aan. De man had een open, eerlijk gelaat, en zag er niet als een
menschen-hater uit. Zijn afwijzende houding moest een bizondere reden
hebben, die ik giste. Daarom vroeg ik:
--Gij schijnt tegen mij ingenomen te zijn. Waarmede heb ik de
onvriendelijkheid verdiend, waarmee gij mij antwoordt?
--Tschelebilik duzen kischunun dir, (hoffelijkheid is een sieraad
van den mensch), dat is waar, maar er zijn personen, voor wie dat
spreekwoord niet geldt.
--Meent gij, dat ik tot die menschen behoor?
--Ja.
--Dan zeg ik u, dat gij u grootelijks vergist. Men heeft mij bij
u belasterd.
--Van waar weet gij, dat men van u gesproken heeft?
--Uit uw spreken leid ik dat af.
--Juist die argwaan zegt mij, dat men mij niet belogen heeft. Rij
dus door! Ik heb niets met u te maken.
--Maar ik wel met u!
--Geef u geen moeite, ik ken u,--zeide hij met een verachtelijke
handbeweging. Indien gij verstandig zijt, dan verlaat gij ons dorp. Gij
zijt hier in een afgelegen streek, waar men u en de uwen te vreezen
heeft, omdat men op geen hulp kan rekenen. Maar, zie dien man eens. Gij
ziet dat ik mannen van den Padischa bij mij heb.
Een half en half als militair gekleede persoon was in de deurpost
verschenen. Aan de gezichten was te zien, dat die twee broers
waren. Ook hij leek mij iemand te zijn, dien men met geen vriendelijke
praatjes moest aankomen.
--Wat is er? Wat wil die vreemdeling?--vroeg hij den huisheer.
--Ik weet het niet,--antwoordde deze. Ik begeer het ook niet te
weten. Ik heb hem al gezegd, dat hij verder moest rijden.
--Dat zal ik ook doen,--antwoordde ik. Maar ik zoek eenig naricht
in te winnen, en ik hoop, dat gij een beleefde vraag wel zult willen
beantwoorden.
--Dat zullen wij doen, als uw vraag een zoodanige is, die men
beantwoorden kan,--zeide de militair.--Ik ben Hekim askeri (officier
van gezondheid) in Uskub en ben hier bij mijn broeder op bezoek. Dat
wil ik u zeggen, voor gij iets vraagt.
Nu was mij alles duidelijk. Daarom vroeg ik:
--Er zijn van morgen vijf mannen te paard hier geweest?
Hij stemde het toe.
--De een was gewond en gij hebt hem verbonden?
--Zoo is het! Weet gij misschien, wie hem zoo gewond heeft?
--Ik zelf.
--Dus is het waar, wat deze menschen ons hebben verteld.
--Wat hebben zij dan verteld?
--Dat zult gij zelf beter weten dan wij. Als gij verder niets te
vragen hebt, kunnen wij het gesprek wel afbreken.
Hij wendde zich van ons af.
--Halt, wacht nog even!--zeide ik. Ik kan mij voorstellen, dat men u
belogen heeft; maar hoe, weet ik niet. Daar gij echter een militaire
arts zijt, moet gij kunnen lezen. Zie dit papier eens in.
Ik haalde mijn Firman te voorschijn. Nauwelijks was zijn oog op het
schrift en op het zegel gevallen, of hij maakte een diepe buiging en
zei verbaasd:
--Maar dat is het schrift en het zegel van den Grootvizier! Zulk
een document wordt alleen met bizondere vergunning van den Padischa
gegeven.
--Juist! En ik ben blij dat gij dit zoo goed weet.
--En gij zijt de rechtmatige bezitter van dezen Firman?
--Ja; overtuig u door het signalement met mijn persoon te vergelijken.
Hij deed het, schudde het hoofd en zei tot zijn broeder!
--Het schijnt, dat wij dezen Effendi ten onrechte verdacht hebben. Hij
is niet, wat men van hem gezegd heeft.
--Ik ben overtuigd dat men grove onwaarheid over mij verteld
heeft,--voegde ik er bij. Misschien hebt gij de goedheid mij te zeggen,
wat men wel van mij gezegd heeft.
--Gij zijt dus werkelijk een Effendi uit Alemanja, waar de groote
Keizer Guillem regeert?
