--Juist omdat hij u trouw gediend heeft, moet gij hem dit handtastelijk

bewijs uwer tevredenheid geven,--zeide Halef.

--Ik laat mij niet dwingen!

--Wanneer gij hem de twintig niet wilt geven,--besliste ik--dan krijgt

gijzelf er veertig.

Dat werkte. Humun spartelde tegen toen hij op de bank gebonden werd,

maar het hielp hem niets. Zijn heer en meester stond op en vatte

aarzelend den stok; maar de twee zweepen sterkten zijn arm, zoodat

de knecht zijn volle loon kreeg.

Humun verdroeg zijn tuchtiging niet zoo moedig als Suef. Hij gilde

bij iederen slag, maar ik merkte op, dat op iederen gil de anderen

bedienden vergenoegd knipoogden en met zekeren dank het aanzagen. Hij

was de gunsteling van Habulam en had ongetwijfeld het dienstvolk

gebeuld.

Ook hij liet brandewijn in de wonden aanbrengen en kroop toen achter

in een hoek, waar hij ineengedoken neerzat.

--En wie nu?--vroeg Halef.

--Murad Habulam!--luidde mijn antwoord.

De genoemde stond nog naast de bank, met den stok in de

hand. Verschrikt sprong hij achteruit en gilde:

--Wat? Hoe? Ook ik zal gebastonneerd worden!

--Natuurlijk.

--Maar niemand heeft daar het recht toe!

--Dat hebt gij mis. Ik ben het, die er het recht toe heb. Ik weet

alles. Hebt gij uw huis niet gegeven, opdat wij er vermoord zouden

worden!

--Dat is een gemeene leugen!

--Is niet uw broeder Manach el Barscha, de afgezette ontvanger van

Uskub, gisteren in de vroegte, bij u geweest, om u onze komst en ook

die zijner genooten te berichten?

--Dat moet gij gedroomd hebben; ik heb geen broeder!

--Dan heb ik zeker ook gedroomd, wat gij met hem hebt afgesproken;

wij zouden in den toren, waar de oude moeder spookt, ingekwartierd

worden, en uw knecht Humun zou voor spook spelen?

--Heer, van alles, wat gij vertelt, begrijp ik niets!

--Maar Humun weet dit alles heel goed, zooals ik aan den verwonderden

blik zag, dien hij daar juist op mij richtte, omdat ik dit geheim

ken. Het plan van het spoken moest opgegeven worden, en toen zijt gij

op de gedachte gekomen, den toren te beklimmen en ons te vermoorden.

--Allah, Allah! Gij verzint allerlei dingen.

--Ook, dat de twee Aladschy's mij zouden dooden? Barud el Amasat

wilde Osko vermoorden, omdat er een veete tusschen hen bestaat van

wege de ontvoering van Senitza. Uw broeder Manach nam Halef voor zijn

rekening, en Humun verklaarde zich bereid, Omar om te brengen. De

Miridiet trok zich terug, omdat hij vrede met mij gesloten en mij

zijn Czakan gegeven had, die hier in mijn gordel steekt.

--Allah akbar! Hij weet alles! De booze blik heeft het hem

gezegd!--kwam Humun over de lippen, verschrikt als hij was.

--Neen, hij weet niets, in 't geheel niets!--schreeuwde Habulam. Ik

ken niet een van al de mannen, wier naam gij zoo even hebt genoemd.

--Zij waren met u boven op den toren, en een paar uren vroeger waart

gij allen, negen in aantal, binnen in de holle koornschelf, die nabij

den toren staat.

--Er is bij mij geen holle schelf!

--Dan wil ik u die toonen en u zeggen, dat ik zelf tusschen de

garven gekropen ben en u gezien en beluisterd heb. Ik heb ieder woord

verstaan, ieder woord!

Hij ging achteruit en staarde mij vol schrik aan.

--Heeft de Miridiet, voor hij wegging, niet het mes getrokken tegen

den ouden Mubarek?

--Ik--ik--ik weet van niets,--stamelde hij.

--Wel, dan wil ik er dien Suef eens op hooren, misschien weet hij

het. En als hij niet antwoordt, dan maakt nog een dertigtal slagen

hem de tong misschien wel los.

