Ik dacht wel allerminst dat uit theewasem

Zulk bloedig fantazeeren kon ontstaan;

Maar voor jou is het wel geringe kunst

Waar geest ontbreekt, toch geesten te zien rijzen.

VALK (geroerd).

Neen, lach niet, Zwaanhild; 'k hoor wel dat je spot

Met tranen in je stem,... o 'k zie het wel.

En meer nog zie 'k;... wordt jij vertrapt in 't stof,

Gekneed als klei je eigen vrije wezen,

Dan zal er menig knoeier weldra komen

Met 't modelleermes, plomp en dom en ruw.

Gods scheppingswerk zullen zij naäpen

Om naar hun eigen beeld je te herscheppen,

Veranderd, aangedikt, verkleind, onkenbaar.

En als men je dan zoo ten toon kan stellen

Dan juublen zij: "Kijk nu is zij normaal!

Kijk die plastieke rust, als marmer koel!

Bestraald door 't licht van lampen en van kronen

Is zij als voor salon-décor geschapen!"

(grijpt hartstochtelijk haar hand).

Maar moet je sterven dan, leef dan eerst nog!

Wees eerst de mijne vrij in Gods natuur;

Nog vroeg genoeg kom je in vergulde kooi;

Daar tiert de dame, maar de vrouw moet kwijnen,

En die alleen heb 'k lief. Een ander mag

Je dan ééns binnen leiden in zijn huis;

Maar hier, hier is mijn lente opgebloeid,...

Mijn eerste lied ontsproot hier uit mijn ziel.

Hier kreeg ik vleugels;... hier, als jij mij bijstaat,

Dat weet ik, Zwaanhild,... hier, hier word ik dichter!

ZWAANHILDE.

(zacht verwijtend terwijl zij haar hand terugtrekt).

O waarom zeg je mij dat alles nu?

Het was zoo mooi elkaar vrij te ontmoeten.

Is 't dan zoo noodig het geluk te steunen

Met woorden van belofte, dat 't niet breekt!

Je hebt gesproken en nu is 't voorbij.

VALK.

Neen, 'k wees je op een doel, spring er nu over.

Mijn trotsche Zwaanhild,... als je 't waagt te springen.

Wees dapper, als je moed hebt vrij te zijn!

ZWAANHILDE.

Om vrij te zijn?

VALK.

Ja, dat is ware vrijheid

Te doen waartoe ons innigst zijn ons drijft;

En 'k weet dat jij door God bent aangewezen

Tot wering van mijn schoonheids-zondenval.

Ik moet, gelijk mijn naamgenoot de vogel,

Kop in den wind de lucht in, zal ik stijgen.

Jij bent de zefier waar 'k mij op laat wiegen,

Met jou eerst krijg ik draagkracht in mijn wieken.

O wees van mij, eer nog je krijgt de wereld,...

En valt het loof, dan scheiden onze wegen.

Zing mij je zieleschatten in mijn ziel,

En zang voor zang geef 'k rijkelijk je weer...

Dan kan je onder worden, rustig, stil,

Als blaren welken, zonder smart of klacht.

ZWAANHILDE (met onderdrukte bitterheid).

'k Kan je niet danken voor je goeden wil,

Hoewel die duidlijk je gezindheid toont.

Want je beschouwt mij als een kind den wilg

Dien het tot ééndagsfluitje kalm versnijdt.

VALK.

Nu, dat 's toch beter dan in 't water staan

Totdat de herfst in grauwe mist hem hult. (heftig).

Je moet! Je zult! Ja meer, het is je plicht

Om mij te schenken, wat zoo rijk je ontving.

Wat jij daar droomt dat wordt in mij tot lied!

Ziedaar den vogel, dien ik doodde... dom...

Die was voor jou een bron van zanggenot...

O weiger 't niet; zing ook voor mij als hij...

Mijn leven wordt voor jou tot één gedicht!

ZWAANHILDE.

En als je mij dan kent en ik ben leeg,

Als ik mijn laatste liedje heb gezongen...

Wat dan?

VALK (bekijkt haar).

