--Dan zult gij dien heden leeren kennen,--verzekerde Halef. Sihdi,

gij hebt een prachtig, voortreffelijk woord gesproken. De geloovigen

zullen zich over u verblijden en de zaligen der drie bovenste hemelen

zullen zich over u baden in genot. Eindelijk zult gij dan optreden als

het sieraad van het mannelijk geslacht en het hoofd aller helden. Mijn

spieren worden tot slangen en mijn vingers als de scharen van een

kreeft. Ik zal woeden onder de struikroovers en het bloed drinken der

moordenaars. Er zal gehuil worden gehoord in Kilissely en gejammer

onder de zonen des verderfs. De moeders en dochters dergenen, wier

geweten niet zuiver is, zullen jammeren, en de tantes en zusters

der ongerechtigen zullen zich de haren uittrekken en heur sluiers

verscheuren. De vergelding opent haar kaken en de gerechtigheid scherpt

haar klauwen, want hier staat de richter met de roede der wraak in

de hand, de held van het feest van de zweep, Hadschi Halef Omar Ben

Hadschi Abul Abbas Ibn Hadschi Dawuhd al Gossarah!--Hij stond, de

rechter geheven, de oogen fonkelend van verrukking, in de houding van

een redenaar, die zich bewust is te arbeiden aan de wereldhervorming.

Humun had gelogen, toen hij beweerde dat zijn Heer sliep. Juist toen

wij ons gereed maakten, om het vertrek binnen te gaan, waar Habulam

ons had ontvangen, kwam hijzelf op ons af en viel grimmig toornend

tegen mij uit:

--Mensch, wat krijgt gij in uw hoofd, mijn knecht te laten slaan! Ik

heb grooten lust u allemaal te laten ranselen!

Hij was niet alleen, maar Humun en de kleermaker Suef, die zich Afrit

genoemd had, waren bij hem, en achter deze groep kwamen nog vijf of

zes knechten en vrouwelijke dienstboden.

Ik antwoordde niet, maar gaf Omar een wenk, om mij bedaard wat

dichterbij te rijden. De woede van Habulam scheen door mijn zwijgen nog

grimmiger te worden, want voor ons heen en weer loopende, brulde hij

bedreigingen, wier volvoering, ons volkomen zou hebben vernietigd. Toen

wij bij de bekende deur waren en Halef die wilde openen, ging Habulam

er voor staan, en schreeuwde bevelend:

--Hier komt niemand binnen! Ik verbied het u!

--Gij!--vroeg Halef. Mensch, zijt ge dol? Gij hebt hier niets te

bevelen.

--Ik ben in deze afdeeling, het hoofd der politie en opperste rechter!

--Daar kan het lieve Kilissely tevreden mee zijn! Wanneer de hoogste

magistraat zelf steelt en moordt, wat zullen dan wel de onderdanen

doen! Wees nu zoo beleefd en ga uit den weg, anders krijgt gij een

Oepisch (kus) van mijn zweep, die op een Scheftalay (smakkert) zal

lijken. Begrepen?

Halef hief zijn zweep op, en daar Habulam niet uit den weg ging, kreeg

hij een zoo geduchten slag, dat hij wegvloog met een sprong, zooals

een circus-clown hem moeilijk had kunnen verbeteren. Daarbij gilde hij:

--Hij slaat mij! Allah heeft het gezien en gij ook! Grijpt hem! Voor

den grond met hem! Bindt hem!

Dit bevel gold de knechten, maar niet een waagde het, ook Humun en

Suef niet, om de hand naar den kleinen Hadschi uit te steken. En deze

verwaardigde zich evenmin, naar hen om te zien, maar deed de deur open

en ging naar binnen. Wij volgden. Habulam kwam ons na en de anderen

drongen achter hem op. Midden in de kamer bleef hij staan en riep:

--Dat is ongehoord! Ik zal het ten strengste straffen! Ik ben de Chef

van de Dschesah mehkemeleri (crimineele rechtbank) alhier.

--Kilissely is maar een dorp, waar zulk een rechtbank niet

bestaat,--antwoordde ik.

--Maar ik ben de Mollao (rechter) van deze plaats!

--Dat geloof ik niet. Waar hebt gij dan gestudeerd?

--Dat is daar niet voor noodig.

--Oho! Om Mollao te kunnen zijn, moet gij allereerst tot uw twaalfde

jaar een Subjahn mekteb, (Lagere school), en voorts een Medresseh

(kweekschool) bezocht hebben, om den titel van Softa te krijgen. Hebt

gij dien behaald?

