koffietrechters kunnen gebruiken, want in deze streek laten de
menschen de koffie door een zak loopen, omdat die anders hun te goed
zou smaken. Allah heeft wonderlijke kostgangers in zijn rijk. Nu
kunt gij weer uw hooge laarzen dragen en ziet gij er weer heel
anders uit. Met de jichtlaarzen zaagt gij er uit als een Noachiet,
die reeds voor den zondvloed zijn tanden verloor. Zal ik de hooge
leeren halen? Ze hangen aan mijn zadelknop!
Ik gaf mijn toestemming en vond dat mijn voet in deze laarzen
voldoenden steun had. Daar ik het grootste gedeelte van den dag te
paard zat, behoefde ik van mijn voet niet veel te vorderen.
De mij geleende kleeren pasten mij vrij goed, daar de eigenaar van
mijn grootte was. Hij vond dat grappig en prettig, tevens verzocht
hij mij met hem naar zijn woning te gaan, waar zijn vrouw mij zelf
wilde bedanken.
De spoorwegwerkers zaten samen te eten. Hun middagmaal bestond uit
een dikke brij van maïsmeel in enkel water gekookt. Daarmee zijn die
luidjes dag aan dag tevreden.
De vrouw wilde, toen wij binnen kwamen, mij met een stroom van
dankbetuigingen ontvangen; ik verzocht haar dit liever niet te
doen. Naast haar zat haar man, en die was zoo innig gelukkig met haar
redding, dat ik niet behoefde te vragen of ze elkaar ook liefhadden. In
den loop van het gesprek bleek mij dat zij Christenen waren.
--Ik ben blij dat ook gij een Christen zijt,--zeide mij de man.
--Hoe weet gij dat?--vroeg ik hem.
--Uw twee gezellen zeiden het mij, onderwijl gij u verkleeddet. Ik
heb ook gehoord dat gij geen onderdaan van den Sultan zijt, maar
tot het volk behoort dat den roemrijken oorlog tegen de Fransyler
gevoerd heeft.
--Zijt gij uit deze streken?--vroeg ik hem.
--O neen! Wij zijn bijna allemaal uit het gebergte, waar zoo veel
arme menschen zijn. De mannen van hier hebben geen zin om aan den
spoorweg te werken. Toen het bekend werd, dat bij dezen aanleg brood
te verdienen was, trokken vele mannen van bij ons, hier heen. En daar
ik voor architect geleerd heb, nam ik de leiding op mij en ben nog
altijd hun opzichter.
--Gij hebt dus een hoogere burgerschool bezocht?--vroeg ik hem.
--Neen. Ik ben de tweede zoon van mijn vader. Mijn oudste broer
erft de ouderlijke woning, en dat maakte bij mij den zin wakker om
er voor mijzelf een te bouwen. Daarom heb ik dan ook mijzelf lezen,
schrijven en teekenen geleerd, en ben naar een bouwkundige in Uskub
gegaan, om daar verder te leeren. Mijn vader is scheper (tschoban),
ongeveer acht uur van hier.
--Waar?
--Het is geen dorp, niet eens een vlek. Daar zijn maar twee huizen,
die aan een zijtakje van de Treska liggen, en omdat onze buurman een
konak houdt, zoo wordt die kleine nederzetting Treska-Konak genoemd.
--Neen maar! Die is goed! Het kon niet beter!--riep ik uit.
--Waarom?
--Omdat ik dezen Treska-Konak zoek.
--Wilt gij er soms naar toe rijden? Naar mijn vader of naar den
Konakdischi?
--Naar den laatste, geloof ik.
--Gelooft gij? Gij weet het dus zelf niet?--vroeg hij verwonderd.
--Neen. De man die met uw vrouw in de schuit overvoer, wil er heen,
en dien wil ik achterna. Hij gaat daar personen bezoeken, met wie ik
ook nog een woordje te verhandelen heb.
--Dat klinkt alsof dat minder vriendelijke woordjes zullen zijn.
--Goed geraden. Er zijn heden vijf mannen heen gereden, die iets
misdadigs in hun schild voeren, wat wij verhinderen willen. Ze moeten
met de veerpraam overgevaren zijn.
--Ah! Kan er ook een zekere Manach el Barscha bij geweest zijn,
die vroeger ontvanger in Uskub was?
--Juist.