Op dat woord keerde de genoemde zich naar mij toe, liet zijn tanden

zien, als een wild beest, wierp mij een grimmigen blik toe en siste:

--Hond! Wat geef ik om u of om die bastonnade! Hebt gij mij soms één

klacht hooren uiten? Meent gij, dat ik bang voor u ben, zoodat ik

door slaag gedwongen kan worden, om u de waarheid te zeggen?

--Zeg die dan, als gij werkelijk zoo moedig zijt als gij beweert.

--Ja, dien moed heb ik. Het is juist zooals gij hebt verteld. Wij

hebben u willen dooden. Het is niet gelukt; maar bij Allah!--voor

gij ver van hier zijt, hebben de kraaien uw lijken te pakken!

--Hij ijlt, hij ijlt!--riep Habulam. De wondkoorts doet hem ijlen!

--Lafaard!--schold schuimbekkend van woede Suef.

--Sihdi, vraag toch Humun ook,--zeide Halef. En als die soms wil

zwijgen, dan zal ik dien knaap, met een nieuwe twintig, wel eens van

de tongriem snijden.

Hij trad op den knecht toe, en nam hem bij den arm.

--Laat mij met rust, Hadschi van den Satan! Ik beken alles,

alles!--gilde Humun.

--Is het, zooals de Effendi zei?

--Ja, ja, precies zoo!

--Ook hij ijlt van de wondkoorts!--riep Habulam.

--Welnu, dan wil ik twee andere getuigen voortbrengen. Janik zeg de

waarheid! Is Habulam onschuldig?

--Hij heeft u willen vermoorden,--antwoordde de knecht.

--Schurk,--schreeuwde Habulam. Gij verwacht straf van mij voor uw

ongehoorzaamheid en wilt u wreken!

--Anka,--ging ik door,--hebt gij gezien dat uw Heer rottekruid in

onzen eierkoek heeft gedaan?

--Ja, antwoordde zij. Ik heb het duidelijk gezien.

--O Allah, wat een leugen! Heer, ik zweer bij den Profeet en bij alle

heilige Khalifen, dat ik volkomen onschuldig ben!

--Nu hebt gij nog bovendien een afschuwelijken meineed gezworen die----

Ik werd in de rede gevallen. Dat Habulam den Naam van den Profeet en

het aandenken der Khalifen door zulk een valschen eed ontheiligde, dat

maakte de aanwezige Mohammedanen woedend. Halef greep naar zijn zweep;

een toornige uiting werd rondom gehoord. Humun was op zijn wonde voeten

opgestaan, kwam aanstrompelen, spoog zijn Heer in het gelaat en zeide:

--Pfui-Hadje! Zijt vervloekt tot in alle eeuwigheid! Uw lafheid

brengt u in de Dschenna! Ik heb een Heer gediend, dien Allah zal doen

verzinken in de diepste diepte der verdoemenis. Ik verlaat u. Maar

eerst rekenen wij af.

En daar stond ook Suef bij den oude, spoog hem eveneens en zeide:

--Schande over u en over de dagen uwer grijsheid! Uw ziel ga verloren

en uw gedachtenis uitgeroeid bij alle geloovigen! Weg van mij,

ellendeling! Ik wil niets meer met u te doen hebben!

Beiden wankelden weer naar hun plaatsen. Een moord namen zij zonder

eenig bezwaar op hun geweten, maar tegen een lastering van den Profeet

en zijn opvolgers kwam al wat in hem was, op.

Habulam stond, alsof de donder hem had getroffen. Hij hield de handen

aan zijn voorhoofd. Plotseling hief hij de armen omhoog en riep:

--Allah Allah! Ik heb misdaan! Maar ik vlek mijn misdaad uit. Ik beken,

dat gij zoudt vermoord worden, en ik vergif in uw eten deed!

--Allah il Allah, Muhammed rassuhl Allah!--weerklonk het aan alle

kanten.

En Halef trad op hem toe, legde hem nadrukkelijk de hand op den

schouder en zeide:

--Gelukkig voor u, dat gij dien eed weer terug genomen hebt! Mijn

Effendi zou het mij niet toegestaan hebben, maar ik zweer het u bij

den baard van den Profeet, dat de zon van uw leven zou ondergegaan

zijn, voor ik dit huis had verlaten! Ge bekent dus uw schuld?

--Ja.