Wat dan? Denk dan aan wat hij deed. (wijst in den tuin).

ZWAANHILDE (zachtjes).

O ja, ik weet 't, je kunt met steenen gooien.

VALK (lacht spottend).

Ziedaar die vrijheidsziel waar je mee praalt,...

Die 't àl zou wagen, voor een zichtbaar doel! (met kracht).

Ik wees je 't doel; geef nu een antwoord dat

Voor altijd mij voldoet.

ZWAANHILDE.

Dat weet je al:

Op dien weg kan ik je nooit nader komen.

VALK (koud-afbrekend).

Nou dan is 't uit; blijf dan maar in je wereld.

ZWAANHILDE (heeft zich zwijgend van hem afgewend. Zij legt de handen

op de balustrade en laat haar hoofd daarop rusten).

VALK (loopt eenige malen heen en weer, steekt een sigaar op, blijft

dicht bij haar staan en zegt na een pauze):

Je vindt het zeker hoogst belachelijk

Wat ik van avond je al zoo heb verteld? (houdt op, op antwoord

wachtend, Zwaanhilde zwijgt).

Ik ben te ver gegaan, dat zie ik wel;

Je voelt alleen als zuster of als dochter;...

'k Zal spreken met handschoenen aan voortaan

Dan zullen wij elkander 't best verstaan... (wacht even; maar daar

Zwaanhilde onbewegelijk blijft staan, keert hij om en gaat naar

rechts).

ZWAANHILDE (heft het hoofd op, na eenig stilzwijgen, kijkt hem strak

aan en komt nader bij hem).

Nu wil ik nog een ernstig woord je zeggen

Tot dank omdat je mij hebt willen redden.

Je hebt een beeld gebruikt dat mij op eenmaal

Je "hemelstijging" juist begrijpen deed.

Ik zag je als een valk, die op moet stijgen

Kop in den wind; zal hij de hoogte in.

Ik was de zefier die je opwaarts droeg,...

En zonder mij was machteloos je streven...

Hoe jammerlijk! Hoe niet-te-zeggen klein!...

Belachlijk zelfs, zooals je zelf besefte.

Toch viel je beeld niet op een dorren grond;

Want voor mijn oog ontstond daaruit een ander,

Dat niet, als 't eerste hinkt en kreupel gaat.

Ik zag je, niet als valk, maar als een vlieger,

Als dichtervlieger, van papier gemaakt,

Welks eigen ik een bijzaak is en blijft,

Terwijl het opzettouw de hoofdzaak is.

Het breede voorvlak was beschreven, dicht,

Met toekomstwissels op poëtisch goud;

En iedre wiek een bundel epigrammen,

Die flapten in den wind, maar niemand raakten;

De lange staart was een modern gedicht

Dat fouten geeslen wou van onzen tijd,

Maar dat alleen kon zachtjes fluistren even

Van d'een of ander die zijn plicht verzaakt.

Zoo lag je machtloos voor mij, en je vroeg:

"Och zet mij op in 't westen of in 't oosten!

Och, drijf mij met mijn liedjes in de lucht,

Al moet het je ook moeders boosheid kosten!"

VALK (knijpt de handen samen in hevige gemoedsbeweging).

Bij God, dat 's alles waar...!

ZWAANHILDE.

Neen, dank je wel,

Ik ben te groot voor dat soort kinderspel;

Maar jij, geboren voor hoog geestlijk werk,...

Jij,... bent tevree met vliegen naar de wolken,

En bindt je dichterleven aan een draad,

Die ik, wanneer ik wil, kan laten glippen.

VALK (snel).

Hoeveelste is 't vandaag?"

ZWAANHILDE (zachter).

Kijk, dat is mooi;

Laat deze dag een datum voor je wezen;

Vertrouw voortaan op eigen vleugelslag,

En laat het dan maar buigen of wel barsten.

Papieren liedren hooren in de map,

De levende zijn eigendom van 't leven;

En die alleen zijn gangbaar op de hoogten.

Zoo kies dan welke van de twee je wilt. (dichter bij hem).

