en geel omrand!

BRAND.

Waar ga je heen?

GERD.

'k Ga naar de kerk.

BRAND.

Dan kunnen wij wel samen gaan.

GERD.

Wij samen? Neen, mijn weg gaat dáár. (wijst naar boven).

BRAND (wijst naar beneden).

Maar dáár ligt toch de kerk?

GERD (kijkt hem verachtelijk lachend aan en wijst naar beneden).

Die dáár?

BRAND.

Ja zeker. Kom.

GERD.

Daar is 't benauwd!

BRAND.

Benauwd? Waarom?

GERD.

't Is er zoo klein.

BRAND.

Waar heb je een grootere gezien?

GERD.

Een groot're? O, die weet ik goed.

Vaarwel! (gaat de hoogte op).

BRAND.

Ga je dáárheen ter kerk?

Dat leidt naar hoogen wilden top.

GERD.

Ga met mij mee, dan zal je zien

Een kerk gebouwd van ijs en sneeuw!

BRAND.

Van ijs en sneeuw! Nu weet ik 't al!

Als jongen hoorde ik er van.

Daar tusschen steile toppen in

Moet er een ijsgrot zijn te vinden.

De ijskerk, meen ik, werd 't genoemd.

Daarvan werd allerlei verteld;

De grond is een bevroren meer,

Het dak is van lawinesneeuw

Gespannen wijd, van wand tot wand,

Als een gewelf er over heen.

GERD.

Ja, 't ziet er uit als ijs en rots...

Mij goed... een kerk is het toch.

BRAND.

Ga daar niet heen; één windstoot maar

Dan breekt de korst; 't gewelf stort in;

Een kreet, een schot is al genoeg...

GERD (zonder naar hem te luisteren).

Kom mee, een rendierkudde is

Daar afgegleden, komt pas vrij

In 't voorjaar, met de groote dooi.

BRAND.

Ga daar niet heen, daar dreigt gevaar!

GERD (wijst naar beneden).

Ga daar niet heen; daar is 't benauwd!

BRAND.

God zij met je!

GERD.

Ga liever mee!

Lawine en waterval zingt daar,

De wind preekt over 't ijsveld luid,

Dat heet je wordt en dan weer koud.

En nooit komt er de havik in;

Hij strijkt neer op den Zwarten Top,...

Daar zit hij dan, dat galgenaas,

Als 't haantje op de torenspits.

BRAND.

Wild is je pad, en wild je ziel,...

Als klank van een gebarsten luit.

Wat slecht is blijft slecht, kort en goed,...

Kwaad kan in goed verkeeren soms.

GERD.

Daar hoor ik weer zijn wiekgeruisch!

Nu ga ik weg en gauw naar huis!

Daar in die kerk ben 'k welbewaard...

Vaarwel! Daar komt hij, woedend weer!

Ga weg! Ik gooi met steenen, hoor!

Sla jij naar mij, dan sla 'k weerom! (vlucht den berg op).

BRAND.

Dat was nu ook een kind der kerk.

In 't dal,... of boven, wie doet 't best?

Wie stuift vooruit met woeste vaart,

Wie zwerft het verst van huis en haard,...

Lichtzinnigheid met groen omkranst,

Die spelend langs den afgrond danst,

Of laksheid traag maar sukk'lend voort,

Omdat 't nu eenmaal zoo behoort,...

Of dwaling wild en verregaand,

Dat zij het kwade goed haast waant?...

Welaan, ten strijd, ten bittren strijd,

Die Driebond zij ten dood gewijd!

Ik zie mijn roeping, schittrend, fier,

Als zonlicht vallend door een kier!

Ik ken mijn taak; die Driebond moet

Vernield, en 't wereldwee geboet.

Als die ten grave is gebracht

Wijkt 's werelds pest van dit geslacht!

Op ziel! Grijp 't blanke zwaard! Met kracht

Ten strijd voor 't hemelsch nageslacht!

(hij daalt af naar het dorp).

EINDE VAN HET EERSTE BEDRIJF.

TWEEDE BEDRIJF.

Beneden aan de door steile bergwanden ingesloten fjord. Op een kleine

hoogte dicht bij de fjord, ligt het oude vervallen kerkje. Er komt

een onweer op.

