dat Habulam met gretige oogen er naar tuurde.
--Wat hebt gij daar, Heer?--vroeg hij.
--Een briefje, zooals gij ziet.
--Ja, maar wat staat er op dat papier?
--Wel, ik lees er den naam Karanorman Khan op.
--Mag ik even zien?
Kende hij Hamd el Amasat? Was hij bekend met het geheim dat
wij naspeurden? Dan zou hij ongetwijfeld het briefje willen
vernietigen. Maar neen, dat zou hem niets baten, daar ik den inhoud
immers kende!
Het leek mij dus meer geraden toe, hem het briefje te laten
zien. Wanneer ik hem dan tevens scherp gadesloeg, kon ik wellicht
door de uitdrukking op zijn gezicht, tot eenige gevolgtrekking komen.
--Hier hebt gij het,--zeide ik. Maar pas op, want ik heb het nog
noodig.
Hij nam het papier en bekeek het. Ik zag, dat hij verbleekte. Tegelijk
hoorde ik een zacht, maar beteekenisvol keelgeschraap van Halef. Er was
iets, waarop hij mijn aandacht wilde vestigen. Zonder eenig merkbare
beweging keek ik naar zijn kant en hij wenkte mij, dat ik op Suef
moest letten. Toen ik nu mijn oog, even snel als onverschillig, naar
den aangeduide liet dwalen, zag ik, dat hij zich ter halve hoogte,
op één knie oprichtte en het voor hem belangrijke trachtte te zien
en te hooren. Zijn oogen waren strak op Habulam gericht, en zijn
gelaat was in de grootste spanning om toch geen toon of teeken zich
te laten ontgaan.
Toen werd het mij duidelijk, dat die twee van dat briefje meer wisten,
dan ik had kunnen vermoeden, en nu speet het mij, dat ik van mijn
spoedig weggaan had gesproken. Had ik nog langer hier kunnen blijven,
dan was het mij misschien mogelijk geweest, hun betrekking tot den
Shoet te weten te komen. Daar was, helaas, nu niets aan te veranderen.
Intusschen was Habulam tot bezinning gekomen. Hij schudde met het
hoofd en zeide:
--Wie zou dat kunnen lezen? Ik niet. Dat is geen taal!
--Toch wel!--antwoordde ik.
--Ja, lettergrepen zijn het, maar die vormen geen woorden!
--Zoo als zij volgen, behooren ze ook niet bij elkaar. Leest men ze
in een andere volgorde, dan krijgt men een duidelijken zin.
--Kunt gij dat?
--Zeker.
--Doe het dan eens!
--Gij schijnt veel belang te stellen in dit briefje.
--Omdat ik niet geloof, dat iemand het lezen kan en gij het tegendeel
beweert. Voeg de lettergrepen juist bijeen en lees mij voor, wat er
geschreven is.
Op het papier ziende, maar tevens hem en Suef scherp waarnemende,
zeide ik:
--De woorden, uit de verspreide lettergrepen gebouwd, luiden: IN PRIPEH
BESTE LA KARANORMAN CHAN ALI SA PANAJIR MENELIKDE. Verstaat gij dat?
--Slechts enkele woorden.
Ik had verstaanbaar gelezen, zooals een plotselijke trekking op
zijn gelaat verried. Suef was verschrikt tot zijn loerende houding
teruggedoken. Ik wist nu waar ik aan toe was, en zeide:
--Het is een menging van Turksch, Servisch en Rumeensch.
--Maar waartoe die menging? Waarom heeft de schrijver zich niet van
een enkele taal bediend?
--Omdat de inhoud van dit briefje niet voor jan-en-alleman
bestemd is. De Shoet en zijn bondgenooten hebben onder elkaar een
geheimschrift. Zij ontleenen hun woorden aan de drie genoemde talen
en zetten de lettergrepen wel naar een vasten regel van elkaar, maar
toch schijnbaar zoo door elkaar, dat een oningewijde hun schrift niet
kan lezen.
--Scheitan, duivel!--kwam zachtjes over Suefs lippen.
Hij was zich toch niet geheel meester kunnen blijven, verrast als
hij werd, door mijn bekendheid met hun geheimschrift. Zijn uitroep
zeide mij, dat ik volkomen juist had vermoed.