Nu deed ik wat daar straks je van me vroeg:

Ik zong mijn laatste lied uit volle borst;

En 't was mijn éénige; nu ben ik leeg;

Als je nu wilt, gooi mij dan met een steen!

(Zij gaat het huis binnen; Valk blijft onbewegelijk staan; en kijkt

haar na; ver weg op het water ziet men een boot; daaruit klinkt van

verre en gedempt het volgende:)

KOOR.

De zeilen geheschen, in glijdend gewiegel

Als arend gezweefd over wereldzeespiegel;

En achter ons blijven der stormvogels scharen.

Verstand is maar ballast... overboord dat terstond!

Misschien raakt er straks wel mijn bootje aan den grond,

Maar het is toch zoo heerlijk te varen!

VALK (verstrooid... ontwaakt uit zijn gedachten).

Gezang? O ja,... 't is zeker Lind's kwartet.

(tegen Goudstad, die naar buiten komt met een lichte overjas over

den arm).

Zoo, mijnheer Goudstad,... sluipt u zoo stil weg?

GOUDSTAD.

Ja. Laat mij even eerst mijn jas aantrekken;

Wij niet-poëten houden niet van tocht;

Wij krijgen 't van de avondlucht te pakken.

Goênacht!

VALK.

Och, vóór u gaat een enkel woord!

Wijs mij iets om te doen, maar liefst iets groots...!

Dat ingrijpt...!

GOUDSTAD (met spottenden nadruk).

... Wel, doe maar een greep in 't leven

Dan zal u zien, grijpt u het leven wel.

VALK (ziet hem peinzend aan en zegt langzaam).

Daar is in 't kort 't programma dus gegeven. (levendig)

Nu ben ik wakker van mijn leeg gedroom,

Nu heb ik 's levens dobbelsteen geworpen,

En u zal zien... de duivel haal mij...

GOUDSTAD.

Hei!

Vloek niet; daarmee verjaagt u nog geen vlieg.

VALK.

Neen, woorden niet, maar daden, enkel daden!

Ik keer des Scheppers werkplan nu eens om;...

Zes lange dagen deed ik niets dan gapen;

Mijn wereldbouwwerk ligt nog ongebouwd;...

Maar morgen, Zondag--dan zal ik gaan scheppen!

GOUDSTAD (lachend).

Ja, laat eens zien hoe flink u aanpakt dan;

Maar ga nu eerst wat slapen; goeden nacht!

(af naar links. Zwaanhilde wordt zichtbaar in de kamer boven de

veranda; zij sluit het raam en laat het gordijn zakken).

VALK.

Neen, daden nu! Te lang heb 'k al geslapen. (kijkt op naar Zwaanhilde's

raam en barst als door groote aandoening bevangen uit).

Goênacht! Goênacht! Slaap zacht en droom van nacht;

En morgen, Zwaanhild, zijn wij twee verloofden. (gaat snel weg naar

rechts; van het water klinkt het weer):

KOOR.

Misschien raakt mijn bootje straks wel aan den grond,

Maar het is toch zoo heerlijk te varen!

(De boot glijdt langzaam verder, terwijl het scherm valt).

EINDE VAN HET EERSTE BEDRIJF.

TWEEDE BEDRIJF.

Zondag namiddag. Mooi aangekleede dames en heeren drinken koffie op

de veranda. Door de open glazen deuren ziet men verscheidene gasten

binnen in de tuinkamer; daaruit klinkt het volgende:

KOOR.

Welkom, verloofden, op dezen dag!

Openlijk moogt gij verliefd nu wezen,

Elkander omhelzen, slag op slag,

Kussen zooveel gij maar wilt... het mag!...

Geen luistervink hoeft gij te vreezen.

Nu kunt gij dwepen naar hartelust,

Overal samen, buiten en binnen.

Nu moogt ge uw liefde kweeken gerust,

Koestrend ze laten groeien in rust;

Toon nu eens hoe gij kunt minnen!

JUFFR. EKSTER (in de kamer).

Neen, dat je daar niets van gezegd hebt, Lind;

Wat had ik je geplaagd!