Toen ik dat toegestemd had, vervolgde hij:
--Hier hebt gij uw Firman terug. Men heeft ons werkelijk belogen;
men heeft ons gezegd dat gij roovers waart.
--Zoo iets heb ik vermoed. Maar juist zij, die hier bij u geweest zijn,
waren dieven en moordenaars.
--Zij gedroegen zich toch heel anders.
--Wat wonder! Zij hadden uw hulp noodig, en moesten dus wel stil zijn.
--En een was er bij, dien ik kende.
--Manach el Barscha?
--Ja. Hij was vroeger ontvanger van de personeele belasting in Uskub.
--Moet gij hem nog ontzien? Hij is toch afgezet!
--Ja, maar hij behoefde toch geen bandiet te worden!
--Toch is hij het. Hebt gij wel eens van de beide Aladschy's gehoord?
--Heel dikwijls. Het zijn twee struikroovers, die het gansche gebied
van de Kerubi- en Bastrik-bergen, tot aan Dovanitza Planina onveilig
maken. Men heeft tevergeefs getracht hen te vangen. Waarom vraagt
gij naar die menschen?
--Omdat zij hier bij u zijn geweest. Hebt gij geen acht geslagen op
de paarden van die vijf ruiters?
--Ja. Er waren twee sjekken bij, twee prachtige paarden die--
Hij zweeg op eens en keek verlegen mij aan. Zijn mond bleef open. Hij
was tot besef van de waarheid gekomen.
--Welnu, vertel verder!--drong ik.
--Allah!--riep hij uit. Daar bedenk ik wat! Die twee struikroovers
rijden sjek-paarden en worden daarom Aladschy genoemd.
--Nu, en wat volgt daaruit?
--Dat zij het waren, die hier in huis zijn geweest.
--Juist! Gij hebt de beide Aladschy's bij u ontvangen, en de drie
anderen zijn even groote boeven.
--Dat had ik niet gedacht! En die bandieten hebben u er van
beschuldigd. Zij vertelden, gij waart bergroovers (Kimesneler
daghlarde) en ze beweerden, u in het Konak van Kilissely aangetroffen
te hebben. Naar aanleiding van een twist, hadt gij op hen geloerd en
geschoten. Ik heb den oude, die twee kogels in zijn arm had, verbonden.
In korte trekken vertelde ik, wat er voorgevallen was en vernam van
hem, dat zij den weg naar Uskub waren opgegaan.
--Maar op den weg zijn hun sporen niet te zien,--merkte ik aan.
--Zij sloegen den weg naar Rumelia in. Naar hun meening was de groote
weg te modderig. Tot Rumelia konden zij aldoor over grasvlakte rijden.
--Maar zij maken een grooten omweg, wat voor een gewonde nog al iets
beteekent. Ik zeg u, dat zij in 't geheel niet naar Uskub willen
gaan. Daar zouden zij gevaar loopen, opgepakt te worden. Zij vluchten
voor ons. Daarom hebben zij u wat voorgelogen, opdat gij aan ons niet
zoudt verraden, waarheen zij reden. Is de weg van hier naar Rumelia
moeilijk te vinden?
--In 't geheel niet. Die loopt nog een klein eind langs de rivier en
gaat dan rechtsaf. Gij zult de sporen van de vijf ruiters gemakkelijk
vinden, want de weg is tamelijk zacht.
Nu nam ik afscheid en ging naar mijn wachtende metgezellen terug.
--Onze vluchtelingen gaan niet naar Uskub; zij zijn naar Rumelia
gereden.
--Naar Rumelia?--vroeg Janik. Zij hebben dus den grooten weg
verlaten. Wilt gij hen soms volgen, Sihdi?
--Ja. Wij zullen dus moeten scheiden.
Het was een roerend afscheid, dat wij van het jonge bruidspaar namen.
Toen wij nu, in plaats van noordwestelijk, precies westelijk reden
en het dorp achter ons hadden, konden wij de sporen der vijf mannen
duidelijk op den weeken grond zien. Een eigenlijke weg was er niet.
--Kent gij dit Rumelia?--vroeg mij Halef, die zich weer naast mij
bevond.
