Met de grootste bedaardheid stopte de oude zijn pijp verder, en nam

toen met zijn bloote vingers een kooltje uit een klein vuurtje, dat

op een steen lag te gloren, alleen om den baas te dienen, bij het

aansteken. Toen hij eenige trekken gedaan had, riep hij op den toon

van een generaal-veldmaarschalk: Op! Vat aan, dappere jongens! Wij

moeten de piasters verdienen, die wij gekregen hebben.

Te zelfder tijd zagen wij, hooger op, de schuit uit de biezen vooruit

schieten. Voorop zat de vrouw; in het midden spanden de twee roeiers

alle krachten in, en achter aan hurkte Suef, met de teugels in de

hand. De kop van het paard stak boven het water uit. Een roer was er

aan het vaartuig niet.

Toen Suef ons zag, hief hij den arm op en maakte een spottende

handbeweging. Als hij die vaart behield, dan was hij zeer zeker over,

voor wij halverwege waren, want de drie dappere jongens van onzen

veerman schenen geen merg in zich te hebben. Ze maakten de praam

hoogst voorzichtig van den ketting los, namen toen de boomen ter

hand en staken daarmee in het water rond, alsof zij een speld op

den bodem wilden vinden. Tot overmaat van ramp waren onze paarden

aan zulk overgezet-worden niet gewoon. Wij moesten dus in den zadel

blijven om ze rustig te houden; anders had ik mijn gezellen gezegd

de handen mee aan het werk te slaan.

Halef kwam op een goede gedachte om onzen overtocht te bespoedigen. Hij

haalde zijn zweep uit zijn gordel en zeide tot den bij hem staanden

veerknecht:

--Wat vlugger!

Te gelijkertijd gaf hij hem een slag over zijn rug, en nauwelijks

was die gevallen, of de oude schreeuwde:

--O Allah, o weemoed, o noodlot! Pakt aan, gij jongelingen! Duwt,

stoot, gij mannen! Met alle kracht er op, gij sterken! Hoe eer wij

over komen, des te grooter de bakschisch, die wij van die vier beroemde

Scheiks en Emirs ontvangen.

Dit heerlijke vooruitzicht wond de drie jongens zóó op, dat zij

zich bovenmate inspanden. Het tempo hunner handbeweging verdubbelde

in snelheid. Natuurlijk verloren wij de schuit niet uit het oog. Om

recht tegenover de plek van afvaart aan te komen, moesten de roeiers de

schuit richten alsof zij stroomop wilden varen. Hoe meer zij echter het

midden der rivier naderden, des te meer moesten zij zich inspannen. En

toch dreef de schuit zóó beduidend af, dat het landingspunt, in plaats

van hen te naderen, des te meer van hen afweek. Dit afdrijven maakte

Suef ongerust. Uit de gebaren, die hij maakte, zagen wij, dat hij

zijn roeiers tot nog grootere kracht-inspanning aanvuurde.

Ook onze mannen moesten trekken wat zij konden. De kracht van

den stroom was zoo groot, dat de spantouwen doffe tonen lieten

hooren. Wanneer een van deze knapte, waren wij aan het geweld van den

stroom overgegeven. De oude veerman zocht zijn ganschen woordenschat

bijeen, om zijn helpers tot verdubbelde inspanning van krachten op

te winden.

De roeiers van Suef's schuit hadden zich in den aanvang wel door den

stroom laten meesleepen, maar ook zij hadden alle krachten ingespannen

en naderden al meer en meer de lijn, waarop de praam, aan het ankertouw

verbonden, zich bewoog. Reeds kon men Suef en zijn helpers duidelijk

onderscheiden. De oude veerman volgde met een zaakkundigen blik den

gang der schuit.

--Zij halen den overkant niet,--zeide hij. Of de riemen breken,

of---ah, Allah, Allah, zij halen het toch! Bij den Scheitan, er zit

kracht in die kerels! Het gelukt ze toch nog, want---wee, o wee! Nu

zijn ze verloren!