Volk, mannen, vrouwen en kinderen, gedeeltelijk op het strand,

gedeeltelijk op de hoogten in groepen verzameld. De Baljuw zit op

een steen in hun midden. Een klerk staat hem bij in het verdeelen

van koren en levensmiddelen. Ejnar en Agnes staan iets verder weg,

omringd door een troep menschen. Enkele booten liggen op het door de

ebbe droog geloopen zand. Brand komt van den kerkheuvel aaf zonder

door de menigte te worden opgemerkt.

EEN MAN (werkt zich door het gedrang heen).

Op zij!

EEN VROUW.

Ik kwam het eerst!

DE MAN (duwt haar op zij).

Ga weg!

(dringt vooruit naar den baljuw).

Kijk hier; geef gauw wat in mijn zak!

DE BALJUW.

Geduld.

DE MAN.

Onmooglijk; 'k moet naar huis;

Daar snakken er wel vier of vijf!

DE BALJUW (schertsend).

Weet je niet eens precies 't getal?

DE MAN.

Eén lag te sterven toen ik ging.

DE BALJUW.

Maar wacht. Sta jij wel op de lijst? (bladert in zijn papieren).

Neen;... ja, toch wel. Dat 's je geluk. (tegen den klerk).

Geef nommer dertig eens zijn deel...

Ja, goede menschen, hebt geduld!

Nils Snemyr?

EEN MAN.

Ja!

DE BALJUW.

Je krijgt van daag

Maar driekwart van wat je anders kreeg.

Er zijn er minder nu.

DE MAN.

Jawel,...

Juist gistren stierf mijn vrouw Ragnhild.

DE BALJUW (noteert).

Een minder. Dat is altijd wàt. (tegen den man die weg gaat).

Maar ga nu niet zoo daadlijk weer

Een tweede huwlijk aan!

DE KLERK (gichelt).

Hi, hi!

DE BALJUW (scherp).

Waar lacht u om?

DE KLERK.

Ik lach omdat

Mijnheer zoo grappig is van daag.

DE BALJUW.

Zoo grappig is 't hier anders niet;

Maar scherts verdrijft wel eens een traan.

EJNAR (komt met Agnes uit de menigte naar voren).

'k Heb al mijn zakken leeggemaakt.

Mijn beurs, mijn zakboek, alles leeg!

'k Kom als een bedelaar aan boord,

Geef mijn horloge maar als pand.

DE BALJUW.

Ja, u kwam daar te goeder ure.

Wat 'k in kon zaamlen is niet veel;

Dat reikt niet ver, kan u wel denken,

Waar 'n leege hand, een mond halfvol,

Nog moeten afstaan van hun beetje

Aan wie er niets te bikken heeft.

(krijgt Brand in 't oog en wijst naar hem).

Nog iemand! Welkom! Hoorde u al

Van hongersnood en overstrooming,

Maak dan uw beurs en randsel open.

Wij nemen gaarne alles aan.

De voorraad is haast uitgeput;...

Vijf vischjes maken nog geen maal

In deze armoed-woestenij.

BRAND.

Tienduizend korven uitgedeeld

In naam eens afgods, baten niet.

DE BALJUW.

Om woorden heb 'k u niet gevraagd.

Voor 'n leege maag zijn woorden steen.

EJNAR.

Je weet niet wat het volk hier leed

Zoo lang in bitt'ren hongersnood.

Een jaar vol rampen, Brand, en wee,

Er liggen dooden...

BRAND.

'k Zie het wel;

Uit al die ingevallen oogen

Spreekt 't straffend oordeel van omhoog.

DE BALJUW.

En daarbij blijft u hard als steen!

BRAND (treedt tusschen de menigte en zegt met nadruk).

Toen 't leven kalm hier was en schraal,

En traag verliep met daagsch bezwaar,

Had 'k meelij met 't gezwoeg om brood.

Wie op zijn knieën kruipen moet

Voelt 't dier ontwaken in zijn ziel.

Vergaan de dagen dof en stil

Als 'n lijkstoet, langzaam, stap voor stap,

Gaat men licht denken: och, wij zijn

Uit 't boek des Heeren uitgeschrapt.