--Dat gaat u niets aan!

--Toch wel. Die ons richten wil, moet kunnen bewijzen, dat hij het

recht en de bekwaamdheid er toe heeft. Kunt gij Arabisch spreken

en schrijven?

--Ook Perzisch?

--Ja.

--En kent gij den Koran heelemaal van buiten. Dat alles moet een

Softa kennen.

--Ik ken den Koran van buiten.

--Bewijs het mij dan! Zeg mij de zes en veertigste Sure, die el Ahkaf

genoemd word, eens op.

--Hoe begint die?--vroeg hij verlegen.

--Natuurlijk met de woorden: 'In naam van den barmhartigen God',

zooals iedere Sure.

--Maar dat is niet de zakelijke aanvang.

--Welnu, zij luidt: De openbaring van dit boek is van God, den

Almachtige en Alwijze. Den hemel en de aarde, met wat daar tusschen

is, hebben wij op een bepaalden tijd geschapen, maar de ongeloovigen

wenden zich af van de nadrukkelijke waarschuwing, die hun geworden

is.--Nu gij verder!

Hij krabde zich achter zijn oor, en zeide toen:

--Maar wie geeft u het recht om mij te examineeren? Ik ben Softa

geweest, en dat hebt gij te gelooven!--Pas op de deur, opdat niet een

van die aangeklaagde vreemdelingen ontvluchte! En breng terstond de

Kötek aleti (bastonnade-bank) hier!

Hij had dit bevel aan zijn eigen volk gegeven, en dat haastte zich

het te doen. Humun en Suef plaatsten zich aan weerskanten van hem,

en de anderen stelden zich op, tusschen ons en de deur, om ons het

vluchten te beletten. Een van de vrouwelijke dienstboden ging om de

noodige instrumenten te halen.

Toen zette zich Habulam in het midden der kamer en wenkte de twee om

naast hem te komen zitten.

--Gij zijt de Schehadedschiler en Imdadlar, (getuigen en

bijzitter),--zeide hij. Gij zult mijn vonnis bevestigen.

De drie sukkels zetten zulke ernstige ambtsgezichten, dat het mij

moeite kostte niet hardop te gaan lachen.

--Sihdi,--vroeg Halef fluisterend,--zullen wij nu ook niet een woordje

gaan meepraten? Het is toch eigenlijk een schande voor ons.

--Geen schande, Halef, maar een aardige komedie tot inleiding van het

treurspel, dat wij straks zullen opvoeren. Wij zijn al zoo dikwijls van

beschuldigden aanklagers geworden, en dat zullen wij ook nu vertoonen.

--Stilte!--riep Habulam mij toe.--Als de misdadiger voor zijn rechter

staat, heeft hij te zwijgen. Janik, Anka, wat hebt gij daar achter

die boosdoeners te staan? Later zult gij gestraft worden, omdat gij

tegen mijn bevelen in hebt gehandeld. Gaat nu voorloopig daar van daan.

Het werd toch al te gek! Wij hadden natuurlijk onze wapens bij ons,

en die oude zondaar dacht werkelijk dat wij ons aan zijn uitspraak

zouden onderwerpen. Janik bleef met Anka bij ons staan; daarom

herhaalde Habulam zijn bevel op nog strengeren toon.

--Neem me niet kwalijk,--zei ik,--maar deze personen zijn, sedert

vandaag, in mijn dienst.

--Daar weet ik niets van.

--Maar nu zeg ik het u, dus weet gij het.

--Dat begrijp ik. Ze hebben zich laten omkoopen om mij ontrouw te

worden; maar dat laat ik niet toe en zal ze ook daarvoor straffen.

--Daar zullen wij het nader over hebben,--antwoordde ik bedaard.--Maar

zooals gij ziet, de rechtzitting kan beginnen.

Hij wees op de teruggekeerde dienstbode, die de bastonnade-bank bracht

en voor hem neerzette.

Men moet zich zulk een bank voorstellen als oorspronkelijk vier pooten

gehad te hebben, waarvan er nu één paar ontbrak, zoodat er nu nog maar

twee aan het uiteinde waren. Die bank wordt nu omgekeerd op den grond

gelegd, zoodat de twee bij elkaar zijnde pooten omhoog steken. Aan die

pooten worden de voeten van den delinquent vastgebonden en hij zelf

aan het lager eind, in gestrekte houding. Zoo gerekt en gestrekt,

krijgt hij dan, op zijn naakte voetzolen, de hem toegedachte slagen

of bloedende striemen.