--Maar gij hebt het kunnen lezen!--wierp Habulam mij tegen terwijl
zijn stem van innerlijke ontroering beefde.
--Dat ziet ge.
--Dan zijt ge een eedgenoot van den Shoet?
--Gij vergeet, dat ik een Westerling ben.
--Gij wilt zeggen, dat gij slimmer zijt dan wij?
--Ja.
--Heer, dat is nog al stout gesproken!
--Het is volkomen waar. Voor u is dit geheimschrift voldoende, maar
omdat het zoo dom verzonnen is, is het gemakkelijk te ontcijferen.
--Maar wat beteekenen dan die voor mij onbegrijpelijke woorden?
Hij wilde zich alleen overtuigen, of ik ze al dan niet begreep,
want hij zelf had ze zeer goed kunnen lezen.
--Ze zeggen: "Zeer spoedig bericht in Karanorman Khan, maar na de
jaarmarkt in Menelik."
--Dus moet het heusch zoo gelezen worden?--vroeg hij met kinderlijke
verwondering. Is dit briefje voor u zoo belangrijk, dat gij mij
waarschuwen moest het niet weg te laten gaan?
--Ja, want ik zoek den Shoet en hoop hem met behulp van dit briefje
te vinden.
--Gij waart dus op de jaarmarkt te Menelik en wilt nu naar Karanorman
Khan?
Ik beaamde dit terstond en zóó onbevangen, dat hij mij wel houden
moest voor iemand die zich gaarne liet uithooren. Hij viel in den
strik en informeerde verder:
--Maar wie heeft toch dit briefje geschreven?
--Een kennis van u, en wel Hamd el Amasat. Hij is de broer van Barud
el Amasat, die nog dezen nacht bij u in huis is geweest.
--En toch heb ik nog nooit over hem hooren spreken. Waar hangt hij
dan uit?
--Hij was betrokken bij de zaak van den handelaar Galingré in
Skutari. Maar nu is hij niet meer bij hem. Hij wilde naar den Shoet,
bij wien hij met zijn broeder Barud overleggen wil.
--Hoe weet gij dat?
--Het briefje zegt het mij.
--Effendi, gij hebt een scherp verstand. Wat gij mij van uw boozen blik
hebt verteld, moest alleen dienen om mij in de war te brengen. Gij
bezit den boozen blik in 't geheel niet. Uw scherpzinnigheid heeft u
alles gezegd. Vermoedelijk zult gij ook nog wel dat Karanorman Khan
vinden, dat gij zoekt.
--Ik heb het al gevonden.
--O neen! De plaats door u genoemd is de rechte niet.
--Habulam, gij hebt daar een groote domheid begaan.
--Ik zou niet weten, welke, Effendi!
--Gij hebt u zelf gelogenstraft. Eerst hebt gij beweerd, den Shoet
niet te kennen, en nu hebt gij toegegeven, dat gij weet waar hij woont.
--Ah! geen woord heb ik gezegd.
--Toch wel! Gij hebt mij gezegd, dat de Karanorman Khan bij Weicza
niet de plaats was, waar hij woonde; bij gevolg moet gij zijn ware
woonplaats weten.
--Heer, dat is maar een vermoeden, een ongerechtvaardigde
gevolgtrekking van u.
--Ik ben overtuigd, dat ik een zeer juiste gevolgtrekking heb gemaakt.
--Laat het voor het oogenblik zoo zijn, dan kunt gij nog niet beweren,
dat gij het ware Karanorman Khan gevonden hebt. Gij weet alleen nog
maar dat de plaats door u genoemd, de ware niet is.
Hij zette een gewichtig gezicht, als een meerdere in wetenschap. Hij
had een zeer vertrouwelijken toon aangeslagen, en daar ik schijnbaar
argeloos antwoordde, had een oningewijde kunnen denken, dat wij de
beste vrienden waren en over een onverschillig onderwerp gemoedelijk
keuvelden. Hij legde nadenkend den vinger op den neus en zeide:
--Gij zijt, zooals ik nu inzie, zeer toegevend voor ons geweest. Ik
zou u gaarne van dienst willen zijn voor uw reis. Daarom zeg ik u:
ik vermoed dat er meer plaatsen zullen zijn met soortgelijken naam,
en daarom geef ik u den goeden raad, ga in Uskub naar de Overheid
en laat u een Fihristi mekian (kaart van den omtrek) geven, en gij
zult terstond zien, hoeveel plaatsen er zijn, die Karanorman heeten
en waar zij liggen.