Maar u betoonde hij zich juist goed,

U joeg hij doodsangst in het bloed,...

En geeselt u met vrees en schrik;

Wat hij u gaf, neemt hij terug...

VERSCHEIDENE STEMMEN (vallen hem dreigend in de rede).

Hij spot met onzen angst en nood!

DE BALJUW.

Hoont hij ons, die u gaven brood?

BRAND (schudt het hoofd).

O, kon 'k met al mijn hartebloed

U laven als een levensbron,

Ik liet het vloeien als een stroom,

Tot droog en leeg was iedre aâr.

Maar zonde waar' 't te helpen hier!

God wil u heffen uit het slijk;...

Een waar volk,... zij 't verspreid en zwak...

Put ook uit onheil merg en kracht;

De geest wordt helder, heft zich op,

't Gesluierd oog wordt scherp van blik,

De slappe wil wordt sterk en flink,

Ziet de overwinning in 't verschiet;

Maar baart de nood geen eedlen zin,

Is ook het volk zijn heil niet waard!

EEN VROUW.

Een onweer komt op over zee,

't Is of zijn woord 't heeft aangelokt!

EEN ANDERE.

Hij tergt den Heer! Wat ik je zeg!

BRAND.

Neen, uw God doet geen wondren meer!

DE VROUWEN.

Kijk 't weêr eens! Kijk!

STEMMEN IN DE MENIGTE.

Jaagt hem toch weg

Met steenen! Slaat hem dood, den beul!

(Het volk dringt dreigend op om Brand. De Baljuw treedt tusschen

beiden. Een vrouw, verwilderd, met gescheurde kleeren, komt haastig

van de hoogte af).

DE VROUW (roept tegen de menigte).

In Jezus naam, wie staat mij bij!

DE BALJUW.

Wat is er? Zeg wat er aan scheelt...

DE VROUW.

Ik wil geen geld of brood nu meer!

Mij trof het allerergste lot!

DE BALJUW.

Wat dan? Spreek toch! dan? Spreek toch!

DE VROUW.

Dat kan ik niet!

Waar vind 'k een priester?... Hulp en troost!

DE BALJUW.

Hier is er geen...

DE VROUW.

Verloren, God!

O, dat ik nooit geboren waar'!

BRAND (komt nader).

Een geestlijke is er mooglijk toch.

DE VROUW (grijpt zijn arm).

Laat hem dan komen, talm toch niet!

BRAND.

Zeg wat je scheelt, dan komt hij wel.

DE VROUW.

Ginds over 't water...

BRAND.

Wel?

DE VROUW.

Mijn man...

Drie kindren hongrend... niets in huis,...

Zeg neen, zeg neen,... hij 's niet verdoemd!

BRAND.

Spreek eerst.

DE VROUW.

Mijn borst was leeg... verdroogd;

Ons hielp geen mensch, ons hielp geen God.

Het jongste worstlend met den dood...

Hij droeg 't niet langer... sloeg het dood...!

BRAND.

Sloeg 't dood...!

HET VOLK (ontzet).

Zijn kind!

DE VROUW.

Maar toen, terstond

Zag hij met afschuw op zijn daad!

't Berouw steeg als een vloedgolf op;

En aan zich zelf sloeg hij de hand...

Kom, red zijn ziel, trots storm en stroom!

Hij kan niet leven, vreest den dood,

Met 't lijkje in de armen ligt hij daar

En schreeuwt en roept den Booze aan!

BRAND (stil).

Ja, dàt is erg.

EJNAR (bleek).

Hoe kàn 't bestaan!

DE BALJUW.

De man hoort niet tot mijn district.

BRAND (kort tegen het volk).

Maakt los een boot en zet mij over!

EEN MAN.

Nu, in dit weer! Dat waagt geen mensch hier!

DE BALJUW.

Een pad loopt om de fjord...

DE VROUW.

Neen, neen,...

Dat is nu niet begaanbaar meer;

Ik kwam er langs, maar 't water sloeg

Vlak achter mij den vlonder weg!

BRAND.

Maakt los de boot.

EEN MAN.