--Dan heb ik ze gezien. Ik stond bij het veer, toen zij kwamen. Ze
hadden ruzie met den veerman, dien zij zweepslagen gaven in plaats
van zijn geld. Toen Manach mij voorbij reed, dreigde hij ook mij.
--Waarom?
--Omdat hij mij haat. Hij had den hoofdelijken omslag der Christenen te
innen en vorderde van mij het tien- en twaalfvoud van wat ik schuldig
was, en dat wilde ik niet meer betalen. Anderen ging het evenzoo,
en wij overlegden en klaagden hem aan. Hij heeft de Christenen voor
een groot bedrag opgelicht.
--Wat straf is hem opgelegd?
--Geen. Hij vluchtte, en men zegt dat hij de heele ontvang-kas
meegenomen heeft. Hij durft zich in Uskub niet meer laten zien. Dus
die menschen zoekt gij? Hij is altijd met onzen Konakdischi bevriend
geweest en zal ook nu wel bij hem thuis zijn.
--Kunt gij mij den weg zeggen, dien ik te nemen heb om naar
Treska-Konak te komen?
--Men moet de streek goed kennen, om zonder af te dwalen, er te
komen. Een beschrijving van den te volgen weg bracht u zeker in de
war. Als het u aangenaam is, geef ik u gaarne een volkomen betrouwbaren
man mee, die den weg even goed kent als ik. Hij zal het een groote
eer achten, u naar mijn vader te mogen geleiden, en daar hij dezen
vertellen zal, hoe gij mijn vrouw gered hebt, kunt gij zeker zijn
van een hartelijke ontvangst.
Zeer gaarne nam ik dat voorstel aan en vroeg:
--Ligt uw ouderlijk huis ver van den Konak?
--Ternauwernood twee minuten gaans.
--De bewoners van den Konak zullen ons dus zien aankomen?
--Wanneer gij dat niet wilt, zal mijn zwager u zoo leiden, dat niemand
u ziet. Overigens zal het stikdonker zijn, wanneer gij er aankomt. Mijn
zwager is nog eenigen tijd op het werk. Zoodra hij thuis komt, zal ik
hem uw geleide opdragen. Maar nu verzoek ik u mijn gasten te willen
zijn. Het is middag, en wij moeten eten. Wij kunnen u iets voorzetten,
dat gij in het land der Mahomedanen wel zelden zult zien.
Hij opende een met hooi gevulde kast en haalde er uit.... een ham en
een partij gerookte worsten.
--O Allah, Allah! Wat denkt gij, dat wij het achterdeel van een varken
en het in den rook gaar gemaakte bloed en vleesch er van zullen
eten?--riep Halef uit.--De Profeet heeft ons verboden dat te doen,
en wij zouden ons zeer bezondigen, wanneer wij ons met het lijk van
een zwijn voor eeuwig en altijd verontreinigden!
--Zoo iets slechts denkt niemand van u, Halef,--zeide ik. Wat mij
betreft, ik zal er aan smullen.
--Maar er zijn lintwormen (Dschild kurtlar) in!
--Daar zijn wij niet bang voor.
--Ik mag het ook niet zien eten, want zelfs het zien van varkensvleesch
moet ons een gruwel zijn; maar nu Omar en Osko niet hier zijn, heb ik
ook geen verwijt te vreezen, als ik uit verkleefdheid aan u, Sihdi,
hier stil blijf zitten. Als gij van den ham in uw mond steekt, zal
ik mijn oogen dicht doen, of minstens ter zijde kijken.
Onze gastheer bracht ham, worst, brood, peper en zout. Hij nam het mes
uit zijn gordel, en ik volgde dit prachtig voorbeeld. Nadat hij voor
zich een duchtig stuk had afgesneden, deed ik eveneens, en het gesmul
begon. Nooit heeft mij een ham lekkerder gesmaakt dan toen te Rumelia.
Halef zat zijwaarts achter mij; ik kon niet zien of hij mij gadesloeg,
maar ik kende mijn kleinen Hadschi te goed, om niet te weten dat
de lust om mee te genieten hem brandde tot in het puntje van zijn
tong. Hij zag, hoe het mij smaakte, en dat ik een tweede stuk afsneed.
--Hajde scheitani,--Weg duivel!--riep hij uit. Sihdi, wilt gij dan,
dat ik alle achting en eerbied voor u zal verliezen! Wanneer ik het
gebod van den Profeet opvolgde, zou ik u nooit weer mogen aanraken!