Hij had goed gezien. De rechter riem van een der roeiers was uit

den dol geglipt en uit 's mans hand gevlogen. Door de pijn van zijn

eigen val had hij ook den linker riem laten gaan, zoodat zij beide

door den stroom meegevoerd werden. Er bleef dus maar één roeier over

en.... die kon de schuit onmogelijk alleen regeeren.

De spoorwegwerkers waren allen toegesneld, om den afloop te

zien. In de grootste spanning hadden zij den strijd tusschen praam

en schuit gevolgd. Ook wij waren nu midden op de rivier, waar deze

het onstuimigst en dus het gevaarlijkst was. Onze praam helde zóó

naar een zijde over, dat zij allicht vol loopen kon, en dan waren

ook wij verloren. Het waren oogenblikken van de grootste spanning

en doodsgevaar.

De overgebleven roeier van de schuit moest den strijd opgeven. De

krachten begaven hem. Hij haalde zijn riemen in, en legde de handen

in zijn schoot. De stroom pakte de schuit en stuwde haar recht op

onze praam af. In woeste vaart schoot zij op ons af. Van de overzijde

klonk de angstige kreet:

--Vrouw, vrouw, houd u vast!

Op hetzelfde oogenblik was het gevreesde gebeurd. Een enkele krak, en

de schuit botste tegen onze praam. Op hetzelfde oogenblik weerklonk

er een hartverscheurende gil. Het was een eenstemmige kreet van de

arbeiders aan den kant, van de vier opvarenden der schuit en van ons,

die in de praam waren. Die krijtende gil kwam van zoo vele lippen en

was een eenparige uiting van den grootsten schrik.

In zulke oogenblikken handelen velen naar een instinctieven

drang, die ons dan tot het juiste beweegt, buiten alle overlegging

om. Oogenblikkelijk doen zij wat gedaan moet worden, en weten dan

later niet te zeggen, waarom zij zoo en niet anders hebben gehandeld.

Sommige menschen handelen volgens helder scherp overleg. Men

zegge mij niet, dat er in zulke oogenblikken van gevaar geen tijd

is om in minder dan een seconde te overdenken en een besluit te

nemen. Het is veel meer te bewonderen, hoe de algoede Schepper den

mensch begiftigd heeft met vermogens die desnoods tijd en ruimte

beheerschen. In den droom, bij voorbeeld, doorleeft men in enkele

minuten de gebeurtenissen van een geheelen dag, ja! van vele dagen

te zamen. Ik droomde eens, dat ik een examen moest doen. Een geheelen

dag hadden wij voor ons schriftelijk werk. Ik ging zitten, was er het

eerst mee klaar, mocht het gebouw verlaten en maakte een wandeling

van vele uren in het gebergte. De twee volgende dagen deed ik het

mondeling examen--altijd in denzelfden droom. Aan den avond van

den tweeden dag, toen het examen ten einde liep, brak er een bank,

waarop vele toehoorders zaten en.... ik ontwaakte. Mijn contubernaal

had het venster dicht geslagen. Informeerende naar wat er van mijn

droom waar kon zijn, zeide hij dat ik, voor hoogstens drie minuten,

hem gezegd had, dat hij mij met vragen niet meer moest ophouden,

want dat ik doodmoe was en wilde slapen. Ik had dus in drie minuten

die examen-dagen doorgemaakt en dat met zooveel zelfbewustheid, dat

ik mij volkomen goed herinnerde wat ik op de vele pagina's van den

eersten dag had geschreven en wat ik de twee volgende dagen bij het

mondeling examen had geantwoord. Ja, ik wist zelfs, welke personen

ik op mijn berg-wandeling had ontmoet en waarover ik met hen had

gesproken. Van het in dien droom-nacht doorleefde herinnerde ik mij

des anderen daags echter maar bitter weinig.

Wanneer men dus droomende in drie minuten doorleven kan, waarvoor

men wakende drie dagen, dat zijn 1400 minuten noodig heeft, dan

openbaart zich hierin een vermogen van onzen geest, dat mijne nu

volgende handelingen moet beheerscht hebben.

