Na zulk een zege van den wil

Komt dan der liefde heerlijkheid,

Dan daalt zij neer als witte duif

Met een olijftak, levensboô.

Maar hier, bij 't slappe, lakse volk,

Is de allerbeste liefde haat! (verschrikt).

Haat! Haat! Een wereldstrijd te willen

Ligt in dit ééne korte woordje!

(gaat haastig het huis binnen).

AGNES (kijkt door de open deur).

Nu knielt hij bij zijn kleinen vent

En wiegelt 't hoofd als schreide hij;

Hij drukt zich tegen 't bedje aan

Als iemand die geen uitkomst weet...

O, wat een schat van liefde woont

Er in die sterke manneziel!

Alf heeft hij lief, dat màg, want 't kind

Is nog door zonde niet besmet. (ontzet opspringend).

Op springt hij... wringt de handen... O!

Wat ziet hij? Hij is doodlijk bleek!

BRAND (buiten op de trap).

Kwam niemand nog?

AGNES.

Neen, nog geen mensch.

BRAND (kijkt achterom in het huis).

Zijn huid is gloeiend heet en droog;

Zijn slapen kloppen, polsen jagen...!

Niet bang zijn, kind!

AGNES.

O, die gedachten!

BRAND.

Neen, vrees maar niets... (roept over den weg).

Daar zie ik iemand!

EEN MAN (door het tuinhek).

Nu moet u komen!

BRAND.

Daadlijk, ja!

Wat is je boodschap?

DE MAN.

'k Weet niet recht;

Zij zat in bed op, boog voorover

En zei: ga nu den priester halen;

Mijn half bezit is voor de kerk

BRAND (terugwijkend).

De helft maar! Neen! Zeg neen!

DE MAN (hoofdschuddend).

Dan zou

'k Mijn boodschap niet goed overbrengen.

BRAND.

De helft! De helft! 't Moest alles zijn!

DE MAN.

Dat kan wel zijn; maar luid en klaar

Zei zij dat woord. 'k Vergis mij niet.

BRAND (grijpt zijn arm).

Durf je op den Oordeelsdag getuigen

Voor God, dat zij die woorden zei?

DE MAN.

Ja.

BRAND (vast).

Ga, en breng dit antwoord over,...

Geen priester komt, geen sacrament.

DE MAN (kijkt hem onzeker aan).

U heeft mij vast niet goed begrepen,

't Is van uw moeder dat ik kom.

BRAND.

Ik weet van geen tweeledig recht

Voor vreemden of voor eigen volk.

DE MAN.

Dat woord is hard.

BRAND.

Zij weet het wel,

't Was alles offeren of niets.

DE MAN.

O!

BRAND.

Zeg dat 't kleinste klompje goud

Toch evenzeer een afgod blijft.

DE MAN.

Zoo zacht als 'k eenigszins maar kan

Breng 'k haar dit geeslend antwoord over.

Haar blijft tot troost dit ééne dan:

Dat God niet zóó hard is als u! (af).

BRAND.

Ja, deze troost blies vaak genoeg

Zijn pestlucht door de wereld heen.

Met jammerklacht van ach en wee

Snoert men den rechter dan den mond.

Natuurlijk! Zoo behoort het ook!

Men kent hem immers al zoo lang;...

Men weet zoo goed hoe te allen tijd

Den oude zich beknibb'len laat.

(De man heeft buiten op den weg een anderen ontmoet; zij komen

samen terug).

BRAND.

Nieuw bericht?

EERSTE MAN.

Ja.

BRAND.

Wat dan nu?

DE TWEEDE.

't Zou negen tienden dan nu zijn.

BRAND.

Niet alles?

DE TWEEDE.

Neen.

BRAND.

Ik zei het al:

Geen priester en geen sacrament.

DE TWEEDE.

Zij heeft geleden en geboet...

DE EERSTE.

Kom mee, zij is uw moeder toch!

BRAND (knijpt de handen samen).

Ik màg niet met twee maten meten...

Eén maat voor eigen volk en vreemden.

DE TWEEDE.

De zieke lijdt in angst en nood,

Kom, zend haar een verzoenend woord.