--Dat zou mij werkelijk spijten, mijn waarde Halef, maar nu gehoorzaam
ik aan den prikkel van wat onbeschrijfelijk lekker is, en niet aan
den Koran.
--Is het dan werkelijk zoo verbazend lekker?
--Er bestaat niets dat lekkerder is.
--Allah! Waarom heeft dan toch de Profeet ham verboden?
--Omdat hij zeker nooit er van geproefd heeft; anders zou hij het de
geloovigen ten sterkste aanbevolen hebben.
--Misschien toch ook wel om de lintwormen.
--Maar die zijn er niet in; daar kan ik een eed op doen.
--Dus gij meent, dat men het er op wagen kan?
--Gerust!
Ik hoorde het aan den toon van zijn stem dat hij watertandde. Ook
onze gastheer kreeg er schik in. Hij liet echter niets merken, maar at
ijverig door, zich alle moeite gevende om dat met klimmende verrukking
te doen.
Halef stond op en ging buiten de deur kijken. Ik begreep zeer goed,
dat hij rondzag, of Omar en Osko ook in de buurt waren. Toen hij
weer binnen kwam, trok hij een zeer vergenoegd gezicht. Hij had die
twee dus niet gezien. Zij stonden op de spoorbaan, een locomotief
te bewonderen, die juist een zandtrein voortsleepte. Zij hadden geen
tijd zich om ons te bekommeren.
De Hadschi ging weer zitten en zeide:
--Sihdi, ik weet dat gij niet graag over ons geloof spreekt; maar is
het niet ook uw gevoelen, dat de Profeet soms wel een klein beetje
ongelijk heeft?
--Dat zou ik u niet kunnen zeggen. Maar hij heeft toch den geheelen
Koran van den aartsengel Gabriël ontvangen.
--Maar kan een engel ook wel niet eens zich vergissen?
--Dat zal toch wel niet waar zijn, mijn lieve Halef.
--Of zou de Profeet den engel ook verkeerd hebben kunnen verstaan? Als
ik zoo nadenk, dan komt het mij voor, dat Allah de varkens niet zou
geschapen hebben, als Hij wilde dat wij ze niet zouden eten.
--Met die redeneering van u ben ik het geheel eens.
Hij haalde diep adem. Mijn tweede stuk ham was op, en in navolging van
mijn gastheer begon ik nu aan de worst. Halef begon te begrijpen, dat
wij klaar zouden zijn, voor hij zijn bezwaren zou overwonnen hebben.
--Zeg eens in alle oprechtheid, Sihdi, smaakt het vleesch werkelijk
zoo lekker als op uw gezicht te lezen staat?
--Nog oneindig beter dan mijn gezicht uitdrukken kan.
--Laat het mij dan eens ruiken.
--Wilt gij dan uw neus verontreinigen?
--O neen! Ik zal hem dicht houden.
Dat was zeker nog al dwaas, maar ik sneed een stukje ham af, stak
het op de punt van mijn mes en reikte het hem toe, zonder hem aan te
kijken. Ook de opzichter was zoo verstandig, niet naar hem te kijken.
--Ah! Oh! Dat is als een geur van het Paradijs!--riep de kleine. Zoo
krachtgevend, geurig, tandtergend! Hoe jammer, dat de Profeet het
verboden heeft! Hier hebt gij uw mes weer, Effendi.
Hij reikte het mij toe, het stukje ham was verdwenen.
--Neen maar, waar is de ham?--vroeg ik verwonderd.
--Wel aan het mes!
--Het is er af.
--Dan moet het er afgevallen zijn.
--Dat zou zonde zijn. Maar, Halef, ik geloof, ik zie u kauwen. Ik
keek hem scherp aan. Hij trok een grappig gezicht en antwoordde:
--Ik moet wel kauwen, want het stuk was van uw mes in mijn mond
gevallen, of dacht gij dat ik het zoo maar zou doorslikken?
--Neen. Hoe smaakt het?
--Zoo verbazend lekker, dat ik u wel iets zou willen vragen.
--Vraag op.
--Mag ik.... de deur sluiten?
--Gelooft gij dat men ons zou kunnen overvallen?