--Ook ik was dat van plan, maar ben tot andere gedachten gekomen,
want het Rijk van den Padischah wordt zeer slecht bestuurd. Ik ben
overtuigd, dat er in een zoo belangrijke stad als Uskub, of geen
terrein-kaart is, of een die niet deugt. Ik rijd in 't geheel niet
naar Karanorman Khan.
--Waar dan heen, Effendi?
--Ik neem het briefje en.... verander de O in een I, en de M in een
W en rijd dan naar Karanirwan-Khan.
Ik zei dat langzaam en met bizonderen nadruk. Daar ik hem daarbij
scherp aanzag, ontging het mij niet dat hij van kleur verschoot en
verschrikt met zijn hand naar zijn hoofd greep.
--Scheitan, duivel,--hoorde ik Suef weer zacht sissen.
Ook deze uiting van woede bewees mij dat ik op het rechte spoor was.
--Is er dan een plaats van dien naam?--vroeg Habulam langzaam en op
gedempten toon.
--Nirwan is een Perzisch woord; dus zal men die plaats wel nabij
de Perzische grens moeten zoeken. Maar weet gij, wat Lissan aramaki
(taal-studie) is?
--Neen, Effendi.
--Dan kan ik ook niet verklaren, waarom ik uit de samenstelling van
het woord tot het vermoeden kom, dat de plaats naar den hoofd-eigenaar
genoemd is.
--Misschien begrijp ik het nu toch wel!
--Dat betwijfel ik toch. De bedoelde eigenaar is een Nirwani, een man
uit de Perzische stad Nirwan. Hij heeft een zwarten baard gehad en
werd daarom Kara, de zwarte, genoemd. Hij werd hier dus Karanirwan
genoemd. Hij bouwde een herberg, een Khan, en het laat zich dus
zeer goed begrijpen, dat het huis, naar den eigenaar Karanirwan Khan
genoemd werd en nog heden zoo heet.
--Scheitan,--duivel!--siste het wederom vanwaar Suef zich bevond.
Murad Habulam wischte zich het zweet van het voorhoofd en zuchtte:
--Verwonderlijk, hoe gij uit een enkelen naam terstond een heele
historie opbouwt! Toch vrees ik voor u dat gij u vergist.
--En ik zou er een eed op durven doen, dat deze Khan niet in een stad
of in een dorp gelegen is.
--Waarom?
--Omdat in dat geval de naam van dat dorp of die stad op het briefje
zou genoemd zijn. Het huis ligt op een eenzame plek, en het zou
vergeefsch werk zijn, zoo iets op een kaart te gaan zoeken.
--Als het zoo eenzaam ligt, zult gij het nooit vinden. Gij zijt een
vreemdeling en hebt misschien ook geen tijd om u hier zoo lang op te
houden, als noodig zijn zal om zoo omvangrijke navorschingen te doen.
--Dat hebt gij mis; ik hoop integendeel den Khan zeer gemakkelijk te
vinden. Kent gij in den omtrek van Kilissely een Pers?
--Neen.
--Dat geloof ik graag. In het land der Skipetaren zijn Perzen zóó
zeldzaam dat, als er ergens een is, iedereen van hem gehoord heeft,
te meer omdat de Perzen Schiiten zijn en de religieuse gewoonten
van dien man, hem wijd en zijd bekend gemaakt hebben. Ik heb dus,
al rijdende, maar naar een Pers te vragen, en een ieder zegt mij waar
hij woonde of nog woont.
--Maar hij kan ver, zeer ver uit uw richting wonen, zoo dat de
menschen, die gij aantreft toch nooit van hem hebben gehoord.
--Maar hij woont toch zonder twijfel in deze richting.
--Waaruit maakt gij dat op?
--Het briefje zegt het mij.
--Heer, dat begrijp ik niet. Ik heb het toch ook gelezen, woord voor
woord, en daar toch niets van gezien.