BRAND (tegen den eerste).

Ga, zeg de zieke wat 'k gebood:

Voor haar wijd ik noch wijn, noch brood.

(De mannen gaan heen).

AGNES (vlijt zich tegen hem aan).

Soms beef ik voor je levenslot:

Je gloeit als 't vlammend zwaard van God.

BRAND (met tranen in zijn stem).

Staat heel de wereld dan ook niet

Vijandig tegenover mij,

En wondt mijn ziel ten bloede toe

Met al haar koppig, laks verzet?

AGNES.

Zwaar zijn de eischen die je stelt.

BRAND.

Stel, als je durft, er zachtre voor.

AGNES.

Meet met dien maatstaf wien je wilt

En zie of iemand kan voldoen.

BRAND.

Neen, dáárin heb je, eilaas, gelijk.

Zoo dwars, zoo dom, zoo leeg, zoo slecht,

Is 't heele menschdom tegenwoordig.

Vermaakt iemand bij wilsbeschikking

Doch ongenoemd, zijn geld en goed,

Men prijst hem daadlijk hemelhoog.

Neem weg den naam van menig held,

Laat hem alleen wat hij volbracht,

Doe keizers, vorsten 't zelfde aan

En zie wat er dan overblijft.

Laat 'n dichter uit hun kooitje heimlijk

Zijn schoonheidsvogels laten glippen,

Dat niemand denk' dat hij hun gaf

Een stem en gulden veerendos...

Grijp groenen of wel dorren tak:

Opoff'ring vindt men bij geen een.

Door alles heen 't aardslaafsche denken;...

Elk klampt in wilden angst zich vast

Aan 't zwakke rankje van zijn leven.

Begeeft hem dit, waar de afgrond gaapt...

Klauwt hij met nagels zich nog vast.

AGNES.

En zulk een diep gevallen volk

Roep je nog toe; het al of niets!

BRAND.

Wie zege wil, moet daarvoor strijden;

Wie 't diepste viel, moet 't hoogste stijgen...

(zwijgt even; met veranderde stem).

En toch, wanneer ik aan een ziel

Den eisch stel om zich op te heffen,

Is 't mij als of ik op de golven

In stormweer ronddreef op een wrak.

Stil schreiend beet ik heimlijk vaak

Mijn tong stuk, die kastijden moest,...

En hief tot slaan ik soms den arm,

Naar een omhelzing snakt mijn ziel!...

Ga nu eens kijken naar den kleine;

Zing zoete droomen in zijn slaap;

Een kinderziel is klaar en rein

Als 't meer in zomerzonneschijn;

Een moeder kan daarover strijken

Als 'n vogel, die in lichten vlucht,

Zich spiegelt in zijn diepste diep.

AGNES (bleek).

Wat is er, Brand, dat je gedachten

Waarheen ze ook gaan, tot hem doet keeren?

BRAND.

O, niets. Bewaak hem maar zorgvuldig.

AGNES.

Geef mij een antwoord.

BRAND.

Forsch?

AGNES.

Neen, zacht.

BRAND (omarmt haar).

Wie zonder schuld is, die zal leven.

AGNES (kijkt hem helder aan, en zegt:)

Eén ding,... màg God niet van ons eischen!

(gaat het huis in).

BRAND (kijkt stil voor zich uit).

Maar àls hij 't deed? Wat God soms eischt

Leert "Abrams offer" van weleer.

(schudt die gedachte van zich af).

Neen, neen! mijn offer heb 'k gebracht,

'k Deed afstand van mijn levensdroom,

Om als de rommelende donder

De slapers hier op aard' te wekken.

Neen! Daarin lag geen offer meer:

't Viel weg toen over was de droom,

'k Door Agnes werd gewekt--om mét mij

Te werken samen in 't verborgen.

(kijkt uit over den weg).

Wat draalt de zieke ginder lang

Eer zij tot boete-doen besluit,

Dat alle schuld te niet zou doen,

Al 't kwaad uitdelgen van haar ziel!

Wacht!... Neen, het is de baljuw maar,

Welwillend, luchtig, rond, gezond,

De handen in zijn beide zakken,

Als haakjes om een parenthees.