--Neen. Maar Omar en Osko hebben de wetten van den Profeet niet zoo
diepzinnig bestudeerd als ik. Zij zouden in verzoeking kunnen komen,
als zij nu binnen kwamen; dat wilde ik voorkomen. Zij moeten zich niet
te verwijten hebben, dat zij hun zielen verontreinigden met de lucht
van vleesch en bloed, dat in de darmen gestopt en daarin gerookt werd.
Hij stond op, grendelde de deur van binnen, ging toen bij ons zitten,
nam zijn mes en... sneed voor zich een stuk van een half pond, van
de ham af, dat verbazend gauw onder zijn snorretje--van rechts zes en
links zeven haren,--verdween. Daarna streek hij, met innig welgevallen
over zijn buik en zeide:
--Gij ziet, Effendi, hoe groot het vertrouwen is, dat ik in u stel.
--Wat ik gezien heb, Halef, dat was vooral uw smakelijk eten.
--Dat was een gevolg van mijn goed vertrouwen in uw voorgaan. Wat
mijn Effendi eet, dat kan mij niet buiten den zevenden hemel houden,
en ik vertrouw op uw stilzwijgendheid, dat gij aan Omar en Osko niet
zult vertellen, dat uw oordeel bij mij even hoog staat als de wetten
der heilige Khalifen.
--Ik zie niet in, waarom ik zou uitbazuinen, dat gij ook wel iets
lust dat lekker is.
--Goed, dan wil ik ook nog wat van deze Sudschuk (worst) nemen, nu
de Domuz pastyrmassy (ham) zoo heerlijk was. Onze gastheer zal het
mij vergunnen, want wat de herbergzaamheid iemand geeft, geeft Allah
honderdvoudig terug.
De opzichter knikte aanmoedigend hem toe, en Halef gaf zich alle
moeite om te bewijzen dat hij vandaag om het gebod van den Profeet
niets gaf. Toen hij volop genoten had, veegde hij zijn mes aan zijn
broek af, stak het in zijn gordel en zeide:
--Er zijn creaturen, die van de ondankbaarheid der menschen veel te
lijden hebben. Het varken heeft gewis niets gedaan, om de verachting
te verdienen, waarmede de geloovigen het aanzien. Was ik in de
plaats van den Profeet geweest, toen hem voorgezegd werd wat hij in
den Koran moest schrijven, ik zou beter opgelet hebben. Dan zouden
juist die dieren het meest in aanzien zijn, die de aangenaamste spijs
opleverden. En nu onze maaltijd geëindigd is, kan ik de deur weer
open doen, zonder te moeten vreezen dat onze vrienden schade zullen
lijden aan hun ziel.
Hij stond op en schoof den grendel weg, juist toen een flink,
welgebouwd jonkman op het punt stond binnen te komen.
--Israd,--riep de opzichter hem tegemoet, zoodra hij hem zag,--gij
hebt vandaag niet meer te arbeiden; ik geef u vrij. Deze Effendi wil
naar Treska-Konak rijden, en gij zult hem langs den kortsten weg,
er heen brengen.
De jonkman was de broer van de vrouw, die ik had mogen redden. En
deze nam die gelegenheid waar, om mij voor wat ik gedaan had,
allerhartelijkst te bedanken, en was blij dat hij mij een wederdienst
kon bewijzen.
--Maar hebt gij wel een paard?--vroeg ik hem. Gij kunt toch niet
loopen, terwijl wij hard rijden.
--Ik leen er ginds in het dorp een,--zeide hij. Wanneer wilt gij op
weg gaan, Effendi?
--Zoo spoedig mogelijk.
--Gij zult nog een heelen tijd moeten wachten, want uw kleeren zijn
nog lang niet droog. Intusschen zorg ik voor een paard.
Hij ging terstond weer weg.
--Gij zult aan hem een goeden gids hebben,--zeide zijn zwager, en
hij kan u omtrent alles inlichten.
--Dan is hij mij dubbel welkom, want ik zal hem omtrent een en ander
nog al wat te vragen hebben.
--Kunt gij mij dat niet vragen?
--Voor alles wilde ik gaarne weten, waar Karanirwan Khan ligt.
--Karanirwan Khan? Hm! Waarom wilt gij dat weten?
--Omdat de vijf mannen, die wij vervolgen, daar heen willen rijden.
--Ik ken helaas, geen plaats van dien naam. Er bestaat wel een
Karanorman Khan; dat ligt bij Weicza in de Schar Dagh.