--Neen. Ik weet alleen dat het een dorp is; ik ben hier nog nooit
geweest. Vermoedelijk ligt deze plaats aan den weg, die van Köprili
langs de Warder naar Uskub brengt. Aan den anderen kant loopt de
spoorweg.
--Ah! Wij konden dan misschien wel een eind per spoor gaan. Wanneer
ik bij Hanneh, de mooiste van alle jonge dochters, terug ben, dan
zal ik er trotsch op zijn, te kunnen vertellen, dat ik ook eens in
een wagen gezeten heb, die door rook getrokken werd.
--Zoo'n wagen wordt niet door rook maar door stoom gedreven.
--Dat is toch hetzelfde?
--Neen; rook kunt gij zien, maar stoom is onzichtbaar.
--Als men stoom niet kan zien, hoe weet gij dan, dat er stoom is?
--Kunt gij muziek zien?
--Neen, Sihdi.
--Dan is er volgens u ook geen muziek. Het is niet goed mogelijk u
het wezen en de werking van den stoom te verklaren. Om mij daarbij
te kunnen volgen, moet gij eerst meer elementaire kennis hebben.
--Sihdi, wilt gij mij beleedigen? Heb ik niet menigmaal bewezen,
dat het mij aan elementaire kennis niet ontbreekt?
--Maar op het gebied der physica zijt gij een volkomen vreemdeling.
--Wat is dat voor een gebied?
--Daartoe behooren de krachten en wetten der natuur.
--O, ik ken alle natuurlijke krachten en wetten. Als iemand mij
beleedigt, dan is het toch niet moeielijk te begrijpen, dat de
natuurwet zegt, hem daarvoor een oorvijg te geven. En als ik dan
volgens de natuurwet dien klap geef, dan is het door de natuurkracht
dat 's mans oor tintelt. Of heb ik daarin ongelijk?
--Gij hebt zeer dikwijls gelijk, ook als gij ongelijk hebt, mijn
waarde Halef. Overigens spijt het mij, dat gij Hanneh, die bloem
aller vrouwen, niet zult kunnen vertellen dat gij in een spoorwagen
gereden hebt.
--Waarom niet?
--Eerstens weet ik niet, of de spoorweg al wel bereden wordt, en dan,
wij moeten onze vijanden volgen. Die reizen niet per spoor, bij gevolg
moeten wij ons dat genoegen ook ontzeggen.
De weg was nu redelijk goed. Wij kwamen dus tamelijk vlug vooruit. Na
een half uur zagen wij het dorp voor ons liggen. Rechts ging de weg
naar Uskub, en die links ging naar Köprilie over Kapetanli Han.
Toen ik mijn oog over den weg liet gaan, zag ik een ruiter in
gestrekten galop van Kapetanli Han aankomen. Iemand die op zulk een
drassigen weg zoo snel reed, moest wel veel haast hebben. Ik nam
mijn verrekijker.
--Nauwlijks had ik den man gezien, of ik gaf den kijker aan den
Hadschi. Hij richtte hem, maar liet hem terstond weer zakken.
--Allah!--riep hij uit.--Dat is Suef, die zich voor een kleermaker
uitgaf!
Ik had dus terecht tegen hem beweerd, dat hij Kilissely terstond na
ons verlaten zou.
--In den draf, Halef! Hij wil de anderen waarschuwen; dat mag niet
gebeuren. Hij weet, waar zij heen gaan.
--Maar wij kunnen hem niet vóór komen--meende Halef,--hij is al reeds
te dicht bij het dorp. Maar aan gene zijde van het dorp kunnen wij
hem inhalen.
--Ja, als er ten minste een brug over de rivier ligt. Moeten wij ons
laten overzetten, dan heeft hij den voorsprong. Ik rijd vooruit.
--Ik raakte de flanken van mijn paard maar even met mijn sporen aan
en op hetzelfde oogenblik schoot het met de snelheid van een expres
vooruit. Suef had ons tot nu toe nog niet gezien. Maar nu bemerkte ik
dat hij opschrikte; en zijn zweep uithalende, zette hij, met alle macht
slaande, zijn paard aan. Hij had mij herkend en wilde mij voorkomen.