Het kan niet meer;

De vloed slaat over rots en strand!

EEN TWEEDE MAN (wijst naar den anderen oever).

Daar komt al een stuk berg omlaag!

Vol stof en rook de heele fjord.

EEN DERDE.

't Is noodweer, donderslag en storm,

De Proost zelf spreekt u vrij van plicht!

BRAND.

Een zondaarsziel, den dood nabij,

Wacht niet op weer, of wind, of tij! (gaat naar beneden in de boot

en haalt het zeil op).

Waag je de boot er aan?

DE EIGENAAR.

Jawel...

BRAND.

Goed. Wie waagt nu zijn leven ook?

EEN MAN.

Ik ga niet mee.

EEN ANDERE.

En ik ook niet.

VERSCHEIDENEN.

Je waagt je rechtstreeks in den dood!

BRAND.

Och, jullie God helpt niemand voort;

Maar die van mij is mee aan boord!

DE VROUW (handenwringend).

Hij sterft in zonde!

BRAND (roept uit de boot).

Eén enkel man,

Die 't water uitschept, 't zeil hanteert,

Is al genoeg. Kom, geef nog meer

Dan je al deedt, geef je eigen zelf!

VERSCHEIDENEN (terugwijkend).

Eisch zoo iets niet!

EEN ENKELE (dreigend).

Kom uit de boot!

Dat is te érg den Heer verzoeken!

VERSCHEIDENE STEMMEN.

't Wordt erger nog!

ANDEREN.

De lijn knapt af!

BRAND (klampt zich vast met de bootshaak en roept tegen de vreemde

vrouw).

Goed; kom jij dan; maar kom dan gauw!

DE VROUW (terugwijkend).

Ik! Als geen een hier...!

BRAND.

Laat hen staan!

DE VROUW.

Ik kan niet!

BRAND.

Niet?

DE VROUW.

Mijn kindren thuis...

BRAND (lacht).

Zand is de grond waarop je bouwt!

AGNES (keert zich met gloeiende wangen snel tot Ejnar, legt haar hand

op zijn arm en zegt:)

O Ejnar, hoor je 't?

EJNAR.

Hij is sterk!

AGNES.

Godlof! Dan ken je ook je plicht! (roept tegen Brand).

Kijk! Hier is iemand! Hij is 't waard

Met u te gaan voor 't heilig werk!

BRAND.

Kom dan!

EJNAR (bleek).

Ik!

AGNES.

Ga! Ik geef je weg!

'k Was blind eerst, helder zie ik nu!

EJNAR.

Eer 'k jou ontmoette had ik graag

Mijzelf met hem ten dood gewijd...

AGNES (bevend).

Maar nu...?

EJNAR.

Is 't leven te veel waard;...

Ik kàn nu niet!

AGNES (terugwijkend).

Wàt zeg je? Niet?

EJNAR.

Ik mag niet!

AGNES (met een kreet).

Door dat woord, o God!

Is tusschen ons met stormgeweld

Een woeste wereldzee ontstaan! (tegen Brand).

Ik kom bij u!

BRAND.

Goed; ga dan mee!

DE VROUWEN (ontsteld terwijl zij in de boot springt).

Help Jezus!

EJNAR (grijpt in wanhoop naar haar).

Agnes!

DE HEELE MENIGTE (komt toeloopen).

Halt! Terug!

BRAND.

Waar ligt je huis?

DE VROUW (wijst).

Daar, heel aan 't eind,...

Ginds, hoog, achter die zwarte klip!

(De boot stoot van land).

EJNAR (schreeuwt haar achterna).

Denk aan je moeder, allen thuis!

O, red je!

AGNES.

God is mee aan boord!

(De boot zeilt uit. Het volk groepeert zich op de hoogten en kijkt

haar na in groote spanning).

EEN MAN.

Hij klaart den hoek al!

EEN TWEEDE.

Neen!

DE EERSTE.

Jawel!

Hij heeft 'm al achter zich aan lei!

DE TWEEDE.

Een valwind! Ha, die pakt hen net!

DE BALJUW.

Kijk! Die gaat strijken met zijn hoed!

EEN VROUW.

Als ravenzwarte vlerken slaan

Zijn natte haren in den wind!