--O, Murad Habulam, wat een ontzettende domheid hebt gij nu weer
begaan.
--Ik?--vroeg hij verschrikt.
--Ja, gij! Hebt gij niet beweerd, dat gij het briefje niet kondt
lezen? En nu zegt gij, het woord voor woord gelezen te hebben. Hoe
is dat te rijmen?
--Heer,--zeide hij verlegen,--ik heb het gelezen, maar niet begrepen!
--Gij hebt gezegd, niets te hebben gevonden! En het briefje bevat
slechts lettergrepen. Hoe kunt gij dan zeggen het woord voor woord
gelezen te hebben? Murad Habulam, denk er aan, dat een leugenaar een
sterk geheugen moet hebben, als hij zich niet telkens tegenspreken
zal. Hoor dus, wat ik u zeggen en vragen wil! Ik heb u reeds gezegd,
dat het briefje mij alles verried. Het werd door Hamd el Amasat
te Skutari geschreven, en wel aan zijn broeder Barud el Amasat te
Edreneh. De eerste schrijft aan den laatste, dat hij naar hem toe moet
komen en over Menelik reizen. Hamd el Amasat zal hem tot Karanirwan
Khan te gemoet reizen. Zeg mij nu of het te verwachten is, dat die
twee groote en onnoodige omwegen zullen maken?
--Neen, dat doen zij niet.
--Zij zullen dus den korten weg, den rechten nemen?
--Zeker, Effendi!
--Deze rechte lijn loopt dus van Edreneh over Menelik naar Skutari,
en op die lijn moet, tusschen de uiterste punten Karanirwan Khan
liggen. Dat is voor mij zoo zeker, alsof ik het al zag liggen.
Voor de vierde maal hoorde ik Suef zijn 'Sheitan' zachtjes sissen. De
pseudo-kleermaker scheen zich deze vervloeking dus aangewend te
hebben. Ik deed echter, alsof ik hem niet gehoord had. Die herhaalde
vervloeking bewees mij echter dat ik mij niet vergiste.
--Effendi,--bracht Habulam in,--wat gij zegt, klinkt allemaal heel
mooi, en ik mag lijden, dat gij den juisten weg opgaat, maar ik voor
mij, geloof het niet. Laten wij liever over wat anders praten! Wilt
gij dat vergift en de overblijfselen van dien eierkoek werkelijk mee
naar Uskub nemen? Ik heb toch mijn boete betaald met nog bovendien
twee slagen, die mij een verschrikkelijke pijn doen; daarbij kunt
gij het toch laten blijven.
--Gij hebt uw boete betaald, maar ons later uitgelachen. Nu zult gij,
naar ik meen, inzien, hoe onverstandig dat hoonend lachen was. Ik
zal dien Khan ook zonder u vinden. Maar dat gij het gewaagd hebt,
om ons te lachen, dat moet ik straffen. Ik ben niet de man, die met
zich laat spotten. Ik geef te Uskub het vergift met de brokken aan
den politie-apotheker.
--Ik wil aan de armen nog honderd piasters geven, Effendi.
--En al boodt gij er mij duizend, ik ging er niet op in.
--Ik bid u, denk eens na, of er werkelijk niets is, dat u zou kunnen
bewegen om van uw voornemen af te zien.
--Hm!--bromde ik, alsof ik mij bezon.
Dat gaf hem hoop. Hij zag, dat ik er over nadacht.
--Bezin u eens!--herhaalde hij op dringenden toon.
--Misschien, ja, misschien zouden wij tot een vergelijk kunnen
komen. Zeg mij eerst eens, of het hier in deze streek moeilijk is
dienstpersoneel te krijgen.
--Personen die in dienst willen komen, zijn er in
overvloed,--antwoordde hij haastig.
--Gij hebt er dus geen moeite mee, om knechts en dienstmeisjes
te krijgen?
--Volstrekt niet. Ik behoef maar te willen.
--Welnu, wil dan eens!
--Hoe bedoelt gij dat?
--Zie ginds al die menschen! Zij wenschen door u ontslagen te worden.
Dat had hij niet verwacht. Hij keerde zich om en wierp zijn personeel
een dreigenden blik toe. Toen vroeg hij:
--Hoe weet gij dat?