Inderdaad was hij dichter bij het dorp dan ik; maar zijn paard kon het
onmogelijk tegen mijn Arabier opnemen. Ik liet mijn gefluit hooren,
en mijn volbloed verdubbelde de snelheid van zijn gang. In minder dan
een minuut was ik op den weg, waarop Suef zich bevond en tusschen
hem en het dorp. De vrees voor mij weerhield hem, mij voorbij te
rijden. Een omweg bestond er voor hem niet, wijl links van ons de
sterk stroomende rivier voorbij schoot.
Ik bleef midden op den weg staan, om op mijn gezellen te wachten. Suef
hield ook stand, ongeveer vierhonderd schreden van mij af.
--Dat heeft uw Rih mooi gedaan Sihdi!--zei Halef, terwijl hij lachende
aan kwam rijden. Men zou het voor onmogelijk houden, dat een paard zoo
snel kon loopen. Maar wat doen wij nu? Zult gij met dien man spreken?
--Geen woord, tenzij ik er toe gedwongen word.
--Maar hij legt het toch, ook nu nog, op ons leven toe!
--Wij hebben hem gestraft. Voor wij daarmede opnieuw beginnen, moet
hij weer met vijandelijkheden tegen ons optreden. Wij zullen nu doen,
alsof wij hem niet kennen.
--Wij hebben toch een groote fout begaan.
--Welke?
--Dat wij hem de bastonnade hebben gegeven. Want nu kan hij altijd nog
rijden. Hadden wij hem met de zweep gegeven, niet op zijn voetzolen,
maar op dat lichaamsdeel, waarmee de Padischa zijn troon bedekt als
hij er op gaat zitten, dan had hij noch kunnen loopen noch rijden.
--Daar zouden wij niets mee gewonnen hebben, want de oude Mubarek
zou een anderen bode gezonden hebben. Voorwaarts dus!
Wij reden verder, en Suef volgde ons langzaam. Zeer zeker was hij
grimmig boos over onze tusschenkomst.
Rumelia scheen grooter dan Guriler te zijn. Het strekte zich van
den weg af tot aan de rivier uit. De Wardar zag er gevaarlijk uit;
het vuile water golfde onstuimig en hoog. De golven hadden zich ver
over den oever geworpen en overstroomden de aangrenzende, in weiden
afgedeelde grasvlakte. Aan de overzijde der rivier zagen wij de
spoorbaan. Men scheen aan haar versterking bezig te zijn. Wij zagen
een zandtrein langzaam aankomen, een massa arbeiders waren met spaden
en houweelen aan het werk, en nabij den dam stonden lange loodsen,
voor tijdelijke woning van het werkvolk.
Een brug was er niet, maar een veer. Het was een breede zware praam,
die op touwen liep, welk in de diepte verankerd waren. De praam zelve
werd door de schippers met sterke stangen voortgestuwd.
--Wat nu?--vroeg Halef, toen wij bij de eerste huizen van het dorp
gekomen waren.--Laten wij ons terstond overzetten?
--Neen,--antwoordde ik. Wij rijden op en neer, en wachten af, wat
Suef zal doen, wij volgen hem, waar hij heen rijdt. Wij weten niet,
waar Karanirwan ligt; hij zal nu, of hij wil of niet, onze gids zijn.
--Neen, Effendi hij zal slim genoeg zijn, om ons op een dwaalspoor
te leiden.
--En wij zullen ons door hem niet op een dwaalspoor laten brengen. Gij
moet bedenken, dat zijn voeten hem ontzettend pijn doen. Hij houdt
ze wel in de stijgbeugels en behoeft ze niet in te spannen; maar het
rijden schudt en schokt ze toch onophoudelijk. Hij zal dus zijn doel
zoo spoedig mogelijk trachten te bereiken, en al zoekt hij ons op
een verkeerd spoor te brengen, toch zal hij niet al te ver van zijn
richting afwijken.
--Maar hij zal toch al het mogelijke doen om uit ons gezicht te komen!
--En wij zullen al het mogelijke doen om hem dit te beletten. Laten
wij ons dus uit de voeten maken!
Wij reden nog een eind verder, zoodat Suef op voldoenden afstand ons
voorbij en naar het veer kon komen. Daar hielden wij stil, maar ik
zorgde, dat ik hem aldoor in het oog hield. Wij deden echter alsof
wij in 't geheel niet op hem letten. Toch kon hij wel begrijpen,
dat het tegendeel waar was.
