HENRIK IBSEN
DRAMATISCHE WERKEN
VERTAALD NAAR DE OORSPRONKELIJKE
NOORSCHE UITGAVE DOOR J. CLANT
VAN DER MIJLL--PIEPERS
DE COMEDIE DER LIEFDE; BRAND; PEER GYNT
TWEEDE DRUK
UITGEGEVEN DOOR J. M. MEULENHOFF
TE AMSTERDAM IN HET JAAR MCMXVII
INHOUD:
BLADZ.
DE COMEDIE DER LIEFDE 1
BRAND 107
PEER GYNT 295
DE COMEDIE DER LIEFDE
TOONEELSPEL IN VERZEN IN DRIE BEDRIJVEN
PERSONEN:
Mevrouw Halm, een ambtenaarsweduwe.
Zwaanhilde, haar dochter.
Anna, idem.
Valk, een jong schrijver, en
Lind, student in de theologie, logé's van mevrouw Halm.
Goudstad, groothandelaar.
Stuiver, klerk.
Juffrouw Ekster, zijn verloofde.
Strooman, dorpsdominee.
Mevrouw Strooman, zijn vrouw.
Studenten, gasten, familie en verloofde paren.
De acht kleine meisjes van den dominee.
Vier tantes, een huisjuffrouw, een oppasser, dienstmeisjes.
Het stuk speelt op mevrouw Halm's villa aan den Drammensweg bij
Kristiania.
EERSTE BEDRIJF.
Een mooie tuin, onregelmatig maar smaakvol aangelegd. Op den
achtergrond ziet men den fjord met zijn eilanden. Links van
den toeschouwer het hoofdgebouw met een veranda en daarboven een
openstaand zolderraam. Rechts op den voorgrond een open priëel met
tafel en banken. Het landschap ligt in sterk avondlicht. Het is in
den vóórzomer; de vruchtboomen bloeien.
Bij het opgaan van het scherm zitten mevr. Halm, Anna en juffr. Ekster
in de veranda, de beide eersten met een handwerk, de laatste met
een boek. In het priëel ziet men Valk, Lind, Goudstad en Stuiver;
op de tafel staat een punchbowl met glazen. Zwaanhilde zit alleen op
den achtergrond bij het water.
VALK (staat met opgeheven glas en zingt).
Tot vreugde en genot werd u gegeven
In stillen bloemhof, zonblijde dag;
Vergeet dat de herfst vaak niet kan geven
Wat lente beloofde met lieven lach.
Bloesemtakken vol zoete geuren
Breiden zich welvend over u uit...
Laat dan van nacht de storm ze verscheuren,
Strooien langs velden en wegen zijn buit.
Waarom te vragen naar rijpe vruchten
Als alle boomen te bloeien staan?
Waarom toch treuren, waarom zuchten,
Zwoegend en slavend door 't leven gaan?
Waarom in 't veld toch op hooge stangen
Vogelverschrikkers met jas en hoed?
Broeders, wij willen der vogels zangen
Klinkend in 't oor ons lieflijk en zoet.
Waarom de vogels te verjagen
Uit uw rijk-bloeienden kersengaard!
Laat hen maar stelen die enkele dagen...
Vogels zijn dubbel hun zangloon waard.
Waarlijk in 't eind wint gij bij den ruil nog,
Krijgt zoete zangen voor late vrucht...
Snel gaat voorbij de Tijd, en bedenk toch
Hoe weldra de zomer weer ontvlucht.
Leven wil ik, genieten en zingen,
Tot bladerloos is de laatste heg;
Niet als een kind om méér zal ik dwingen,
Ruim dan gerust het overschot weg.
Open het hek; laat 't vee naar begeeren
Gulzig grazen, tevreden en stil;
Ik plukte de bloemen... wat kan 't mij deren
Wie 't doode restje nog nemen wil!
VALK (tegen de dames).
Kijk, dat was nu het lied waarom u vroeg;...
Wil wat toegevend zijn... veel zaaks is 't niet.
GOUDSTAD.
O wat deert dat, als 't lied maar goeden klank heeft!
JUFFR. EKSTER (kijkt rond).
Maar Zwaanhild, die er zoo op aandrong juist?
Toen Valk begon, was zij met-een gevlogen;
Nu is zij weg.
ANNA (wijst naar den achtergrond).
Welneen, zij zit daarginds.
MEVR. HALM (zuchtend).
Och god, dat kind! Wie leert haar ooit manieren!
JUFFR. EKSTER.
Maar zeg, mijnheer, mij leek uw lied op 't einde
Veel minder rijk aan... ja... aan poëzie,
Dan in de rest toch wel te vinden is.
STUIVER.
Ja, en 't was toch gemakkelijk genoeg
Om aan het slot ook nog wat aan te brengen.
VALK (klinkt met hem).
Je smeert maar op, als lijm tusschen de barsten,
Totdat het plakt en 't hout gemarmerd lijkt.
STUIVER (onverstoorbaar).
Ja, dat gaat best; dat weet ik nog zoo goed;
Zoo deed ik 't ook...
GOUDSTAD.
Wat? Heeft u ook gedicht?
JUFFR. EKSTER.
Mijn vriend? O ja!
STUIVER.
Och, 't was niet van belang.
JUFFR. EKSTER (tegen de dames).
Hij 's in zijn hart romantisch.
MEVR. HALM.
Ja, dat is hij.
STUIVER.
Och nu niet meer; dat is al lang geleden.
VALK.
Vernis en romantiek, die slijten op den duur.
Maar vroeger wel dus...?
STUIVER.
Ja 't was in dien tijd,
Toen ik verliefd was.
VALK.
Was? Is die dan al voorbij?
Ik dacht niet dat je liefderoes al uit was!
STUIVER.
Nu ben ik immers officieel verloofd,
Dat is toch beter dan verliefd zijn, dunkt mij.
VALK.
Zeer juist, mijn beste vriend, dat vind ik ook!
Aldus gepromoveerd was 't moeilijkste overwonnen;
Bevordering van minnaar tot geliefde.
STUIVER (met een welgevallig herinneringslachje).
Het is toch zonderling! 'k Zou haast gaan twijflen
Of mijn herinnering mij niet bedriegt. (tot Valk gewend)
Nu zeven jaar geleden,... 't is de waarheid!
Maakte ik in stilte verzen op 't kantoor.
VALK.
Maakte jij verzen... waar?
STUIVER.
Wel, aan de tafel.
GOUDSTAD.
Silentium! De klerk heeft nu het woord!
STUIVER.
Vooral zoo 's avonds, als ik vrij-af had,
Dan schreef ik heele reeksen verzen wel,
Zoo lang soms als... ja, twee drie vellen vol.
Dat ging!
VALK.
Je gaf je Muze maar een schop,
Dan draafde ze al...
STUIVER.
Of het papier gestempeld
Was of niet, was haar volmaakt om 't even.
VALK.
Dus 't dichten vloeide dan toch even vlot?
Maar zeg, hoe drong je toch den tempel binnen?
STUIVER.
Met 't breekijzer der liefde, beste vriend!
Met andere woorden, het was juffrouw Ekster,
Die een poos later mijn verloofde werd;
Want toen was zij...
VALK.
Alleen nog maar je vlam.
STUIVER (voortgaand).
Dat was een vreemde tijd; 'k vergat mijn studie;
Mijn pen vermaakte ik niet, neen 'k moest haar stemmen,
En als zij soms bleef haken in 't papier,
Klonk dat als melodie van wat ik schreef;...
Ten slotte expediëerde ik toen een brief
Aan haar... aan haar...
VALK.
Wier liefste jij toen werdt.
STUIVER.
Dienzelfden dag nog zond zij 't antwoord mij;
Mijn aanzoek nam zij aan... de zaak was klaar!
VALK.
En jij, je voelde je op 't kantoor een held;
Nu had je veilig dan je liefde binnen!
STUIVER.
Natuurlijk, ja.
VALK.
En dichtte je nooit meer?
STUIVER.