DE BALJUW (door het tuinhek).

Goên dag! Wij zien elkaar niet vaak,

En 'k kom misschien wel ongelegen...

BRAND (wijst op het huis).

Ga binnen.

DE BALJUW.

Dank u; 't gaat hier ook;

En als mijn woord maar ingang vindt,

Dan denk ik stellig dat het ook

Wel voor ons beiden goed zal zijn.

BRAND.

Laat hooren dan.

DE BALJUW.

Uw moeder moet,

Naar ik verneem, haast stervend zijn;...

Dat doet mij leed.

BRAND.

'k Betwijfel 't niet.

DE BALJUW.

Het doet mij zeer véél leed.

BRAND.

Welnu!

DE BALJUW.

Maar zij is oud; en, lieve Heer,

Wij gaan toch allemaal dien weg,

En daar 'k nu juist voorbij hier kwam,

Dacht ik zoo: 'k kon wel even gaan

Om 'n enkel woord met u te spreken.

Om kort te gaan, ik heb vernomen

Dat u met haar, sinds u hier kwam,

Geleefd heeft in oneenigheid...

BRAND.

Oneenigheid?...

DE BALJUW.

Men zegt dat zij

Erg vasthoudt aan haar eigendom.

Dat gaat, vindt u misschien, wat ver.

Men wil toch elk zijn eigen voordeel.

Zij is in 't onverdeeld bezit

Van heel uw vaderlijke erfdeel...

BRAND.

In 't onverdeeld bezit... 't is waar,

DE BALJUW.

Zoo komt het dan allicht tot twist.

En daar ik wel vermoeden kan

Dat u haar einde naadren ziet

Met groote kalmte van gemoed,

Wil 'k hopen dat u zonder wrok

Mij hooren wil, zij dan de tijd ook

Niet erg geschikt.

BRAND.

Nu, of wel later.

Dat komt voor mij op 't zelfde neer.

DE BALJUW.

Nu, dan ter zake, zonder meer.

Zoodra uw moeder dood zal zijn,

En rustig slaapt onder den grond,...

En 't duurt niet lang meer... wordt u rijk...

BRAND.

Rijk, denkt u?

DE BALJUW.

Denk? Neen, 'k weet het zeker.

In alle hoeken heeft zij grond,

Zoo ver 't gewapend oog kan kijken.

Ik zeg u, rijk!

BRAND.

Ook na de scheiding?

DE BALJUW (glimlacht).

Wat zou die hier? Er valt te scheiden

Waar vele erfgenamen zijn:

Maar hier wordt niemands deel bedreigd.

BRAND.

En als nu toch eens iemand kwam

En van haar goed zijn erfdeel vroeg,

En zei: mij komt het rechtens toe?

DE BALJUW.

Dat moest de duivel zelf dan zijn!

Ja, kijk mij nu maar aan... geen mensch

Heeft 'n enkel woord hierin te spreken;

Vertrouw mij maar; 'k ben op de hoogte.

Zoo is 't dus; u wordt welgesteld,

Een rijk man zelfs; in dezen uithoek

Hoeft u dus waarlijk niet te blijven;

Voor u staat open 't heele land.

BRAND.

Zoo. Is eigenlijk dier woorden zin

In 't kort niet dit: trek elders heen?

DE BALJUW.

Zoowat. Dat waar' misschien het beste

Voor iedereen. Als u aandachtig

De menschen gâ slaat, voor wie u

De tolk is van Gods heilig woord,

Moet u toch zien, hoe u hier tusschen

Past als een wolf in een troep ganzen.

Begrijp mij goed! U heeft de gaven

Om nut te stichten in het groot.

Maar voor dit volk van bergbewoners,

Als vastgegroeid tusschen hun rotsen,

Sticht u, dunkt mij meer kwaad dan goed.

BRAND.

Wat wortels voor een boom zijn, is

Voor een man 't geboortedorp;...

Zoo hij dáár niet zijn werkkring vindt,

Is wat hij uitvoert niet veel zaaks.

DE BALJUW.

In de eerste plaats komt 't er op aan

Met 's lands behoefte mee te gaan.

BRAND.