DE EERSTE MAN.

En alles kookt en dampt!

EJNAR.

Wat was

Die kreet, die door den storm heen sneed?

EEN VROUW.

't Kwam van de bergen.

EEN TWEEDE (wijst naar de hoogte).

Daar staat Gerd,

Zij lacht en juicht van boven af!

EERSTE VROUW.

Nu blaast zij op een bokkehoorn!

En gooit met steenen naar beneê!

TWEEDE VROUW.

Daar gooit zij weer den hoorn weg

En toetert door haar holle hand!

EEN MAN.

Ja, blaas en schreeuw maar, wilde heks,

Die man weerstaat jouw kunsten wel!

EEN TWEEDE.

Met hem aan 't roer, durf ik voortaan

In erger weer wel mee te gaan.

DE EERSTE (tegen Ejnar).

Wat is hij?

EJNAR.

Geestlijke.

DE TWEEDE.

Wat hij

Dan wezen mag,... hij is een man!

In hem steekt moed en kracht en trots.

DE EERSTE.

Dàt zou voor ons een leeraar zijn!

(Zij verspreiden zich over de hoogten).

DE BALJUW (zoekt zijn boeken en papieren bij elkaar).

Onvormlijk is 't in elk geval

Zich te bemoeien met die zaak,

En zonder noodzaak in te grijpen,

Zijn leven in gevaar te stellen,...

Ik doe waarachtig ook mijn plicht,...

Maar altijd binnen mijn district.

(af).

Buiten de hut op de hooge landtong. Het is helder dag. Het water ligt

stil en blank.

Agnes zit beneden aan het strand. Even later komt Brand de deur uit.

BRAND.

Hij is dood. Verlost van allen

Schrik en angsten voor het Oordeel,

Ligt hij nu met kalme trekken

Rustig en verlicht daar neer,

Hoe kan toch een ijle illusie

Nacht in zulk een dag herscheppen

Van zijn helsche misdaad zag hij

Enkel maar den buitenkant,...

Dat, wat uit te spreken is,...

Dat, wat handen kunnen grijpen,...

Wat zijn naam een brandmerk opdrukt,...

Zijn vergrijp aan 't doode kindje.

Maar de twee, die vol van angst

Starende met groote oogen,

Als ineengedoken vogels,

In den schoorsteenhoek gehurkt...

Enkel zagen hoe hij deed

Zonder te begrijpen wàt,...

Zij, wier ziel daar werd een vlek

Ingebrand, nooit uit te wisschen,

Die niet uitslijt door den tijd,

Ook al worden ze eenmaal grijsaards,...

Zij wier levensstroom moet vloeien

Uit die vreeslijke herinring,...

Die in schaduw van zijn wandaad

Moeten groeien, worden mensch,...

Nooit 't afgrijselijk visioen

Uit hun hersens kunnen branden...

Aan die twee kon hij niet denken,...

Niet aan hen, wie hij zijn erfdeel,

't Onheilvolle, achterliet...

En van hen gaan wellicht uit

Velen nog tot zonde en schuld...

Waarom? Ondoorgrondlijk woord:

Zij zijn kindren van zijn bloed!

Wat wordt uitgewischt in stilte?

Wat met zachte hand vereffend?

Waar begint toerekenbaarheid

Voor der oudren geestlijk erfdeel?

Welk een rechtsdag, welk een rechter,

Als eens komt de dag des Oordeels!

Wie zal richten, wie getuigen,

Waar een ieder schuldig is;

Wie durft daar vertoonen 't oude

Uitgesleten document?

Wordt dàn 't antwoord aangenomen:

Alle schuld ligt bij mijn vader?...

Duizelingwekkend donkre raadsels,

Niemand weet u op te lossen!

Maar de massa zonder denken,

Danst op 't randje van den afgrond.

Alle zielen moesten beven,...

Maar niet één uit duizend ziet er

Welk een berg van schuld zich ophoopt

Uit het kleine woordje: leven.

(Enkele mannen uit het volk komen van achter het huis te voorschijn

en naderen Brand).

EEN MAN.

We ontmoeten hier elkaar dus weer.

BRAND.