--Dan zult gij ook de straf ondergaan, die wij u opleggen. Effendi,

hoeveel slagen moet hij hebben?--vroeg Halef.

--Honderd,--antwoordde ik.

--Honderd! kreunde de oude. Dat overleef ik niet!

--Dat is uw zaak! Gij krijgt honderd slagen op uw voetzolen!

Hij viel bijna in zwijm. Ik zag zijn knieën onder hem knikken. Hij

was een groot misdadiger, maar een nog grooter lafaard.

--Wees barmhartig!--jammerde hij. Allah zal het u vergelden!

--Neen, Allah zou over mij toornen, indien ik zoo tegen zijn wetten

handelde. En wat zouden Suef en Humun zeggen, wanneer ik u de straf

schonk, die ik hen deed lijden.

--Op de plank met hem,--riep Suef.

--Geef hem de honderd,--viel Humun in.

--Gij hoort het!--zeide Halef.--Allah wil het, en wij willen het

ook. Kom dus hier! Leg de ledematen op de bank, opdat wij u binden.

Hij vatte hem bij den arm, om hem neer te trekken. De bange oude

wrong zich als een worm en jammerde als een kind. Ik wenkte Osko en

Omar. Zij pakten aan en drukten hem op de bank.

--Houdt op, op, houdt op!--kreet hij. Ik moet er door dood gaan! Als

ik bezwijk, dan zal mijn geest verschijnen en u aldoor verontrusten!

--Geef aan uw geest den goeden raad, bij mij niet te komen--plaagde

Halef. Wanneer hij bij mij om een hoekje komt kijken, bijt ik hem

den neus af.

Hoe hij ook tegenspartelde, hij werd toch gebonden. Zijn naakte

knokkige voeten trokken alsof zij nu al de pijn der slagen voelden.

--Wie neemt den stok?--vroeg Halef.

--Gijzelf,--antwoordde ik.

Hij wilde daar tegen opkomen, maar ik wenkte hem, dat hij zwijgen zou,

en hij begreep mij.

--Verblijd u, Murad Habulam,--zeide ik,--dat ik het ben, die u de straf

oplegt. De honderd zullen zóó zijn, alsof het er duizend waren. Dat

zal uw ziel van heel wat zonden ontlasten.

--Barmhartigheid, genade,--smeekte de oude. Ik wil de slagen afkoopen.

--Afkoopen?--lachte Halef. Gij steekt er den gek mee! De gierigheid

is uw grootvader en de hebzucht is de moeder uwer voorouders.

--Neen, neen! Ik ben niet gierig; ik betaal alles, alles!

--Dat zal de Effendi niet toestaan; maar ik zou toch wel eens willen

weten, hoeveel gij zoudt willen geven om aan die slagen te ontkomen.

--Ik geef u gaarne voor iederen slag een heelen piaster.

--Dus honderd piasters? Zijt ge dol? Van de honderd voetslagen die gij

krijgt, hebben wij voor tien duizend piasters voldoening en gij voor

tien duizend piasters pijn, met nog eens tien duizend reparatie-kosten

van die oude beenen, als ze ooit te repareeren zullen zijn. Dat zijn

er dus totaal dertig duizend. En gij biedt er ons honderd! Schaam u!

--Ik geef tweehonderd!

--Zwijg! Ik heb geen tijd om naar die vrekkige woorden te luisteren. Ik

moet beginnen.

Hij ging bij de naar boven uitstekende voeten van den oude staan,

deed alsof hij met den stok op de te raken plek mikte, en haalde

schijnbaar voor den slag uit.

--Allahy fewersin, dôjme, om Godswil, sla niet!--steunde Habulam. Ik

geef meer. Ik geef veel, veel meer!

Zeker was de heele geschiedenis, ja de gansche executie geen

aesthetische vertooning: ook erken ik dat ik ze niet tot mijn stichting

bijwoonde; maar ik verzoek mijn lezers niet van onchristelijkheid

of barbaarschheid te spreken. Toegestemd dat de handeling op zich

zelve minderwaardig genoemd zou kunnen worden, toch was zij volkomen

gerechtvaardigd door de omstandigheden, waarin wij ons bevonden.