EEN DAME (ook daar).

Hè ja, 't is vreeslijk!

EEN ANDERE DAME (in de deur).

Schreef hij je, Anna?

EEN TANTE.

Neen!

JUFFR. EKSTER.

De mijne schreef.

EEN DAME (op de veranda).

Anna, hoe lang is het wel stil geweest? (loopt de kamer in).

JUFFR. EKSTER.

Nu moet je morgen op een ring uitgaan.

VERSCHEIDENE DAMES (bedrijvig).

Wij zullen hem de maat nemen!

JUFFR. EKSTER.

Welneen,

Dat doet zij zelf.

MEVR. STROOMAN (op de veranda tegen een dame met een handwerkje).

Naait u met 'n achtersteek?

DE HUISHOUDSTER (in de deur met een blaadje).

Een kopje koffie nog?

EEN DAME.

Heel graag, een halfje.

JUFFR. EKSTER.

Hoe heerlijk dat je juist je nieuwen mantel

Zult hebben als je gaat visites doen.

EEN OUDERE DAME (in de kamer bij het raam).

En wanneer gaan aan 't uitzet wij beginnen?

MEVR. STROOMAN.

Wat kost de postelein nu tegenwoordig?

EEN HEER (tegen eenige dames op de veranda).

Kijk eens naar mijnheer Lind, met Anna's handschoen.

EENIGE DAMES (met hooge stemmen).

Zoo waar, hij kuste hem!

ANDERE DAMES (evenzoo opspringend).

Wat! is het waar?

LIND (vertoont zich rood en verlegen in de deur).

Och, mallepraat! (verwijdert zich).

JUFFR. EKSTER.

Ja zeker, 'k zag het net!

STUIVER (in de deur, met een kop koffie in de eene hand en een beschuit

in de andere).

Neen, men moet niet de feiten zoo verdraaien,

Ik attesteer dat men zich hier vergist.

JUFFR. EKSTER (binnen zonder dat men haar ziet).

Kom Anna, ga eens voor den spiegel staan!

EENIGE DAMES (roepen).

Kom ook hier, Lind!

JUFFR. EKSTER.

Rug tegen rug! Wat dichterbij!

DE DAMES OP DE VERANDA.

Laat ons eens zien hoeveel hij grooter is.

(Allen loopen de kamer in; lachen en luid gepraat hoort men een

poos daarbinnen).

VALK (die gedurende het voorgaande in den tuin heeft rondgeloopen,

komt nu naar voren, blijft staan en kijkt naar binnen, totdat het

leven een beetje bedaard is).

Daar slachten zij der liefde poëzie...

De slager, die een koe slacht, zoo onhandig

Dat zij onnoodig pijn lijdt in het sterven,

Dien sluit men op, een dag of tien; maar hier...

Die heele reeks van beulen komt weer vrij. (balt de vuisten).

Ik zou ze kunnen... stil, geen holle woorden;

'k Wil hand'len van af heden, heb 'k gezworen.

LIND (komt gejaagd en voorzichtig uit de deur).

Godlof, nu hebben zij het over modes;

Nu kan 'k eens weg...

VALK.

Wel, krijg je 't al te warm

Daarginder? Goede wenschen hebben wel

Als muggen je omzwermd den heelen dag hier.

LIND.

Zij meenen het zoo goed, och, allemaal;

Maar met wat minder kon ik 't ook wel doen.

Hun interest is wel wat heel vermoeiend;

Een oogenblikje rust zal mij verkwikken. (wil naar rechts af).

VALK.

Waar ga je heen?

LIND.

In 't tuinhuis had 'k gedacht.

Klop maar als je de deur gesloten vindt.

VALK.

Maar Anna, wil je die niet bij je hebben?

LIND.

Neen... is er iets dan zendt zij wel een boodschap.

Wij praatten gistren tot nà middernacht;

En hebben wel 't gewichtigste besproken;

En dan ook, dunkt mij, is het wel het beste

Wat spaarzaam om te gaan met je geluk.

VALK.