Tegen onze verwachting in, reed hij niet naar het veer. Hij dreef
zijn paard nu eens vooruit en dan weer achterwaarts, met groote
opmerkzaamheid naar de spoorbaan aan de overzij ziende, alsof het
gindsche werk al zijn aandacht trok.
--Hij wil niet bijten,--zeide Halef en lachte.--Hij is slimmer dan wij.
--We zullen zien. Hij doet alsof hij alleen voor den spoorwegarbeid
oogen had, maar ik bemerk toch, dat hij telkens zijwaarts kijkt, naar
dat witgepleisterde huis ginds. Er is daar voor de deur een ijzeren
stang, waarschijnlijk om er een paard aan vast te binden. Misschien
is dat gebouw een Khan, en is hij van plan daar te verblijven. Laten
wij nu doen, alsof wij wilden overvaren.
Wij reden naar het veer. Er was van planken een pad gemaakt,
om droogvoets over den overstroomden oever te komen. Daar dit pad
slechts voor voetgangers bestemd was, moesten wij een eind door het
water rijden, dat den paarden tot aan den buik kwam.
De overvaart was niet ongevaarlijk. De oude praam scheen half vergaan
te zijn. Het touw dat haar hield, was van twijfelachtige sterkte,
en het bedienings-personeel, een oude man met drie halfwas jongens,
kon geen groot vertrouwen inboezemen. Bovendien was de golfslag vrij
sterk. De stroom voerde allerlei voorwerpen mee, die hij van den
oever losgewerkt had. Er hadden zich maalstroomen gevormd, waarin
men allicht terecht kon komen. Kort en goed, toen wij ons nu op de
pont bevonden was ik weinig op mijn gemak.
De oude veerman zat op den rand en rookte. Met aandacht nam hij ons
op en knikte veelbeteekenend tegen zijn jonge helpers.
Ik was zóó gaan staan, dat ik Suef in het oog hield. Nauwelijks
bevonden wij ons op de praam, of hij draafde weg, naar het aangeduide
witte huis toe, steeg af, bond zijn paard vast en strompelde met veel
moeite door de deur.
--Halef en Osko, vlug ook naar binnen! Wij moeten weten, wat hij doet
en spreekt. Laat hem geen oogenblik alleen!
De beiden drongen hun paarden terstond op den oever terug en reden
naar het huis toe. Geen halve minuut, nadat Suef er in was gegaan,
waren ook zij er binnen.
Nu wendde ik mij tot den ouden veerman:
--Hoeveel hebben vier ruiters te betalen, om overgezet te worden?
--Twintig piasters,--antwoordde hij, de hand voor mij ophoudende.
Ik gaf er met mijn zweep een tikje op, en zeide:
--En ik betaal u niets.
--Dan blijft gij aan den verkeerden kant!
--Neen, gij zult ons overzetten. Maar gij hebt den vijfvoudigen prijs
gevorderd. Dat moet bestraft worden. Nu zult gij eerst ons overvaren,
en dan krijgt gij, aan den overkant, voor iederen piaster een slag op
uw voetzolen. Kijk dezen Firman van den Padischa eens! Zoo ziet gij,
dat ik geen man ben, die zich laat bedriegen.
Hij zag het zegel, nam zijn pijp uit zijn mond, vouwde de handen over
zijn borst, boog en zei op eerbiedigen toon:
--Heer, wat Allah ons zendt, is goed. Ik zal u overvaren en daarvoor
twintig zoolslagen ontvangen. Allah zegene den Padischa en zijn
kindskinderen!
Zoo gaat het daar achter in Turkije toe! Maar ik was geen Turk,
nam twintig piasters, gaf ze hem en zeide:
--De slagen zal ik u schenken, want ik heb medelijden met de dagen
der jaren uws levens. De rivier is gezwollen en de overtocht moeilijk
en niet zonder gevaar, daarom moogt gij wel iets meer dan gewoonlijk
vragen; maar al te veel moogt gij toch niet vorderen.
Hij aarzelde, het geld aan te nemen en met open mond keek hij mij
vol verbazing aan.
--Nu, hoe is het, moet ik het geld weer bij mij steken?--vroeg ik.
Die vraag bracht hem weer tot zich zelf. Hij kwam met een sprong naar
mij toe, greep mij het geld uit de hand en riep:
--Hoe? Wat? Gij betaalt mij, ofschoon gij in de schaduw staat van
den Grooten Heer en zijn Eersten Vizier?