Wij bevonden ons niet in een geciviliseerd land; wij hadden

met menschen te doen, die geboren en opgevoed waren onder de

beklagenswaardige toestanden van Klein-Azië. En vóór alles houde

men in het oog, dat deze menschen behoorden tot een wijdvertakte en

hoogst gevaarlijke dieven-bende, die voor geen moord terug deinsde. In

Constantinopel zelfs, en van daar af tot hier in Kilissely, hadden

wij te doen gehad met sujetten, voor wie niets heilig was. Voortdurend

waren wij in levensgevaar geweest, en ook nu nog loerde van alle zijden

het verderf op onzen weg. Men had ons met veel overleg en huichelarij

in dit huis gelokt, om ons, hoe dan ook, te vermoorden. Geen middel had

men daartoe ontzien. Er was op mij geschoten, naar mij gestoken. Was

het wonder, dat wij, die altijd door op ons qui vive moesten zijn

en voor niets veilig waren, in een bittere stemming waren? In deze

omgeving hadden wij op geen regeerings-hulp te rekenen; wij waren

geheel op ons zelf aangewezen. Welke straf verdienden de aanslagen,

tegen ons gedaan?

Was het een gruwel of bloeddorstig, deze goddelooze godvergeten

schurken, die zich in onze handen bevonden, te straffen met een

bastonnade, die zij naar 's lands wet hadden verdiend? Zeer zeker

niet! Integendeel, ik ben overtuigd, dat wij al te zacht zijn

opgetreden.

Dat wij den ouden Habulam, dien giftmenger, eenige benauwde

oogenblikken lieten doorleven, wie zal ons dat euvel duiden? Ik

had daarmede een goede bedoeling. En wat ik deed, moge in Europa

strafbaar zijn, in deze streek stond ik boven de wet en deed wat de

omstandigheden eischten.

--Gij wilt meer geven? vroeg Halef.--Hoeveel dan?

--Ik betaal driehonderd--en daar de Hadschi andermaal uithaalde om

toe te slaan, voegde hij er ijlings bij--vierhonderd, vijfhonderd

piasters! Ik heb niet meer dan vijfhonderd.

--Nu dan, als gij niet meer hebt, dan moet gij er bij nemen, wat onze

toorn u wil schenken. Wij zijn werkelijk rijker dan gij. Wij hebben

een voorraad stokslagen, groot genoeg om heel Kilissely er van te

geven. Om u dat te bewijzen, willen wij allereerst mild zijn jegens u

en tellen er u nog vijftig meer toe, zoodat gij er nu honderd vijftig

krijgt. Ik vertrouw dat gij onze mildheid dankbaar zult erkennen.

--Neen, neen, ik wil er geen honderd vijftig! Ik wil er zelfs geen

honderd!

--Ze zijn u echter beloofd, en daar gij zóó arm zijt dat gij maar

vijfhonderd piasters over hebt, is er aan onze belofte niet te

veranderen. Omar, kom weer tellen! Ik wil eindelijk beginnen.

Hij haalde uit en gaf den ouden schurk den eersten slag op den

rechter voet.

--Allah kerihm!--gilde Habulam. Ik betaal zeshonderd piasters!

--Twee!--kommandeerde Omar.

De slag viel op den linker voet.

--Houd op, houd op! Ik geef achthonderd, negenhonderd, duizend

piasters!

Halef wierp mij een vragenden blik toe, en liet, op mijn knikken,

den reeds opgeheven stok weer zakken, zeggende:

--Duizend? Heer, wat beveelt gij?

--Dat zal van Habulam afhangen,--antwoordde ik. De vraag is, of hij

duizend piasters baar heeft liggen.

--Ik heb ze. Ze liggen daar!--lichtte de oude toe.

--Dan kunnen wij er eens over denken.

--Wat valt daarover te denken? Gij krijgt het geld en kunt er vroolijk

van leven.

--Dat hebt gij mis. Gesteld, dat ik zoo genadig ben, u de straf kwijt

te schelden voor duizend piasters, dan worden die aan de armen gegeven.

--Doe er mee, wat gij wilt, maar laat mij los!

--Ter wille van de armen, voor wie dat geld bestemd is, zou ik

misschien toegeven; mits gij nog op een andere voorwaarde ingaat.

--Nog een voorwaarde? O Allah, Allah! Moet gij nog meer geld hebben?

--Neen. Ik wil slechte dat gij Janik en Anka terstond uit uw dienst

ontslaan zult.