Neen, 'k heb daarna den drang nooit meer gevoeld;
't Was of op eens mijn dichtvuur was gedoofd;
En als 'k een enkle maal nu eens beproef
Een Nieuwjaarsvers of zoo iets op te stellen,
Dan speel ik het met rijm noch rhythme klaar,
En,... ik begrijp niet waar het aan mankeert,...
Maar 't wordt kantoorstijl-werk, geen poëzie.
GOUDSTAD (klinkt met hem).
En daar is u zoo waar niet minder om! (tegen Valk)
U denkt wel dat in 't bootje van 't geluk
Alleen voor u een plaatsje wordt bewaard;
Maar wees voorzichtig als den tocht u waagt.
Wat nu uw vers betreft, zoo weet ik niet
Of het poëtisch is in allen deele,
Maar hoe u ook de woorden draait of keert
Toch deugt niet uw moraal, dat zeg ik u.
Hoe moet men zoo'n administratie noemen,
Die vogels vrij het groene ooft laat pikken
Vóór het tot rijpe vrucht nog worden kon?
Die koe en kalf maar vrij in 't gras laat weiden,
Dat alles kaal is als de hooitijd komt?
Nou, 't zou er hier mooi uitzien 't volgend jaar!
VALK (staat op).
Och, 't volgend, volgend! Stuitend is de zin
Die in dat slappe woord "het volgend" ligt;
Dat maakt den blijdsten mensch op eenmaal arm!
Was ik een uurtje maar de sprookjes-sultan
Die over dood en leven vrij beschikt,
Dát woord was gauw ten doode opgeschreven,
Als dubbele o en e in nieuwe spellingsleer.
STUIVER.
Wat heb je dan toch tegen 't woord der hoop?
VALK.
Dat het Gods mooie wereld ons versombert.
"De volgende liefde", "de volgende vrouw",
"De volgende maaltijd" en "'t volgende leven",...
Kijk, die omzichtigheid, die daarin ligt,
Die is het die der vreugde zoon verarmt.
Zoo ver je ziet wordt heel de wereld leelijk,
Zij doodt van 't oogenblik het hoogst genot;
Je hebt geen rust, eer je de boot gestuurd hebt
Met zwoegend tobben, naar het "volgend" strand;
En ben je eenmaal daar... mag je dan rusten?
Neen; je moet verder naar een "volgend" eiland.
Zoo gaat het voort... voort maar, het leven uit...
God weet of ginds een rustplaats wordt gegeven.
MEVR. HALM.
Foei, mijnheer Valk, hoe kan u toch zoo spreken!
ANNA (nadenkend).
O, wat hij zegt begrijp ik alles best;
Er moet, dunkt mij, toch wel iets waars in zijn.
JUFFR. EKSTER (bezorgd).
Ach, mijn aanstaande moet dat maar niet hooren,
Hij 's excentriek genoeg... Hoor eens, mijn beste,
Toe, kom eens even hier!
STUIVER (bezig zijn pijp schoon te maken).
Ik kom zoo daadlijk.
GOUDSTAD (tegen Valk).
Ja, één ding is mij duidelijk althans:
U mocht de omzichtigheid wel meer in eere
Houden; stel u 't geval eens voor dat u
Van daag ging dichten en daarvoor gebruikte
Al wat u heeft in kas aan poëzie,
Den heelen kostbren voorraad... en u zag
Dat er niets meer van over was, als u
Den andren morgen 't "volgend" wou gaan dichten...
Dan kreeg mevrouw Kritiek u gauw te pakken.
VALK.
Ik twijfel hard of zij 't bankroet zou merken;
Dan slenterden mevrouw Kritiek en ik
Gemoedlijk arm in arm te zamen voort. (afbrekend met veranderde stem).
Maar zeg eens, Lind, wat scheelt jou eig'lijk toch?
Je zit daar maar den heelen tijd zoo somber;
Of bestudeer je soms den bouw van 't huis?
LIND (zich beheerschend).
Ik? Hoe kom je dáár nu bij?
VALK.
Ja zeker;
Je wendt je oogen van 't balkon niet af.
Zijn het de breede bogen der veranda
Die je met zooveel diepen ernst beschouwt,
Of wel het kunstig snijwerk van de deur,
Of van de vensterluiken, zeg wat is 't?
Want iets moet je gedachten tot zich trekken.
LIND (met een stralend gezicht).
Neen, je vergist je; ik zit maar hier en leef.
Bedwelmd door 't nù verlang ik verder niets.
Ik heb 't gevoel alsof ik aan mijn voeten,
Zag uitgespreid der heele wereld schatten.
Dank voor je lied van 't blijde lenteleven.
Dat was als uit mijn eigen ziel gegrepen! (heft zijn glas op en
wisselt een blik met Anna, onopgemerkt door de anderen).
Der bloeme heil, die zoete geuren spreidt
Niet denkend aan het worden van de vrucht! (ledigt zijn glas).
VALK (kijkt hem aan, verrast en aangedaan, maar dwingt zich tot een
luchtigen toon).
Hoort, lieve dames, dat is nu wat nieuws!
Hier maakte ik ongedacht een proseliet.
Nog gisteren liep hij met 't gezangboek rond,
Van daag roert boudweg hij de dichtertrom...
Men zegt wel dat een dichter wordt geboren;
Maar soms kan men een prozaschrijver mesten
Zoo onbarmhartig als een arme gans,
Met rijmgeknutsel en metrisch geknoei,
Dat alles in hem, lever, ziel en krop,
Zit opgestopt met lyrisch vet en kruim
Van rhetoriek, als hij wordt uitgehaald, (tegen Lind).
Mijn dank intusschen voor je vriendlijk woord;
Voortaan dus tokk'len samen wij de lier.
JUFFR. EKSTER.
O ja, u werkt nu zeker veel, mijnheer?
De rust hier buiten tusschen bloesemboomen,
Waar ongestoord en eenzaam u kan dwalen....
MEVR. HALM (glimlachend).
Neen, hij is lui, het is een ware schand'.
JUFFR. EKSTER.
Ik dacht zoo dat als gast van mevrouw Halm
U juist heel druk aan 't dichten raken moest. (wijst naar rechts).
Dit klein priëel, zoo achter 't loof verscholen,
Lijkt voor een dichter mij als uitgezocht;
Dáár dunkt mij, moet de inspiratie komen...
VALK (gaat naar de veranda en leunt met de armen op de balustrade).
Bedek mijn oogen met der blindheid waas,
Dan zal den lichten hemel ik bezingen.
Bezorg mij voor den tijd van ééne maand
Een smart, een diep, reusachtig groot verdriet,
En 'k zal van levensvreugde juublend zingen.
Of liever nog, bezorg mij maar een vrouw
Die voor mij is mijn licht, mijn zon, mijn God.
'k Heb Onzen Lieven Heer daarom gesmeekt,
Maar hij bleef doof, of houdt zich zoo, helaas.
JUFFR. EKSTER.
Foei wat is u profaan!
MEVR. HALM.
Ja, dat is erg!
VALK.
O, denk toch niet dat 't mijn bedoeling is
Om in 't publiek met haar gearmd te wandlen;
Neen, uit wildst-jubelenden zwijmelroes
Moest plots terug zij in de eeuwigheid.
Wat zielegymnastiek heb ik wel noodig;
Licht kreeg ik op die wijs mijn deel er van.
ZWAANHILDE (is naderbij gekomen; zij staat nu vlak bij Valk en zegt
met schertsende uitdrukking, maar toch vast)
Goed, ik zal voor u bidden om zoo'n lot:
Maar als het komt,... draag het dan als een man.
VALK (heeft zich verrast omgekeerd).
O, juffrouw Zwaanhild!... Ja ik zal mij waapnen.
Maar gelooft u ook dat ik vertrouwen kan
Op uw gebed, als iets van groote kracht?
Want och, de hemel laat zich niet verbidden.
Ik weet wel dat uw wil voldoet voor twee
Om van mijn zielerust mij te berooven;
Maar of uw g'loof voldoende is daartoe,
Kijk, dat 's de kwestie.