Maar die vertoont zich van de hoogte

Niet zoo, als in 't benauwde dorp.

DE BALJUW.

Dat is taal voor verlichte menschen,

Niet voor de arme dalbewoners.

BRAND.

Och wat, u met dat grensverschil

Van bergen en het lage land!

U wil de rechten van den rijke,

Maar aan zijn plichten u onttrekken;

En denkt, als u maar hardop roept:

Wij zijn maar arm! dan is 't genoeg.

DE BALJUW.

Er is een tijd voor alle dingen,

En elk geslacht heeft eigen plicht.

Ons dorp droeg ook eens bij zijn scherfje

Tot der geschiedenis groote kas.

Dat was, natuurlijk, lang geleden;

Maar zoo héél klein was 't scherfje niet.

Nu is het dorp maar onbeduidend,

Toch leeft zijn roem in sagen voort;

Zijn vroegre grootheidsdagen vallen

In koning Beles' levenstijd;...

Nog hoort men menigmalen noemen

De dappre broeders Wolf en Thor;

Met vele wakkre mannen, die

Naar Bretlands kust heentogen om

Al plundrend af te loopen 't land.

Het Zuiden kreet, verstijfd van schrik,

God, help ons tegen hun geweld!

En die geweldnaars waren toch

Ontwijfelbaar echt, lui van hier.

En hoe zij zich dan konden wreken

Met moord en doodslag, brand en plundring!

Ja, één is er, van wien de sage

Vertelt dat hij ten kruistocht wou;...

Doch dat hij uittoog meldt men niet...

BRAND.

Er stamt voorzeker van dien held

Een heele bende zoons?

DE BALJUW.

Jawel;

Maar hoe weet u...?

BRAND.

O, omdat mij

Die heldentroep bekend voorkomt,

Belofte-helden van het heden,

Die ook zoo'n kruistocht ondernemen.

DE BALJUW.

Ja, dat geslacht is uitgebreid.

Maar bij vorst Beles waren wij!

Eerst dus geraasd in 't vreemde land;

Toen brachten wij aan bloedverwant

En buur, met bijlslagen bezoek.

Het veld vertrapt, de oogst verwoest,

In brand gestoken kerk en huis,

Zoo vlochten we ons een heldenkrans.

Op al het toen vergoten bloed

Werd later wel wat veel gesnoefd.

Maar, na wat ik nu heb gezegd

Geloof ik, met bescheidenheid,

Op onze macht te mogen wijzen

In heldentijden, lang geleden

En zeggen dat ons dorp eertijds

Zijn deel bijdroeg met vuur en zwaard,

Tot der ontwikling worstelstrijd.

BRAND.

Toch lijkt 't mij dat u pleegt verraad

Aan 't woord: dat adeldom verplicht,...

Alsof met egge, hak en ploeg

U Beles' erfgoed stil begraaft.

DE BALJUW.

In geenen deele. Kijk maar eens

Bij een gemeentelijk diné,

Waar ik, de koster en de rechter

Op eereplaatsen mee aanzitten.

Dan zal u zien, als komt de punch-bowl,

Dat Beles nog niet is vergeten.

Met klinken, heildronken, gezang,

In toasten kort en toasten lang,

Gedenkt men hem, laat men hem leven.

Ik zelf heb vaak den drang gevoeld

In mij, om van gedachtenspinsel

Voor hem te weven 'n bloemrijk kleed,

En dat heeft menigeen gesticht.

Ik houd wel van wat poëzie.

Dat doen wij trouwens allemaal

Hier in ons dorp;... doch steeds met mate...

Het leven mag die nooit beheerschen,...

Alleen zoo tusschen acht en tien

Uur 's avonds, als men moe van 't werk,

En vrij weer van de daagsche taak,

Naar wat verheffing wel verlangt.

Wat u van ons verschillen doet

Is dat u ploegen wil en maaien

Terzelfder stond, en met geweld.

U wil, zoo meen ik te begrijpen,

Dat één zijn zal idee en leven,...

U wil, met 't zwoegend land-bebouwen

Den strijd voor God vereenigd zien,

Zóó innig één, als kool, salpeter,

En zwavel zich tot kruit vereent.