--Dat weet ik, maar dat is de plaats niet, die ik zoek. Karanirwan Khan
moet een alleen-staand huis zijn, een Konak, het eigendom van een Pers.
--Perzen vindt men hier maar zeldzaam.
--Kent gij er niet een?
--Eén, ja.
--Hoe heet hij?
--Zijn waren naam ken ik niet. Hij heeft een grooten zwarten volbaard,
en daarom noemen wij hem altijd Kara Adschemt, den zwarten Perziër.
--Ah! Dat is misschien juist de man, dien ik zoek. Een zwaren zwarten
volbaard moet hij hebben, omdat hij juist Kara Nirwan heet. Vanwaar
is hij, dien gij bedoelt?
--Dat kan ik niet met zekerheid zeggen. Hij moet achter in de
bergstreek van Jalicza of Luma thuis hooren. Ik herinner mij, dat
hij ons van een beer vertelde, die hem bij den Zsalezs-berg tegemoet
kwam. Deze berg ligt echter bij de genoemde plaatsen.
--Zijn er dan ook beren in de Schar Dagh?
--Nog maar hoogst zelden. Vroeger kwamen zij meer voor, zooals mijn
vader dikwijls vertelt. Nu duurt het soms jaren, voor er weer zoo'n
dier hierheen verdwaalt.
--Weet gij niet zoo eenigermate, wat die Perziër is?
--Paardenhandelaar is hij, en wel een zeer beduidende. Ook moet hij
rijk zijn. Ik heb hem dikwijls, met meer dan tien knechten en een
ware kudde van paarden bij onzen buurman zien komen, bij wien hij
gewoonlijk zijn intrek neemt.
--Wat gij mij daar vertelt, is voor mij hoogst belangrijk, want ik
kan er allerlei gevolgtrekkingen uit maken. Deze paardenkoopman is een
Perziër, en hij heet Kara. Hij neemt zijn intrek bij den Konakdschi,
bij wien ook Manach el Barscha en de vier anderen willen zijn. Het
is zeer waarschijnlijk, dat deze man de persoon is, dien wij zoeken.
--Ik zou heel blij zijn, als ik u op het spoor had gebracht.
--Zou uw zwager nog iets meer weten?
--Hiervan niet. Hij is, even als ik, in langen tijd niet bij ons
thuis geweest. Maar als gij van avond bij mijn vader komt, dan kunt
gij hem en mijn broeder nadere inlichtingen vragen. Die twee kunnen
u misschien beter inlichten.
--Is uw vader met zijn buurman bevriend?
--Vrienden zijn ze niet, maar ook geen vijanden. Ze zijn buren, door
den nood gedwongen, het met elkaar te kunnen vinden. De Konakdschi
heeft iets valsch en geheimzinnigs over zich.
--Weet gij soms of hij ook in betrekking staat tot personen te slechter
naam en faam bekend?
--In een zoo eenzaam gelegen Konak komen allerlei menschen. Ik kan
dus geen stellig antwoord op uw vraag geven. Alleen weet ik dat hij
met den ouden Scharka omgaat. En dat is geen goed teeken.
--En wie is deze Scharka?
--Een kolenhandelaar, die met eenige helpers boven in de bergen
huist. Hij moet in een diep en donker hol wonen en men fluistert, dat
er dicht bij, menigeen begraven ligt, die geen natuurlijken dood is
gestorven. Het eenzame pad door het gebergte loopt over zijn gronden,
en het is eigenaardig, dat zoo veel reizigers het wel opgaan maar
nooit terugkeeren. En altijd zijn het personen, die veel geld of
geldswaardige zaken bij zich hadden.
--Dan is het een waar moordenaarshol! Heeft men dan de misdaden van
dezen man nooit kunnen naspeuren?
--Neen; want men waagt zich liefst niet in zijn nabijheid. Zijn helpers
zijn ruwe ijzersterke kerels, tegen wie men niet bestand is. Eens is
er een afdeeling van dertig soldaten heen gezonden, om de Aladschy's
te vangen, die zich bij hen ophielden. De soldaten zijn onverrichter
zake teruggekomen, nadat zij het zwaar te verantwoorden hadden gehad.
--Wie waren hun aanvallers?
--Dat wisten zij niet. Zij werden altijd bij nacht overvallen, door
menschen die zij nooit goed te zien kregen.