--Ze hebben het mij gezegd.
--Allah! Ontslag? Er op slaan, zal ik! Met de zweep zullen ze hebben!
--Dat zult gij niet doen. Zijt ge soms vergeten dat slaan pijn
doet? Ik raad u ten beste, ernstig na te denken en een ander leven
te beginnen. Waarom wilt gij dien menschen hun ontslag niet geven?
--Omdat ik er geen zin in heb.
--Begrepen. Ook ik heb geen zin om het zakje met vergift en de
resten van uw ommelet achter te laten, en neem ze daarom mee naar
Uskub. Halef, zijn de paarden klaar?
--Ja, Effendi--antwoordde de gevraagde. Wij kunnen ze terstond
voorbrengen. Janik zal ook wel ingespannen hebben.
--Dan willen wij vertrekken. Rol mij tot voor de deur!
--Halt!--riep Habulam.--Wat zijt gij toch een opvliegend mensch,
Effendi!
--Maak het kort,--zeide ik driftig. Geef uw volk hun loon en laat
ze gaan.
--Ik zou het wel doen, maar ik kan toch niet zonder goede bedienden!
--Neem dan tijdelijk daglooners. Ik heb geen tijd om nog langer te
redeneeren. Hier zijn de papieren voor Janik, Anka en mij. Lees ze
door, om ze te onderteekenen.
Hij nam de papieren, en zette zich om ze door te lezen. De inhoud
beviel hem niet; hij wilde allerlei wijzigingen, maar ik wilde van
geen verandering weten, en eindelijk teekende hij. Halef nam de beide
getuigschriften en ook de bekentenis, om deze documenten aan Janik
te geven.
--En....? Hoe nu met het andere volk?--vroeg ik.
Habulam antwoordde niet terstond. Dat gedraai begon Halef te vervelen,
en driftig riep hij.
--Laat ze naar den Scheitan loopen! Gij kunt anderen krijgen, die
niets afweten van wat er vroeger gebeurd is. Jaag ze weg! En hoe
verder ze van hier gaan hoe beter!
Dat gaf den doorslag. Habulam ging om het geld te halen, en ik bleef,
tot hij de menschen afbetaald had. Toen gaf ik hem het vergif en de
brokken, en liet de paarden voorbrengen.
Men kan zich voorstellen, hoe weinig hartelijk het afscheid
was. tusschen ons en onzen gastheer. Hij verontschuldigde zich,
dat hij ons geen uitgeleide kon doen, van wege de pijn aan zijn voeten.
--Gij ondervindt nu,--zeide ik,--dat Allah zelfs de grootste leugen
tot waarheid kan maken. Gisteren, toen wij kwamen, hebt gij beweerd,
niet te kunnen loopen; dat was een leugen. Heden is die tot waarheid
geworden. Ik wil u niet vermanen, deze les ter harte te nemen. Is
uw hart versteend, ik kan het niet gevoelig maken. Voor bewezen
gastvrijheid heb ik u niet te bedanken. Suef zou mij in een herbergzame
woning brengen; hij heeft mij bedrogen en ons, met boos overleg,
naar u toegebracht. In een gewone herberg zou ik betaald hebben;
maar u bied ik niets aan. Alles bij elkaar genomen, zijn wij voor
heden quitte, en ik hoop dat wij geen nieuwe rekening zullen krijgen.
--Maar wij zijn nog niet quitte!--krijschte Suef.--Mijn rekening van
heden zult gij mij betalen.
--Met alle genoegen! In alle gevallen, weer met voetzool-slagen!
--Toch niet! Den volgenden keer vliegen de kogels!
--Ook dat is mij goed. Ik ben ten volle overtuigd, dat wij elkaar
nog zullen weerzien. Ik heb u leeren kennen en kan mij in u niet
meer vergissen.
--O, gij kent mij nog lang niet!--dreigde hij.
--Dat zal later blijken. Ik weet zeer goed, dat gij enkele minuten
na mij dit huis ook zult verlaten.
--Kan ik soms gaan?
--Neen, gij zult rijden.
--Man, gij weet alles! Maar indien gij werkelijk zoo slim zijt,
als gij u voordoet, zeg mij dan ook eens, waar ik heen rijden zal.
--De anderen achterna.