BRAND.

Zoo ongeveer.

DE BALJUW.

Maar dat 's onmooglijk.

In wijder kringen gaat dat beter;...

Ga daarheen met uw hooge eischen

En laat ons land en zee beploegen.

BRAND.

Ploeg allereerst in zee maar onder

Uw pralen op den roem der vaad'ren;

Een dwerg wordt er niet grooter door

Of hij al stamt van Goliath.

DE BALJUW.

Er ligt kracht in herinneringen.

BRAND.

Ja... als zij één met 't leven worden,

Maar u gebruikt hun graf alleen

Om eigen traagheid te verstoppen.

DE BALJUW.

Mijn eerste blijft mijn laatste woord;...

U deed het best met heen te gaan.

Hier zal uw arbeid niet gedijen;

Uw levensleer wordt niet begrepen.

Verheffing, die soms noodig zijn kan,

Het beetje troost dat hij behoeft,

Die dag aan dag in arbeid zwoegt,

Zal ik hun voortaan trouw bezorgen.

Gedurende mijn heele loopbaan

Hier, deed ik steeds mijn plicht;

Het volksaantal is ruim verdubbeld,

Ja, het staat haast als drie tot een,...

Terwijl ik meer dan één bedrijf

Aan deze fjord-streek heb verbonden.

In strijd altijd met 't ruw klimaat,

Zijn we als met stoom vooruit gegaan:...

Hier loopt een weg, daar ligt een brug..

BRAND.

Maar tusschen g'loof en leven niet...

DE BALJUW.

Die fjord en gletschersneeuw verbindt.

BRAND.

Maar niet de daad met de idee.

DE BALJUW.

Eerst zorgen voor een goed verkeer,

Dat men elkaar bereiken kan,...

Daarover waren allen 't eens

Eer u, als leeraar, hierheen kwam.

U heeft in ons vaal schemerlicht

Een Noorderlichtschijn hel doen flikk'ren;

Wie kan in 't valsche licht nu zien

Wat er verkeerd is en wat goed,

Wat straf is, en wat boete of smart?

U heeft het àl dooreen gehaspeld;

En 't volk, dat één, moest overwinnen,

Gesplitst in twee vijand'ge kampen.

BRAND.

Toch blijf ik hier, uw wensch ten trots.

Men kiest de plaats niet voor zijn werk.

Hij, die zijn doel voor oogen heeft

Zag eens in vuur'ge letters staan,

Het Godswoord: hier is uwe plaats!

DE BALJUW.

Blijf dan, maar binnen eigen grenzen;

Ik zie u graag de menschen zuivren

Van zonde en kwaad, als voorkomt hier;

God weet dat 't dikwijls noodig is!

Maar maak van iedren arbeidsdag

Geen Zondag,... en vertoon geen vlag

Alsof God zelf was mee aan boord

Op ieder jacht in onze fjord.

BRAND.

Kon 'k mij uw raad ten nutte maken,

Zou ik mijn ziel moeten verzaken.

Maar 't geldt hier juist zich zelf te wezen,

Zijn eigen roeping te volbrengen,

En dat zal 'k doen ten einde toe,

Dat om mijn huis een lichtschijn straal!

Dit volk, dat ingedommeld is

Door uw bestuur, wek ik weer op!

Al lang is hem, door nood en dwang,

Zijn laatste oerkracht afgekweld;

Uit uwer kleinheid hongerkuur

Komt elk te voorschijn mat en slap;

Zijn beste bloed is afgetapt,

Het merg geschraapt hem uit zijn moed;

Aan flarden iedre ziel gescheurd,

Die pal als brons had moeten staan;

Maar nog kan wel een oproerskreet

U in de ooren dondren: strijd!

DE BALJUW.

Strijd?

BRAND.

Strijd!

DE BALJUW.

Als u hen roept te wapen

Zal u als eerste offer vallen!

BRAND.

Eens zal 't wel blijken zonneklaar

Dat nederlaag hier zege was!

DE BALJUW.

Bedenk je, Brand, je staat op 't kruispunt:

Zet alles niet op ééne kaart.

BRAND.