--De Aladschy's waren dus ook bij den kolenhandelaar! Kent gij hen?
--Neen,--antwoordde hij.
--En toch hebt gij ze vandaag nog gezien. Die twee kerels op gevlekte
paarden, die Manach el Barscha vergezelden, waren het. De naam dier
twee beruchte broeders, stemt met de kleur hunner paarden.
--Neen maar! Wie had dat kunnen denken! Dat waren dus de Aladschy's! Nu
verwondert het mij ook niet, dat de veerman door hen met zweepslagen
betaald is geworden. Zij rijden naar Treska-Khan; daar blijven zij
in allen gevalle niet. Misschien willen zij den kolenhandelaar weer
bezoeken.
--Dat is hoogstwaarschijnlijk.
--Dan bid ik u, rijd ze in Godsnaam niet achterna! De kolenhandelaar
en zijn gezellen moeten halve wilden zijn, die den sterksten wolf
met de hand wurgen.
--Ik ken menschen, die dat ook kunnen, ofschoon zij geen halve en
ook geen heele wilden zijn.
--Maar het is toch beter, zulke sujetten te vermijden!
--Dat kan ik niet. Ik heb u reeds gezegd, dat ik een misdaad moet
voorkomen. En ook heb ik een gruwelijke misdaad te wreken. Die wraak
geldt personen, die vrienden van mijn vrienden zijn.
--Kunt gij dat niet aan anderen opdragen?
--Neen, die zouden bang zijn.
--Maar laat dan de politie het doen!
--O wee! Die zou nog banger zijn. Neen, ik moet die vijf mannen
achtervolgen, al kwam ik ook in conflict met alle kolenhandelaars
van de wereld.
--Dan ben ik angstig en bang om uwentwille. Die Scharka is een ware
duivel. Hij moet behaard zijn als een aap en het gebit hebben van
een panter.
--Dat zal toch wel wat overdreven zijn.
--Neen. Ik weet het van menschen, die hem hebben gezien. Gij zijt
werkelijk niet tegen hem bestand.
--List en moed gaan alle lichaamskracht te boven,--bracht ik daartegen
in.--Maar als het u gerust kan stellen, doe mij dan dit eens na.
Er lag een spoorstaaf op den grond. Ik nam die op, niet in het midden,
en reikte hem die met uitgestrekten arm toe. Hij sprong achteruit
en riep:
--Effendi, zijt gij--zijt gij... alle drommels, ja, als het zoo is,
dan knijpt gij ook gemakkelijk een wolf dood!
--Pah! Die zich op zijn kracht verlaat, vindt allicht een sterkere. Een
weinig nadenken is beter dan de grootste lichaamskracht. Overigens zijn
wij zoo goed gewapend, dat wij voor niemand bevreesd behoeven te zijn.
--En--voegde Halef er op hoogen toon bij, op zichzelf wijzende,--mijn
Effendi is niet alleen, maar hij heeft mij, zijn trouwen vriend en
beschermer, bij zich. Laten ontelbare vijanden het wagen, ons aan te
vallen! Wij vermorzelen ze, zooals het wilde zwijn de muggen vertreedt.
Dat klonk al te potsierlijk. Zijn kleine figuur kwam allerminst
overeen met de zelfverheffing, die uit zijn hooge woorden sprak.
Ik bleef ernstig, omdat ik mijn kleinen Hadschi kende, maar de
opzichter moest, zijns ondanks, lachen.
--Lacht gij?--vroeg Halef.--Ik duld geen beleediging! Zelfs niet van
hen, wiens ham en worst ik gegeten heb. Als gij mij nader kendet,
zoudt gij voor mijn toorn sidderen en voor mijn grimmigheid beven!
--Ik beef bijna al,--verzekerde de opzichter, zoo ernstig mogelijk
kijkende.
--O, zulk beven, als gij nu doet, beteekent niets! Gij moet beven,
dat uw hart tegen de wanden van uw lichaam klappert en trilt. Gij weet
niet, met welke dieren en menschen wij al gestreden hebben. Wij hebben
den leeuw, den koning der woestijn, gedood en met vijanden gestreden,
bij wier verschijning gij, in de kast bij de gerookte achterdeelen
van het zwijn, wegkruipen zoudt. Wij hebben daden verricht, die ons
onsterfelijk maken. Onze namen zullen geschreven staan in het boek der
helden en op het perkament der onoverwinnelijken. Wij laten niet om
ons lachen, vergeet dat niet! Weet gij misschien hoe mijn naam luidt?