--Waartoe?
--Om ze te zeggen, dat ik Karanirwan zoek. Groet ze van mij en zeg
hun, dat zij een volgenden keer zich niet in water, maar zich zeker,
in hun eigen bloed, zullen baden.
Osko hielp mij naar buiten. Daar stonden de paarden, en wij stegen
op. Ook de wagen met Janik en Anka was voor de deur.
Het weinige, dat zij hadden, lag achter hen, en hun gezichten straalden
van vreugd.
--Wij rijden eerst naar de plaats, waar de paarden verborgen zijn
geweest, en komen u dan achterna!--riep ik ze toe.
De knecht, die er ons zou brengen, stond gereed. Wij gingen niet door
het dorp, en in vijf minuten had hij ons op de plek gebracht en nam
toen afscheid. Hem de hand reikende, vroeg ik, om de hoofdzaak niet
te vergeten, hoeveel mannen van daar weggereden waren. Zij waren met
hun vijven, maar alleen Manach el Barscha, den broeder van Habulam,
kende hij. Ik liet mij de vier anderen beschrijven: Barud el Amasat,
de oude Mubarek en de beide Aladschy's waren het geweest. De gewonde
Mubarek had rechtop in den zadel gezeten; de oude moest werkelijk
een nijlpaardennatuur bezitten.
Om mijn voet, wilde ik niet afstijgen en droeg aan de anderen op,
de vele hoef-indrukken te onderzoeken.
--Waartoe moet dat dienen? vroeg Osko.
--Om de paarden te herkennen. Misschien komen wij in den onaangenamen
toestand, niet zeker te weten, wie voor ons uit rijden. In dat geval
is het van groot belang indien een der paarden iets eigenaardigs aan
den hoef heeft, dat zich in het prent afdrukt. Wij kunnen dan altijd
het paard aan dat teeken herkennen.
Het was een grasvlakte, waar wij ons op bevonden. In de schaduw van
zeer vele reusachtige platanen stonden tallooze struiken en boompjes
van kweeën, waartusschen de grond plat getrapt was. Sporen waren er
dus genoeg, maar geen enkel, dat eigenaardig genoeg was om het later
uit andere te herkennen. Onverrichter zake gingen wij dus weer op weg.
De regen had den grond zóó week gemaakt, dat het niets geen moeite
kostte het spoor te volgen. Het leidde naar den weg, waarlangs men
over Guriler en Kavadschinova naar Uskub komt. Ook op dien weg was
het spoor duidelijk te zien, omdat er veel slik op lag en alleen ons
wild dien bereden had.
Wij haalden den wagen van het gelukkige jonge paar al spoedig in,
en toen wij nu niet meer gezien konden worden door de bewoners van
Habulams vervallen slot, gaf ik ook de duizend piasters van Habulam
zelf aan den verwonderden Janik, als huwelijksgeschenk. De goede
jongen stribbelde wel tegen, om ook dit present nog aan te nemen,
maar hij moest het eindelijk toch bij zich steken. Hij en zij waren
onuitgesproken in hun dank. Wij hadden twee menschen gelukkig gemaakt,
en dat woog rijkelijk op tegen de minder aangename uren die wij
hadden doorleefd.
De weg lag zoo vol modder, dat wij slechts langzaam konden rijden. Geen
stroompje zoo klein of het was buiten zijn oevers getreden. Gelukkig
lachte boven ons een heldere hemel.
Halef trachtte mij op zij te komen, en begon:
--Gij wilt onze vijanden inhalen, Sihdi, zal ons dat gelukken?
--Neen, want ik heb besloten het niet te doen. Zoo lang ik meende dat
onze vijanden naar Karanorman bij Weicza gingen en dat dus ook onze
weg derwaarts leidde, achtte ik het in ons voordeel daar vóór hen
aan te komen. Sedert het echter gebleken is dat ik mij heb vergist,
weten wij niet waar wij heen moeten, en zullen derhalve hun spoor
moeten volgen. Ik geloof echter, dat het mij al gauw zal gelukken te
ontdekken, waar Karanirwan Khan ligt.
--In elk geval toch achter Uskub. Meent gij dat ook niet?
--Ja, want anders moest het tusschen hier en die stad liggen, wat ik
voor hoogst onwaarschijnlijk houd.