Hij heeft geen hulp van noode meer.

DE MAN.

Zelf is hij nu verlost, gered;

Maar binnen zitten er nog drie...

BRAND.

En dan?

DE MAN.

Van 't beetje dat ons zelf

Bedeeld werd, is hier wat voor hen...

BRAND.

Gaf je alles ook,... maar niet je leven,

Zoo weet, dan heb je niets gegeven.

DE MAN.

Zoo hij die nu gestorven is,

Van daag gebrek geleden had,

Om hulp geroepen uit zijn boot,

Mijn leven had 'k voor hem gewaagd.

BRAND.

Maar zielenood is dat niet waard?

DE MAN.

Wij zwoegen hard, bedenk dat wel.

BRAND.

Keer dan je heele ziel maar af

Van zonneschijn en sterrenglans;

Kijk niet, als nu, met 't linkeroog

Omhoog, terwijl je 't rechter keert

Naar 't slijk, waar met gebogen rug

Je 't juk zelf op je schouders drukt.

DE MAN.

Ik dacht dat u ons raden zou

Ons te bevrijden van het juk.

BRAND.

Ja, als 't maar kon!

DE MAN.

't Staat in uw macht.

BRAND.

Ik zou...?

DE MAN.

Zoovelen spraken al

En toonden vroeger ons den weg;...

Zij wezen, maar u ging dien weg.

BRAND.

Je meent dat...?

DE MAN.

Duizend woorden niet

Zooveel uitwerken als een daad.

Wij komen hier uit naam van 't dorp;...

Wat ons ontbreekt is juist een man.

BRAND (onrustig).

Wat wil je dan...?

DE MAN.

Kom hier bij ons

Als onze leeraar.

BRAND.

Ik?

DE MAN.

U weet

Toch vast wel dat wij zonder zijn?

BRAND.

O ja, 't is waar...

DE MAN.

In vroeger tijd

Was 't dorp hier groot, nu is het klein.

Ellende kwam met misgewas,

Door ziekten stierf èn volk èn vee,

En armoe sloeg er allen neer;

De nood zong iedre ziel in slaap.

Toen werd hier 't eten schaarsch en duur...

En raakten we onzen leeraar kwijt!

BRAND.

Vraag wat je wilt, alleen dit niet!

Een zware plicht rust er op mij.

Voor mij, des levens druk bewegen,

Voor mij, der wereld open ooren.

Wat moet ik hier? Hier tusschen rotsen

Gekerkerd, heeft de stem geen macht.

DE MAN.

Waar 't woord weerkaatst wordt door de rotsen

Klinkt zijn geluid nog langer na.

BRAND.

Wie sluit zich op in donkre groeve

Waar 't wijde land hem lokt en wenkt?

Wie gaat er zand en steen beploegen

Waar vruchtbaar land ligt voor de hand?

Wie wil van pitten vruchten oogsten,

Waar jonge boomen staan vol ooft?

Wie tobt zich af in daaglijksch zwoegen,

Waar 't licht eens Zieners in hem gloort?

DE MAN (schudt het hoofd).

Uw daad begreep ik,... niet uw woord.

BRAND.

Vraag mij niets meer! Aan boord, aan boord! (wil gaan).

DE MAN (treedt hem in den weg).

Is u het werk waarnaar u tracht,

De roeping die daarginds u wacht

Zoo dierbaar dan?

BRAND.

Mijn leven zelf

Is mij dat werk!

DE MAN.

Blijf dan bij ons! (met nadruk).

Gaf je alles ook,... maar niet je leven,

Zoo weet, dan heb je niets gegeven.

BRAND.

Iets is er dat men niet kan schenken;

Dat is zijn innigst eigen zelf.

Men mag den stroom niet binden, leiden,

Niet stuiten 's geestes roepingsdrang,...

Die wil voort, naar de groote zee.

DE MAN.

Al loopt die dood in een moeras,...

Als dauw bereikt hij toch de zee.

BRAND (kijkt hem scherp aan).

Wie leerde je aldus te spreken?

DE MAN.

Dat deed u zelf in 't stormgebulder,

Toen wild de zee sloeg over 't land,

U, storm en zee trotseerend, 't leven

Vertrouwde aan een dunne plank,

Voor 'n arme zondaarsziel in nood.