Ik heb mij in omstandigheden bevonden, dat mijn of anderer leven aan

een seconde hing, en als dit moment voorbij en het gevaar afgewend

was, heb ik altijd geweten, dat ik in deze ééne seconde het gevaar

volkomen had doorzien, alle middelen tot afwering mij door het hoofd

waren gegaan, en het zekerste door mij gekozen en uitgevoerd was. Dat

lijkt onbegrijpelijk, ja een wonder, maar in het dagelijksche leven

komen duizenden van zulke wonderen voor, zonder dat men er zich van

bewust is. Niet alleen leven wij en bewegen wij ons te midden van

wat enkel wonderen Gods zijn, maar wij zelf zijn van al die wonderen

ongetwijfeld het grootste. De godloochenaar moge over dit zeggen de

schouders ophalen, ik beklaag hem.

Iets dergelijks deed zich hier op de hoog gezwollen rivier voor.

De vrouw, die in den voorsteven van de schuit hurkte, klemde zich,

van angst jammerende, aan den boeg van het vaartuig vast, maar de

botsing was zóó geweldig, dat zij er uit geslingerd werd. Zij verdween

in den wilden drabbigen vloed en--ik met haar.

Hoe ik van mijn paard af ben gekomen, hoeveel tellen ik gebruikt heb,

om mij van de geweren, van den inhoud mijner zakken en mijn gordel

te ontdoen, kan ik onmogelijk zeggen. Halef beweerde later, dat ik

mij reeds vóór de aanvaring van het paard had laten glijden, in het

zekere vooruitzicht, dat de vrouw zich niet zou kunnen houden. Hij

zou ook getracht hebben mij te weerhouden, maar daar herinner ik mij

niets van. Al mijn denken concentreerde zich op een enkel punt.

Zeker weet ik alleen, dat ik de vrouw met één hand greep en mee in

de diepte trok, om met haar van onder de schuit èn de praam weg te

komen. Die konden voor ons gevaarlijk worden.

Toen ik weer opdook zag ik, dat wij een tamelijk eind afgedreven

waren. Ik hield de vrouw bij de mouw van haar blauw-katoenen Zuava (van

voren open geborduurd jakje); zij was bewusteloos, wat voor mij niet

anders dan gemakkelijk kon zijn. Ik bevond mij over de halve breedte

der rivier, dus voorbij het midden, waar de strooming het ergst was

en aan de zijde van de spoorwerkers, en moest nu trachten den oever

te bereiken, zonder in den strijd tegen de golven mijn krachten te

verspillen. In zulke toestanden mag men niet voorover, maar moet men op

zijn rug zwemmen, wat weer dit nadeel heeft, dat men niet voor zich uit

kan zien. Maar het heeft dit voordeel, dat men veel meer dragen kan,

en het niet zoo vermoeit. Ik lei de vrouw dwars over mij heen, zoo

dat haar hoofd boven water bleef, en ik liet mij op den stroom drijven.

Daar ik het lichaam der drenkelinge te dragen had, kwam het mijne

diep te liggen. Wat moeite ik mij ook gaf, het gelukte mij slechts

nu en dan mond en neus boven water te krijgen om adem te kunnen

halen. Tevens deed ik al wat mogelijk was, om den oever te naderen.

Dat was bij lange na zoo gemakkelijk niet, als mijn lezers wellicht

zullen denken. De oever brak de strooming en dreef haar in breede

golvingen naar het midden der rivier terug. Ik kon alleen naar

omhoog en een weinig ter zijde zien, maar in 't geheel niet voor

mij uit, en toch moest ik mij in acht nemen voor de vele voorwerpen,

die in de rivier dreven of er uit staken. De menschen aan den oever

liepen stroom-afwaarts, in dezelfde richting als ik, maar brachten

mij door hun schreeuwen in de war. De reden van dat schreeuwen was,

dat zij mij moeilijk bij konden houden, want de vloed dreef mij met

zoo'n ontzettende vaart voort, dat ik er duizelig van dreigde te

worden. En--ik moest al mijn bedaardheid bewaren. Als ik in de vele

maalstroomen en draaiïngen, armen of beenen verkeerd uitsloeg, wanneer

ik ook maar een oogenblik mijn zelfvertrouwen verloor, dan was het

gedaan, èn met mij èn met de vrouw. Met alle kleeren aan te zwemmen,

is in stilstaand water al moeilijk, maar in dit onstuimig element,

met een drenkeling op mij en met de vroeger zoo welkome maar nu zoo

fatale jichtlaarzen aan van den arts van Radowitsch, dat was toch nog

iets anders. Zooals later uitkwam, was ik in 't geheel niet lang in

het water geweest, maar er in liggende leek het mij een eeuwigheid toe.