Je hebt gelijk; je moet niet te veel nemen

Voor alledaagsch gebruik...

LIND.

Stil, laat mij gaan.

Nu ga ik eens een lekker pijpje rooken;

Dat heb ik in geen drie dagen gedaan.

Mijn bloed was zoo onstuimig in beweging;

Ik was zoo bang dat zij mij weigren zou...

VALK.

Ja, jij hebt wel een opfrisschingje noodig.

LIND.

En 't pijpje zal mij smaken, dat is vast. (af naar

rechts. Juffr. Ekster en eenige andere dames komen uit de tuinkamer).

JUFFR. EKSTER (tegen Valk).

Was hij dat die daar ging?

VALK.

Dat was het wild, ja.

EENIGE DAMES.

Zoo weg te loopen!

ANDERE DAMES.

Hè, dat 's schande, foei!

VALK.

Hij 's nog wat schuw, maar wordt wel gauw heel tam,

Als hij een week lang draagt het uithangbord.

JUFFR. EKSTER.

Waar zit hij toch?

VALK.

Hij zit nu op den zolder

Van 't tuinhuis, waar wij allebei logeeren. (smeekend).

Och, u moet hem eens even laten blazen;

Jaag hem niet daar van daan!

JUFFR. EKSTER.

Nu goed, maar lang mag

De rust niet duren.

VALK.

Geef hem een kwartier...

Dan kan u 't spel van nieuw af weer beginnen.

Nu wil een preek hij schrijven in het Engelsch.

JUFFR. EKSTER.

In 't Engelsch...?

DE DAMES.

Och, u steekt de gek met ons!

VALK.

In vollen ernst. Want hij is vast besloten

Een mogelijk beroep bij de emigranten

Te volgen...

JUFFR. EKSTER (verschrikt).

Wat? Heeft hij die gekke grillen

Nog niet vergeten? (tegen de dames) Roep toch al de tantes!

Haal Anna en haar moeder, Strooman ook!

EENIGE DAMES (in beroering).

Dat moet verhinderd worden!

ANDERE DAMES.

Wij doen mee!

JUFFR. EKSTER.

Daar zijn ze al, goddank! (tegen Anna die uit de tuinkamer komt met

den dominee, zijn vrouw en kinderen, Stuiver, Goudstad, mevr. Halm

en de overige gasten).

Weet je wat Lind

Vast heeft besloten, in zijn hart, geheim?

Als dominee...

ANNA.

Naar 't buitenland te gaan.

MEVR. HALM.

En jij hebt hem beloofd...!

ANNA.

Om mee te gaan.

JUFFR. EKSTER (verontwaardigd).

Dus heeft hij je bepraat!

DE DAMES (slaan de handen in elkaar).

Hè... hoe geslepen!

VALK.

Maar als nu drang daartoe hij voelt...

JUFFR. EKSTER.

Nou ja

Dien volgt men als men vrij en niet verloofd is;

Maar een aanstaande volgt alleen zijn bruid...

Neen Anna-lief, bedenk je maar bijtijds nog;

Jij, die van kind af in een groote stad...?

VALK.

Voor een idee te lijden is toch mooi!

JUFFR. EKSTER.

Voor de idee van zijn aanstaande lijden?

Zoo iets is, dunkt mij, toch al heel curieus. (tegen de dames).

Komt allemaal nu! (zij neemt Anna bij den arm).

Wacht, nu moet je hooren;...

En dan zeg jij hem wat hij nu te doen heeft.

(zij gaan naar den achtergrond en rechts af, druk samen pratend, met

verscheidene dames; de andere gasten verspreiden zich in verschillende

groepjes door den tuin. Valk houdt Strooman staande, wiens vrouw en

kinderen steeds in zijn nabijheid zijn. Goudstad loopt op en neer

onder het volgende gesprek).

VALK.

Help u den jongen strijder, dominee,

Vóór Anna opgezet wordt tegen hem.

STROOMAN (plechtig).

Jawel, de vrouw moet onderdanig wezen... (bedenkelijk).