Toch zal ik 't doen!

DE BALJUW.

Wordt 't spel verloren,

Dan is uw leven ook verwoest.

U heeft al wat u kan begeeren,

Is de erve van een rijke moeder,

U heeft een kind om voor te leven,

Een lieve vrouw;... geluk en vreugde

Wordt u met milde hand gereikt!

BRAND.

En als 'k nu toch den rug toekeer

Aan wat u noemt geluk en vreugde?

Als ik nu moet?

DE BALJUW.

't Is al verloren

Als u, in dezen uithoek hier,

Uw wereldstrijd beginnen wil.

Trek zuidwaarts naar de rijke stranden,

Waar 'n man geheel zich zelf kan wezen.

Dáár kan uw licht u laten schijnen

En de gemeente laten bloeden;

Ons offer is geen bloed, maar zweet,

In broodstrijd tusschen rots en ijs.

BRAND.

Hier blijf ik toch. Hier is mijn thuis,

En van mijn thuis uit voer ik strijd.

DE BALJUW.

Denk wat op 't spel staat als het misloopt;...

En allermeest wat u laat varen!

BRAND.

Mijzelf verlies ik, als 'k mocht wijken.

DE BALJUW.

Brand, vruchtloos strijdt een eenzaam strijder.

BRAND.

Mijn troep is sterk; ik heb de besten.

DE BALJUW (glimlacht).

Wel mooglijk, ja... maar ik de meesten. (af).

BRAND (kijkt hem na).

Daar gaat een volbloed volksman, heel

Rechtschapen denkend, heel welwillend,

Op zijn wijs werkzaam, warm en billijk...

En toch een geesel voor zijn land.

Geen aardverschuiving, storm of vloed,

Geen hongersnood, geen vorst of pest,

Bewerkt er half het ongeluk

Als zoo een doet, jaar-in, jaar-uit.

Die rampen deren maar het leven;...

Maar hij...! Hoeveel blijmoedig willen,

Hoeveel gedachten dooft hij uit,

Hoe menig krachtig lied versmoort er

Door zulk benauwd, kleinzielig doen!

Hoe menig glimlach om de lippen,

Hoe menig lichtstraal in een ziel,

Hoeveel verheffings-vreugd en smart,

Heeft hij verstard, gedoofd, gedood!

(plotseling angstig).

Waar blijft de bode!.., komt er niemand?

Ja, de dokter! (snelt hem te gemoet).

Mijn moeder? Spreek!

DE DOKTER.

Nu staat zij eindlijk voor haar rechter.

BRAND.

Dood!... Boetvaardig?

DE DOKTER.

Dat g'loof ik niet;

Zij hing aan 't hare hier op aard'

Totdat het uur van scheiden sloeg.

BRAND (kijkt stil bewogen voor zich uit).

Is hier 'n verdoolde ziel verloren?

DE DOKTER.

Misschien is wel het oordeel zacht,

Niet volgens recht, maar bij genade.

BRAND (zacht).

Wat zei zij nog?

DE DOKTER.

Zij mompelde:

God is zóó hard niet als mijn zoon!

BRAND (zinkt in droefheid neer op de bank).

Met schuld belast, in stervensnood,

Klampt aan die leugen elk zich vast!

(verbergt zijn gezicht in de handen).

DE DOKTER (komt naderbij, kijkt hem aan en schudt het hoofd).

U wil een lang vervlogen tijd

In alles weer herleven doen.

U g'looft nog dat 't aloud verbond

Van God en menschen nog bestaat;...

Maar elk geslacht heeft eigen wijs;

Het ònze vreest niet meer de hel,

Verdoemenis en bakerpraat;...

Het hoofdgebod is: wees humaan!

BRAND (kijkt op).

Humaan! Ja, juist, dat slappe woord

Klinkt door de heele wereld heen!

Daarmee slaat iedre hals je dood

Als hij niet durft, of kan of wil;

Daarmee omhult zich iedre stumper

Als hij niet alles durft te wagen;

Daardoor beschermd verbreekt men thans

Iedre gelofte alras betreurd;...

Gij dwergenzielen maakt ten slot

Van ieder mensch een humanist!