Wat vreeselijke pijn dat doet, zal men begrijpen uit het feit, dat

veeltijds reeds bij den eersten slag de voetzool openspringt. Een

geoefend Khawasz slaat dwars op de smalle vlakte der zolen; hij

begint bij de hielen en eindigt bij de teenen, zorgende dat de slagen

opvolgend naast elkaar terecht komen. De eerste slag valt op den

rechter, de tweede op den linkervoetzool, en zoo vervolgens. Zijn

beide zolen van af de teenen tot de zolen opengeslagen, zonder dat

de vereischte slagen gegeven zijn, dan moeten de overige rechthoekig

op de vorige vallen. Dat noemt de Turk, die zoo'n executie wel aardig

vindt, schaakbord slaan. (Satrandsch tachtassy wurmak).

Murad Habulam knipoogde welbehaaglijk tegen de bank, als zag hij een

vriendelijken vriend. Daarna keek hij ons veelbeteekenend aan en riep

een der achter ons staande knechten, zeggende:

--Bejaz, gij zijt de sterkste. Kom hier! Gij moogt uw kracht toonen

bij de bastonnade.

De knecht, een lange sterke kerel, ging naar de bank, nam de

rottan-stokken, door de dienstbode meegebracht, en liet ze welgevallig

zwiepen.

Murad Habulam nam een trotsche overmoedige houding aan, kuchte en

begon, zich tot mij wendende:

--Uw naam is Kara Ben Nemsi?

--Zoo noemt men mij hier,--antwoordde ik.

--Gij zijt de Heer en Gebieder van dezen Hadschi Halef Omar, die

naast u staat?

--Niet zijn gebieder, maar zijn vriend.

--Dat komt op hetzelfde neer. Bekent gij, dat hij mij geslagen heeft?

--Ja.

--En ook Humun, mijn dienaar?

--Ja.

--Daar gij het bekent, behoef ik hem niet te ondervragen. Weet gij,

hoeveel slagen hij Humun gegeven heeft?

--Ik heb ze niet geteld.

--Het waren er minstens twintig,--riep Humun.

--Goed. Ik heb er wel is waar maar een gekregen, maar----

--Jammer genoeg!--viel Halef hem in de rede.--Ik wou, dat gij er

dubbel zooveel als Humun gekregen hadt!

--Zwijg!--beval Habulam met donderende stem.--Gij moogt slechts spreken

als u iets gevraagd wordt. Wees Allah dankbaar, dat hij u verhinderd

heeft mij nog een tweeden slag te geven. Ik ben hier Heer en Gebieder,

en iedere slag, die men mij geeft, telt voor dertig. Dat maakt, met de

twintig van Humun, vijftig die gij op uw voetzolen zult ontvangen. Kom

naderbij en trek uw schoenen uit!

Bejaz, de knecht, nam de touwen, waarmee Halef op de bank zou gebonden

worden. Ik zag naar mijn makkers. Het was een lust om te zien, hoe

kalm en vastberaden zij mij aanzagen.

--Kom, vlug!--gebood Habulam. En daar Halef zich niet verroerde beval

hij Bejaz:

--Vooruit en haal hem!

De knecht trad op Halef toe. Deze trok een van zijn pistolen uit

zijn gordel, en legde aan, terwijl hij met zijn duim de beide hanen

overhaalde. Verschrikt sprong Bejaz op zij en riep in grooten angst:

--O, Allah! Heer, de man schiet! Haal hem zelf!

--Lafaard!--antwoordde Habulam. Ge zijt een reus van een kerel en

gij zijt bang voor zoo'n dwerg?

--Neen, niet voor hem, maar voor zijn pistolen.

--Hij mag niet schieten. Op, mannen! Grijpt hem! Brengt hem hier!

De dienstknechten keken elkaar bedenkelijk aan. Zij waren bang

voor den Hadschi. Een echter bewees dat hij durfde. Dat was Suef,

de kleermaker. Hij haalde een pistool uit zijn zak, terwijl wij

vroeger zoo'n wapen niet bij hem hadden opgemerkt, en hij trad toe,

tot Bejaz zeggende:

--Doe uw plicht! Als hij zijn pistool opheft, schiet ik hem neer!