ZWAANHILDE (half in ernst, half schertsend).
Wacht tot het leed er is
Verwoestend 's levens lichten, groenen zomer,...
Wacht tot het knaagt en schrijnt bij dag en nacht,
Dan kent van mijn geloof u pas de kracht. (zij gaat naar de dames toe).
MEVR. HALM (op gedempten toon).
Och, dat je samen nooit kunt vrede houden!
Nu heb je Valk in ernst toch boos gemaakt. (gaat voort zachtjes
en vermanend te spreken. Juffr. Ekster mengt zich in het
gesprek. Zwaanhilde staat er koud en zwijgend bij).
VALK (gaat na een kort nadenkend zwijgen naar het priëel en zegt in
zich zelf).
Er straalde zekerheid uit hare oogen.
Dat ik maar g'looven kon als zij, zoo vast,
Dat mij de hemel...
GOUDSTAD.
Neen, dat wil God niet!
Het ware, met respekt, ook al te dwaas
Als zulke orders werden uitgevoerd.
Neen, weet u, wat bepaald u noodig heeft
Is gymnastiek voor armen, beenen, lijf;
Lig hier niet naar het groene loof te staren
Den lieven langen dag, hak liever hout.
En 't zou dan wel vervloekt gek moeten loopen,
Als binnen veertien dagen u niet was
Bevrijd van al die malle dichterkuren.
VALK.
'k Sta als de ezel tusschen zware keus;
Ter linker lokt mij vleesch, ter rechter geest;
Wat zou wel hier de wijste keuze zijn?
GOUDSTAD (terwijl hij inschenkt).
Eerst een glas punch, dat dorst en zorg verdrijft.
MEVR. HALM (kijkt op haar horloge).
Maar 't is al haast acht uur; nu denk ik wel
Dat wij den dominee gauw zullen zien. (staat op en reddert op de
veranda wat op).
VALK.
Wat? Hier een dominee?
JUFFR. EKSTER.
Ja, waarom niet?
MEVR. HALM.
Dat heb ik immers onlangs u verteld...
ANNA.
Neen, moeder, daar was mijnheer Valk niet bij.
MEVR. HALM.
Ja, dat is waar. Maar kijk maar niet zoo sip,
Want zijn gezelschap is hij dubbel waard.
VALK.
Och kom, wie is hij dan, die zoo gewenschte?
MEVR. HALM.
Wel, lieve Heer, zijn naam is immers Strooman.
VALK.
Jawel; dien naam heb ik wel eens gehoord;
En ook gezien dat hij nu werkzaam is
Als kamerlid, op 't veld der politiek.
STUIVER.
Ja, hij spreekt goed.
GOUDSTAD.
Maar jammer dat hij schor is.
JUFFR. EKSTER.
Hij komt hier met zijn vrouw en...
MEVR. HALM.
Met zijn kinderen...
VALK.
Om die vooraf een beetje pret te gunnen...
Want daarna krijgt hij handen vol met werk.
Met Zweedsche kwesties en veel andere zaken.
Ja, dat begrijp ik.
MEVR. HALM.
Dat is een man, mijnheer!
GOUDSTAD.
Ja, in zijn jeugd was hij nogal een schalk.
JUFFR. EKSTER (gekrenkt).
Toch niet, mijnheer! Want al toen ik nog klein was
Hoorde ik met grooten eerbied altijd spreken--
En dat door menschen die men g'looven kan--
Over den dominee en zijn roman.
GOUDSTAD (lachend).
Roman?
JUFFR. EKSTER.
Jawel. Ik noem zoo iets romantisch,
Wat alledaagschen niet waardeeren kunnen.
VALK.
O, mijn nieuwsgierigheid is hoog gespannen.
JUFFR. EKSTER (voortgaande).
Maar och, er zijn natuurlijk altijd menschen
Die door 't aandoenlijke zich laten prikk'len
Tot spotternij! Het is genoeg bekend,
Dat iemand hier, hij was nog maar student,
Zoo ongehoord pedant, zoo erg brutaal was,
Om "William Russell" zelfs te kritiseeren.
VALK.
Maar is die dominee dan een gedicht,
Een christlijk drama of zoo iets misschien?
JUFFR. EKSTER (geroerd tot stille tranen).
Neen, Valk,... een mensch, maar met een diep gemoed.
Maar als zóó iets, dat toch geen leven heeft,
Al zooveel boosheid wekt en lage drift
En hevig-fellen hartstocht weet te ontkeetnen,
Zoo diep en bitter...
VALK.
En zoo schriklijk lang...
JUFFR. EKSTER.
Dan zal u met uw scherpen blik ook wel
Begrijpen dat...
VALK.
Ja, dat begrijp ik best.
Maar wat tot nog toe mij niet duidlijk werd
Dat is, waar die roman nu in bestaat,
'k Vermoed wel dat die heel aangrijpend is;
Maar is 't niet mooglijk die zoo heel in 't kort...
STUIVER.
'k Zal trachten uit de feiten het voornaamste
Te resumeeren.
JUFFR. EKSTER.
Neen, ik weet er meer van,
Ik kan 't vertellen...
MEVR. HALM.
Ja, dat kan ik ook!
JUFFR. EKSTER.
Och neen, mevrouw, 'k ben nu al goed op gang.
Weet u, mijnheer,... hij gold als kandidaat
Voor een der knapste koppen van de stad,
Wist van kritiek en ook van nieuwe modes...
MEVR. HALM.
En speelde ook comedie binnenshuis.
JUFFR. EKSTER.
Wacht toch! En schilderde,... en musiceerde
MEVR. HALM.
En weet je nog hoe mooi hij kon vertellen!
JUFFR. EKSTER.
Laat mij toch 't woord; ik weet er alles van.
Hij schreef en componeerde zelf muziek
Op iets dat... bij een uitgever verscheen;
Het heette: "een sonnettenkrans aan haar".
Hoe innig zong hij die bij de guitaar!
MEVR. HALM.
Ja, dat is zeker, hij was geniaal!
GOUDSTAD (op gedempten toon).
Hm, andren noemden kortweg hem een gek.
VALK.
Een wijsgeer, oud en praktisch, die niet putte
Dat wat hij wist uit muffe perkamenten,
Zei eens, de liefde kon Petrarca's maken
Zoo goed als vee en luiheid patriarchen.
Maar wie was "zij"?
JUFFR. EKSTER.
Dat was zijn veelgeliefde,
Nu lang zijn vrouw, die u zal leeren kennen.
Zij was een dochter van een firma die...
GOUDSTAD.
In hout deed.
JUFFR. EKSTER.
Ja, mijnheer zal het wel weten.
GOUDSTAD.
Want 't was met Holland dat die zaken deed.
JUFFR. EKSTER.
Och, dat zijn toch maar triviale dingen.
VALK.
Een firma die...?
JUFFR. EKSTER (voortgaand).
Schatrijk was, echte Nabobs.
U kan begrijpen dat zij veel begeerd was;
Door de voornaamsten werd haar 't hof gemaakt.
MEVR. HALM.
En daar was zelfs een kamerheer ook bij.
JUFFR. EKSTER.
Maar zij streed dapper voor haar vrouwenrecht.
Strooman had zij gezien op het tooneel;
Hem zien en hem beminnen dat was één...
VALK.
En al de pretendenten konden gaan!
MEVR. HALM.
Ja, stel u voor, is dat niet echt romantisch!
JUFFR. EKSTER.
En voeg daarbij een ouden wreeden Pa
Die anders niet wou doen dan harten scheiden;
En nog een voogd was er, geloof ik, ook,
Om 't bittre leed nog bitterder te maken;
Maar zij bleef hem en hij bleef haar getrouw;
Zij droomden van een hutje op de hei,
Een sneeuwwit lam dat beiden voeden zou...
MEVR. HALM.
Ja, op zijn hoogst een koetje klein en bont...
JUFFR. EKSTER.
In 't kort, zooals zij mij zoo vaak vertelden:
Een hutje, een koele beek, elkanders harte!
VALK.
Ach ja! En toen...?
JUFFR. EKSTER.