--Wat graag! Hoe eer zij oprukken, hoe liever het mij is!

--Maar gij betaalt ze hun loon terstond en zonder eenige korting!

--Ze zullen alles hebben.

--Goed, maar èn aan hem èn aan haar geeft gij een zeer aanbevelend

getuigschrift!

--Ook dat.

--Mooi! Zij verlaten uw huis, tegelijk met mij. Uskub ligt te ver

van hier om er heen te loopen. Ook kunnen zij niet dragen, wat hun

toebehoort. Daarom verlang ik, dat ze er heen rijden in den wagen,

die ginds in de schuur staat.

--Wai sana! Daar denk ik niet aan!

--Zoo als gij wilt. Halef, ga voort! Geef den derden slag.

--Halt, halt!--gilde de oude, toen hij zag dat Halef uithaalde. Het

is toch onmogelijk, hun den wagen te geven!

--Waarom?

--Zij zouden dien niet teruggeven.

--Janik en Anka zijn eerlijke menschen. Overigens kunt gij hen door

de rechtbank tot teruggeven dwingen.

--Maar Uskub is te ver van hier!

--Hebt gij niet gezegd, dat uw vrouw op het oogenblik daar is?

Hij spartelde nog een poos tegen, maar eindelijk stond hij toch toe,

dat Janik en Anka met zijn wagen en paard tot Uskub zouden rijden,

waar deze aan zijn vrouw zouden afgegeven worden.

--Nu zijn wij het toch eindelijk eens?--vroeg hij met een diepen zucht.

--Nog niet. Gij moet mij een schriftelijke bekentenis geven van wat

gij met ons hebt willen doen.

--Wat wilt gij met die bekentenis doen?

--Die stel ik aan Janik ter hand. Zoodra gij vijandig tegen hem

optreedt, dient hij die bij de rechtbank in.

--Dat is mij te gevaarlijk!

--Halef, neem den stok!

--Wacht toch wat!--riep de oude. Bedenk toch, dat hij die bekentenis

tegen mij gebruiken kan, ook wanneer ik in 't geheel niets tegen

hem doe!

--En gij moogt bedenken, dat uw gevaar er niets grooter door wordt. Al

uw dienstpersoneel, zooals het hier staat, heeft uw bekentenis

gehoord. Zij allen weten, wat er voorgevallen is, en al spoedig zullen

alle bewoners van deze streek weten, dat wij vermoord moesten worden,

en dat gij een giftmenger zijt. Alle menschen zullen u verachten

en mijden. Juist dit, wat u wacht, heeft mij doen besluiten u te

sparen. Gij krijgt uw straf, zonder dat ik wraak neem. De schriftelijke

bekentenis, die ik van u eisch, bespoedigt of verzwaart die straf

niet. Bezin u dus niet lang, ik heb geen tijd.

Halef bevestigde mijn woorden, door met den stok over de gewonde voeten

van den oude te kriewelen, alsof hij op nieuw zou beginnen. Dat werkte.

--Gij zult het papier hebben,--zeide Habulam. Maak mij dan nu los.

Het geschiedde, en hij werd onder toezicht van Halef en Osko naar

zijn woning gebracht, waar hij het geld moest halen, als ook het

schrijfmateriaal.

Hij strompelde zachtjes aan naar binnen, en zijn twee wachters

gingen mee. De achteraf staande knechten en vrouwen fluisterden met

elkaar. Een uit hun midden trad vooruit en zeide:

--Effendi, wij willen niet langer bij Habulam blijven; maar hij zal

ons niet goedschiks laten gaan, en nu zouden wij u willen verzoeken,

hem er toe te dwingen.

--Dat kan ik niet.

--Gij hebt het toch voor Janik en Anka in orde gebracht!

--Hun was ik dank verschuldigd. Zij hebben ons het leven gered. Gij

waart de gewillige dienaren van de moordenaars.

--Dat is niet zoo, Effendi!

--Hebt gij dan niet op hun paarden gepast?

--Ja, maar wij hebben den ganschen nacht in den regen gestaan en

wij verwachtten een fooi; toen de mannen echter weggingen, waren zij

ontzettend boos en beloonden ons met eenige geduchte klappen.

--Wanneer zijn ze weggereden?

--Toen het even begon te schemeren.

--In wat richting?