Was jegens Christus God humaan?

Had toen uw God ook geregeerd

Waar' Jezus niet aan 't kruis genageld....

En heel 't verzoeningswerk werd dan

Een handig diplomatenstukje!

(verbergt het hoofd en zit neer in stomme smart).

DE DOKTER (zacht).

Raas uit, raas uit, o ziel in opstand;...

Het beste waar' dat je kon schreien.

AGNES (is op de trap verschenen, bleek en angstig, fluistert zij

tegen den dokter).

Och toe! Kom mee!

DE DOKTER.

Je maakt mij angstig,

Wat is er kind?

AGNES.

Een koude doodsangst

Sloeg mij zoo even om het hart...!

DE DOKTER.

Wat is er?

AGNES (trekt hem mee).

Kom!... het kind, o God!

(zij gaan het huis in; Brand bemerkt het niet).

BRAND (stil in zich zelf).

Dood, onverzoend. Dood, als zij leefde.

Is dat geen vingerwijzing Gods?

Van mij wil hij den tol nu heffen,

Dien zij verzuimd heeft te betalen;...

Nu driewerf wee mij, als ik wijk! (staat op).

Onwankelbaar van nu af aan,

Als uitverkoren strijder kampen,

Dat geest verwinnen moog' het vleesch.

God gaf mijn tong de kracht van 't woord,

Ontstak zijn toorngloed in mijn ziel;...

Nu sta ik in mijn volle macht,

Nu durf, nu kan ik rotsen breken!

DE DOKTER (gevolgd door Agnes, komt snel de trappen af en roept).

Ruim op je boel en trek er uit!

BRAND.

Al beefde de aard' toch bleef ik hier!

DE DOKTER.

Dan is je kind ten dood gedoemd.

BRAND (ontzet).

Alf! 't Kind! Mijn Alf! Wat meent u toch?

Welk spook bedreigt mijn kind! (wil het huis in).

DE DOKTER.

Neen, blijf!...

Hier is geen licht, hier is geen zon,

De lucht is scherp als Noordpoolwind,...

Hier hangt een nevel klam en zwaar;...

Eén winter nog op deze plek

En 't teere leven is verwelkt.

Vertrek, dan is uw kind gered;

Maar doe het gauw, liefst morgen al.

BRAND.

Van daag, van avond nog, terstond!

O, hij wordt sterk weer en gezond;...

Geen gletschersneeuw, geen scherpe wind,

Zal meer zijn borstje kwellen hier.

Kom, Agnes, neem hem zachtjes op!

Dan vluchten wij in aller ijl!

O, Agnes, 't is de dood die spint

Zijn valen sluier om ons kind!

AGNES.

Wel vreesde en beefde ik voor gevaar,...

Toch waande ik het niet zoo nabij.

BRAND (tegen den dokter).

Vlucht kan hem redden? Dat bezweert u?

DE DOKTER.

Een leven dat door vaderliefde

Wordt welbewaakt, loopt geen gevaar.

Wijd u aan hem, en vrees maar niet,

Dra wordt hij weer gezond en frisch.

BRAND.

Dank! Dank! (tegen Agnes).

Pak hem vooral goed in;

De avondwind waait langs de fjord.

(Agnes gaat het huis in).

DE DOKTER (neemt Brand zwijgend op, die onbewegelijk door de deur naar

binnen kijkt, gaat dan naar hem toe, legt de hand op zijn schouder,

en zegt:)

Voor 't arme menschdom onbarmhartig,

En voor zichzelf zoo heel teerhartig!

Voor andren geldt niet veel of weinig,...

Alleen het alles dan, of niets;

Maar eigen moed is ras geweken,

Zoodra het lot als offerlam

Zijn eigen schat heeft aangewezen.

BRAND.

Wat wil u zeggen?

DE DOKTER.

Harde woorden

Heeft u uw moeder toegebulderd,

Verdoemd, als alles zij niet gaf,

Als naakt zij niet daalde af in 't graf.

En 't zelfde woord klonk menigmaal

Waar veel en diep geleden werd!