Zij brak met haar familie.
VALK.
Voor goed...?
MEVR. HALM.
Ja, dat deed zij.
VALK.
Kijk, dat was flink.
JUFFR. EKSTER.
En trok toen naar het kamertje van Strooman.
VALK.
Trok bij hem in! Zoo zonder... eerst te trouwen?
JUFFR. EKSTER.
O foei!
MEVR. HALM.
Schaam u! mijn man was zelf getuige
Van 't jonge paar...!
STUIVER (tegen juffr. Ekster).
Ja, 't weglaten van feiten
Maakt twijfel wakker en verwart 't verhaal;
In referaten komt het er op aan
Te ord'nen, chronologisch en correct.
Maar nooit heb ik nog goed kunnen begrijpen,
Hoe zij daar leefden...
VALK (vervolgende).
Want men mag vermoeden
Dat koe en schaap niet ook op zolder woonden.
JUFFR. EKSTER (tegen Stuiver).
O, je moet één ding wel bedenken, beste,
Men heeft niets noodig waar de liefde woont;
Twee teedre harten leven haast van niets. (tegen Valk)
Hij had haar lief bij snarenspel en zang
Waarop zij met klavierspel weerklank gaf.
MEVR. HALM.
En dan, dat spreekt, zij leefden op crediet...
GOUDSTAD.
Een jaar, totdat de firma ging failliet.
MEVR. HALM.
Maar toen kreeg Strooman een beroep naar 't Noorden.
JUFFR. EKSTER.
En in een brief, dien 'k later zag, bezwoer hij
Alleen voor haar en voor zijn plicht te leven.
VALK (aanvullend).
En daarmee was dan zijn roman beëindigd.
MEVR. HALM (staat op).
Kom, laat ons nu eens in den tuin gaan zien;
Het kon toch zijn dat hij in aantocht was.
JUFFR. EKSTER (doet haar manteltje om).
Het wordt al koel.
MEVR. HALM.
Och, Zwaanhild, haal mij even
Mijn wollen doek.
LIND (onbemerkt tegen Anna).
Ga vast vooruit!
MEVR. HALM.
Kom je ook?
(Zwaanhilde gaat het huis binnen; de anderen, behalve Valk, gaan
naar den achtergrond of af naar links. Lind die meegeloopen is blijft
staan en komt terug).
LIND.
Mijn vriend!
VALK.
Wel insgelijks!
LIND.
Geef mij je hand!
Ik ben zoo blij;... 't is of mijn hart moet barsten,
Als ik 't niet iemand zeg...
VALK.
Maar kalmpjes aan;
Verhoord word je eerst, veroordeeld, dan gehangen.
Wat zijn dat voor manieren? Je verbergt
Voor mij, je vriend, den schat door je gevonden;...
Beken het maar, gegrond is mijn vermoeden:
Je trok een prijs uit 's levens loterij!
LIND.
Ja, op een mooien vogel lei 'k de hand!
VALK.
Zoo? Levend,... onbeschadigd door het net?
LIND.
Heb maar geduld; nu is het gauw gezegd:
Ik ben verloofd!...
VALK (snel).
Verloofd, zeg je?
LIND.
Jawel!
Van daag,... hoe 'k durfde weet ik zelf niet meer!
Ik zei... nou ja, dat kan ik niet vertellen;
Maar weet je... zij, dat mooie jonge meisje,
Bloosde als een roos,... en werd volstrekt niet boos!
Zeg, kan je 't vatten, Valk, hoe ik het waagde!
Zij luisterde en... schreide, meen ik zelfs;
Dát is toch een goed teeken?
VALK.
Zeker wel.
LIND.
En dus, niet waar, is zij nu mijn verloofde?
VALK.
Ik onderstel van ja; maar wil je 't weten
Volmaakt sekuur, vraag 't dan aan juffrouw Ekster.
LIND.
O neen, ik weet het zeker, mijn gevoel
Bedriegt mij niet, 'k ben rustig, zonder vrees.
(Stralend en geheimzinnig).
Zeg, even mocht 'k haar handje drukken ook
Toen zij de koffiekopjes nam van tafel!
VALK (heft zijn glas op en ledigt het).
Nu, lentebloesem siere je verbond!
LIND (doet evenzoo).
En 'k wil hier luid en plechtig het bezweren
Dat ik haar lief zal hebben tot mijn dood,
Zoo warm als nu... want och zij is zoo lief!
VALK.
Verloofd! Dus daarom waren je gedachten
Bij Mozes noch profeten meer van daag.
LIND (lachend).
En jij, die dacht, dat jouw lied dat gedaan had!...
VALK.
Ach ja, poëten g'looven dat zoo licht.
LIND (ernstig).
Je moet niet denken dat ik door 't geluk
Den theoloog al uitgeschud heb nu.
't Verschil is dit alleen, dat 'k niet den Bijbel
Als Jakobsladder tot mijn God gebruik.
Nu moet ik Hem in 't leven zelf gaan zoeken;
Ik voel meer goedheid nu al in mijn hart,
'k Heb lief de grashalm, 't wurmpje aan mijn voet;
Die moeten van 't geluk hun deel ook hebben.
VALK.
Maar zeg mij eens...
LIND.
'k Heb alles nu gezegd,
Mijn zoet geheim blijft heilig voor ons drieën.
VALK.
Ja, maar 'k bedoel, heb je al vooruit gedacht?
LIND.
Gedacht? Vooruit? Ik? Neen, voor 't oogenblik
Leef ik geheel in lenteblij genot.
Ik richt mijn oog op ons geluk vlak bij:
Daar houden wij van 't lot de teugels vast.
Noch jij, noch Goudstad,... noch zelfs mevrouw Halm
Kan zeggen tot mijn frissche bloem: "verwelk!"
Want ik heb wilskracht, gloed straalt uit háár oogen.
En daarom moet en zal zij opwaarts streven!
VALK.
Goed zoo; wie zoo denkt, zal 't geluk wel dwingen!
LIND.
Wild-bruisend kookt in mij mijn levensmoed.
O, ik voel mij zoo sterk! Lag daar een afgrond
Vóor mij... hoe gapend ook... Ik waagde een sprong!
VALK.
Wat zeggen wil in nuchtre prozataal:
Je liefde maakt je bijna tot een rendier.
LIND.
Nu... trek ik mee met wilden rendiertroep
Dan weet ik wel waarheen mijn smachten trekt!
VALK.
Dat kan je morgen dan alvast vertoonen.
Je moet toch met 't kwartet de bergen in?
Maar 'k wed dat je geen pelsjas noodig hebt...
LIND.
't Kwartet! Nou ja, laat 't zonder mij maar klimmen.
Ik adem berglucht nu in 't diepe dal;
Hier heb ik bloemen en de wijde fjord,
Hier heb ik bladerruischen, vogelzangen,
En mijn geluksfee... zij is immers hier!
VALK.
O, een geluksfee hier in deze streken
Hoû die maar vast!... die zijn maar al te zeldzaam. (met een blik op
het huis).
Sst,... Zwaanhild...
LIND (drukt hem de hand).
Goed; 'k ga heen,... laat niemand weten,
Wat tusschen jou en mij en háár moet blijven.
Dank dat je luisteren wou naar mijn geheim.
Begraaf het in je hart, hoû 't veilig daar...
(af naar den achtergrond hij de anderen).
(Valk kijkt hem een oogenblik na en loopt een paar maal den tuin op
en neer, zichtbaar strijdende tegen zijn aandoeningen. Even later
komt Zwaanhilde uit het huis met een doek op den arm; wil naar
den achtergrond gaan; Valk nadert haar en kijkt haar onafgewend
aan. Zwaanhilde blijft staan).
ZWAANHILDE (na een kleine pauze).
U kijkt mij zoo vreemd aan...?
VALK (half in zich zelf).
Ja, dáár is 't trekje,
Diep in die oogen glijdt een vlucht'ge schaduw,
Die om den mond verscholen speelt vol spotlust.
Het is daar.
ZWAANHILDE.
Wat? U doet mij haast verschrikken.