Eindelijk was het mij gelukt, uit den mij met geweld meesleurenden

stroom, en over de zich aan den oever vormende draaiingen, heen te

komen. Ik bevond mij in het meer stilstaande water van het overstroomde

land, maar kon, tot mijn verwondering, geen grond voelen. Dat bracht

mij in de war; want als ik mij liet zakken om vasten grond te krijgen,

zonk ik al dieper en dieper weg. Op eens hoorde ik iemand toeroepen:

--Allahy sewersin! Daha uzak, daha uzak jüz. Orada

tschukurlur. Schurada gel!--Om Godswil! Zwem verder, verder! Daar

zijn groeven. Kom hierheen!

Men had, bij het ophoogen van den dam, den nabij liggenden grond

gebruikt, waardoor natuurlijk diepten en groeven waren ontstaan, boven

welke ik mij bevond. Ik kon den roepende niet zien, omdat het water mij

over de oogen stroomde; maar ik vermoedde, dat hij op den dam stond,

en zwom op het geluid af, naar hem toe. De dam vlakte boven het water,

dat, tot bij hem, diep-water was.

Toen ik daar aankwam, strekten tien, twintig handen zich naar mij en

naar de drenkelinge uit. Men nam de bewustelooze van mij over. Ik zelf

kroop half tegen den dam op, half werd ik er tegen opgetrokken. Eerst

nu voelde ik, dat mijn kleeren als lood aan mij kleefden.

Rondom mij was alles een en al gejubel; slechts twee hieven klaagtonen

aan. Zij, die dat deden, meenden dat de vrouw dood was. Ik zei hun

echter dat zij onmogelijk verdronken kon zijn, ofschoon het kon

zijn dat de botsing haar gedood had. Zij werd stroomopwaarts naar de

planken-huizen gedragen.

Nu hoorde ik den hoefslag der mijnen. Mijn drie vrienden kwamen in

galop langs de spoorbaan aanrijden. Halef was de voorste.

--Sihdi, Sihdi!--riep hij al van de verte.--Zijt gij dood of leeft

gij nog?

--Ik ben springlevend!--antwoordde ik. Ik ben zoo frisch als een

hoentje.

--Allah zij geloofd, geprezen en gedankt!

Hij sprong van zijn paard, wierp zich naast mij op den grond, greep

beide mijn handen en zeide:

--Maar hoe kan iemand in zulk vuil water springen! En hebt gij daarvan

moeten inslikken?

--Ja, en het smaakte bijna als het bier van den waard te Radowitsch.

--Ik zou er liever niet van proeven. Allah, Allah, wat schrikte ik,

toen ik u in het water zag verdwijnen! Is dan een vrouw het waard,

dat men er zijn leven voor waagt?

--Natuurlijk! Zoudt gij voor Hanneh, de lieflijkste van alle dochters

en vrouwen, uw leven niet wagen?

--Voor Hanneh? Zeer zeker en gewis! Maar wat was die vrouw? Uw

verloofde of zuster? Had zij u lief, en zou zij uw vrouw worden?

--Zij was een menschenkind, dat in doodsnood verkeerde, en voor water

behoefde ik geen vrees te hebben.

--Neen, maar het is vandaag woest onstuimig. Zie maar eens hoe wild

het te keer gaat, uit kwaadaardigheid dat die vrouw ontkomen is. Ik

heb Rih voor u meegebracht, omdat gij niet loopen kunt. Stijg op. Wij

moeten een gelegenheid zoeken, waar gij uw kleeren kunt drogen.