Maar als ik hem van middag goed verstaan heb,

Rust dat beroep maar op een lossen grond,

En 't offer dat gebracht wordt is onzeker...

VALK.

O neen, ik zie dat u 't verkeerd beschouwt,

Ik durf er voor instaan met mijzelf

Dat groot en eerlijk hij zijn roeping voelt...

STROOMAN (levendiger).

Ja,... kan hij reeknen op een vaste som,

Een jaargeld,... ja, dan is 't een andre zaak.

VALK (ongeduldig).

U zet vóórop, wat voor mij 't laatste komt;

Ik spreek van roeping, drang... niet van salaris!

STROOMAN (met een gevoelvol lachje).

Maar zonder dat kan niemand preeken in

Amerika, Europa of in Azië,...

Of waar dan ook. Ja, was hij nu nog vrij,

Mijn waarde jonge vriend,... als hij alleen was,

Nog jonggezel,... ja dan, dan ging het wel;

Maar Lind, die pas verloofd is,... neen voor hém

Is zulk een werkkring toch wel niet verkieslijk.

Denk maar eens na; hij is een krachtig man,

En mettertijd krijgt hij wel een gezin;...

Ik onderstel bij hem veel goeden wil;...

Maar "middelen", niet waar...? "Bouw niet op zand"

Zoo staat geschreven. 't Ware wel wat anders,

Als 't offer nu...

VALK.

Ja, dat zal niet gering zijn,

Dat weet ik wel.

STROOMAN.

Ja, kijk... dat is 't voornaamste!

Als 't offer dat vrijwillig men wil brengen,

Vrijgevig ook...

VALK.

Zijn goede wil is groot.

STROOMAN.

Zijn wil? Hoe moet ik dat begrijpen, zeg?

Men legt het toch voor hem op 't altaar neer.

Niet hij moet 't brengen...

MEVR. STROOMAN (kijkt naar den achtergrond).

Daar zijn zij terug.

VALK (staart hem een oogenblik verbaasd aan, begrijpt dan plotseling

en barst in lachen uit).

Ach zoo, dát offer... ja!... dat wat zij u

Op feestdag brengen... ritslend bankpapier!

STROOMAN.

Als men een jaar lang in 't gareel moet tobben,

Wordt dat door Kerst en Pinksterfeest vergoed.

VALK (vroolijk).

En "roeping" voel je,... als 't genoeg betaalt,...

Zelfs als je een domme, luie kaffer bent!

STROOMAN.

Natuurlijk; is men zeker van zijn geld

Dan mag men zelfs als Zoeloe-zendling gaan. (gedempt).

Nu hoop ik haar met zachtheid wel te winnen. (tegen een van de kleine

meisjes).

Mijn lieve kind, och haal mijn kop eens even,

Mijn pijpekop bedoel ik, vat je wel... (voelt in zijn jaszak).

Neen, wacht een oogenblik;... ik heb hem bij mij.

(stopt voortgaande zijn pijp, gevolgd door vrouw en kinderen).

GOUDSTAD (komt naderbij).

U speelt zoowat voor slang in 't Paradijs

Der liefde hier... of 'k moet mij zeer vergissen?

VALK.

De boom der kennis draagt zoo wrange vruchten,

Die lokken niemand... (tegen Lind die van rechts komt).

Zoo, ben jij daar al?

LIND.

Maar goede hemel, wat ziet het er uit

Daar boven, zeg: de lamp ligt er in stukken,

't Gordijn omlaag gerukt, je pen gebroken,

En heel de kachelplaat met inkt begoten...

VALK (klopt hem op den schouder).

Ik maakte daar een eind aan d' ouden tijd;

Al veel te lang zat 'k achter de gordijnen

En dichtte op papier bij 't licht der lamp;

Nu is het uit met kamerpoëzie;...

Ik wandel in God's zonneschijn nu liever;...

Mijn lente kwam, met haar mijn zielsvernieuwing;

En voortaan dicht ik enkel nog in daden.

LIND.

Ja, dicht voor mijn part hoe je wilt, maar denk

Daarom niet dat mevrouw hier is gediend

Met het verlies... vooral van haar gordijnen.