VALK.
U heet Zwaanhilde?
ZWAANHILDE.
Ja, dat weet u wel.
VALK.
Maar weet u dat die naam belachlijk is?
Doe mij 't genoegen... gooi hem over boord!
ZWAANHILDE.
O, dat zou eigenmachtig, ongepast zijn...
VALK.
Hm, "Zwaanhild"... "Zwaanhild"... (plotseling ernstig).
Waarom kreeg u toch
Al toen u klein was zoo'n memento mori?
ZWAANHILDE.
Klinkt 't leelijk dan?
VALK.
Neen, mooi als een gedicht,
Maar veel te groot, te streng voor onze tijden.
Hoe kan een meisje uit onze dagen nu
Begrijpen wat de naam Zwaanhilde inhoudt?
Neen, gooi hem weg, als een verouderd pak.
ZWAANHILDE.
U denkt vast aan het koningskind der sage?
VALK.
Dat schuldloos door de paarden werd vertrapt.
ZWAANHILDE.
Maar onze wet laat zoo iets niet meer toe.
Neen, hoog in 't zadel! In mijn stille droomen
Joeg 'k, voortgedragen op een vurig paard,
Zoo vaak ver weg, de wereld in vol moed,
Zijn manen als een vrijheidsvlag me omwapprend!
VALK.
Dat 's oude liedje. In die "stille droomen"
Kent niemand van ons paal of perk of grenzen,
Dan vreest geen mensch de sporen te gebruiken;...
Bij daden blijven wij zoet hier beneden;
Want 't leven heeft een ieder innig lief,
En niemand wil een sprong ten doode wagen.
ZWAANHILDE (levendig).
Ja, wijs mij 't doel maar, en ik waag 't te springen.
Maar dan zij 't doel den sprong ten doode ook waard.
Een Californië na zandwoestijnen,...
Zoo niet, dan is 't maar beter thuis te blijven.
VALK (spottend).
Och ja, "de tijd" is zeker daaraan schuld.
ZWAANHILDE (warm).
Ja, juist, dat is 't! Waarom als 't windstil is,
De boot uitzetten en de zeilen hijschen?
VALK (ironisch).
Ja, waarom zweep of scherpe sporen slijten,
Waar niet met gouden prijs hij wordt beloond
Die moed heeft vrij de wereld in te gaan,
En hoog in 't zadel, stout vooruit te streven?
Zoo'n tocht, zoo zonder doel, is iets voor d'adel,
Maar onze tijd lacht om wat aadlijk is;
Dat wou u zeggen, niet?
ZWAANHILDE.
Ja, dat is waar;
Zie naar dien pereboom die ginder staat,...
Wat is die dor en bloesemloos van 't jaar.
Verleden jaar, dat had u moeten zien,
Boog heel de boom onder zijn vruchtenlast.
VALK (een beetje onzeker).
Ik g'loof het graag; maar wat moet 'k daaruit leeren?
ZWAANHILDE (fijntjes).
O, onder meer, dat 't voor een Zacharias
Van ónzen tijd, te veel verlangd is, peren
Te oogsten waar een vorig jaar de boom
Te veel gedragen heeft aan bloem en vrucht.
VALK.
Ik wist het wel. U zou wel 't spoor weer vinden
In oud-romantische geschiedenissen.
ZWAANHILDE.
Ja, onze deugd is van een ander slag.
Wie komt er op en strijdt voor waarheid nog,
Wie waagt zijn huid en zijn persoonlijkheid?
Waar vindt men helden?
VALK (kijkt haar scherp aan).
En waar zijn Walkuren?
ZWAANHILDE (schudt het hoofd).
Walkuren zijn niet noodig in dit land!
Toen 't g'loof onlangs in Syrië werd bedreigd
Trok u toen als verdediger daarheen?
Neen, op papier ging u de zaak ter harte.
En voor het goede doel zond u wat geld af.
(Pauze. Valk schijnt te willen antwoorden, maar houdt zich in en gaat
den tuin in).
ZWAANHILDE (kijkt hem een oogenblik aan, nadert dan en vraagt zacht).
Valk ben je boos?
VALK.
Welneen, ik sta te peinzen;...
En anders niets.
ZWAANHILDE (nadenkend en meewarig).
Je hebt als twee karakters...
Geheel verschillend...
VALK.
Ja, dat weet ik wel.
ZWAANHILDE (driftig).
Maar waarom toch?
VALK (uitbarstend).
Omdat ik 't niet kan dulden
Voor Jan-en-alleman mijn naakte ziel
Ten toon te stellen... als 't profane menschdom,
Dat op de straat te koop loopt met zijn liefde...
Als jonge vrouwen met hun bloote armen!
Jij was de eenige,... jij Zwaanhild, jij...
Dat dacht ik... maar dat is nu ook voorbij...
(wendt zich tot haar terwijl zij naar het prieël gaat en uitkijkt).
Je luistert...
ZWAANHILDE.
Naar een andre stem, die 's avonds...
Sst! Hoor je wel?... spreekt als de zon gaat dalen.
Een kleine vogel, kijk, verschuilt zich daar
In 't loof,... daar komt hij net weer voor den dag...
En weet je wat ik vast geloof? Haar, wie
Geen dichterziel, geen zangstem werd gegeven
Die kreeg van God een vogeltje tot vriend...
Voor haar alleen en voor haar tuin geschapen.
VALK (neemt een steen van den grond op).
Dan moeten mensch en dier elkaar ontmoeten,
Zal niet zijn zang te loor gaan bij een vreemde.
ZWAANHILDE.
Ja, dat is waar; maar 't mijne vond ik al.
'k Kreeg niet de gaaf van 't woord en ook geen zangstem;
Daar kweelt mijn vogeltje in zijn groene schuilplaats,
Daar voel 'k als zangen dalen in mijn ziel...
Nu ja... ze blijven niet... ze vliegen weg...
(Valk gooit driftig met den steen; Zwaanhilde uit een kreet).
O God! je raakte hem! Hoe kon je 't doen!
(loopt naar rechts en komt weer dadelijk terug).
O dat was slecht, heel slecht!
VALK (hartstochtelijk opgewonden).
Neen... oog om oog
En tand om tand, Zwaanhilde, meer was 't niet!
Nu krijg je dan geen groet meer uit de hoogte,
Uit 't land der zangen geen geschenken meer.
Dat is mijn wraak nu over wat je deedt!
ZWAANHILDE.
Wat 'k deed?
VALK.
Ja, jij! Tot op dit oogenblik
Zong in mijn borst een vogel stout en sterk.
Nu kan de doodsklok voor hen beiden luiden,...
Jij doodde hém!
ZWAANHILDE.
Ik?
VALK.
Ja, toen jij versloeg
Mijn g'loof, zoo jong, zoo blij en zegevierend...! (verachtelijk).
Toen jij je hebt verloofd!
ZWAANHILDE.
Wat meen je toch?
VALK.
O ja, dat 's stellig wel een heel best zaakje;
Hij doet examen, wordt wel gauw beroepen,...
Hij wenscht toch naar Amerika te gaan...
ZWAANHILDE (op denzelfden toon).
En heeft een aardig duitje nog te wachten;...
Want je zult zeker Lind bedoelen?
VALK.
Dat
Zal jij wel weten...
ZWAANHILDE (met ingehouden lach).
Ja, als bruidjes' zuster
Dient dat wel...
VALK.
God! Ben jij 't dan niet...?
ZWAANHILDE.
Die oogstte
Zoo'n overgroot geluk? Ach neen, eilacy!
VALK (bijna kinderlijk blij).
Jij bent het niet! O nu zij God geloofd!
Och, Onze Lieve Heer is goed en mild toch!
Niet met een ander zal 'k gearmd je zien...
Hij wilde alleen het licht der smart ontsteken...
(wil haar hand vatten).
O Zwaanhild, hoor eens, luister...
ZWAANHILDE (wijst snel naar den achtergrond).
Kijk eens daarheen!