--Is Uskub een groote stad?
--Volgens mijn schatting wonen daar nagenoeg dertig duizend menschen.
--Daar zullen wij het spoor der vervolgden wel kwijt raken.
--Stambul is nog veel grooter, en hebben wij daar niet gevonden wat wij
zochten? Ik vermoed echter, dat wij in Uskub niet zullen komen, omdat
onze lievelingen die stad wel zullen mijden. Het is voor hen daar te
gevaarlijk. Gij moet niet vergeten, Halef, dat Manach el Barscha daar
ontvanger is geweest. Hij is daar uit zijn ambt weggejaagd; het laat
zich dus veronderstellen dat hij er iets misdadigs uitgevoerd heeft,
reden waarom hij zich aldaar liefst niet zal vertoonen. Toch zou het
kunnen, dat zij, ter wille van Mubarek, de stad zullen binnengaan om
door een betrouwbaar arts diens wond te laten verbinden. Wij moeten
op die mogelijkheid verdacht zijn. Het waarschijnlijkste is echter,
dat zij in een wijden boog om Uskub heen rijden en aan gindsche zijde
weer naar den weg van Kakandelen afslaan. Als mijn vermoeden mij niet
bedriegt, dan moeten wij Karanirwan Khan, achter deze laatste plaats,
in de eenzame dalen van den Schar Dagh zoeken.
Wij hadden nu de Kriva Rjeka bereikt, die zoo gezwollen was, dat het
water de beide oevers overstroomde. Als de zijtakken van de Warda
zulke watermassa's aanvoerden van de bergen, dan moest de hoofdrivier
gevaarlijk stroomen. Het was volstrekt niet ongevaarlijk over de oude
brug te gaan, die bijna onder stond en welker pilaren bedenkelijk
zwiepten onder het geweld der opdringende golven. Het water stond aan
beide zijden meer dan vijf- en zeventig centimeters op den weg. De
geweldige buien van gisteren schenen over het geheele gebied van de
Schar en de Kurbecska losgebarsten te zijn.
Wij bevonden ons nu in het midden van de, wegens haar vruchtbaarheid,
beroemde vlakte van Mustafa, en bereikten, na een goed half uur,
het dorp Guriler, dat aan een zijtak van de Kriva Rjeka lag.
Ook deze was buiten haar oevers getreden en scheen tamelijk veel
onheil aangericht te hebben. De bewoners stonden buiten hun huizen
in het water, zij werkten met alle macht, om ze in te dammen.
Om naar Uskub te komen, zouden wij onze richting tot Karadschi Nova
moeten houden. De weg liep in een rechte lijn verder.
Hier, waar zooveel menschen over den weg waren gegaan, waren de sporen
van die wij vervolgden, uitgewischt. Deze konden eerst weder aan gene
zijde van het dorp te voorschijn komen. Maar toen wij het achter den
rug hadden, waren er geen sporen meer te bekennen.
Voor zoover ik wist, was er geen tweede weg, die van hier naar elders
leidde. Zouden zij, die wij zochten, zich misschien nog ergens in het
dorp bevinden? Er was nog een kleine Konak in. Wij hadden een huis
gezien, maar waren er voorbij gereden. Er bleef mij niets anders over,
dan terug te rijden en navraag te doen.
Het huis stond zoo dicht aan 't water, dat dit bijna de deur
bereikte. Een man was bezig er een dam voor op te werpen. Toen ik
hem groette, dankte hij mij nauwelijks en keek mij slechts even zeer
weinig vriendelijk, aan.
--Dat is geen welkome gast, die u is komen bezoeken,--zeide ik op
het water wijzende.
--O, er zijn nog wel slimmer bezoekers,--antwoordde hij op
stekelachtigen toon.
--Wat kan erger zijn dan watersnood en brand?
--Menschen!
--Ik wil hopen, dat gij daar geen ervaring van hebt opgedaan.
--Al meer dan mij lief is, en vandaag op nieuw.
--Vandaag? Zijt gij de bewoner van dit huis?
--Ja. Zoudt gij soms bij mij willen zijn? Ik heb u zien voorbij
rijden. Waarom zijt gij teruggekeerd? Rij gerust door.