Gisteren nog was die persoon het meest vredelievende en ongevaarlijkste

kleermakertje en nu teekende zijn gezicht een uitdrukking van zoo

intensen haat en vastberadenheid, dat andere menschen als wij er niet

zonder reden bang voor zouden geworden zijn.

--Gij, kleermaker, gij wilt schieten?--zei Halef lachende.

--Zwijg! ik ben geen kleermaker. Wat hebt gij, vreemdelingen, hier

bij ons te maken? Gij wilt ons verhinderen, te handelen, zooals wij

dat willen, en gij zijt dom genoeg om mij voor een kleermaker aan

te zien! Als gij wist, wie en wat ik ben, gij zoudt sidderen van

angst. Maar gij allen, gij zult mij leeren kennen, en met u zal ik

beginnen. Als gij niet terstond naar de bank gaat en daar uw schoenen

uittrekt, dan zal ik u leeren gehoorzaam te zijn!

Dat was inderdaad ernstig gemeend. Halef keek hem schuins aan, nam

zijn pistool in de linkerhand, waaruit ik begreep wat hij zou doen,

en vroeg hoogst vriendelijk:

--En, als ik u vragen mag, hoe zoudt gij dat doen?

--Zoo, op deze manier!

Suef strekte den arm, om den Hadschi in de borst te grijpen, maar

deze haalde bliksemsnel uit en gaf hem een zóó geweldige oorvijg,

dat de man zijn pistool liet vallen en hals over kop tegen den grond

sloeg. Voor hij tijd had om op te staan, zat Halef, die terstond zijn

pistool bij zich had gestoken, geknield op hem, en bewerkte hem met

zijn vuisten, zoo treffend en ongelooflijk vlug, dat de man geen tijd

had om aan tegenweer te denken.

Habulam was van zijn plaats opgesprongen en brulde van woede. Humun

gesticuleerde als een razende, maar waagde het niet, Suef ter hulp te

komen. Het dienstpersoneel schreeuwde moord en brand, maar bleef op

eerbiedigen afstand. Het was een helsch kabaal, tot Halef eindelijk

opstond.

Suef hinkte naar de plek, waar zijn pistool te land was gekomen,

maar de Hadschi was hem te vlug af en schopte het weg, zoodat het

tegen mijn stoel vloog en daar bleef liggen. Suef sprong het achterna

om het op te rapen en kwam zoodoende binnen mijn bereik. Juist toen

hij bukte, vatte ik hem bij zijn nek en haalde hem omhoog. Mijn greep

had ten gevolge dat hij z'n armen slap liet hangen en angstig naar

lucht hapte. Osko raapte het pistool op en stak het bij zich. Ik gaf

den kleermaker een slag, met mijn linkerhand, op zijn hoofd en zette

hem op den grond voor mij neer.

--Hier blijft gij zitten, en verroert u niet,--beval ik hem. Zoodra

gij de minste mine maakt, om zonder mijn verlof op te staan, knijp

ik uw hersenpan, als een eidop te gruizel.

Hij liet zijn hoofd en armen zakken, en bewoog zich niet. Alle

aanwezigen schreeuwden en gilden nog om het hardst.

--Neem uw zweep, Halef, en breng den boel tot bedaren!

Nauwelijks had ik het gezegd, of de zweep van den kleine streelde

allergevoeligst Habulams rug. De oude schurk was terstond stil,

ook Humun zweeg, en de anderen volgden oogenblikkelijk zijn voorbeeld.

--Ga daar zitten!--gebood ik, op strengen toon, onzen rechter en

hij gehoorzaamde.

--Weg daar van de deur!--gebood ik den knechten.--Gaat in gindschen

hoek en blijft daar staan, tot ik u zeg, dat gij gaan kunt.

Zij haastten zich te gehoorzamen. Wij hadden nu niemand meer achter

ons en konden alles en allen overzien.

Blijkbaar wist Habulam niet wat hij zeggen of hoe hij zich houden

moest. Fronsend wendde hij zich naar alle kanten, van den een

naar den ander. Hij had de vuisten gebald en de lippen stijf op

elkaar. Eindelijk opende hij den mond om in toorn tegen mij uit

te varen.