(Zij gaat naar het huis. Van den achtergrond komen op dat oogenblik
mevr. Halm, Anna, juffr. Ekster, Goudstad, Stuiver en Lind. Gedurende
het voorgaande is de zon ondergegaan; het landschap ligt in
schemerdonker).
MEVR. HALM (tegen Zwaanhilde).
Nu zal de dominee aanstonds wel komen.
Waar bleef je toch?
JUFFR. EKSTER (met een blik op Valk).
Je staat daar als beteuterd.
ZWAANHILDE.
Ik heb wat hoofdpijn; 't zal wel overgaan.
MEVR. HALM.
En loop je dan hier met je bloote hoofd?
Zet nu vast thee en maak de kamer netjes;
't Moet in de puntjes zijn; ik ken mevrouw wel.
(Zwaanhilde gaat het huis binnen).
STUIVER (tegen Valk).
Weet jij wat Strooman in de Kamer wil?
VALK.
Ik denk niet dat hij voor verhooging stemt.
STUIVER.
Maar als een zachte wenk hij nu eens kreeg
Dat 'k verzen in mijn schrijfmap houd verborgen?
VALK.
Misschien dat 't hielp.
STUIVER.
Och was 't maar waar... want heusch
Het spant er, nu 't tot trouwen dan zal komen.
De liefdezorgen zijn niet licht te tellen!
VALK.
Net goed: wat doe je in zoo'n wespennest!
STUIVER.
Dus liefde noem je zóó?
VALK.
Dat niet, maar 't huwlijk,
Met banden, vrijheidsroof en slavenleven.
STUIVER (ziende dat Juffr. Ekster naderbij komt).
Je weet niet wat een heerlijk kapitaal
Er ligt in 't woord der vrouw en in haar geest.
JUFFR. EKSTER (zachtjes).
Denk je dat Goudstad wil een voorschot geven?
STUIVER (knorrig).
Ik weet niet zeker nog; ik zal 't probeeren.
LIND (gedempt tegen Valk terwijl hij met Anna nader komt).
Ik hoû 't niet langer uit; ik moet terstond
Aan allen 't zeggen nu...
VALK.
In plaats te zwijgen,
En geen oningewijde te vertellen,
Wat jou alleen aangaat...
LIND.
Dat 's ook wat moois;...
Voor jou, mijn vriend, ook hier in huis logeergast,
Moest ik verstoppen dan mijn jong geluk!
Neen, nu mijn hoofd van jubel staat in brand...
VALK.
Nu wil je je ook maar nijdig laten maken?
Ja, goede lieve vriend, als dat je opinie is,
Ga dan maar gauw je engagement vertellen!
LIND.
Dat dacht ik ook, om meer dan ééne reden,
En één daarvan lijkt mij wel van gewicht;
Stel eens dat onder ons zich zou bevinden
Een stille aanbidder, sluipend om haar heen;
Stel dat hij dan op-eens met huwelijksplannen kwam
En aanzoek om haar hand... wat dat gênant zou zijn...!
VALK.
Je hebt gelijk; ja, ik vergat geheel
Dat tot wat hoogers jij je voelt bestemd.
Van liefde's vrije priester die je nú bent,
Moet vroeg of laat je nog promotie maken;
Maar het is zelfs in strijd met alle vormen
Je nu al voor te doen als hoog-gewijde.
LIND.
Ja, zie je, als niet Goudstad...
VALK.
Wat van hem?
ANNA (verlegen).
Och, dat is iets dat Lind zich in zijn hoofd zet.
LIND.
Zeg dat nu niet; ik voel dat hij treedt tusschen
Mijn nieuw geluk en mij, waar hij maar kan.
Die kwast komt immers daaglijks hier naar buiten,
Is rijk en vrijgezel, steeds om je heen;
In 't kort, mijn liefste, er is nog zooveel
Dat niets dan onheil voor ons kan voorspellen.
ANNA (met een zucht).
Hè dat is jammer, 't was zoo mooi vandaag!
VALK (deelnemend tegen Lind).
Laat niet 't geluk je ontgaan door sombre grillen,
Wacht nog wat... geef niet noodeloos je bloot.
ANNA.
O! Juffrouw Ekster kijkt naar ons; zeg niets meer!
(Zij en Lind af, ieder naar een anderen kant)
VALK (kijkt Lind na).
Daar gaat hij heen en doodt zijn eigen jeugd.
GOUDSTAD (die intusschen bij de trap heeft gestaan in gesprek met
mevr. Halm en Juffr. Ekster, komt nu naderbij en klopt hem op den
schouder).
Wel, staat u hier te broeden op een lied?
VALK.
Neen, op een drama.
GOUDSTAD.
Zoo? Wel nu nog mooier!...
Ik dacht niet dat u daaraan ook al deed.
VALK.
Neen, dit is eigenlijk ook voor een ander,
Een vriend van mij, ja, van ons allebei;...
Een schrijver van bizondre handigheid,
Want tusschen middaguur en avondstond
Heeft hij al afgemaakt een heele idylle.
GOUDSTAD (sluw).
Blij-eindigend, niet waar?
VALK.
U weet toch wel
Dat 't scherm pas valt als zij elkander krijgen.
Maar dat is nog maar één van zijn drie stukken:
Daarnà eerst komen nog de schrijversweeën,
Als nummer twee, de klucht van de verloving,
Door vijf bedrijven heen behandeld wordt.
En hieruit spint hij dan op nieuw de stof
Voor 't huwelijksdrama, dat is dan het derde.
GOUDSTAD (glimlachend).
De schrijflust schijnt aanstekelijk te werken.
VALK.
Zoo? Hoe dan wel?
GOUDSTAD.
Ik meen alleen in zóóver
Als 'k ook te broeden rondloop op een dichtstuk,...
(geheimzinnig).
Maar heel reëel en uitermate praktisch.
VALK.
Wie is de held, als ik zoo vrij mag zijn?
GOUDSTAD.
Dat zeg ik morgen wel, maar eerder niet.
VALK.
Dan is u 't zelf!
GOUDSTAD.
Zou 'k daarvoor deugen, denkt u?
VALK.
Een beetre held waar' waarlijk niet te vinden.
Maar de heldin dan? Zij woont zeker buiten
Op 't vrije land, niet in bedompte stad?
GOUDSTAD (dreigt met den vinger).
Daar zit de knoop... dat mag ik niet verklappen!...
(verandert van toon).
Zeg eens, wat dunkt u wel van juffrouw Halm?
VALK.
O, u moet stellig haar veel beter kennen;
Mijn oordeel kan noch kwaad noch goed beduiden...
(glimlachend).
Doch pas maar op, dat 't niet in 't honderd loopt
Met dat gedicht waarvan u heeft verteld.
Stel dat ik uw vertrouwen zou misbruiken,
En uitkomst en intrige ging bederven.
GOUDSTAD (gemoedelijk).
Nu ja, dan zou ik ook wel amen zeggen.
VALK.
Is dat gemeend?
GOUDSTAD.
U is toch man van 't vak;
En 't waar' te gek, werd uwe hulp versmaad
Door wie, als ik, maar is een dilettant (gaat naar den achtergrond).
VALK (in 't voorbijgaan tegen Lind).
Je hadt gelijk; die rijke heer loopt rond
Met moordnaarsplannen tegen je geluk, hoor. (verwijdert zich).
LIND (zacht tegen Anna).
Nu zie je 't eens, 'k was niet voor niets zoo bang;
Wij moeten heusch terstond je moeder spreken.
(Zij gaan naar mevr. Halm toe, die met juffr. Ekster bij het huis
staat).
GOUDSTAD (pratend met Stuiver).
Wat prachtig mooie avond.
STUIVER.
O zeker, ja,
Als er maar stemming is...
GOUDSTAD (schertsend).
Iets niet in orde
Met uw liefde soms?
STUIVER.
Niet juist dáármee...
VALK (die er bij gekomen is).
Maar met 't engagement?
STUIVER.
Misschien is 't dát wel.
VALK.
Hoera, dan ben je niet geheel ontbloot nog
Van ieder sprankje poëzie, gelukkig.