--Zij volgden den Uskuber straatweg.

--Waar stonden hun paarden?

--Buiten het dorp, bij de Aiwa aghadschylar (kweeboomen).

--Als gij er mij heenbrengt, wil ik trachten uw ontslag te verkrijgen.

--Dan doe ik het graag.--Op dat oogenblik kwam Habulam met zijn twee

begeleiders terug, Omar droeg papier, inkt en pennen. Halef kwam met

een zak en zeide:

--Hier zijn de duizend piasters, Sihdi. Ik heb ze nauwkeurig geteld.

Ik stak den zak bij mij.

Habulam was naar Janik en Anka gestrompeld. Hij gaf beiden hun geld

en zeide op grimmigen toon:

--Maakt dat gij wegkomt en geeft den wagen eerlijk terug. Ik zal

dagelijks Allah bidden, rampen en tweedracht over uw huwelijk uit

te storten.

Die woorden maakten den toorn van Janik gaande. Hij stak het geld

bij zich en antwoordde:

--Gij vervloekt ons, maar zelf zijt gij een booswicht, zooals er

geen tweede op aarde is. Ditmaal zijt gij den beul ontkomen, omdat

de Effendi een Christen is en genade voor recht heeft laten gelden,

maar de dag is nabij, dat uw geheele bende haar welverdiende straf

zal ondergaan. Uw dagen zijn geteld, want uw aanvoerder zal vallen

door de dapperheid van den Effendi.

--Laat hij hem maar zoeken!--zei Habulam hoonend.

--O, hij zal hem vinden; hij weet al, waar hij zit!

--Ah, weet hij dat werkelijk?

--Denkt gij, dat het ons niet bekend is? Ik zelf zal met hem meegaan

naar Karanorman-Khan, om den Effendi bij te staan.

Daar was het woord er uit! Ik had den onvoorzichtige gewenkt; hij

zag het niet. Ik wilde hem in zijn vloed van woorden stuiten, maar

hij sprak te rad, dan dat het mij kon gelukken. En ik, die het geheim

wilde houden, dat de naam mij bekend was!!!

Habulam luisterde aandachtig toe. Zijn gezicht had een zekere spanning.

--Kara--nor--man--Khan!--riep hij,--de beide lettergrepen, nor man

afzonderlijk intoneerende. Wat is dit voor een plaats?

--Een plaats bij Weicza, waar uw aanvoerder zich ophoudt.

--Kara--norman--Khan! Ah, die is goed! Wat zegt gij er van, Suef?

Dat zeggende stiet hij een hoonend gelach uit.

De gewaande kleermaker had zich omgekeerd, toen hij den naam hoorde,

en Janik scherp aangezien. Op de vraag van Habulam barstte hij in

lachen uit, en antwoordde:

--Neen maar! Die is prachtig! Laten zij er heengaan en hem zoeken. Ik

zou er wel eens bij willen zijn, om te zien, wat voor gezichten zij

trokken, als zij den aanvoerder daar vonden.

Deze houding verraste mij. Ik dacht, zij zouden schrikken, en... zij

lachten mij uit. Het was aan hen te zien en te hooren, dat zij niet

veinsden. Daaruit wist ik met zekerheid, dat de aanvoerder zich niet

te Karanorman Khan bevond.

Maar ik had toch op het papiertje gelezen, dat Barud el Amasat daar ter

plaatse besteld was. Of was er een plek, met een gelijksoortigen naam?

Dat vermoeden kon ik thans niet verder uitwerken. Ik had mijn tijd

noodig om te schrijven. Dat deed ik op Oostersche manier, namelijk

op mijn knie. De anderen hielden zich stil, om mij niet te storen.

Murad Habulam had zich naast Suef gezet, en zij beiden fluisterden

met elkaar. Wanneer ik bij wijlen van ter zijde opkeek, merkte ik

op, dat zij zich boosaardig vroolijk over ons maakten. En die stille

vroolijkheid ging eindelijk in luid gegrinnik over. Die onbeschoftheid

ergerde mij.

--Ga naar de schuur, en span het paard voor den wagen, beval ik

Janik. Laad uw goed op, wij vertrekken al gauw.

--Zal ik onze paarden voorbrengen?--vroeg nu Halef.