--Zwijg, anders krijg je weer met de zweep!--riep ik hem toe. Nu is

het mijn beurt. Denkt gij soms, dat wij u hier zijn komen zoeken,

om ons de zolen door u te laten stuk slaan? Verbeeldt gij u dat wij

personen zijn, die gij oordeelen of beoordeelen moogt? Wij zullen u

vonnissen en dat voltrekken. Gij hebt de bastonnade-bank hier laten

brengen, en wij zullen er ons van bedienen.

--Wat krijgt gij in uw hoofd. Wilt gij mij hier in mijn eigen huis----

--Stil--viel ik in. Als ik spreek, moet gij zwijgen. Uw huis is een

moordenaarshol, en denkt gij dat----

Ook ik werd nu gestoord en gestuit. Osko gaf een schreeuw en vloog

op den pseudo-kleermaker af. Maar ofschoon ik Humun meer bizonder

in het oog hield, toch was mij de verdachte beweging van Suef niet

ontgaan. Hij was inderdaad een hoogst gevaarlijk sujet.

Hij was de eenige die het gewaagd had om naar de wapens te grijpen. Nu

kon hij gelooven, dat ik geen acht op hem sloeg. Hij had, met zijn

rechterhand in den binnenzak van zijn vest gegrepen en een mes er uit

gehaald. Bliksemsnel opspringende, wilde hij mij het blank geslepen

lemmet in de borst stooten; maar het gelukte hem niet. Osko had hem

nog te rechter tijd bij de gewapende hand gegrepen, en ook ik hem

bij zijn strot gepakt.

Halef was ook terstond bij mij en wrong den andermaal overweldigde

het mes uit de hand.

--Doorzoek alles wat hij aan heeft en op zijn lijf kan hebben,

terwijl ik hem vast heb!--zeide ik.

Hij deed het en haalde een geladen tweeloops pistooltje, allerlei

kleinigheden en een welgevulden geldzak voor den dag, dien hij opende,

vragende:

--Ziet gij al die goudstukken? En die kerel deed zich voor, als een

arme, die de dorpen afreisde en als kleermaker met moeite zijn brood

verdienen kon! Dit geld is niet verdiend, maar zeker gestolen of

geroofd. Wat zullen wij er mee doen?

--Doe het weer in zijn zak. Het komt ons niet toe; maar de wapens

nemen wij hem af, opdat hij er geen onheil mede aanrichte.

Ik zette den kerel weer op den grond. Hij knarste van woede op

zijn tanden. Wie en wat was hij eigenlijk? Als wij het hoorden,

zouden wij van angst sidderen,--had hij gezegd. Ik moest hem voor

ons onschadelijk maken en om dat gedaan te krijgen, behoefde ik geen

gelijk met gelijk, geen moord met moord te vergelden. Een gevoelige

straf moest hij hebben, een straf die hem tevens buiten staat zou

maken, zich vooreerst met ons te bemoeien.

--Halef, Osko, Omar, bindt hem daar op de bank!--was mijn besluit.

De kerel had zich gehouden, alsof hij volkomen machteloos was geworden

door mijn hem vastgrijpen bij zijn strot, maar nauwlijks had ik bevolen

hem op de bank te binden of hij vloog op, was met twee sprongen bij

Habulam, trok hem te gelijk mes en pistolen uit den gordel, wendde

zich naar mij om en riep:

--Mij bastonneeren! Dat is het laatste woord, dat gij gesproken hebt!

Hij lei op mij aan, de haan knakte en het schot knalde. Ik had ter

nauwer nood tijd, om met alle kracht, die mij ten dienste stond,

mij op zij te werpen, zoodat ik met stoel en al om en op den grond

viel. Ik was niet getroffen, maar zooals bleek, de kogel was tusschen

Janik en Anka, die achter mij stonden, doorgevlogen en in de deur te

recht gekomen.

Hoe ik het gedaan heb, met mijn voet in gips-verband, weet ik ook

nu nog niet; maar ik had nauwlijks den grond geraakt, of ik vloog

overeind en op den moordenaar af, niet met een sprong, neen, met een

echten salto mortale duikelde ik over mijn handen weg. Juist waar de

kerel stond, kwam ik neer, pakte den schurk met beide handen en viel

met mijn aldus gevangene neer.

Murad Habulam en de zijnen stonden van schrik verstomd, onbeweeglijk

en zonder geluid. Suef lag onder mij. Mijn knieën hield ik dwars op

zijn schouders en zijn hoofd drukte ik achterover. Het afgeschoten

pistool, dat gelukkig eenloops was, hield hij nog in de hand en in

zijn rechter het mes. Dit zou mij gevaarlijk hebben kunnen worden,

maar Halef met zijn onverstoorbare tegenwoordigheid van geest,

knielde reeds naast mij en had de hand met het mes gegrepen.