STUIVER (beleedigd).
'k Begrijp niet wat met mijn engagement
Of ook met mij, de poëzie te doen heeft.
VALK.
Dat moet je ook niet begrijpen; als de liefde
Haar eigen wezen kent, dan moet zij sterven.
GOUDSTAD (tegen Stuiver).
Maar is er iets waar 'k u mee helpen kan
Dan zeg het maar.
STUIVER.
Ja, ik heb heel den dag al
Bedacht hoe 'k u de zaak zou kunnen zeggen,
Maar 'k kon niet komen tot een goed besluit.
VALK.
Ik zal je helpen en ik maak het kort:
Sinds jij tot een "aanstaande" bent bevorderd,
Gevoel jij je gedrukt en steeds gedrukter...
STUIVER.
Ja, dat was wel bij tijden nog al erg...
VALK (voortgaand).
En ging zoo waar gebukt onder verplichtingen
Die je ter helle joeg, als je maar kon;
Dat is de zaak.
STUIVER.
Wat zijn dat voor verdichtingen!
Ik heb geprolongeerd, als eerlijk man. (tegen Goudstad).
Maar 't wordt met iedre maand al meer en erger.
En men krijgt toch een vrouw als men gaat trouwen...
VALK (vroolijk).
Nu is de hemel van je jeugd weer helder,
Dit was een echo uit je dichtertijden!
Zoo moet 't ook zijn; 'k begreep het wel terstond;
'n Paar vleugels had je noodig en een schaar!
STUIVER.
Een schaar?
VALK.
Een wil-schaar, ja, om alle banden
Weer los te knippen, dat je uit kon vliegen
Weer vrank en vrij...
STUIVER (boos).
Neen, dat wordt ál te grof!
Dat ik beschuldigd word van zoo'n vergrijp
Aan het gezag, dat 'k stil maar heengaan zou?
Zoo iets is een bekladden van mijn eer
En lasterlijke praat!
VALK.
Mensch, ben je dwaas!
Wat wil je dan toch zeggen? Spreek toch... spreek!
GOUDSTAD (lachend tegen Stuiver).
Ja, tracht de zaak eens helder in te denken.
Wat wou u dan?
STUIVER (bedaart weer).
Een leening bij de spaarbank.
VALK.
Een leening!
STUIVER (snel tegen Goudstad).
'k Meen een endossement
Voor honderd thaler of zoo daaromtrent.
JUFFR. EKSTER (die inmiddels bij mevr. Halm, Lind en Anna heeft
gestaan).
Hoe aardig! Och! Nu veel geluk, hoor kindren!
GOUDSTAD.
Wat is dat nu? (gaat naar de dames).
STUIVER.
Dat kwam daar ongelegen.
VALK (slaat uitgelaten zijn armen om zijn hals).
Hoera, trompetgeschal verkondigt luid
Dat Amor je een broertje heeft gebracht.
(trekt hem mee naar de anderen).
JUFFR. EKSTER (overweldigd tegen de heeren).
Och, Lind en Anna,... Lind heeft haar gekregen!
Zij zijn geëngageerd!
MEVR. HALM (met tranen van ontroering, terwijl het paar gelukgewenscht
wordt).
Dat 's al de achtste,
Die welverzorgd en blij dit huis verlaat;... (tot Valk gewend).
Al zeven nichtjes... allemaal met gasten... (haar aandoening wordt
haar te machtig; zij houdt haar zakdoek voor de oogen).
JUFFR. EKSTER (tegen Anna).
Nu zullen er heel wat bezoeken komen.
(liefkoost haar zeer aangedaan).
LIND (grijpt Valk's handen).
O vriend, ik leef als in een zwijmelroes!
VALK.
Stil;... als verloofde ben je lid geworden
Van 't geestelijke matigheidsgenootschap;
Je kent 't gebod:... geen slemppartijen hier!
(keert zich tot Goudstad met een beetje boosaardige deelneming).
Nu mijnheer Goudstad?
GOUDSTAD (vergenoegd).
Wel, ik zou durven denken
Dat voor hen beiden dit geluk belooft.
VALK (kijkt hem verwonderd aan).
U draagt uw leed met wel te prijzen rust.
't Doet mij genoegen.
GOUDSTAD.
Wat meent u toch, mijn waarde?
VALK.
'k Bedoel dat aangezien u zelf toch voedde
Een zoete hoop...
GOUDSTAD.
Deed ik dat? Inderdaad?
VALK.
U was ten minste goed daartoe op weg;
U noemde juffrouw Halm; u stond toch hier
En vroeg mij...
GOUDSTAD (glimlachend).
Ja, maar zijn er dan geen twee?
VALK.
Dus 't is de andre, die u meent... haar zuster?
GOUDSTAD.
Haar zuster, ja, de andre,... juist, die is 't.
Leer eerst die zuster maar wat nader kennen,
En oordeel zelf of zij niet zou verdienen
Dat er wat meer werk van haar werd gemaakt
Dan hier in huis gewoonlijk wordt gedaan.
VALK (koel).
Zij heeft wel alle goede eigenschappen.
GOUDSTAD.
Niet alle nog: den conversatietoon
Kan zij niet vatten; daar legt zij het af...
VALK.
Ja, dat is erg.
GOUDSTAD.
Maar als mevrouw haar maar
Eén winter uitbrengt, wed ik dat voor niemand
Zij onderdoet.
VALK.
Ja, dat zal wel zoo zijn.
GOUDSTAD.
Ja, dat is wonderlijk met jonge meisjes!
VALK (vroolijk).
Zij zijn als winterrogge op het land;
Zij kiemen ongemerkt in vorst en sneeuw.
GOUDSTAD.
De balzaal is hun thuis van 't kerstfeest af...
VALK.
Daar komt de mest er op... schandalen, praatjes...
GOUDSTAD.
En als de warme lentelucht dan komt...
VALK.
Dan komen groene dametjes te voorschijn!
LIND (komt bij hen en grijpt Valk's handen).
Wel was 't verstandig dat ik deed dien stap...
Ik voel mij zoo gelukkig en zoo rustig!
GOUDSTAD.
Ziedaar den bruidegom; vertel nu eens
Hoe men zoo doet als pas verloofde minnaar!
LIND (onaangenaam aangedaan).
Daarover spreekt men met een derde niet.
GOUDSTAD (schertsend).
Slecht gehumeurd? Dat zal ik Anna klikken. (gaat naar de dames toe).
LIND (kijkt hem na).
Is dat een vraag, die man is onverdraaglijk!
VALK.
Je hebt je toch in hem vergist,...
LIND.
Och kom?
VALK.
Het was niet Anna die hij had op 't oog.
LIND.
Wat! Was het Zwaanhild?
VALK.
Ja, dàt kan 'k niet zeggen. (luimig)
Vergeef mij, voor een ander leedt je pijn!
LIND.
Hoe meen je dat?
VALK.
Zeg, heb je de courant
Gelezen?
LIND.
Neen.
VALK.
Ik zal je 't dagblad zenden;
Daar staat iets in, van iemand wien het lot
Zijn goede, gave oogtand trekken deed,
Omdat een neefje van hem leed aan tandpijn.
JUFFR. EKSTER (kijkt uit het raam).
O daar komt dominee!
MEVR. HALM.
Met hoeveel zijn ze?
STUIVER.
Vijf, zes... acht kinderen.
VALK.
Dat 's buitensporig!
JUFFR. EKSTER.
Hè, zoo iets is toch bijna onfatsoenlijk!
(Intusschen heeft men een rijtuig hooren stilhouden links buiten. De
dominee, zijn vrouw en acht kleine meisjes, allen in reistoilet,
komen één voor één binnen).
MEVR. HALM (ijlt de nieuw aangekomenen te gemoet).
Welkom hier, hartelijk welkom hier!
STROOMAN.
Dank u.
MEVR. STROOMAN.
O, u heeft zeker gasten...
MEVR. HALM.
Och, wel neen!
MEVR. STROOMAN.
Want komen we ongelegen...
MEVR. HALM.