--Waar zijn mijn geweren en verdere zaken?

--Ik heb alles. De geweren hangen ginds aan uw zadel.

--En hoe is het met de andere opvarenden van de schuit gegaan?

--De twee roeiers hebben wij op de praam getrokken; maar de kleermaker

was over boord geslagen.

--En is hij verdronken?

--Neen. De Scheitan heeft nog niets van hem willen weten. Ik heb hem

met zijn merrie zien zwemmen; we willen eens zien, waar hij te land

is gekomen.

Hij stond weer op en keek naar Suef rond. Na een oogenblik wees hij

naar het lager einde der rivier.

--Daar zijn de twee beesten, hij en zijn paard.

Ik keek in de aangeduide richting en zag, ver van ons, den bedoelde,

die den staart van zijn paard had gegrepen en zich door de merrie

liet slepen. Die oude merrie was werkelijk een kostbaar dier.

--Zal ik er heen rijden en hem achterover slaan, als hij uit het

water komt?--vroeg Hadschi.

--Neen, hij zal genoeg angst uitgestaan hebben. Dat is voldoende

voor hem.

--Maar hij alleen is de schuld, dat gij in het water hebt moeten

springen!

--Dat is geen reden om hem dood te slaan.

--Maar hij zal ons ontsnappen! In uw toestand kunt gij hem toch

niet volgen.

--Laat hem loopen! Wij halen hem toch nog wel in.

Natuurlijk betuigden Osko en Omar mij hun groote vreugde over het

welgelukken van mijn waterexpeditie, die in 't geheel niet op ons

programma had gestaan.

Tal van spoorwerkers omringden ons, die met de vreugde-kreten instemden

en mij drongen, mee te gaan naar een der hutten, waar een Soba (haard)

stond, waarbij ik mijn kleeren spoedig kon drogen. Dat had ik stellig

het meeste noodig. Daarom steeg ik te paard en reed terug, juist toen

ook de kleermaker den oever bereikt had. Wat hij nu verder ging doen,

kon mij voorloopig onverschillig zijn.

Ik behoefde mijn paard niet te mennen; daar zorgden de arbeiders

voor. Zij grepen de teugels, ja zelfs de stijgbeugels. De anderen

liepen voor, naast en achter mij, en zoo werd ik in triomf weggeleid,

een natte triomftocht, want het water sijpelde door mijn kleeren tot

in mijn jicht-laarzen. Even omziende, zag ik, dat Suef dwars door het

veld heen, weggaloppeerde. Paard en ruiter schenen dus heelhuids er

af gekomen te zijn.

Ook nu had Halef mijn voorbeeld gevolgd en omgekeken. Suef ziende,

hief de kleine Hadschi zich op in den zadel, balde toornend de vuist

en zeide:

--Kem lahana uzuw ümri war; lakin Allah war eder, Allah jog

eder.--Onkruid houdt het lang, maar Allah geeft en neemt het leven.

Hij wilde in zijn toorn zeggen, dat de kleermaker, dat onkruid,

uitgeroeid moest worden en het ons, zoodra Allah het wilde, gelukken

zou.

Daar, waar de veerschuit, dat wil zeggen de praam, op den rechter

oever was geland, stond de oude veerman met zijn drie helpers. Toen

hij mij zag komen, verhief hij zijn stem en riep op pathetischen toon:

--Duizendmaal dank den heiligen Khalifen, tienduizendmaal geloofd zij

de Profeet en honderdduizendmaal geprezen zij Allah, de Almachtige,

die u behoed heeft in de ure des gevaars. Toen ik u in den stroom zag

verdwijnen, versteende mij het hart van den schrik en schreide mijn

ziel bloedige tranen. Maar nu ik u behouden mag weerzien, is mijn

geest vol jubel en gejuich, want gij zult uw woord gestand doen en

ons de bakschisch geven, ons door u beloofd.

De bakschisch was het dus, waartoe de lange rede moest dienen. Ik

schudde het hoofd en antwoordde:

--Ik weet van geen belofte, die ik u zou hebben gedaan.