--Neen; maar ik heb den Effendi u als Halef hooren aanspreken.
--Halef!--zei de kleine op minachtenden toon. Wat is Halef? Niets
niemendal. Hoeveel menschen heeten niet zoo. Maar zijn die Halefs ook
Hadschi's? Kunnen zij op tallooze voorouders bogen, die allen Hadschi
waren? Ik zeg u, ik ben Hadschi Halef Omar Ben Hadschi Abul Abbas Ibn
Hadschi Dawuhd al Gossarah. Mijn voorouders behoorden tot de helden,
die voor zóó langen tijd leefden, dat geen mensch meer iets van hen
weet; ik zelf ook niet. Kunt gij dat soms ook van uw voorouders zeggen?
--Ja.
--Wat?
--Dat ik ook niets van hen weet.
De opzichter zei dat met ironischen ernst. Halef keek hem zwijgend
en toornig aan, maakte een minachtende handbeweging, keerde zich om
en ging weg met de woorden:
--Zwijg dan! Die van zijn voorouders niets weet, kan zich dan ook
met mij niet vergelijken!
--Maar,--riep de ander lachend hem achterna,--gij hebt zelf, daar
straks nog, ook bekend, dat gij evenmin van de uwe iets weet!
--Dat zijn de mijnen, maar de uwen niet. Van hen behoef ik niets te
weten, want zij zijn zóó beroemd, dat het onnoodig is iets van hen
te weten!--schreeuwde de Hadschi in grooten toorn.
--Dat is een zonderling ventje, dat gij bij u hebt,--zei de opzichter
hartelijk lachende.
--Een eerlijk mensch, trouw, bij de hand en zonder vrees, antwoordde
ik. Voor dien kolenhandelaar is hij werkelijk niet bang. Dat heeft
hij u willen zeggen, en hij deed het op zijn manier. Hij is eigenlijk
een woestijnbewoner en die menschen houden er van, zich zoo uit te
drukken. Nu zou ik wel eens willen gaan zien, hoe het met mijn kleeren
gesteld is. Misschien is de kleermaker-spoorwegwerker er wel mee klaar.
--En ik moet den arbeiders hun werk aanwijzen. Gij zult mij dus
toestaan, dat ik mij verwijder, Effendi!
Wij verlieten zijn woning. Juist toen ik de andere binnen wilde gaan,
hoorde ik achter de deur een heftig gekijf, en met zooveel geweld werd
de deur open gestooten, dat ze mij bijna tegen het gezicht sloeg. Er
kwamen twee mannen uit, die tegen mij aanbonsden, en wel Halef,
die in de eene hand mijn broek had en in de andere den man, die zijn
kleermakerstalent er op vertoonen zou. Halef sleepte hem achter zich
aan, zoodat hij met zijn rug naar mij gekeerd was, en dus niet zag,
tegen wien hij aankwam. Zich half omwendende, riep hij driftig:
--Stommerik, heb je dan geen oogen in je hoofd!
--Zeker heb ik oogen, Halef!
Hij beerde zich nu om, en toen hij mij zag, zeide hij:
--Ah, Sihdi, ik wilde juist naar u toe!
Hij was buiten zichzelf van opgewondenheid, trok den armen drommel
naar mij toe, hield mij de broek voor en vroeg:
--Sihdi, hoeveel hebt gij voor deze broek betaald?
--Honderd dertig piasters.
--Dat is dom geweest, zóó dom, dat ik medelijden met u heb!
--Waarom?
--Omdat gij honderd dertig piasters betaald hebt, voor iets dat een
broek moet zijn, maar het niet is!
--Wat is het dan?
--Een zak, een heel gewone zak, waarin gij alles kunt doen, wat gij
maar wilt: erwten, maïs, aardappelen, voor mijn part ook hagedissen
en kikvorschen. Gelooft gij het soms niet?
Zóó grimmig keek hij mij daarbij aan, dat ik bijna bang zou geworden
zijn. Ik werd het echter niet, maar antwoordde bedaard:
--Hoe komt gij er toe, mijn broek een zak te noemen?
--Hoe ik daar toe kom? Zie eens hier!