Neen... integendeel;
U komt juist goed van pas, want denk eens aan,
Mijn dochter Anna is daar net verloofd.
STROOMAN (schudt Anna de hand met zalving).
Laat mij getuigen;... liefde,... zielsgemeenschap...
Dat is een schat, die motten niet of roest
Verteren kunnen... zoo zij althans echt is.
MEVR. HALM.
Hoe aardig dat u al de kleintjes mee
Gebracht heeft naar de stad.
STROOMAN.
Er zijn er nóg vier
Die buiten zijn gebleven.
MEVR. HALM.
Och kom, ja?
STROOMAN.
Drie daarvan zijn te klein om te beseffen
Wat 't is een liefdrijk vaderhart te missen
Voor 's rijks belang.
JUFFR. EKSTER (tegen mevr. Halm terwijl zij afscheid neemt).
Nu ga ik u verlaten.
MEVR. HALM.
Och, waarom gaat u al zoo gauw weer weg?
JUFFR. EKSTER.
Ik moet nog in de stad het nieuws vertellen;
Bij Jensen, weet ik, gaan ze laat naar bed;
De tantes zullen blij zijn, nu dat spreekt.
Mijn lieve Anna, wees niet meer verlegen...
Want morgen is het Zondag; met visites
Wordt je overstroomd, daar kan je vast op reeknen!
MEVR. HALM.
Nu, wèl thuis dan! (tegen de anderen).
En u wil zeker wel
Een kopje thee? Mevrouw wees dan zoo goed!
(Mevr. Halm, Strooman, zijn vrouw en kinderen met Goudstad, Lind en
Anna gaan het huis in).
JUFFR. EKSTER (terwijl zij Stuivers arm neemt).
Nu gaan wij dwepen! Stuiver kijk eens hier,
Hoe Luna zwevend rust tusschen de wolken!
Maar neen, je kijkt niet eens!
STUIVER.
O ja, jawel!
Ik dacht alleen maar even aan ons debet.
(Zij gaan weg naar links. Valk die onder het voorgaande onafgewend
Strooman en zijn vrouw beschouwd heeft, blijft alleen in den tuin
achter. Het is nu heelemaal avond; in huis is het licht opgestoken).
VALK.
Het àl verbrand en dood;... troostlooze jammer!
Zoo gaan zij door het leven, twee aan twee,
Te zamen staan zij als de zwarte stammen,
Die 'n boschbrand naliet op de dorre hei;...
Zoo ver het oog maar reikt is 't kale vlakte...
O brengt dan niemand 's levens frissche groen!
(Zwaanhilde komt op de veranda met een bloeienden rozenstruik dien
zij op de balustrade zet).
Die ééne... ja...!
ZWAANHILDE.
Valk, sta jij daar in 't donker?
VALK.
En ben niet bang? Neen, 't donker is juist mooi.
Maar zeg eens, ben jij dan niet bang daarbinnen,
Waar 't lamplicht op de vale lijken valt...
ZWAANHILDE.
O foei!
VALK (kijkt naar Strooman, die zich aan het raam vertoont).
Wat was hij vroeger hoog van moed;
Vocht voor zijn liefde tegen heel de wereld,
Trok tegen zede en gebruik te veld.
Zijn liefde uitte hij in blijde zangen...!
Zie hem nu aan! In lange jas... zijn beste...
Het wandlend drama van zijn diepen val!
En dan die vrouw, met haar verlepte jurk,
Met scheefgeloopen schoenen, los en klapperend,
Zij is de fee, die hem tot schoonheidsleven
De groote wereld binnen leiden zou.
Wat bleef er van die vlam? Niet eens de rook meer!
Sic transit gloria Amoris, zie je!
ZWAANHILDE.
Och ja, 't is jammerlijk ellendig, alles.
Ik weet geen mensch wiens lot 'k zou willen deelen.
VALK (snel).
Welnu, wij twee staan op tegen een orde
Indruischend tegen de natuur, onwaar!
ZWAANHILDE (schudt het hoofd).
Dan was voorzeker 't mis met ons verbond,
Zoo stellig als wij staan hier op den grond.
VALK.
Neen, 't wordt triomf waar streven twee vereend.
Wij willen langer niet van de gemeente
Der platte alledaagschheid leden zijn!
Zelfstandig, waar en vrij zich te ontwikk'len
Moet toch het doel zijn van een ernstig mensch.
Dat heb jij ingezien zoo goed als ik.
Er klopt een zieleleven in je polsen
Dat warme woorden vindt voor krachtig denken.
Jij duldt het keurslijf niet der vormlijkheid
Gesnoerd om 't hart, dat vrij en ruim wil kloppen;
Je stem is niet geschikt om mee te zingen
In het gewoonte-koor, naar zede-maat.
ZWAANHILDE.
En denk je niet dat menigmaal de smart
Mijn oog versomberd heeft, mijn borst benauwd?
Ik had mijn eigen weg mij willen maken...
VALK.
Ja, in gedachte, stil?
ZWAANHILDE.
Neen, met der daad.
Toen kwamen tantes met haar goeden raad,...
Zij moesten overleggen, wikken, wegen... (dichterbij).
Maar in gedachte, zeg je; neen ik waagde
Een stoute poging zelfs... 'k ging leeren schildren.
VALK.
En toen?
ZWAANHILDE.
't Liep mis, omdat ik geen talent had;
Maar toch mijn vrijheidsdrang liet zich niet binden;
En 'k zocht daarna de planken van 't theater...
VALK.
Dat plan moest ook wel tegenkanting vinden?
ZWAANHILDE.
Ja, 't was voornamelijk mijn oudste tante;
Zij zag mij liever gaan als gouvernante...
VALK.
Maar van dat alles heb ik nooit gehoord!
ZWAANHILDE.
Natuurlijk niet; daar pasten zij wel op. (met een glimlach).
Zij waren bang, 't zou slecht zijn voor mijn toekomst,
Als jonge heeren het te weten kwamen.
VALK (kijkt haar een oogenblik deelnemend aan).
'k Vermoedde lang dat zoo je lot moest zijn...
Ik zag terstond toen 'k je voor 't eerst ontmoette,
Hoe weinig je op de anderen geleek,
En hoe geen een je eigenlijk begreep.
Rondom de tafel zaten ze allemaal,
Met kopjes thee,... en de gesprekken gonsden,
De dames bloosden en de heeren kirden
Als tamme duiven op een zomerdag.
En over godsdienst, zedelijkheid zelfs,
Werd er gepraat door meisjes en matronen,
En huislijkheid gevierd door jonge vrouwen,
Terwijl jij eenzaam zat, als heel alleen.
En toen 't gebabbel eindlijk was gestegen
Tot roes, een thee- en prozabachanaal,...
Toen glansde als zilver jij, een edel muntstuk,
Als tusschen koper en papier verdwaald.
Jij waart een goudstuk uit een verre landstreek
Dat hier berekend werd naar andre koers,
En nauwlijks gangbaar in een licht gesprek,
Waar verzen, boter, kunst en dergelijken
Behandeld werden... juist sprak juffrouw Ekster...
ZWAANHILDE (quasi ernstig).
Terwijl haar minnaar, als een ridder koen,
Zijn hoed in de armen als een schild, daar stond...
VALK.
Toen over tafel heen je moeder knikte:
"Toe, Zwaanhild, drink toch eens, je thee wordt koud."
En zoet dronk je je thee, de slappe, weeë,
Zooals zij allen, jong en oud, daar deden.
Maar daadlijk trof en pakte mij die naam;
De wilde Völsungsage, gruwlijk, wreed,
Met heel haar lange rij verslagen ridders,
Scheen tot in onzen tijd mij toen te reiken;
'k Zag als een tweede Zwaanhild daar in jou,
Vernieuwd en in een andere gestalte.
De leugenvlag moest 't recht tot oorlog dekken
Eertijds, nu eischt het volk zelf recht en rust;
Maar zondigt iemand tegen ónze zeden
Dan moet voor zijn geslacht hij schuldloos boeten.
ZWAANHILDE (licht ironisch).