--Osko, hier!--riep hij.--Op de bank met hem, zoodat hij geen vin

meer kan verroeren!

In minder dan geen tijd was Suef op de bank gebonden, zooals dat voor

de bastonnade noodig was. Janik bracht mijn stoel, en ik zette mij.

--Ziet gij nu wel, dat uw huis werkelijk een moordenaarshol is,

zooals u daar straks gezegd is?--zeide Halef tot den oude op hoogen

toon. Was onze Effendi niet zoo gewoon aan den strijd, had hij niet

zooveel tegenwoordigheid van geest, dan lag hij nu dood voor den

grond. Maar dan hadt gij eens wat gezien! Nu is alleen ons geduld

ten einde. Nu zult gij ondervinden, wat het zeggen wil, op ons te

schieten en ons vergiftigde spijzen voor te zetten!

--Daar weet ik niets van,--beweerde de oude.

--Zwijg! Straks komt de beurt aan u. Wij beginnen nu met dezen

ellendeling. Hij heeft ons naar dit moordhol gebracht. Hij heeft

geweten, dat men hier ons vermoorden zou. Sihdi, hij heeft naar u

gestoken en op u geschoten, bepaal wat er met hem gebeuren zal! Zijt

gij niet van oordeel dat hij den dood verdiend heeft?

--Ja, hij heeft den dood verdiend. Maar wij willen hem laten leven. Het

zou kunnen zijn dat hij nog een ander mensch werd. Om hem tot die

verandering aan te sporen, zal hij de bastonnade krijgen, die u

toegedacht was.

--Hoeveel slagen?

--Dertig.

--Dat is te weinig; hij moest er vijftig hebben.

--Dertig is genoeg.

--Dan mogen ze ter dege raak zijn. Wie zal ze hem toedienen?

--Natuurlijk gij. Gij hebt er u op verheugd, Halef!

Ofschoon hij bij sommige gelegenheden dolgraag met zijn zweep te

werk ging, toch verwachtte ik dat hij dit werk beneden zich zou

achten. Ik had mij in mijn braven knaap niet vergist, want hij zei,

zich trotsch afkeerende:

--Dank u, Effendi! Wanneer het er op aankomt respect in te boezemen

met mijn zweep, dan ben ik bereid, maar een beulsknecht wil ik niet

zijn. De zweep is een teeken van heerschappij; haar hanteer ik, maar

geen stok. Een beul voltrekt een vonnis, en dat ben ik niet en wil

het niet zijn.

--Goed gezegd! Bepaal dan zelf, wie het doen zal.

--Dat doe ik met genoegen. Het liefst zie ik, dat vrienden en kameraden

elkander geven wat ieder hunner toekomt. Humun is de bloedsbroeder

van den kleermaker. Hij mag hem de dertig slagen geven als een bewijs

van hoogachting en broederliefde.

Die aanwijzing had mijn volle instemming. Ik toonde het door een

vriendelijk knikje, wat ten gevolge had, dat Halef zich tot Humun

wendde:

--Hebt gij gehoord, wat wij zeiden? Kom dus nader en stort over uw

genooten de weldaden uit van de gerechtigheid!

--Dat doe ik niet!--luidde 's mans weigering.

--Dat kan u geen ernst zijn. Ik raad u, denk aan u zelf. De dertig

worden uitgeteld. Als gij ze hem niet geeft, krijgt gij ze zelf. Dat

beloof ik u bij den baard van mijn vader. Vooruit dus! Draal niet of

ik leer u, hoe te beginnen!

Humun begreep, dat hij er niet aan ontkomen kon. Hij ging naar de

bank en nam een van de stokken op. Het was hem echter aan te zien,

dat hij van plan was geen scherpe scherprechter te zijn. Daarom

waarschuwde Halef hem:

--Maar ik zeg u, telkens als gij, naar mijn oordeel te zacht slaat,

krijgt gij er een met mijn zweep. Doe dus uw uiterste best! Osko,

vraag de zweep van den Effendi en ga aan de andere zijde van dezen al

te zachtzinnigen man staan! Zoodra ik mijn Kurbatsche op hem laat

neerdalen, doet gij hetzelfde met de uwe. Dat zal hem opwekken,

om onze tevredenheid gaande te houden. Omar mag tellen en commandeeren.