--Nog niet. Maar ga nog eens naar den toren. Ik heb gezien dat daar

nog stukken zijn van de vergiftigde ommelet, brokken waarvan de doode

musschen hebben gegeten. Zamel die voorzichtig bijeen; misschien

hebben wij ze nog noodig.

De kleine scherpzinnige Hadschi begreep mij terstond en zeide

duidelijk:

--Ik heb ook nog het peperhuisje met rottekruid, dat wij onzen

vriendelijken gastheer Habulam afnamen.

--Dat is probatum. Habulam schijnt zich over ons vroolijk te maken;

ik zal er voor zorgen, dat hij wat ernstiger wordt.

Halef, Janik en Anka verwijderden zich. De eerste kwam terug, toen

ik met mijn schrijverij gereed was. Hij had een verzameling grootere

en kleinere stukken,--voor een scheikundige onderzoeking meer dan

voldoende.

--Effendi, wat wilt gij met die dingen doen?--vroeg Habulam, nu niet

meer lachende.

--Ik breng ze te Uskub naar den apotheker van de politie, om te laten

uitmaken, dat er uit dit vergift-zakje in de ommelet gedaan is.

--Maar het is toch nu volkomen onnoodig om dat te laten uitmaken!

--Volstrekt niet. Ik wil daarmee een eind maken aan uw onbeschaamd

gegrinnik.

--Wij hebben niet gelachen!

--Lieg niet! Gij maakt daarmee de zaak slechts erger.

--Wij moesten over dat Karanorman Khan lachen.

--Waarom?

--Omdat wij het in 't geheel niet kennen.

--Is dat een reden om zoo te grinniken?

--Neen, maar Janik sprak van een hoofdman, van wien wij niet het

minste weten, en de plaats Karanorman kan ons nog minder schelen.

--Zoo....? Gij weet dus niets van den Sjoet af?

--Neen--antwoordde hij, ofschoon hem een beweging van schrik ontsnapte,

toen ik dien naam noemde.--Ik ken noch hem noch de plaats, waarvan

gij hebt gesproken.

--Kent gij dan ook geen plaats, met een soortgelijken naam?

Ik keek hem scherp aan. Hij kuchte en slikte, sloeg de oogen neer

en antwoordde:

--Neen, ik ken er zoo geen een.

--Zie, ik merk weer aan u dat gij liegt. Gij kunt u niet zoo goed

houden, als noodig is om mij van de wijs te brengen. Wij willen toch

eens zien, hoe ver wij het met uw geheugen brengen.

Ik haalde mijn portefeuille te voorschijn. In een der vakken was het

briefje, dat Hamud el Amasat aan zijn broeder Barud el Amasat had

geschreven en dat in mijn handen was gevallen. Ik nam het er uit en

bekeek het op nieuw met alle opmerkzaamheid.

Met de gedachte, dat het woord Karanorman Khan onduidelijk kon

geschreven zijn, had ik het nog niet bekeken, en daarom had ik steeds

geloofd, het goed gelezen te hebben. Maar nu viel mijn oog nauwelijks

op den bewusten naam, of ik wist, waar ik aan toe was.

Het Arabische schrift heeft namelijk geen letters voor de vokalen; deze

worden meer door de zoogenaamde Hareket (leesteekens) aangeduid. Dat

zijn streepjes of haakjes, die boven of onder de bijbehoorende

consonanten worden gesteld. Zoo beteekent b.v. een streepje (--), dat

Ustum of Esre genoemd wordt, a of e, wanneer het boven een consonant

of medeklinker staat. De zoogenaamde Oeturu, een haakje, zooals dit:

' staande boven een letter, beteekent o of u of te wel ö of ü. Er

kan dus, vooral bij onduidelijk schrift, allicht een verwisseling

voorkomen. Dat was ook mij bij het lezen van het briefje gebeurd.

Ik had namelijk een klein zwart plekje op het papier voor een Oeturu

gehouden en een dwarsstreepje onder de letter niet opgemerkt, omdat

het zóó klein was uitgevallen dat het nauwelijks te zien was. Er

moest dus geen o, maar een i gelezen worden. De naam luidde alzoo

niet Karanorman, maar Karanirwan Khan. Want de schrijver had ook door

slordig schrift, de figuur van de W aan die van de M gelijk gemaakt.

Door het land der Skipetaren · 第 28 / 34 段