Toen heeft er meen'ge ziel getrild,

Dan koud, dan warm, als zon en wind;

Toen was 't als wekkend klokgelui...

Misschien is 't alles morgen weg;

Dan halen wij de feestvlag in,

Die u voor ons geheschen heeft.

BRAND.

Waar kracht ontbreekt kan niets ontstaan. (hard).

Wie niet kan wezen wat hij moet,...

Zij dan in ernst maar wat hij kan;

Zij dan geheel man van deze aard'.

DE MAN (kijkt hem een oogenblik aan en zegt:)

Wee u, die weggaand, dooft het licht;

Wee ons, wien even 't licht opging!

(Hij gaat weg; de anderen volgen hem zwijgend).

BRAND (kijkt hen lang na).

Zwijgend, met gebogen nekken,

Gaat de stille troep naar huis.

Zwaar de hoofden, loom de voeten,

Sleepend moe en droef zich voort;

Ieder als belast met droefheid,

Loopt als met een roe bedreigd,

Loopt als aller menschen vader,

Eens verjaagd uit 't Paradijs,...

Loopt, als hij, met schuldig voorhoofd,

Staart, als hij, in duisternis,...

Draagt, als hij, verworven kennis...

Van zijn blindheid het gemis;

Menschen wilde ik, overmoedig,

Scheppen nieuw en heel en rein;...

Dát... een beeld van schuldbewustheid,

Niet van God... heb 'k voortgebracht...

Weg naar wijder horizonnen,

Voor een held is hier geen ruimte!

(hij wil gaan, maar blijft staan als hij Agnes aan het strand ziet

zitten).

Zie haar luisterend daar zitten,

Of zij hoorde harpetonen.

Luistrend zat zij in de boot ook,

Toen die door de branding heensneed,...

Luistrend hield zij vastgeklampt zich,

Luistrend schudde zij het spattend

Zeeschuim van haar reine voorhoofd,

't Is of zij niet met haar ooren

Maar met de oogen zit te luistren. (nadert haar).

Zijn het, meisje, soms de bochten

Van de fjord, die je oogen volgen...?

AGNES (zonder om te kijken)

Noch van 't strand hier, noch van 't water;

Aan mijn oog zijn beide onttrokken.

Maar een grootre wereld zie ik,

Klaarblank tegen 't blauw zich koeplend.

Zeeën zie ik, breede stroomen,

Zonneschijn door nevel scheemrend;

Zie om wolkomfloersde toppen

Purpervlammen spelend lichten;

Zie een eindloos dorre vlakte,...

Hooge palmen buigen wuivend

Groene kruin in scherpe windvlaag,

Werpen donkre schaduw van zich.

Nergens leven... woest verlaten,

Als een wereld, nieuw, in wording;

En 'k hoor woorden luid-op klinken,

Ik hoor stemmen tot mij spreken:

't Geldt je dood of je verlossing;...

Voer het uit wat ik je opdraag:

Deze wereld te doen leven!

BRAND (meegesleept).

Zeg wat zie je méér nog!

AGNES (legt de handen op haar borst).

In mij

Voel ik krachten gistend dringen,

Voel ik bronnen bruisend zwellen,

Zie 'k een nieuwen dag aanbreken.

Als een wijde wereld breidt zich

Uit mijn hart, naar alle kanten,

En 'k hoor stemmen mij bevelen

Déze wereld te doen leven.

Al mijn denken dat zal worden,

Iedre daad die 'k doen zal, leeft er,

Fluistert, ademt, blij ontwakend,

Of het barensuur voorbij was;

En ik voel, méer dan ik zie ginds,

Hem daarboven zich verheffen,

Liefdevol met diepe smart;

Licht en zacht als 't ochtendblozen,

En bedroefd tot in den dood toch;

En 'k hoor woorden luid-op klinken:

Scheppen moet je en zelf herleven;

't Geldt je dood of je verlossing...

Voer het uit, wat ik je opdraag!

BRAND.

Dramatische Werken: De comedie der liefde; Brand; Peer Gynt · 第 7 / 24 段