Nú drijft uw eigen boot in storm

Op noodlotsgolven rond in zee,

Nu werpt van de omgeslagen kiel

U snel den schuldbrief over boord,...

Weg, over boord, het zware boek,

Waarmee u zelf de broeders sloeg;

Nu is de zaak, in stijve bries

Te zoeken heil voor eigen telg.

Snel weg van hier, van storm en fjord,...

Snel weg zelfs van uw moeders lijk,...

Snel weg van zielezorg en werk;...

Nu staakt de priester zijn bedrijf!...

BRAND (grijpt in vertwijfling naar zijn hoofd om zijn gedachten

te verzamelen).

Ben ik nù blind? Wàs ik het eerst?

DE DOKTER.

U doet als vader stellig goed.

Denk niet dat 'k afkeur wat u doet;...

Voor mij is u, gebroken nu,

Veel grooter dan de sterke held...

Vaarwel! Ik hield u vóór den spiegel;

Kijk er eens in, en zucht: mijn God,

Zoo ziet een Godsgetuige er uit! (af).

BRAND (staart een oogenblik voor zich uit, barst dan plotseling uit).

Waar tastte ik mis? Nu, of te voren?!

(Agnes komt de deur uit met een mantel om de schouders en het kind

op haar arm; Brand ziet haar niet. Zij wil spreken maar blijft als

verlamd van schrik staan, als zij de uitdrukking van zijn gezicht

ziet. Op hetzelfde oogenblik komt er een man haastig door het tuinhek

binnen. De zon gaat onder).

DE MAN.

Brand, hoor, u heeft een vijand hier!

BRAND (drukt de handen op zijn borst).

Ja, hier!

DE MAN.

Wees voor den Baljuw op uw hoede.

Al vruchtbaar werd uw werken hier,

Tot hij 't vergiftigde met praatjes!

Al dikwijls heeft hij uitgestrooid

Dat gauw uw huis wel leeg zou staan,...

Zei dat u ons zou gaan verlaten,

Zoodra uw rijke moeder stierf.

BRAND.

En als 't zoo was?

DE MAN.

Ik ken u immers

En weet waarom hij dat vertelt;

U staat toch tegenover hem,

Heeft voor zijn wil nog nooit gebogen...

Dàt is de reden van zijn wrok...

BRAND (weifelend).

Misschien dat hij de waarheid zei.

DE MAN.

Dan heeft dus u ons steeds belogen?...

BRAND.

Ik?

DE MAN.

Ja. Heeft u ons niet gezegd

Dat God zelf u verkoren had

Om hier te wonen onder ons;

Dat u uw strijd hier voeren zou,

Dat niemand mag zijn taak verzaken,

Dat hij moet staan, maar nimmer wijken?

Die taak is de uwe! Warm en licht

Gloort al uw vuur in menig borst.

BRAND.

Neen, 't oor der menigte is doof;

Haast ieders ziel is dof en loom!

DE MAN.

U weet wel beter;... 't hemelsch licht

Breekt hier in meen'ge ziel al door.

BRAND.

Maar in de meesten is 't nog nacht.

DE MAN.

U is als 't licht dat schijnt bij nacht.

Doch laat het wezen zoo het wil;

Het komt hier niet op tellen aan;

Want hier sta ik, een eenig man,

En zeg: ga heen dan als u kan!

Mijn ziel is vol, al weet ik weinig

Van alles wat staat in de boeken,

U heeft uit 't niet mij opgeheven,...

Zie of u nu mij los mag laten!

U kan het niet; ik houd u vast;

'k Verloor mijn ziel, gaf 'k prijs mijn greep!...

Vaarwel! 'k Verwacht getroost 't bericht!

Noch u, noch uw God laat mij los! (af).

AGNES (schuchter).

Je wang is wit, je mond is bleek,

Alsof je pijn hadt in je ziel.

BRAND.

Elk klinkend woord dat 'k eertijds sprak

Slaat als een echo nu terug.

AGNES (komt een stap nader).

Ik ben bereid.

BRAND.

Bereid? Waartoe?

AGNES (met kracht).

Tot wat een moeder mag en wil!

Dramatische Werken: De comedie der liefde; Brand; Peer Gynt · 第 9 / 24 段