--Moeten niet juist die menschen rechtvaardig zijn?
--O Heer, o Agha, o Effendi, o Emir, zij zijn het gewoonlijk
niet! Maar uw oogen stralen vol genade en uw woorden vloeien over
van barmhartigheid en vriendelijken zin. Daarom zegene Allah u in
uw eigen persoon, in uw ouders en voorouders, ook in uw kinderen
en kindskinderen! Ja, zooveel genade als gij mij bewijst, valt ons
maar zelden ten deel, ofschoon wij een zuur verdiend en karig stuk
brood gewinnen.
--Maar ginds zijn toch tal van menschen aan het werk. Gij verdient
door hun aanwezigheid toch meer dan vroeger, toen zij er niet waren.
--Nog minder, nog veel minder verdien ik nu, want die menschen
hebben hooger op, een tweede veer aangelegd en varen met een groote
schuit. Dat doet mij natuurlijk veel afbreuk en mijn pacht blijft
even hoog.
--Wagen zich die menschen dan ook bij ongunstig getij in den fellen
stroom?
--Vandaag hebben zij het nog niet gedurfd, want het was al te
gevaarlijk; men zou een dubbel getal roeiers noodig hebben.
--Maar gij hebt heden toch al heel wat menschen overgezet. Waren daar
ook vijf ruiters bij, waarvan er twee op sjek-paarden zaten?
--Ja, Heer. Een scheen gewond te zijn. Zij kwamen uit de herberg daar
ginds, waar zij een poos te voren afgestegen waren.
Hij wees, dat zeggende, naar het door mij opgemerkte witgepleisterde
huis.
--Hoe lang is het geleden, dat gij hem zaagt?
--Zeker al een paar uur. Beter was het voor mij geweest, indien ik
ze nooit had gezien!
--Waarom?
--Omdat zij mij bedrogen hebben. Toen wij aan de overzij waren,
en ik om het veergeld vroeg, kreeg ik zweepslagen in plaats van
geld. En dan hadden zij mij nog wel een opdracht gegeven, die ik
nu niet uitvoeren wil. Die mij niet betaalt, voor dien doe ik uit
vriendelijkheid ook niets.
--Mag ik soms weten, voor wien zij u iets hebben opgedragen?
--Met alle liefde. Zij gaven mij een boodschap voor den man, die
straks zoo dicht bij u was, en daarna in de herberg ging.
--Dus kent gij hem?
--Wel ja! Iedereen kent den kleermaker.
--Is hij werkelijk een kleermaker?
--Men zegt het, maar ik ken hier niemand, voor wien hij een
kleedingstuk gemaakt heeft.
--Hm! En hoe luidde de boodschap?
--Hij moest zich haasten, want dat zij maar tot morgen op hem konden
wachten.
Waar? Dat wist hij niet, en van de vijf ruiters kende hij alleen den
vroegeren ontvanger uit Uskub, die de menschen het bloed uitgezogen
had.
--Allah zegene hem met ontelbare lichaams-kwalen, en voege er dubbel
zooveel ziele-ellende aan toe!--voegde hij er bij.
Hij wilde nog meer zeggen, maar er was iets, dat zijn bizondere
aandacht trok. Uit de herberg kwamen twee mannen naar buiten, die
ieder twee riemen droegen. Zij gingen naar het water en liepen toen
stroomopwaarts verder.
--O Allah,--riep hij uit.--Zullen die onvoorzichtigen het werkelijk
wagen, met de schuit over te varen?
--Waar is die schuit?
--Ginds, hooger op, waar die vrouw staat. Gij kunt de schuit niet zien,
want ze ligt achter de biezen.
De beide mannen kwamen bij de aangeduide plek, wisselden met de vrouw
enkele woorden en verdwenen toen achter de biezen.
--Werkelijk, zij wagen het!--zei de oude. Wel, als Allah ze in zijn
hoede neemt, dan kan het hun gelukken. Maar zonder hulp varen zij
in geen geval over, en hun passagier zal hun heel wat geld moeten
betalen. Hij kon bij mij goedkooper terecht.
--Dat zal die vrouw betalen.