--Dan heeft het water u in de war gebracht. Bedenk, wat gesproken is,

toen uw begeleider ons met zijn zweep vermaande, om vlugger te zijn.

--Mijn geheugen heeft niet geleden; ik herinner mij ieder woord. Gij

hebt een fooi verlangd, maar ik heb niets gezegd.

--O Emir, wat beklaag ik u! Uw hoofd is verzwakt! Juist uw zwijgen

bewees uw toestemming van wat ik vroeg. Hadt gij de bakschisch willen

weigeren, dan hadt gij dat duidelijk moeten zeggen. Omdat gij gezwegen

hebt, daarom hebben wij er recht op.

--En als ik nu blijf weigeren?

--Dan dwingt gij ons u te straffen, en u te houden voor een man,

die zijn woord geeft en het niet lost.

Met die bedreiging kwam hij verkeerd uit, niet bij mij, maar bij de

spoorwerkers. Dat hij om een fooi dwong, die ik hem in 't geheel niet

had beloofd, en dat in bewoordingen deed, die mij moesten kwetsen,

maakte hen boos. Zij hadden hem terstond bij de kladden en twintig

vuisten sloegen op hem los.

--Halt! Laat hem los!--riep ik boven het rumoer uit, dat de mannen

maakten. Ik wil hem zijn bakschisch geven.

--Dat is niet noodig,--riep een hunner,--wij geven die al, zooals

gij ziet.

--Houdt op, houdt op!--gilde de oude. Ik wil geen betaling, ik heb

de fooi al!

Hij rukte zich los en vloog naar zijn praam, waarheen zijn drie helpers

reeds waren gevlucht. Hijzelf ontwikkelde daarbij een vlugheid,

die het tegenovergestelde was van de flegmatieke bedaardheid,

die hij vroeger getoond had. Hij vergat zoowaar er aan te denken,

dat het zijn stelregel was, om niets te doen zonder zijn pijp. Dat

onmisbare voorwerp had hij laten vallen, en hij liet het in den

steek. Een van de arbeiders raapte het op en wierp het hem op de

praam achterna. En hij greep.... niet naar zijn pijp, maar naar den

ketting, om de veerschuit zoo spoedig mogelijk van den oever los te

maken. Zoodra er echter een streepje water was tusschen hem en ons,

begon hij te schelden en mij voor een vrek en woordbreker uit te maken.

Halef ging naar den oever, legde zijn geweer aan en dreigde:

--Sekiut dur, joksa atarim--zwijg, of ik schiet!

Maar de oude bleef schelden. Hij kon zich niet voorstellen, dat de

Hadschi zijn bedreiging zou uitvoeren. Hij had den duwboom in de hand

zonder dien te gebruiken. Op eens drukte Halef los. Hij had op den boom

gemikt, en de kogel trof dien dicht bij de hand van den oude, zoodat

de splinters er afvlogen. De veerman gaf een gil, liet den duwboom

over boord vallen, en plofte plat op den bodem van de praam neer,

waarschijnlijk denkende daar veilig te zijn voor een tweeden kogel.

Er brak een algemeen gelach van de arbeiders los, om de behendigheid

waarmee de anders zoo langzame veerman nu wegdook.

Nu kwamen wij al spoedig bij de planken-woningen, waar wij

stilhielden. Ik steeg af en werd er binnen gebracht.

Het was een groot, ruim vertrek. Aan de wanden hingen de weinige

eigendommen der arbeiders. Rondom waren planken aangebracht, die

dienden om er op te zitten en op te slapen. In den achtersten hoek

stond een groote kookkachel van een constructie zooals ik nog nooit

had gezien.

Er waren vier kookketels op, en de vuurhaard was allergeschiktst om

natte kleeren te drogen.

Ik was nauwelijks binnen gekomen, of uit een andere hut kwam een

jonge krachtvolle man naar mij toe, die mij terstond toeriep:

--Heer, gij hadt gelijk. Zij is niet dood, maar zij leeft! Zij haalt

weer adem. Ik heb mij gehaast om het u te komen zeggen en u mijn dank

te betuigen.

--Is zij een verwante van u?