VALK.

Wat! Zij die alles offert aan haar gasten,

Zelfs zusterskindren, dochters... zou dan zij

Een zuur gezicht voor zoo'n gering iets zetten!

LIND (boos).

Het is onhebbelijk zoo iets te doen,

En voor ons beiden zeer comprometteerend!

Doch maak dat met haar uit. Maar 't lampje was

Mijn eigendom, met alles wat er bij hoort...

VALK.

Och kom,... daarover voel ik niets geen wroeging;

Je hebt Gods zomer met zijn helder licht,...

Waartoe dient dan een lamp?

LIND.

Jij bent een mooie,

Vergeet hoe kort de zomer nog maar is.

Wil ik met Kerstmis gaan voor mijn examen

Dan moet ik waarlijk woekren met mijn tijd.

VALK (met groote oogen).

Denk je aan de toekomst?

LIND.

Ja, dat doe ik net;

Mij dunkt toch zoo'n examen is geen grap...

VALK.

En gistren avond! Toen je alleen maar leefde,

Van 't heden dronken had je geen verlangen,...

Zelfs niet een middelmatig "haud" trok je aan;...

Je ving den mooien vogel van 't geluk;

Je voelde je, alsof daar aan je voeten

Lag uitgespreid der heele wereld rijkdom...

LIND.

Dat zei ik, ja; maar zoo iets neemt men toch

Natuurlijk op cum grano salis...

VALK.

Zóó!

LIND.

Den vóórmiddag wil 'k aan 't geluk besteden.

Dat heb ik vast besloten.

VALK.

Dat 's gedurfd!

LIND.

Wel zijn er veel visites nog te doen,

Daarmee zal heel wat tijd verloren worden.

Maar nòg meer vrijen tijd er af te nemen,

Dat moet ik mij toch tot mijn spijt ontzeggen.

VALK.

En jij die weinig dagen nog geleden

De wijde wereld in wou met gezang.

LIND.

Ja, maar ik zag dat nam mij te veel tijd;

Die veertien dagen kan ik niet meer missen.

VALK.

Neen, om een andre reden bleef je thuis;

Je zei iets, dat beneden in het dal

Ook berglucht woei en dat er vogels kweelden.

LIND.

Ja zeker,... hier de lucht is zeer gezond;

Men kan daarvan genieten, ook al zit men

Geregeld te studeeren met zijn boek.

VALK.

Maar met het boek had je immers afgedaan,

Als Jakobsladder...

LIND.

Hè, wat ben je lastig;

Dat zegt men zoo, als men vrij en alleen is...

VALK (ziet hem aan en slaat de handen ineen in stomme verbazing).

Ook gij dus, Brutus!

LIND (een beetje verlegen en kregel).

Maar bedenk dan toch

Dat ik nu andre plichten heb dan jij;

Ik heb mijn meisje nu. Kijk eens naar de andre

Verloofden, menschen zelfs met lange ervaring,

Op wie je hoop ik toch niets af zult dingen,

Zij zeggen allen, zullen twee te zamen

Door 't leven gaan, dan...

VALK.

Spaar mij je verklaring.

Wie gaf je die?

LIND.

Och... wel, bijvoorbeeld Stuiver,

En dat is toch een man die niet kan liegen.

En juffrouw Ekster, die 's zoo op de hoogte,

Zij zegt...

VALK.

En dominee met echtgenoote?

LIND.

Ja, dat 's iets vreemds toch zeg, met deze twee,

Die zijn verzonken in een zielerust...

Denk eens, zij weet niets meer van haar verloving,

Heeft glad vergeten wat 't is lief te hebben.

VALK.

Ja, dat is 't lot van al die zich verslapen,...

Dan vlucht herinring als een schuwe vogel, (legt de handen op zijn

schouder en kijkt hem spottend aan).

Zeg, jongenlief, jij sliep vast goed van nacht?

LIND.

Ja, goed en lang; ik ging zoo moe naar bed,

En tegelijkertijd zoo vol emoties;

Ik was haast bang dat 'k gek geworden was.