Humun bevond zich in een pijnlijken toestand. Hij zou Suef gaarne

gespaard hebben, maar rechts van hem stond Halef, links Osko, met de

zweep in de hand! Hij was dus zelf in dreigend gevaar en zag in, dat

hij gehoorzamen moest. In allen geval was het niet voor het eerst,

dat hij dat werk deed; men zag het terstond aan de manier, waarop

hij den stok even op de plek legde, die hij wilde raken.

Suef zei geen woord. Bewegen kon hij zich niet. Maar als de blikken,

die hij ons toewierp, lemmetten waren geweest, had hij duizend dooden

doen sterven.

Murad Habulam wendde het oog niet af, van wat er gebeurde. Zijn

lippen trilden van beving! Telkens scheen hij te zullen spreken,

maar telkens bedwong hij zich. Maar toen Humun den eersten haal deed,

kon hij zich niet langer inhouden; hij riep:

--Houd op! Ik beveel 't!

--Zwijg! Geen woord meer!--gebood ik. Ik wil u genadiger behandelen,

dan gij het met ons van zins waart; maar zegt gij nog een enkel

woord zonder mijn vergunning, dan neem ik u mee naar Uskub en lever

u over aan 't gerecht. Wij kunnen bewijzen, dat gij ons hebt willen

vermoorden, en als ge soms denkt dat na onze verwijdering de rechters

van dit land u zullen vrij laten, dan maak ik er u opmerkzaam op,

dat in Uskub vele Balioslar (Consuls) zijn, die de macht hebben de

strengste straffen voor u te vorderen. Wees dus verstandig en zwijg!

Als een, wien alle moed ontzinkt, zonk hij ineen. Hij kende de macht

der hem genoemde Balioslar van de Mogendheden en was er bang voor;

daarom zeide hij nu ook geen woord meer.

Suef kreeg zijn dertig slagen. Hij beet de tanden op elkaar en gaf

geen enkel geluid, behalve dat van zijn knarstanden. Zoodra Humun de

eerste bloedige striem zag, scheen hij er niet meer aan te denken,

dat hij Suef had willen sparen. Er zijn menschen bij wie, door het

zien van bloed, de bloedgierigheid komt. Wilden schijnen er dronken

van te worden.

Ik had terstond bij den eersten slag, mijn oogen dicht gedaan. Het

is allesbehalve aangenaam, een executie bij te wonen; maar ik

verbeeldde mij nu, dat ik het aan Vrouwe Justitia en aan de menschheid

verschuldigd was, hier geen genade te oefenen, en het vervolg heeft

geleerd, dat Suef deze tuchtiging rijkelijk verdiende.

Hij had geen geluid gegeven; maar nauwelijks was de laatste slag

gevallen, of hij riep:

--Raki, raki tabanlar Uzerinde dokyn, tschapuk, tschapuk,--raki,

raki op mijn voeten, vlug, vlug!

Nu waagde Habulam het, om te spreken. Hij beval Anka, raki te

halen. Zij bracht een flesch vol, Humun nam ze en stak allereerst

hem den hals in den mond. Suef slikte een paar teugen, waarna het

bijtende vocht in de wonden werd gegoten. Hij liet niets als een

sterk gesis door zijn tanden hooren. Die man moest zenuwen van

ijzerdraad hebben. Of had hij de hem toegediende straf reeds zóó

dikwijls gekregen, dat zijn zenuwen er grootendeels aan gewend waren?

Hij werd van de plank losgemaakt en kroop naar Habulam. Daar ging hij

met de beenen kruiselings zitten, liet het hoofd tusschen de knieën

rusten en keek ons verachtelijk aan, waarna hij ons den rug toekeerde.

--Effendi, met den dieë hebben wij afgerekend,--zeide Halef. Wie komt

nu aan de beurt?

--Humun--antwoordde ik kortaf.

--Hoeveel?

--Twintig.

--Van wien?

--Dat moogt gij bepalen!

--Murad Habulam!

De Hadschi was ook niet van gisteren. Door den eenen schurk te dwingen

den andere te executeeren, zaaide hij haat en wraak onder die bende.

Habulam wilde zich onttrekken, zeggende:

--Humun is altoos mijn trouwe dienaar geweest, hoe kan ik hem dan

bastonneeren!

Door het land der Skipetaren · 第 27 / 34 段