--Ze is mijn vrouw. Ik ben de Baschi ischdshiji (Opzichter). Zij heeft

den overtocht gewaagd, omdat ik haar gezegd had, dat zij van morgen

vroeg hier moest zijn. Maar gij moet u uitkleeden. Ik zal terstond

mijn Ziaset esbaby (Zondagskleeren) halen.

Hij ging en kwam terstond terug met een broek, buis, vest en een

paar pantoffels. Ik trok mij achter een beschotje terug, om mij

te verkleeden. Halef hielp mij daarbij. Onderwijl hij mij de natte

kleeren uittrok, jammerde hij:

--Effendi, nu is het uit met de waardigheid van uw rang en de

bekoorlijkheid uwer figuur. Dit mooie pak heeft u in Stambul over

de zeshonderd piasters gekost, en nu heeft het water er al den glans

aan ontnomen. Zie eens, wat een ontzettende scheur gij met zwemmen,

in de pijp van uw broek hebt gemaakt. Die moet dicht gemaakt worden,

opdat de liefelijkheid uwer leden niet lijde. Garen en naalden heb

ik wel altijd bij mij, maar of hier een ütü (strijkijzer) zal zijn,

om uw pak weer op te fleuren, dat betwijfel ik.

Men moet zich van mijn voorkomen en gestalte geen voorstelling maken

uit wat mijn Hadschi er van zegt. Het was nu eenmaal zijn gewoonte

zich zoo uit te drukken.

--Vraag eens rond, misschien is er wel een kleermaker onder de

arbeiders.

Hij ging met mijn kleeren weg, en ik hoorde hem luide vragen:

--Hoort, gij zonen en kleinzonen van den spoorweg, is er onder u ook

een die kleermaker is?

--Hier!--riep een stem.

--Allah zegene u, mijn vriend, dat gij in de jaren uwer jeugd op

de gedachte gekomen zijt, de producten van het weefgetouw met garen

aaneen te naaien, zoodat de mannen van uw volk hun armen en beenen

er kunnen insteken! Maar kunt gij ook scheuren dicht naaien?

--Zóó netjes, dat het kleedingstuk er nog mooier uitziet dan vroeger!

--Dus zijt gij een groote Ustaljnenün (ridder van de naald). Maar

hebt gij ook een strijkijzer bij u?

--Twee zelfs!

--Dan geef ik aan uw verantwoording de kleeren over, van mijn vriend en

gebieder. Gij moet ze drogen en opstrijken, en de scheur onzichtbaar

maken. Als gij dat zoo doet, dat niemand die zien kan, dan krijgt

gij een bakschisch, en de geloovigen van alle landen zullen zich

verblijden in uw kunstvaardigheid, en uw roem verbreiden tot waar

het heelal ten einde loopt. Hier, neem de kleeren in uw armen, en de

geest van den Profeet verlichte u!

Ik moest lachen, want ik kon mij zoo voorstellen met wat ernstig

gezicht hij deze tirade voorgedragen had. Toen hij bij mij terugkwam,

vond hij mij met het onderzoeken van het gipsverband bezig.

--Men behoeft ook niet te vragen of die in het water geweest is!--zeide

hij.--Is het losgeweekt?

--Neen, maar ik zou het wel willen afdoen. Het zit er, weliswaar,

nog maar enkele dagen om, maar ik geloof, het wel te kunnen wagen.

Met onze messen verwijderden wij het verband, zonder er eenige pijn

van te hebben. Dat was een gunstig verschijnsel. Toen de voet geheel

buiten alle gipsverband was, beproefde ik er op te staan. Het ging

boven alle verwachting goed. Ik ging eenige passen op en neer, en

voelde, dat ik er gerust op kon loopen. De verstuiking was minder

erg geweest dan ik had gedacht.

--Nu trekt gij toch zeker die jichtlaarzen niet meer aan?--vroeg de

Hadschi op de genoemde voetbekleeding wijzende, die door het water

er hoogst treurig uitzagen.

--Neen; ik laat ze hier.

Door het land der Skipetaren · 第 31 / 34 段