VALK.

O ja, je leedt wel aan iets als behekst zijn...

LIND.

Maar toen Godlof ontwaakte ik normaal.

(Onder het voorgaande heeft Strooman zich af en toe vertoond wandelend

op den achtergrond, druk pratend met Anna; mevr. Strooman en de

kinderen achter hen aan. Juffr. Ekster vertoont zich nu ook; gelijk

met haar mevr. Halm met eenige andere dames).

JUFFR. EKSTER (onzichtbaar).

Waar 's Lind?

LIND (tegen Valk).

Daar heb je ze waarachtig weer!

Och toe, kom mee!

JUFFR. EKSTER.

Neen blijf; waar wil je heen?

Laat ons eens gauw de oneenigheid beslechten

Die tusschen jou en Anna is ontstaan.

LIND.

Zijn wij het òneens?

JUFFR. EKSTER (wijst naar Anna, die verder-weg in den tuin staat).

Lees je oordeel zelf maar

In haar betraande oogen. 't Is om de plannen

Daarginder in Amerika.

LIND.

Maar, God,

Zij wilde zelf toch...

JUFFR. EKSTER (spottend).

Dáár ziet 't wel naar uit!

Neen, vriend, je zult daar anders over denken

Als wij die zaak eens kalmer gaan bezien.

LIND.

Maar dan die strijd voor 't geloof, die was toch juist

Mijn mooiste en liefste droom!

JUFFR. EKSTER.

Wie gelooft er nog

In onzen hoogbeschaafden tijd aan droomen...?

Kijk, Stuiver droomde nog verleden dat

Er kwam een brief met zulke vreemde hoeken...

MEVR. STROOMAN.

Zoo'n droom beteekent 't krijgen van een schat.

JUFFR. EKSTER (met een knikje).

Belasting mocht hij in de schatkist storten.

(De dames maken een kring om Lind heen en gaan al pratend dieper den

tuin met hem in).

STROOMAN.

(voortgaande tegen Anna, die hem graag ontvluchten wou).

Op deze gronden dus, mijn lieve kind,

Op deze gronden, die 't verstand ons aangeeft,

De zedeleer, gedeeltlijk ook de Bijbel,

Ziet u wel in dat zulk een verdeeldheid

Van opvatting, geen reden van bestaan heeft.

ANNA (half schreiend).

Och, ja... ik ben ook nog zoo onervaren...

STROOMAN.

En 't is ook zoo natuurlijk als men angst heeft

Voor allerlei verwikling en gevaren;

Maar laat niet twijfel in zijn net u vangen,...

Wees dapper, spiegel u aan mij en Maren!

MEVR. STROOMAN.

Ja, 'k hoorde juist van daag nog van uw moeder

Dat 'k even zoo bedroefd was, als u nu,

Toen het beroep kwam...

STROOMAN.

Dat was óók omdat

Zij moest verlaten al de stadsgenoegens;

Maar toen wij 't later wel wat ruimer kregen,

En 't eerste tweelingpaar ons was geboren,

Toen ging het over.

VALK (zacht tegen Strooman).

Voortreffelijk! Bravó!

Ga voort zoo!

STROOMAN.

Doe daarom zooals gezegd!

De mensch moet niet bevreesd zijn. Valk,

Dat zoo'n beroep ook niet is onvoordeelig

Dat zei u toch?

VALK.

Neen, dat niet...

STROOMAN.

Zoo, och kom...! (tegen Anna).

Nu, iets brengt het u stellig toch wel op.

En is dat zoo, waartoe dan nog te vreezen?

Zie eens terug naar lang vervlogen dagen!

Naar Adam, Eva, Noach met zijn dieren...

De lelies in de lucht... op 't veld de vogels...

De vogeltjes... de vogeltjes... de visschen... (vervolgt met gedempte

stem, terwijl hij zich met Anna verwijdert).

VALK (terwijl juffr. Ekster en de tantes met Lind aankomen).

Dramatische Werken: De comedie der liefde; Brand; Peer Gynt · 第 2 / 24 段