Ik zei dat, omdat de vrouw insgelijks achter de biezen verdween;
zij was dus mee in de schuit gegaan. De oude schudde van neen en zei:
--Die geeft geen duit. Zij behoort tot de arbeiders van het werk en
gaat voor niet mee. Die vrouw heeft daar al van den vroegen morgen
af gewacht, maar er voer niemand over. Maar wat is dat? Zou die
kleermaker----
Terwijl de oude veerman met mij had staan praten, was Suef uit de
herberg gekomen en opgestegen. Zonder opzettelijk naar ons te kijken,
had hij toch zijn oog over ons laten gaan en was toen naar de plek
gereden, waar de schuit lag. Daar ging hij er in.
--Allah il Allah! De kleermaker in de schuit!--riep de oude. Hij
mag ter dege oppassen, of hij krijgt meer water te slikken dan hij
verdragen kan. Ik weet, dat hij zeer arm is en zou hem voor een
kleinigheid, of ook wel voor niet meegenomen hebben. Waarom komt hij
niet bij mij?
Ik vond het niet noodig, aan den oude de reden te zeggen, waarom Suef
ditmaal niet in zijn praam kwam. Ik vermoedde dat Suef mijn doel had
doorzien en met de schuit eerder hoopte aan te komen dan wij dit met
de praam zouden kunnen. Als hij dan vlug te paard steeg, kon hij in
vollen galop rijdende, ons nog uit het gezicht komen. Aan de sporen,
die hij zou achterlaten, dacht hij niet.
Intusschen kwamen ook Halef en Osko ijlings naar mij toe.
--Sihdi, de schurk vaart met een schuit over,--meldde Halef. Hij
heeft dertig piasters geboden, als zij hem wilden overzetten.
--Hebt gij nog iets meer gezien of gehoord?
--Ja, maar niet veel. Juist toen wij binnen kwamen, sprak hij met
den waard over de vijf ruiters. Hij gaf hem terstond een wenk, om
te zwijgen, maar deze was midden in een zin en voleindigde dien,
met wat wij hoorden.
--En wat hebt gij gehoord!
--Dat die vijf den kleermaker in Treska-Konak zouden opwachten.
--Waar ligt die plaats?
--Dat weet ik niet, en wij konden het ook van den waard niet te weten
komen. Die man houdt het beslist met den kleermaker.
--Werd er verder niets gezegd?
--Zij spraken alleen nog over het veer.
--Zoo, dat gij het kondt hooren?
--Ja. En die Suef keek ons daarbij zoo boosaardig lachende aan,
alsof hij er in groeide ons te kunnen ergeren. Het liefst had ik
hem met mijn zweep wat gegeven. Hij verkneukelt zich in de gedachte,
dat hij nu vóór ons zal aankomen.
--En gij hebt hem niets gezegd?
--Geen woord.
--Best! Kijk, hij heeft zijn paard aan den teugel, achter zich aan. Hij
zelf gaat in de schuit en de merrie mag hem nazwemmen. Die zal het
kwaad te verantwoorden hebben.
--O Sihdi, ik heb het dier gisteren bij de vervolging, nauwkeurig
gade geslagen. Het is veel, veel beter dan het er uitziet. Dat paard
heeft den Scheitan in zijn bloed.
--Welnu, ondanks alles wat er gebeurd is, zou het mij toch spijten, als
er een ongeluk gebeurde, vooral om de vrouw, die mee in de schuit is
gegaan. Laten wij nu overvaren, liefst zoo gauw mogelijk. Voorwaarts!
Dit laatste gold den veerlui.
De oude had juist zijn pijp leeggeklopt en haalde zijn tabak te
voorschijn, om opnieuw te stoppen. Ondanks mijn bevel ging hij bedaard
zijn gang.
--Hebt gij mij begrepen?--vroeg ik hem. Leg die pijp weg! Het zal
een enkelen keer ook wel eens zonder rooken gaan.
--Neen, Heer,--antwoordde hij kalm. Bij mijn werk behoort een Tschibuk;
zonder dat gaat het niet. Mijn leven lang is dat zoo geweest en zal
het ook zoo blijven tot ik zelf overgezet word.
--Maar ik wil eerder aan den overkant zijn dan de schuit.
--Heb daar geen zorg over, Heer. De schuit komt waarschijnlijk in
't geheel niet aan de overzij.